Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2021:53 Raad van Discipline Amsterdam 20-647/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2021:53
Datum uitspraak: 15-03-2021
Datum publicatie: 23-03-2021
Zaaknummer(s): 20-647/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Berichten aan derden
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Wat nooit geoorloofd is
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen:
  • Berisping
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerder heeft citaten uit correspondentie tussen de advocaat wederpartij en diens cliënt in het geding gebracht, hetgeen een schending oplevert van de vertrouwelijke relatie tussen advocaat en cliënt. Berisping en kostenveroordeling.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 15 maart 2021

in de zaak 20-647/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klagers

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 21 juli 2019 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 27 augustus 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 984349/EJH/FS van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 februari 2021. Daarbij was klager vergezeld door zijn dochter en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4 en I tot en met IV. Ook heeft de raad kennisgenomen van de brief van verweerder met bijlage van 15 januari 2021.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Verweerder is de advocaat van de wederpartij van klagers in een civielrechtelijke procedure. Klagers treden daarin op als eisers in hoofdzaak en in incident. De cliënte van verweerder is de dochter van klagers. Partijen zijn verwikkeld in een geschil over de verdeling van een woning die zij gezamenlijk in eigendom hebben en gezamenlijk bewonen. Klagers worden hierin bijgestaan door mr. Van B.

2.3    Op 27 oktober 2017 heeft mr. Van B. aan klagers een e-mail gestuurd met als onderwerp “Vervolgstappen procedure (...)” waarin onder meer is geschreven:

“Met het resultaat van de hiervoor beschreven deskundigenoordelen kunnen wij de rechtbank ervan overtuigen dat verdeling op korte termijn dient plaats te vinden en dat een eventuele vordering van [de cliënte van verweerder] om te bepalen dat gedurende de komende drie jaar geen verdeling plaatsvindt dient te worden afgewezen. Daarnaast kunnen wij hiermee onderbouwen dat de door ons gestelde wijze van verdelen dient plaats te vinden en niet de door [de cliënte van verweerder] voorgestelde wijze van verdelen (...). Dat laatste zullen wij overtuigend moeten doen, omdat ik van mening ben dat de rechtbank de voorkeur zal geven aan een wijze van verdelen die [de cliënte van verweerder] en de kinderen in staat stelt daar te blijven wonen en werken.”

2.4    In een e-mail van 10 november 2017 heeft de andere dochter van klagers (niet zijnde de cliënte van verweerder) verslag gedaan van een gesprek dat haar man met mr. Van B heeft gevoerd over de procedure:

“Voor wat betreft het leven op de locatie (bv het afluisteren) geeft hij aan dat dat vervelend is maar dat hoe gekker des te beter voor de rechter/het dossier. Zodat er eigenlijk geen andere keuze is dan partijen zo snel mogelijk uit elkaar te halen.”

2.5    Op 19 april 2018 heeft mr. Van B. aan (de schoonzoon van) zijn cliënten (klagers) de volgende e-mail gestuurd:

“(...) maar ik denk dat wij daarnaast een ander argument nodig hebben om deze tegenvordering tegen te houden. Mijns inziens moet dat argument bestaan uit de enorme psychische druk die de ‘samenwoning’ voor jouw schoonouders met zich brengt. Daartoe hebben wij mijns inziens het volgende nodig:

1.    Een zoveel mogelijk onderbouwde bloemlezing van het handelen van [de cliënte van verweerder] dat de psychische druk oplevert;

2.    Een verklaring van een deskundige (huisarts, bij voorkeur psycholoog) dat er bij jouw schoonouders sprake is van ernstige psychische druk.

De hiervoor vermelde bloemlezing lijkt mij nodig om de rechter in de juiste modus te zetten. Daarnaast vermoed ik dat [de cliënte van verweerder] hier fors tegenin zal gaan, waarmee zij mijns inziens haar eigen graf graaft. Haar gedrag zal dan het standpunt van [klagers] onderschrijven. (...)”

2.6    Deze e-mail is op 20 april 2018 door de schoonzoon op verzoek van mr. Van B. aan klagers doorgestuurd.

2.7    In zijn conclusie van antwoord van 24 oktober 2018 heeft verweerder het volgende opgenomen:

“30. Wat [de cliënte van verweerder] in het bijzonder tot in het diepst van haar ziel raakt is het feit dat de raadsman van [klagers], [mr. Van B.], in zijn strategie van mening is dat eisers kennelijk een ander argument nodig hebben om een tegenvordering of tegenactie van gedaagde tegen te kunnen houden. Zijns inziens zou dit argument moeten bestaan uit het fictief doen voorkomen van psychische druk welke het samenwonen met gedaagde met zich mee zou brengen. Om dat argument te verkrijgen zou “uit een te creëren bloemlezing af te leiden moeten zijn welk handelen van gedaagde deze vermeende psychische druk zou doen ontstaan en anderzijds zou via huisarts of psycholoog een verklaring verkregen moeten worden dat er bij eisers sprake zou zijn van ernstige psychische druk”. Gedaagde biedt aan te bewijzen dat deze tekst door [mr. Van B.] is gebruikt.

31. Louter en alleen het verzinnen van argumenten van uiterst pijnlijke aard, omdat de bloemlezing de raadsman nodig lijkt om u, de Rechtbank “in de juiste modus te zetten”, waarbij hij zijn verwachting uitspreekt “dat gedaagde hier fors tegenin zal gaan waardoor zij haar eigen graf zal graven.” (...)”

2.8    In alinea 62 van de conclusie van antwoord in incident heeft verweerder het volgende geschreven:

“Het is de gedaagde ter ore gekomen dat de advocaat van [klagers] van mening is “dat de rechtbank de voorkeur zal geven aan een wijze van verdelen die [de cliënte van verweerder] en de kinderen in staat stelt daar te blijven wonen en werken” althans woorden van gelijke strekking. Als dat zijn mening is zou deze advocaat dan ook niet naar die oplossing moeten toewerken en er niet met een gestrekt been in moeten gaan?”

2.9    In de civielrechtelijke procedure heeft verweerder tevens als productie een door zijn cliënte opgesteld boek over de zaak in het geding gebracht. In het boek waren onder meer citaten uit e-mails van mr. Van B. aan (vertegenwoordigers van) klagers opgenomen, welke verweerder onleesbaar heeft gemaakt.

2.10    Ten behoeve van de zitting van 7 mei 2019 in deze zaak heeft verweerder de door zijn cliënte opgestelde concept-tuchtklacht tegen mr. Van B. als productie in het geding gebracht zonder de daarin opgenomen citaten uit correspondentie onleesbaar te maken. In die concept-tuchtklacht heeft zijn cliënte uit eerdergenoemde e-mail van mr. Van B. van 19 april 2018 geciteerd en uit de e-mail van haar zus van 10 november 2017. Ten aanzien van die laatste e-mail heeft de cliënte van verweerder het volgende geschreven:

“Uit in mijn bezit zijnde correspondentie benadrukt [mr. Van B.] naar zijn cliënt dat er een strategie gehanteerd dient te worden die bestaat uit een verzonnen bloemlezing. Hij zegt daarover o.a. “hoe gekker, hoe beter”.”

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder dat hij in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij vertrouwelijke stukken en informatie, die op onrechtmatige wijze verkregen zijn, in de procedure heeft gebracht.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    De raad stelt vast dat de klacht is gericht tegen verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij. Uitgangspunt is dat aan die advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een tegenpartij worden beknot, tenzij diens belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

5.2    Op grond van vaste jurisprudentie stelt de raad voorop dat correspondentie tussen een advocaat en zijn cliënt bij uitstek van vertrouwelijke aard is, en dat die vertrouwelijkheid mede gerespecteerd moet worden door een advocaat die de beschikking krijgt over correspondentie tussen een andere advocaat en diens cliënt. Het staat de advocaat van de wederpartij dan ook niet vrij dergelijke correspondentie, behoudens uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toestemming of bijzondere omstandigheden, te openbaren. Schending van dit respect voor het vertrouwelijk karakter zal, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, door de verweerder te stellen en aannemelijk te maken, moeten worden aangemerkt als een handelwijze die een behoorlijk advocaat niet betaamt. Zo’n uitzondering zou kunnen worden aanvaard als er een conflict van belangen bestaat en de waarheidsvinding tot het overleggen van die correspondentie daartoe dringend zou nopen. De raad zal aan de hand van deze maatstaf beoordelen of verweerder in de civiele procedure van deze correspondentie gebruik had mogen maken.

5.3    Verweerder stelt om te beginnen dat het voor een deel citaten betreffen die zijn opgetekend door zijn cliënte aan de hand van door haar opgevangen (telefoon)gesprekken gevoerd tussen klagers en derden. De raad acht deze verklaring niet aannemelijk ten aanzien van het citaat opgenomen in alinea 62 van de conclusie van antwoord (randnummer 2.8), nu het citaat letterlijk overeenkomt met de e-mail van mr. Van B. van 27 oktober 2017 aan klagers. Voor wat betreft het citaat uit alinea 30 van de conclusie van antwoord (randnummer 2.7) is het evenmin aannemelijk dat deze informatie uit een telefoongesprek is afgeleid, aangezien het citaat grote overeenkomsten vertoont met de e-mail van mr. Van B. van 19 april 2018. Verweerder heeft bovendien in de conclusie van antwoord bewijs aangeboden van de stelling dat deze tekst door mr. Van B. is gebruikt, hetgeen erop lijkt te duiden dat hij de e-mail ter onderbouwing zou kunnen overleggen. De raad komt dan ook tot de conclusie dat de door verweerder gebruikte citaten afkomstig zijn uit de hiervoor genoemde e-mails. In elk geval staat vast dat voor verweerder duidelijk was dat hij weergaven deed van contacten van een advocaat met diens cliënten. Voor zover de klacht van klagers ziet op andere informatie die door verweerder zou zijn verkregen door het afluisteren van (telefoon)gesprekken tussen klagers en derden door de cliënte van verweerder, laat de raad deze verwijten buiten beschouwing nu niet kan worden vastgesteld of informatie op deze wijze is verkregen.

5.4    Daarnaast acht verweerder van belang dat, met uitzondering van de e-mail van 27 oktober 2017, alle citaten afkomstig zijn uit correspondentie tussen vertegenwoordigers van klagers met mr. Van B. dan wel van correspondentie tussen de vertegenwoordigers van klagers en klagers, en dus geen rechtstreekse correspondentie tussen mr. Van B. en zijn cliënten is. De raad verwerpt dit het standpunt van verweerder. Om te beginnen is informatie in de e-mail van mr. Van B. van 19 april 2018 aan de schoonzoon van klagers klaarblijkelijk voor klagers bedoeld, zodat deze e-mail eveneens onder de vertrouwelijkheid valt. Hetzelfde geldt voor de e-mail van de andere dochter van klagers aan klagers van 10 november 2017 waarin zij verslag doet van een gesprek met mr. Van B. (randnummer 2.10). Ook in dit gesprek wordt informatie van mr. Van B. bedoeld voor klagers aan hen teruggekoppeld. Het was verweerder derhalve niet toegestaan om deze vertrouwelijke informatie in de procedure te gebruiken.

5.5    Voor wat betreft de herkomst van de e-mails waaruit verweerder klaarblijkelijk heeft geciteerd, heeft hij naar voren gebracht dat zijn cliënte heeft gezegd dat klagers de e-mails (al dan niet bewust) open en bloot in de woning hebben neergelegd en dat deze derhalve voor zijn cliënte onmiddellijk ter inzage waren. Hiermee zouden klagers de vertrouwelijkheid prijs hebben gegeven, aldus verweerder. De raad overweegt dat, als dat al zo zou zijn (hetgeen door klagers wordt betwist), dat niet betekent dat verweerder ervan uit mocht gaan dat hij deze stukken mocht gebruiken. Feit is dat verweerder niet met zekerheid kan zeggen hoe zijn cliënte aan de stukken is gekomen. Omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de e-mails waaruit door verweerder is geciteerd desalniettemin op rechtmatige wijze in het bezit van (de cliënte van) verweerder zijn gekomen, in die zin dat hij daarvan gebruik zou mogen maken, zijn door verweerder niet gesteld, terwijl zulks in dit geval wel op zijn weg had gelegen, gelet op het in beginsel vertrouwelijke karakter van de correspondentie tussen een advocaat en zijn cliënt. De raad voegt daaraan toe dat zelfs als zou kunnen worden vastgesteld dat de e-mails op rechtmatige wijze in het bezit van verweerders cliënte zouden zijn gekomen, daarin nog geen rechtvaardiging voor het gebruik in rechte kan worden gevonden, gelet op de vertrouwelijke aard van de e-mails. Ook indien de inhoud van de e-mails op rechtmatige wijze in verweerders bezit was gekomen, had verweerder immers moeten onderzoeken of voor het overleggen in rechte hiervan toestemming bestond.

5.6    Verweerder stelt tot slot dat hij geen inzage in de correspondentie tussen klagers en hun advocaat heeft gehad, en aldus enkel indirect via zijn cliënte kennis heeft genomen van citaten waarvan hij de herkomst niet kende. Hij heeft slechts gebruik gemaakt van citaten die zijn cliënte met hem heeft gedeeld. Of verweerder de desbetreffende e-mails wel of niet daadwerkelijk in zijn bezit had of alleen citaten daaruit is niet relevant en kan in het midden blijven: Verweerder schendt zoals hiervoor weergegeven in de conclusie van antwoord de vertrouwelijke relatie van mr. Van B. met zijn cliënten (klagers). Door alleen citaten te gebruiken die door zijn cliënte zijn geselecteerd heeft verweerder bovendien het risico aanvaard dat de citaten uit hun context werden gehaald.

5.7    Op grond van het voorgaande is vast komen te staan dat verweerder (al dan niet letterlijke) citaten uit vertrouwelijke e-mails tussen de advocaat van klagers en (vertegenwoordigers van) klagers in rechte heeft overgelegd zonder voorafgaande toestemming van klagers, hun advocaat of de deken. Ook door het overleggen van de concept-tuchtklacht van zijn cliënte tegen mr. Van B. inclusief citaten uit correspondentie tussen klagers en mr. Van B. ten behoeve van de zitting van 7 mei 2019 heeft verweerder indirect vertrouwelijke correspondentie in het geding gebracht.

5.8    Verweerder heeft aangevoerd dat overlegging in het belang van zijn cliënte was. De raad is echter van oordeel dat, gelet op de hiervoor beschreven onmiskenbare vertrouwelijke aard van de correspondentie tussen een advocaat en zijn cliënt. De raad deelt niet de opvatting van verweerder dat in dit bijzondere geval de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van klaagster moest wijken voor het belang van zijn cliënten om in de civiele procedure gebruik te kunnen maken van de overgelegde correspondentie. Verweerder heeft bovendien in deze klachtprocedure erkend dat het inbrengen van deze citaten voor de inhoudelijke kant van de zaak geen waarde had maar slechts gebruikt is om de rechter een goed inzicht te geven in de verhoudingen tussen de partijen.

5.9    Aan de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder doet niet af dat verweerder wel de afweging heeft om gemaakt om de citaten uit e-mails in het door zijn cliënte opgestelde boek dat als productie in het geding is gebracht af te plakken waarvan hij “wist of vermoedde dat die e-mails vertrouwelijk zouden kunnen zijn (omdat deze citaten uit mails van [mr. Van B.] aan [klager] afkomstig zouden kunnen zijn)”. Dit neemt immers niet weg dat verweerder zoals hiervoor beschreven in andere gevallen er wel voor heeft gekozen citaten uit vertrouwelijke correspondentie in het geding te brengen en derhalve heeft nagelaten de vertrouwelijkheid tussen mr. Van B. en klagers te respecteren. Bovendien zal genoemde verplichting om geen kennis te nemen van correspondentie tussen de advocaat van de wederpartij en zijn cliënt en de verplichting om die correspondentie niet in geding te brengen op onaanvaardbare wijze aan waarde inboeten als het een advocaat vrij zou staan om naar eigen goeddunken en op grond van een eigen opvatting omtrent de betekenis van de inhoud van die correspondentie en omtrent hetgeen het belang van zijn of haar cliënt meebrengt, zonder de wederpartij daarin te kennen, te bepalen om van die correspondentie gebruik zal worden gemaakt.

5.10    Uit voorgaande volgt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de kernwaarde geheimhouding als bedoeld in artikel 10a lid 1 sub d en artikel 11a lid 1 Advocatenwet en  zich (dus) niet heeft gedragen op een wijze die een advocaat niet betaamt. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens klagers gehandeld.

6    MAATREGEL

6.1    Bij de op te leggen maatregel neemt de raad in aanmerking dat verweerder niets slechts eenmalig maar herhaaldelijk de vertrouwelijke relatie tussen de advocaat van de wederpartij en zijn cliënten heeft geschonden. Verder betrekt de raad hierbij het gebrek aan inzicht en introspectie van verweerder in het verwijtbare van zijn eigen handelen en nalaten. Mede gezien deze houding, die moet worden onderscheiden van het voeren van de verdediging in deze tuchtzaak, is het de raad van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50,- reiskosten van klagers,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

Aldus beslist door mr. Q.R.M. Falger, voorzitter, mrs. D. Horeman, C. Wiggers, leden, bijgestaan door mr. N.M.K. Damen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2021.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op 15 maart 2021