Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2022:179 Raad van Discipline Amsterdam 22-588/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2022:179
Datum uitspraak: 05-09-2022
Datum publicatie: 12-09-2022
Zaaknummer(s): 22-588/A/A
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht van een deurwaarderskantoor over verweerder niet-ontvankelijk vanwege tijdsverloop.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam
van  5 september 2022
in de zaak 22-588/A/A

naar aanleiding van de klacht van:


klaagster


over:

   
verweerder
gemachtigde: mr. M.F.H. van Delft
advocaat te Leusden


De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 20 juli 2022 met kenmerk 1643988/EJH/YH, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klaagster is een gerechtsdeurwaarderskantoor. Zij heeft in opdracht en voor rekening van verweerder diverse (ambtelijke en niet ambtelijke) werkzaamheden verricht. Tussen klaagster en verweerder is op enig moment een geschil ontstaan over de betaling van een bedrag van € 3.869,79 door klaagster aan de derdengeldenrekening van het kantoor van verweerder in september 2014 dat volgens klaagster onverschuldigd is betaald en over facturen die klaagster aan verweerder heeft gestuurd voor haar werkzaamheden.
1.2    Bij brief van 20 januari 2017 heeft de gemachtigde van verweerder klaagster onder meer geschreven:
“Spijtig genoeg heeft de directie moeten vaststellen dat de genoemde praktijkvennootschap – kort en zakelijk weergegeven – niet meer levensvatbaar te achten is. (…)
Het vorenstaande heeft geleid tot de gemelde conclusie dat het voortbestaan van de praktijkvennootschap op losse schroeven is komen te staan. De aandeelhouders hebben daarom besloten – mede in aanmerking genomen het vorenstaande en de meer dan pensioengerechtigde leeftijd van één hunner – om over te gaan tot ontbinding van de praktijkvennootschap. De ontbinding heeft effect per 31 januari 2017. (…)
In elk geval heb ik geconstateerd dat u c.q. uw onderneming voorkomt op de crediteurenlijsten van de praktijkvennootschap en ter verificatie van het openstaande saldo mag ik u vriendelijk verzoeken mij opgave te doen van uw vordering (…)
Het is (…) de bedoeling uiteindelijk een algeheel crediteuren akkoord aan te bieden teneinde u als gewaardeerde zakenrelatie tevens crediteur nog enige genoegdoening te kunnen bieden.”
1.3    Bij per e-mail gestuurde brief van 25 oktober 2017 heeft de gemachtigde van verweerder de advocaat van klaagster onder meer geschreven:
“Vast staat dat uw kantoor gelden heeft geïncasseerd ten behoeve van een cliënt van het advocatenkantoor (…) 
Vervolgens zijn de geïncasseerde gelden overgemaakt op rekening van de Stichting Beheer Derdengelden [van het kantoor van verweerder]. (…)
Vervolgens heeft de Stichting Beheer Derdengelden (…) het ontvangen bedrag ook doorbetaald aan partij [G]. Partij [G] is immers de begunstigde en ook dit is tussen partijen in confesso. 
Bij die doorbetaling heeft de Stichting Beheer Derdengelden voornoemd ook volledig te goeder trouw gehandeld (…)
Niet alleen was de Stichting Beheer Derdengelden voornoemd verplicht om de ontvangen gelden door te betalen, maar heeft zij daarbij ook volledig te goeder trouw gehandeld en kon en mocht worden vertrouwd op een correcte eindafrekening van de zijde van uw kantoor. (…)
Voor zover ik de stellingen uit de dagvaarding aldus moet begrijpen, dat er teveel zou zijn uitgekeerd aan de Stichting Beheer Derdengelden en er derhalve onverschuldigd zou zijn betaald, gaat die vlieger niet op. (…)
Ondanks het feit dat er sprake is van een betwiste vordering heb ik cliënte toch bereid gevonden om in het kader van een algeheel akkoord te voldoen 20,8% van de oorspronkelijke hoofdsom van € 3.869,79. Dit aanbod is overigens een praktische, doch desalniettemin geheel onverplichte geste.
(…)
Zo niet, dan is een faillissement niet uitgesloten en wijs ik u op artikel 146 Fw met betrekking tot het dwangakkoord. Het moge duidelijk zijn dat in het geval van een faillissement uw kantoor volledig achter het net vist.
Daarnaast vraag ik aandacht voor de inhoud van uw brief d.d. 17 juli 2017, waarin diverse dossiers zijn genoemd. Voor zover het betreft de openstaande facturen, geldt hiervoor het zelfde als met betrekking tot de [G]-kwestie.” 
1.4    Bij vonnis van 2 mei 2018 heeft de kantonrechter de vorderingen van klaagster toegewezen. Verweerder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, in welk hoger beroep de beslissing van de kantonrechter (op een enkel onderdeel na) is bevestigd.
1.5    Op 20 januari 2021 heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.
a)    Verweerder is, ondanks dat hij dient in te staan voor de vergoeding van kosten en vergoedingen van door hem ingeschakelde derden, niet overgegaan tot betaling aan klaagster van de werkzaamheden die zij voor verweerder heeft uitgevoerd.
b)    Verweerder heeft zijn praktijkvennootschap geliquideerd/ontbonden, waardoor klaagster als schuldeiser van die rechtspersoon in de kou komt te staan, hetgeen in strijd is met de verplichting een behoorlijke beroepsuitoefening te voeren c.q. de verplichting om te handelen zoals een behoorlijk advocaat betaamt.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    De voorzitter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of klaagster kan worden ontvangen in haar klacht. Ingevolge artikel 46g lid 1 onder a, Advocatenwet wordt een klacht door de voorzitter niet-ontvankelijk verklaard indien de klacht (bij de deken) wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. De voorzitter dient dit voorschrift ambtshalve toe te passen.
4.2    Klaagster verwijt verweerder dat hij declaraties van klaagster voor in zijn opdracht verrichte ambtshandelingen en andere diensten onbetaald heeft gelaten en het verhaal van de betalingsverplichtingen illusoir heeft gemaakt door geruisloos zijn onderneming te beëindigen. In de brief van 20 januari 2017 heeft de gemachtigde van verweerder klaagster meegedeeld dat is besloten om de praktijkvennootschap van verweerder te ontbinden en dat het de bedoeling is om een algeheel crediteurenakkoord aan klaagster aan te bieden. Klaagster heeft echter betwist dat zij deze brief heeft ontvangen. Klaagster heeft niet betwist dat zij de brief van 25 oktober 2017 heeft ontvangen. Ook uit die brief had klaagster kunnen opmaken dat verweerder haar facturen niet zou betalen omdat de praktijkvennootschap geliquideerd dan wel ontbonden zou worden. Anders dan klaagster stelt gaat het in laatstgenoemde brief niet alleen over het bedrag dat volgens klaagster onverschuldigd zou zijn betaald, maar ook over de onbetaalde facturen van klaagster. De termijn van artikel 46g lid 1 onder a, Advocatenwet is dan ook op 25 oktober 2017 gaan lopen. Door pas op 20 januari 2021 een klacht in te dienen, heeft klaagster de klaagtermijn overschreden. Van bijzondere omstandigheden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, is niet gebleken. De klacht is dan ook niet-ontvankelijk. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, in beide onderdelen niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. S. el Bouazzati-van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2022.


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 5 september 2022