Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2020:260 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-851

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2020:260
Datum uitspraak: 05-10-2020
Datum publicatie: 12-01-2021
Zaaknummer(s): 19-851
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Gedragingen in strafzaken
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De raad oordeelt het verzet ongegrond. Geen aanleiding voor getuigenverhoor.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 5 oktober 2020

in de zaak 19-851/AL/NN

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 26 mei 2020 op de klacht van:

klager

over

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 8 juli 2019 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 17 december 2019 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2019 KNN097/978241 digitaal van de deken ontvangen.

1.3    Bij beslissing van 26 mei 2020 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels kennelijk ongegrond verklaard en bepaald dat de klacht deels niet-ontvankelijk is op grond van artikel 46g eerste lid 1, onder a, Advocatenwet. Deze beslissing is op 26 mei 2020 verzonden aan partijen.

1.4    Op 24 juni 2020 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 25 juni 2020 ontvangen.

1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 3 augustus 2020. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig.

1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.

1.7    Ter zitting heeft klager een schriftelijk stuk aan de voorzitter van de raad overhandigd waarin het volgende staat vermeld:

“Hier verzoek ik de advocaat [verweerster] onder de eed te verklaren of zij contact met medewerker van de stichting [naam] die [naam medewerker] heeft gemaakt heeft en zijn hulp en steun gevraagd om mijn 7 strafzaken tegen haar cliënt [naam cliënt] geblokkeerd te worden en niet in behandeling genomen te worden en dat is afhankelijkheid van de goede contact tussen medewerker van stichting [naam] en staf van bureau van officier van Justitie Amsterdam? Graag ontvang ik kopie van haar getuigenis/verklaring nadat het door haar wordt ondergetekend.”

2    VERZET EN VERWEER

2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:

-    de voorzitter heeft in klachtonderdeel a) miskend dat verweerster klager in zijn hoger beroepen 23-01146 en 23-004779 heeft bijgestaan, zodat sprake is geweest van belangenconflict. Verweerster heeft immers tijdens de zitting van 25 oktober 2011 voor klager uitstel gevraagd, terwijl zij daarna in haar e-mail van 15 november 2011 heeft geschreven dat zij zich terugtrok uit zijn zaak. Ten onrechte heeft de voorzitter zich gefocust op de verjaringstermijn en alle overige door klager aangevoerde omstandigheden opzettelijk genegeerd;

-    de voorzitter heeft in klachtonderdeel b) het verweer van verweerster ten onrechte als waarheid aangenomen, terwijl zij gelogen heeft en klager bewijs daarvan heeft geleverd. Verweerster kende klager al wel in 2011. In de strafzaken van 2014/2015 was klager slachtoffer van haar cliënt, terwijl verweerster op de hoogte is geweest van persoonlijke gegevens van klager en zijn aangiften. De voorzitter heeft opzettelijk de paradox in het werk van het OM genegeerd, die geweigerd heeft om de terechte aangiften van klager in behandeling te nemen wegens medeplichtigheid van het OM met een medewerker van stichting [naam]. Klager verzoekt de raad om verweerster en andere relevante personen als getuige, onder ede, te laten horen.

2.2    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op, behalve voor wat betreft in 1.2 van de beslissing is opgenomen. Volgens klager is feitelijk onjuist wat daarin staat wat wijst op een onserieuze en oneerlijke behandeling van zijn klachtzaak door de raad. Voor zover relevant zal de raad hierop in de beoordeling terugkomen.

2.3    Verweerster heeft in haar verweer gepersisteerd. De klacht over de kwestie in 2011 is door klager te laat ingediend. Het gerechtshof heeft een beslissing genomen waar zij geen enkele betrokkenheid bij heeft gehad. Het bewuste strafdossier heeft zij nimmer ontvangen. De kwestie uit 2018 is haar volstrekt onbekend, zodat haar geen bemoeienis of inmenging kan worden verweten.

3    FEITEN EN KLACHT

3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. Het verzet tegen feit 2.1 is niet relevant voor de beoordeling van de raad.

4    BEOORDELING

4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2    De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf heeft toegepast en rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De voorzitter heeft de klacht dus terecht en op juiste feiten en gronden de klacht deels kennelijk ongegrond verklaard en de klacht voor het overige terecht op grond van artikel 46g eerste lid 1, onder a, Advocatenwet niet-ontvankelijk geacht. Feiten of omstandigheden waarom sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding zou zijn, zijn door klager niet gesteld of gebleken.

4.3    De raad ziet in het verzoek van klager tot het houden van een getuigenverhoor, onder meer van verweerster, geen toegevoegde waarde. Klager heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd waarom verweerster, die ook ter zitting van de raad heeft verklaard, ook nog onder ede zou moeten worden gehoord. Gebleken is dat partijen het oneens zijn over feitelijke informatie en daarin lijnrecht tegenover elkaar staan. Een getuigenverhoor van verweerster zal daarin geen verandering brengen. Feiten of omstandigheden waarom eventueel ook andere getuigen zouden moeten worden gehoord, zijn door klager gesteld noch gebleken, zodat ook aan dat verzoek van klager voorbij wordt gegaan.

4.4    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. W.W. Korteweg, C.W.J. Okkerse, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2020.

Griffier                                                  Voorzitter

Verzonden d.d. 5 oktober 2020