ECLI:NL:TACAKN:2026:56 Accountantskamer Zwolle 24/4360 en 25/2229 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:56 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-06-2026 |
| Datum publicatie: | 26-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 24/4360 en 25/2229 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Betrokkene is accountant geweest van een onderneming (een recreatiepark), die bestaat uit verschillende vennootschappen. Hij had de opdracht om (onder andere) de jaarrekeningen samen te stellen en de belastingaangiften te verzorgen. Klagers verwijten betrokkene dat hij fouten heeft gemaakt bij de bevestiging van de opdracht, het samenstellen en deponeren van de jaarrekeningen en de belastingaangiften. Betrokkene heeft zich ook bemoeid met aanvragen en procedures met betrekking tot coronasteunmaatregelen. Volgens klagers zijn daarbij eveneens fouten door betrokkene gemaakt. De Accountantskamer verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond, betrokkene krijgt de maatregel opgelegd van tijdelijke doorhaling voor de duur van één maand. |
UITSPRAAK van 26 juni 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 18 december 2024 en 15 augustus 2025 ontvangen klachten met nummers 24/4360 en 25/2229 Wtra AK van
1. X1
2. X2 B.V.
3. X3 B.V.
wonende en kantoorhouden te [plaats1]
K L A G E R S
advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen
t e g e n
Y1
voorheen accountant-administratieconsulent
kantoorhoudende te [plaats1]
B E T R O K K E N E
1. De procedure
1.1. Klagers hebben een klaagschrift met bijlagen ingediend dat de Accountantskamer op 18 december 2024 heeft ontvangen. Deze klacht is geregistreerd onder 24/4360 Wtra AK (hierna: de eerste klacht).
1.2. De Accountantskamer heeft per brief van 20 december 2024 klagers verzocht de klacht binnen vier weken aan te vullen. Dat verzoek heeft de Accountantskamer bij brief van 22 januari 2025 herhaald, maar klagers hebben niet gereageerd.
1.3. De voorzitter van de Accountantskamer heeft bij uitspraak van 25 februari 2025 klagers niet-ontvankelijk verklaard in hun klacht.
1.4. Klagers zijn tijdig in verzet gekomen tegen deze uitspraak, waardoor de uitspraak van de voorzitter is komen te vervallen.
1.5. Op 15 augustus 2025 hebben klagers een aanvullende klacht tegen betrokkene ingediend. Deze klacht is geregistreerd onder 25/2229 Wtra AK (hierna: de tweede klacht).
1.6. De mondelinge behandeling van de eerste klacht, die op 1 september 2025 stond gepland, is in verband met de indiening van de tweede klacht niet doorgegaan.
1.7. De Accountantskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 18 december 2024 (de eerste klacht)
- het verzetschrift met bijlagen, gedagtekend 3 april 2025
- het verweerschrift met bijlagen, gedagtekend 2 mei 2025
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 15 augustus 2025 (de tweede klacht)
- het verweerschrift met bijlagen, gedagtekend 14 november 2025
- de op de zitting door beide partijen overgelegde pleitaantekeningen.
1.8. De klachten zijn behandeld op de openbare zitting van 20 april 2026. Klager 1 is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat, de heer [A] en zijn huidige accountant [B] RA. Betrokkene is ook verschenen.
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. Betrokkene is accountant geweest van een onderneming (een recreatiepark), die bestaat uit verschillende vennootschappen. Hij had de opdracht om (onder andere) de jaarrekeningen samen te stellen en de belastingaangiften te verzorgen. Klagers verwijten betrokkene dat hij fouten heeft gemaakt bij de bevestiging van de opdracht, het samenstellen en deponeren van de jaarrekeningen en de belastingaangiften. Betrokkene heeft zich ook bemoeid met aanvragen en procedures met betrekking tot coronasteunmaatregelen. Volgens klagers zijn daarbij eveneens fouten door betrokkene gemaakt.
De beslissing van de Accountantskamer.
2.2. De klacht is gedeeltelijk gegrond, betrokkene krijgt de maatregel opgelegd van tijdelijke doorhaling voor de duur van één maand.
3. De feiten
3.1. Betrokkene stond sinds 1993 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Met ingang van 1 januari 2026 is zijn inschrijving in het accountantsregister op zijn verzoek doorgehaald. Hij was destijds verbonden aan [accountantskantoor1] in [plaats1] (hierna: het accountantskantoor).
3.2. De onderneming van klager 1, recreatiepark [recreatiepark1] in [plaats1] (hierna: [recreatiepark1]), bestaat uit acht besloten vennootschappen:
1. [X3] B.V. (klaagster 3)
2. [BV1]
3. [BV2]
4. [BV3]
5. [BV4]
6. [X2] B.V. (klaagster 2)
7. [BV5]
8. [BV6]
3.3. De administratie van [reacreatiepark1] werd verzorgd door mevrouw [C], echtgenote van klager 1 (hierna: [C]). Zij is in 2023 na een langdurig ziekbed overleden.
3.4. De heer [A], nadat hij als student-stagiair onder andere op de administratie werkzaam is geweest, bij [recreatiepark1] in dienst getreden. Hij houdt zich onder andere bezig met de financiële administratie.
3.5. Betrokkene heeft op 16 mei 2019 een offerte uitgebracht aan [recreatiepark1] voor de controle van de administratie, het samenstellen van (geconsolideerde) jaarrekeningen en het verzorgen van belastingaangiften. [Recreatiepark1] is in september 2019 klant van het accountantskantoor geworden.
3.6. Op 22 april 2024 heeft [recreatiepark1] de overeenkomst opgezegd. Daarna is een geschil ontstaan over de openstaande facturen van betrokkene ter hoogte van € 28.551,12.
3.7. Tijdens een bespreking op 28 augustus 2024 tussen (de advocaten van) [recreatiepark1] en betrokkene is overeenstemming bereikt over een minnelijke regeling. Aan die vaststellingsovereenkomst is uitvoering gegeven.
3.8. Op 25 september 2024 heeft een nieuwe bespreking plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn partijen aanvullende afspraken overeengekomen ter zake van het verstrekken van stukken en betaling van een bedrag van € 9.551,12. Deze vaststellingsovereenkomst is niet volledig nagekomen en betaling is uitgebleven.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klagers gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.
4.2. Klagers maken betrokkene een groot aantal verwijten en hebben een grote hoeveelheid producties ingediend. Het staat de Accountantskamer vrij om in een dergelijk geval de verwijten zakelijk samen te vatten[1].
4.3. De Accountantskamer heeft klagers op de zitting een samenvatting van de klacht voorgehouden en klagers hebben bevestigd dat hun klachten daarin juist zijn weergegeven. De Accountantskamer zal zich bij de bespreking van de klachten dan ook hiertoe beperken.
4.4. Gelet op deze samenvatting komen de klachten van klagers erop neer dat zij betrokkene verwijten dat hij fouten heeft gemaakt bij:
1. de opdrachtbevestiging
2. (a) het samenstellen van de jaarrekeningen en (b) de deponering daarvan bij de Kamer van Koophandel
3. (a) de aanvragen op grond van Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging ten behoeve van behoud van Werkgelegenheid (NOW) en (b) de procedures in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) en een NOW-steekproef
4. (a) de belastingaangiften en (b) de in verband daarmee gevoerde procedures.
5. De beoordeling
5.1. Betrokkene heeft in de eerste plaats aangevoerd dat klagers hun klachten alleen hebben ingediend om de openstaande facturen niet te hoeven te betalen.
5.2. Voor zover betrokkene hiermee bedoelt dat klagers misbruik van tuchtrecht maken en daarom niet kunnen worden ontvangen in hun klachten, volgt de Accountantskamer dit verweer niet. Dat klagers bij deze tuchtprocedure (mogelijk) ook een eigen belang hebben dat niet samenvalt met de doelstelling van de tuchtrechtspraak, is namelijk onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van misbruik van tuchtrecht.
5.3. Daarmee komt de Accountantskamer toe aan de inhoudelijke beoordeling van de klachten. Het handelen of nalaten van betrokkene wordt getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS). De (destijds geldende) Standaard 4410 “Samenstellingsopdrachten” en Standaard 4415N “Accountantsopdracht bij de NOW-regelingen - Aan assurance verwant” zijn daarbij van toepassing.
5.4. Voorop moet worden gesteld dat het aan klagers is om de verwijten die zij betrokkene maken voldoende toe te lichten en te onderbouwen en bij gemotiveerd verweer aannemelijk te maken.
5.5. Klagers hebben ter onderbouwing van hun klachten een grote hoeveelheid producties ingediend. Anders dan zij kennelijk menen, is het niet aan de Accountantskamer om zelfstandig in deze producties op zoek te gaan naar wat wel en niet dienstig zou kunnen zijn voor hun klachten. Klagers dienen op een zodanige wijze te verwijzen naar de producties dat het voor betrokkene en de Accountantskamer duidelijk is welke feiten en stellingen aan deze producties worden ontleend ter staving van hun klachten[2]. Als een dergelijke verwijzing ontbreekt, wordt de inhoud van de producties buiten beschouwing gelaten.
Klachtonderdeel 1) fouten bij de opdrachtbevestiging
5.6. Klagers verwijten betrokkene dat hij fouten heeft gemaakt bij de bevestiging van de opdracht. Volgens klagers heeft betrokkene wel een offerte opgesteld, maar is deze nooit geformaliseerd. Er is volgens klagers geen sprake van een schriftelijke en door beide partijen ondertekende overeenkomst.
5.7. Betrokkene heeft naar voren gebracht dat hij een offerte heeft uitgebracht en dat hij deze op 4 juli 2019 met [C] heeft besproken. Volgens betrokkene zijn zij daarna mondeling overeengekomen om de samenwerking aan te gaan, wat op 17 september 2019 schriftelijk is bevestigd.
5.8. De Accountantskamer overweegt dat uit Standaard 4410.25 volgt dat een accountant, voorafgaand aan het uitvoeren van de opdracht de overeengekomen opdrachtvoorwaarden in een opdrachtbevestiging of andere schriftelijke overeenkomst moet vastleggen. Volgens de toelichtende paragraaf A42 moeten naast de bevestiging van de opdracht ook andere zaken worden bevestigd, zoals de doelstellingen en reikwijdte van de opdracht, de verantwoordelijkheden van het management met betrekking tot de samenstellingsopdracht en de vorm en inhoud van de samenstellingsverklaring.
5.9. De offerte die betrokkene heeft uitgebracht bevat alleen informatie over de door hem uit te voeren werkzaamheden en de daarmee samenhangende kosten. In deze offerte staat niets over de doelstellingen en reikwijdte van de opdracht, de verantwoordelijkheden van het management met betrekking tot de samenstellingsopdracht en de vorm en inhoud van de samenstellingsverklaring. Daarom moet worden geconcludeerd dat betrokkene de samenstellingsopdracht niet in overeenstemming met de (destijds) geldende regels heeft vastgelegd. Overigens is de term ‘controle’ in de offerte onjuist, omdat geen assurance is beoogd. Dat betrokkene (een deel van) de onderwerpen mogelijk wel heeft besproken tijdens het overleg met [C] op 4 juli 2019, kan niet tot een ander oordeel leiden. Betrokkene heeft dat immers niet schriftelijk vastgelegd. Het vastleggen van verantwoordelijkheden van het management was eens te meer van belang nu klager 1 zich in het geheel niet met de financiële gang van zaken van de onderneming wenste te bemoeien en er sprake was van een complexe administratie ten behoeve van een achttal vennootschappen waarbij een niet gebruikelijk administratief systeem werd gehanteerd. Ook liep er een boekenonderzoek door de Belastingdienst. Betrokkene heeft een en ander niet met beide ondernemers besproken en vastgelegd. Daarom moet worden geconcludeerd dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Het klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel 2a) fouten bij het samenstellen van de jaarrekeningen
5.10. Klagers hebben in dit verband naar voren gebracht dat de enkelvoudige jaarrekeningen van een aantal vennootschappen niet aan de aandeelhouders zijn verstrekt en dat de samenstellingsverklaring bij de geconsolideerde jaarrekening 2023 van klaagster 3 ontbreekt. Klagers hebben hierbij aangevoerd dat zij uitgebreid in hun administraties hebben gezocht naar deze stukken, maar dat zij deze niet hebben gevonden. Daarnaast zijn er volgens klagers geen contracten van doorbelastingen of rekeningen-courant en is de doorbelasting niet consistent verwerkt in een jaarrekening. Ook hebben klagers erop gewezen dat in de geconsolideerde jaarrekening 2023 van klaagster 3 foutherstel heeft plaatsgevonden ten aanzien van een groot aantal posten voor een totaal van ongeveer € 270.000. Al deze posten hebben volgens klagers betrekking op boekjaar 2022 of eerder.
5.11. Volgens betrokkene is het volstrekt onjuist dat hij diverse jaarrekeningen niet heeft verstrekt, waarbij hij heeft verwezen naar een overzicht van de verschillende data waarop hij de jaarrekeningen heeft aangeleverd en aan welke personen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat het gebruikelijk was dat hij jaarrekeningen verstrekte aan een lid van de Raad van Toezicht van een gelieerde stichting. Met hem had betrokkene veel contact over de jaarcijfers. Ook heeft betrokkene aangevoerd dat het vreemd is dat klagers nooit eerder hebben gevraagd naar de gestelde ontbrekende jaarrekeningen. Daarnaast heeft betrokkene naar voren gebracht dat het opmaken van contracten voor doorbelasting of een rekening-courant de taak van de ondernemer zelf is, alsmede het doorvoeren van de doorbelastingen. Volgens betrokkene zijn klagers zelf vergeten dit te verwerken en wilden zij juist geen doorbelastingen, omdat zij een zo goed mogelijk resultaat wilden hebben ten behoeve van een overname of financiering. Ten aanzien van het foutherstel heeft hij naar voren gebracht dat de jaarrekening 2023 niet door hem is samengesteld, maar door de nieuwe accountant van [recreatiepark1]. Volgens betrokkene is geen sprake van de door klagers gestelde fouten en blijkt het foutherstel ook nergens uit.
5.12. De Accountantskamer overweegt dat niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene de jaarrekening 2023 van klaagster 3 heeft samengesteld. Het (gestelde) ontbreken van een samenstellingsverklaring bij deze jaarrekening kan betrokkene daarom niet worden aangerekend. Verder is ten aanzien van de vraag of betrokkene alle enkelvoudige jaarrekeningen aan [recreatiepark1] heeft verstrekt sprake van een welles-nietes-discussie tussen partijen. Omdat de Accountantskamer de feitelijke gang van zaken niet kan vaststellen, moet worden geconcludeerd dat klagers niet aannemelijk hebben gemaakt dat betrokkene op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.13. Met betrekking tot de door klagers gestelde fouten in de jaarrekeningen wordt voorop gesteld dat bij een samenstellingsopdracht het management verantwoordelijk blijft voor de historische financiële informatie en voor de basis waarop deze is opgesteld en gepresenteerd. Die verantwoordelijkheid omvat het toepassen door het management van oordeelsvormingen die voor het opstellen en presenteren van de historische financiële informatie zijn vereist, inclusief de selectie en toepassing van passende grondslagen voor financiële verslaggeving en, waar nodig, het ontwikkelen van redelijke schattingen[3]. Een samenstellingsopdracht is geen assurance-opdracht. Daarom wordt bij een samenstellingsopdracht niet van een accountant verlangd om de nauwkeurigheid of de volledigheid van de door het management verschafte informatie te verifiëren of anders onderbouwende informatie te verzamelen[4]. Dit is slechts anders indien de accountant zich gedurende de samenstellingsopdracht ervan bewust wordt dat de vastleggingen, documenten, uitleg of overige informatie, inclusief significante oordeelvormingen, die door het management worden verschaft niet compleet, niet nauwkeurig of anderszins onbevredigend zijn, waaronder geïdentificeerde of vermoede fraude of niet-naleving van wet- en regelgeving. In dat geval dient de accountant dat onder de aandacht van het management te brengen en moet hij om aanvullende of gecorrigeerde informatie verzoeken[5].
5.14. Uit het voorgaande volgt dat de primaire verantwoordelijkheid voor de jaarrekeningen bij het management van [recreatiepark1] ligt. Alleen als betrokkene bij het samenstellen van de jaarrekeningen had moeten constateren dat de door het management verstrekte gegevens niet compleet, niet nauwkeurig of anderszins onbevredigend waren, kan hem worden verweten dat hij daarover destijds geen navraag bij het management heeft gedaan. Klagers hebben niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene ten tijde van het samenstellen van de jaarrekeningen aanleiding had moeten zien om nadere informatie in te winnen. Dat naar stelling van klagers in de geconsolideerde jaarrekeningen 2023 van klaagster 3 foutherstel heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Dit (gestelde) foutherstel heeft immers op een later moment plaatsgevonden, namelijk in de daarop volgende jaarrekening. Daaruit volgt niet, althans niet zonder meer, dat betrokkene bij het samenstellen van de eerdere jaarrekeningen fouten heeft gemaakt.
5.15. Uit het voorgaande volgt dat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel 2b) fouten bij het deponeren van de jaarrekeningen
5.16. Klagers hebben aangevoerd dat betrokkene de jaarrekeningen niet tijdig heeft gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel en dat hij na beëindiging van de opdracht nog jaarrekeningen van [recreatiepark1] heeft gedeponeerd, namelijk op 20 juni 2024. Ook hebben zij naar voren gebracht dat betrokkene voor het deponeren van de jaarrekening 2022 notulen heeft opgesteld van een aandeelhoudersvergadering van juni 2024 die nooit heeft plaatsgevonden. Volgens klagers is sprake van valsheid in geschrift.
5.17. Volgens betrokkene had hij aanvankelijk geen opdracht voor het deponeren van de jaarrekeningen. [C] zou de deponering verzorgen, maar door haar ziekte is dat er niet van gekomen. Tijdige deponering was volgens betrokkene ook niet mogelijk, omdat de jaarrekeningen niet op tijd gereed waren vanwege achterstanden in de financiële administratie. Daarnaast heeft betrokkene aangevoerd dat hij op verzoek van [recreatiepark1] op 20 juni 2024 de jaarrekeningen alsnog heeft gedeponeerd. Dit verzoek hing volgens hem samen met het due diligence onderzoek dat werd uitgevoerd door [accountantskantoor2] in verband met een mogelijke overname van [recreatiepark1]. Wat betreft de notulen heeft betrokkene naar voren gebracht dat hij op verzoek van [recreatiepark1] concept-notulen heeft aangeleverd, die naar wens konden worden gebruikt en aangevuld. Volgens betrokkene is bij de registratie van de jaarrekeningen het datumveld in deze concept-notulen automatisch ingevuld door het werkprogramma van zijn accountantskantoor. Daarom is naar zijn mening geen sprake van valsheid in geschrift.
5.18. De Accountantskamer overweegt dat het de verantwoordelijkheid van [recreatiepark1] is om ervoor te zorgen dat de jaarrekeningen tijdig worden gedeponeerd. Omdat niet is gebleken dat betrokkene al in 2019 de opdracht had om de deponering te verzorgen, kan hem niet worden verweten dat jaarrekeningen te laat zijn gedeponeerd. Bovendien hebben klagers niet weersproken dat tijdige deponering niet mogelijk was vanwege administratieve chaos en achterstanden bij [recreatiepark1], zo blijkt de Accountantskamer uit diverse e-mails.
Verder wordt overwogen dat betrokkene gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen het verwijt dat hij zonder opdracht op 20 juni 2024 verschillende jaarrekeningen heeft gedeponeerd en dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van vervalste notulen. Gelet op dit verweer lag het op de weg van klagers om hun standpunt verder te onderbouwen. Omdat zij dat niet hebben gedaan, kan niet worden geconcludeerd dat betrokkene bij het deponeren van de jaarstukken op 20 juni 2024 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat gebruik is gemaakt van door betrokkene verstrekte concept-notulen maakt niet dat sprake is van valsheid in geschrift. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 3a) fouten bij de aanvragen op grond van NOW
5.19. Ten aanzien van dit klachtonderdeel hebben klagers aangevoerd dat betrokkene NOW-aanvragen heeft ingediend voor [recreatiepark1], waarbij ten onrechte niet is uitgegaan van de groepsregeling, maar van de individuele vennootschappen. Betrokkene heeft in de aanvragen expliciet aangegeven dat geen sprake was van een groep. Hierdoor heeft [recreatiepark1] volgens klagers de ontvangen coronasteun moeten terugbetalen.
5.20. Betrokkene heeft naar voren gebracht dat hij op momenten waarop dit werd gevraagd heeft geholpen bij de NOW-aanvragen. Volgens betrokkene deed [C] daar veel aan en heeft zij ook de keuze gemaakt om de coronasteun aan te vragen op vennootschapsniveau. Deze keuze is naar stelling van betrokkene ook wel te volgen, omdat er op groepsniveau geen coronasteun zou zijn verstrekt. De personeelskosten zouden dan zijn afgezet tegen de omzet van de gehele groep. Ook heeft betrokkene erop gewezen dat de coronaperiode een rommelige tijd was en dat de aanvragen op vennootschapsniveau door het UWV zijn geaccepteerd.
5.21. De Accountantskamer overweegt dat de NOW-regeling op concernniveau wordt toegepast, tenzij de subsidieaanvraag (coronasteun) wordt ingediend op grond artikel 6a van die regeling. In dat geval kan de regeling, mits aan de voorwaarden is voldaan, worden toegepast op werkmaatschappij- of subgroepniveau.[6] Uit het dossier blijkt dat betrokkene verschillende NOW-aanvragen heeft ingediend op het niveau van de werkmaatschappijen, te weten voor [BV6] en [BV3].Op de desbetreffende aanvraagformulieren is de vraag “Is uw bedrijf onderdeel van een groep of concern?” beantwoord met “Nee” of “Nee, mijn bedrijf is geen onderdeel van een groep of concern”.[7]
Betrokkene heeft niet onderbouwd op grond waarvan, in afwijking van de hoofdregel, aanleiding bestond om de coronasteun aan te vragen op het niveau van de werkmaatschappijen. Dat dit de wens van zijn opdrachtgever was ontslaat hem niet van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de juistheid van de door hem ingediende NOW-aanvragen. Bovendien had betrokkene, gelet op de specifieke rol die voor accountants is weggelegd in verband met hun poortwachtersfunctie en de frauderisico’s met betrekking tot coronaregelingen, kritisch moeten kijken naar de NOW-aanvragen alvorens deze in te dienen en ook moeten toetsen of was voldaan aan de voorwaarden die in artikel 6a zijn opgenomen.
Nu betrokkene zonder dat daarvoor aanleiding bestond NOW-aanvragen heeft ingediend op het niveau van de werkmaatschappijen, moet worden geconcludeerd dat hij heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. De Accountantskamer ziet in de omstandigheden van het geval onvoldoende grond om aan te nemen dat betrokkene ook het fundamentele beginsel van integriteit heeft geschonden, nu NOW-aanvragen ook op het niveau van de werkmaatschappij mogelijk waren en betrokkene ook NOW-aanvragen voor dezelfde vennootschappen heeft ondertekend waarbij de vraag of sprake was van een groepsonderdeel bevestigend is beantwoord. Tot slot wordt opgemerkt dat de Accountantskamer niet kan beoordelen of klagers als gevolg daarvan coronasteun hebben moeten terugbetalen, zoals door hen is gesteld. Het klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel 3b) fouten bij procedures in het kader van TVL en een NOW-steekproef
5.22. Klagers verwijten betrokkene dat hij te laat of geen bezwaar heeft gemaakt tegen besluiten op grond van de TVL. Volgens klagers zijn er verkeerde SBI-codes gebruikt en had bezwaar tegen de besluiten direct wat opgeleverd. Ook heeft betrokkene volgens klagers termijnen laten verstrijken en heeft hij na beëindiging van de opdracht klagers niet op de hoogte gebracht van lopende bezwaar- en beroepsprocedures in het kader van de TVL. Daarbij hebben klagers gewezen op het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 18 juli 2025. Verder hebben klagers aangevoerd dat betrokkene geen stukken heeft doorgestuurd met betrekking tot een in november 2024 gehouden NOW-steekproef. Volgens klagers zijn zij door het handelen en nalaten van betrokkene grote bedragen misgelopen.
5.23. De Accountantskamer is van oordeel dat klagers niet aannemelijk hebben gemaakt dat betrokkene bij de indiening en verdere behandeling van bezwaar- of beroepschriften tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In de eerste plaats hebben klagers niet onderbouwd waarom het gebruik van verkeerde SBI-codes tot onjuiste beslissingen zou hebben geleid. Daarnaast hebben klagers in hun klaagschriften naar een aantal producties verwezen, maar niet duidelijk gemaakt welke feiten en stellingen aan deze producties worden ontleend. Zoals onder 5.5 is overwogen, gaat de Accountantskamer niet zelfstandig in deze producties op zoek naar wat wel en niet dienstig zou kunnen zijn voor hun klachten. Ook uit het proces-verbaal van 18 juli 2025 blijkt niet dat betrokkene termijnen heeft laten verstrijken. Uit dit proces-verbaal blijkt juist dat het CBb klagers verschillende malen in de gelegenheid heeft gesteld om de beroepen aan te vullen, nadat betrokkene zich vanwege de beëindiging van de opdracht had onttrokken als gemachtigde. Dat klagers dat niet hebben gedaan, kan betrokkene niet worden aangerekend.
Verder stelt de Accountantskamer vast dat de correspondentie met betrekking tot verschillende procedures en de NOW-steekproef aan het adres van [recreatiepark1] is gericht. Klagers hebben niet bestreden dat [recreatiepark1] in deze correspondentie is meegenomen. Daarom mocht betrokkene ervan uitgaan dat [recreatiepark1] op de hoogte was van de lopende procedures. Na beëindiging van de opdracht en het onbetaald blijven van zijn facturen kon niet van betrokkene worden verwacht dat hij zijn werkzaamheden voor de lopende procedures zou voortzetten en had [recreatiepark1] daarin zelf actie moeten ondernemen. Het klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 4a) fouten bij de belastingaangiften
5.24. Met betrekking tot dit klachtonderdeel hebben klagers naar voren gebracht dat betrokkene onjuiste belastingaangiften heeft gedaan en de relevante posten niet heeft besproken. Volgens klagers bevatten de IB-aangiften van [C] en klager 1 aantoonbare fouten en onzorgvuldigheden, omdat hun woonhuis afwisselend wel of niet bij de Belastingdienst is opgegeven en de grond aan de [adres1] in [plaats1], privébezit van klager 1, is opgegeven als box 3 vermogen. Omdat op deze grond chalets bij het recreatiepark worden gerealiseerd en de gehele infrastructuur in 2020/2021 is aangelegd en er proefhuisjes zijn geplaatst, hoort dit onroerend goed volgens klagers in box 1 te worden opgegeven. Verder hebben klagers erop gewezen dat er veel vragen zijn ontstaan over het fiscaal inwonerschap en het gebruikelijk loon van klager 1 en [C]. Betrokkene heeft de indruk gewekt dat aanslagen steeds moesten worden aangevochten, waardoor er sinds 2016 veel gesteggel is geweest met de Belastingdienst. Dit heeft geleid tot zittingen, boetes en ambtelijke verhogingen.
Daarnaast hebben klagers aangevoerd dat de Vpb-aangifte 2021 van klaagster 2 onjuist is, omdat bij de bepaling van het resultaat een negatief resultaat van een deelneming is opgenomen, hoewel er sprake is van een fiscale eenheid. Volgens klagers kon er geen deelnemingsvrijstelling van toepassing zijn en heeft de Belastingdienst daarover vragen gesteld en een correctie toegepast. Verder heeft betrokkene bij de bepaling van de afschrijving op de woning aan de [adres2] in [plaats1] geen rekening gehouden met de bodemwaarde van dit onroerend goed op basis van WOZ-waarde. Volgens klagers zijn ook hierover vragen gesteld en heeft dit ook geleid tot correcties.
5.25. Betrokkene heeft met betrekking tot de IB-aangiften naar voren gebracht dat [C] van mening was dat zij en klager 1 fiscaal gezien inwoners van [land1] waren. De discussie over de woonplaatsfictie werd ook al met de Belastingdienst gevoerd voordat betrokkene met zijn werkzaamheden was gestart, net als de discussie over het gebruikelijk loon. De ambtshalve aanslagen en boetes zijn volgens betrokkene het gevolg van het feit dat [C] en klager 1 achterliepen met het doen van de IB-aangifte. Daarnaast heeft betrokkene aangevoerd dat de grond in box 3 is opgegeven, omdat er in die jaren niet zoveel met de grond gebeurde en er ook geen vergunning of financiering voor het chaletpark was. Volgens betrokkene heeft hij dat met [C] besproken. Ook heeft hij erop gewezen dat er in 2023 nog geen huurovereenkomst was en dat er op dit moment nog steeds geen chaletpark is.
Met betrekking tot de Vpb-aangifte 2021 van klaagster 2 heeft betrokkene aangevoerd dat het verwijt over de deelnemingsvrijstelling heel onduidelijk is omschreven. Ook heeft hij erop gewezen dat bij een Vpb-aangifte de enkelvoudige aangiften van de dochters worden meegestuurd. In die aangiften staan de gegevens die klagers hebben genoemd.
5.26. De Accountantskamer overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene met betrekking tot de IB-aangiften tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hiervoor is van belang dat de discussie over het gebruikelijk loon en de domiciliekeuze al speelde vanaf 2016, dus voordat betrokkene met zijn werkzaamheden voor klagers was begonnen. KIagers hebben daarnaast geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het woonhuis niet juist is opgegeven en dat de grond aan de [adres1] in box 1 had moeten worden opgegeven. Onduidelijk is op welk moment de vergunningen voor het chaletpark zijn verleend en wanneer is begonnen met de ontwikkeling van de grond. Bovendien volgt uit het controlerapport van de Belastingdienst van 16 juni 2019 met betrekking tot aangiften loonheffingen over de tijdvakken 2014-2018 (dat wordt aangehaald in het verweerschrift van de inspecteur van de Belastingdienst van 25 januari 2024) dat de ontwikkeling van de grond in 2019 nog niet aan de orde was. In dit rapport staat namelijk “Er zijn plannen voor het aanleggen van 60 vakantiewoningen. Ook wil men een restaurant en bowlingcentrum bouwen. De heer en mevrouw [X1] en [C] zijn nu bezig met de vergunningen en financiering van de uitbreidingsplannen.”
5.27. Ten aanzien van de Vpb-aangifte 2021 van klaagster 2 is van belang dat de klacht ervan uitgaat dat geen sprake kon zijn van een deelnemingsvrijstelling. Ter onderbouwing van deze stelling hebben klagers verwezen naar een e-mailbericht van de Belastingdienst van 3 juni 2025. Uit dit e-mailbericht blijkt echter dat juist wél een deelnemingsvrijstelling kon worden toegepast. Gelet op deze tegenstrijdige informatie hebben klagers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.28. Verder wordt overwogen dat betrokkene niet heeft bestreden dat hij in de Vpb-aangifte bij de afschrijving van het onroerend goed aan de [adres2] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de bodemwaarde. De Accountantskamer gaat daarom uit van de juistheid van dit verwijt. Betrokkene heeft het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden. Het klachtonderdeel is in zoverre gegrond.
Klachtonderdeel 4b) fouten bij procedures bij de Belastingdienst
5.29. Klagers hebben aangevoerd dat betrokkene een procedure bij de Belastingdienst heeft gevoerd over gebruikelijk loon, zonder stukken over deze procedure te delen en [recreatiepark1] daarover te informeren. Volgens klagers wordt [recreatiepark1] hierdoor geconfronteerd met een mogelijke niet verhaalbare belastingclaim. Ook hebben klagers naar voren gebracht dat zij pas na de overdacht van de gegevens door betrokkene ermee bekend werden dat er een rechtszaak aankwam. Volgens klagers blijkt uit de stukken die zij daarna hebben ontvangen dat sprake was van structureel niet reageren op verzoeken en bezwaren.
5.30. Betrokkene heeft bestreden dat klagers niet op de hoogte waren van de procedure over het gebruikelijk loon. Volgens hem speelde deze discussie met de Belastingdienst al voordat hij in september 2019 de opdracht aanvaardde. Daarbij heeft betrokkene gewezen op het controlerapport van een door de Belastingdienst uitgevoerd boekenonderzoek van 23 mei 2019.
5.31. Ook ten aanzien van dit klachtonderdeel is de Accountantskamer van oordeel dat klagers hun verwijten onvoldoende hebben onderbouwd en toegelicht. Zij hebben wel verwezen naar een aantal producties, maar hebben niet duidelijk gemaakt welke feiten en stellingen aan deze producties kunnen worden ontleend, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.
De slotsom
5.32. De klacht zal wat betreft de klachtonderdelen 1, 3a en 4a (deels) gegrond worden verklaard. De klacht zal voor het overige ongegrond worden verklaard.
6. De maatregel
6.1. Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van één maand is passend en geboden. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid verschillende keren heeft geschonden. Ook is meegewogen dat uit de verklaringen van betrokkene volgt dat hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden onvoldoende regie heeft gevoerd en zich onvoldoende bewust is geweest van zijn verantwoordelijkheid als accountant. Het feit dat betrokkene de verantwoordelijkheid voor zijn handelen met betrekking tot de door hem ingediende NOW-aanvragen buiten zichzelf heeft neergelegd door te verwijzen naar de wens zijn opdrachtgever, wordt hem zwaar aangerekend. In het voordeel van betrokkene is meegewogen dat hij heeft gereflecteerd op zijn handelen en heeft besloten om zich te laten uitschrijven als accountant.
7. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht wat betreft de klachtonderdelen 1, 3a en 4a (deels) gegrond, zoals hiervoor is overwogen;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt aan betrokkene op de maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder d. Wtra, te weten die van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand, welke maatregelingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden én de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd en eindigt na ommekomst van de vermelde termijn;
- verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
- verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klagers betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klagers vergoedt.
Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. C.H. de Haan en mr. J.L.M. Groenewegen (rechterlijke leden) en drs. E. van Splunter RA en drs. J. Hetebrij RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Zie ECLI:NL:CBB:2022:17: Het College stelt voorop dat het de Accountantskamer vrij staat om een klacht zakelijk samen te vatten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 27 oktober 2015, ECLI:NL:CBB:2015:359). De Accountantskamer hoeft daarbij niet alle argumenten te bespreken die een klager ter onderbouwing van zijn klacht heeft aangedragen.
[2] Zie ECLI:NL:CBB:2016:117.
[3] Standaard 4410.7
[4] Standaard 4410.6
[5] Standaard 4410.32
[6] Artikel 6a is op 5 mei 2020 in werking getreden en komt er kort gezegd op neer dat onder bepaalde voorwaarden aan de werkgever die deel uitmaakt van een groep subsidie kan worden verstrekt waarbij de omzetdaling wordt bepaald op basis van de omzetdaling van de rechtspersoon of vennootschap afzonderlijk en dus niet op de omzetdaling op groepsniveau. Zie ook https://www.nba.nl/tools-en-ondersteuning/faqs-en-helpdesk/faqs-now-concernbegrip.
[7] Zie productie 6.1 bij het tweede klaagschrift