ECLI:NL:TACAKN:2026:55 Accountantskamer Zwolle 25/2663 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:55 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25/2663 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Betrokkene heeft een rapportage opgesteld over de eindafrekening van de bedragen die door een groep vennootschappen zijn betaald in relatie tot een overeenkomst van opdracht met klagers. Deze rapportage is gebruikt in een gerechtelijke procedure. Volgens klagers had de rapportage geen deugdelijke grondslag en heeft betrokkene niet voorkomen dat de rapportage zou worden gebruikt als accountantsrapport met goedkeurend oordeel. De klacht is ongegrond. |
UITSPRAAK van 22 juni 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 7 oktober 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2663 Wtra AK van
X1
wonende te [plaats1] ([land1])
en
X2 B.V.
gevestigd te [land1]
K L A G E R S
t e g e n
Y
registeraccountant
kantoorhoudende te [land1]
B E T R O K K E N E
advocaat: mr. J.F. Garvelink te Amsterdam
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen
- de e-mail van de Accountantskamer met de samenvatting van de klacht van 16 oktober 2025
- de reactie daarop van klagers per e-mail van 16 oktober 2025 om 20:58 uur
- het verweerschrift met bijlagen
- de op de zitting namens betrokkene overgelegde pleitaantekeningen.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 11 mei 2026. Klager [X1] (verder: [X1]) is namens beide klagers verschenen. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door haar advocaat.
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. [X1] was bestuurder van een aantal vennootschappen binnen de [groep1] (hierna: [groep1]). Op 23 juni 2020 heeft de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: CBCS), op dat moment bestuurder van [groep1], de samenwerking met [X1] opgezegd. Tussen klagers en [groep1] is een geschil ontstaan over de financiële afrekening. Betrokkene heeft op verzoek van CBCS een rapportage opgesteld over de eindafrekening. Deze rapportage is door [groep1] ingebracht in een gerechtelijke procedure tussen klagers en [groep1]. Volgens klagers betreft het een accountantsrapport met goedkeurend oordeel zonder een deugdelijke grondslag, en had betrokkene moeten voorkomen dat het rapport werd gebruikt in de gerechtelijke procedure.
De beslissing van de Accountantskamer
2.2. De Accountantskamer verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
3. De feiten
3.1. Betrokkene is sinds 2006 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Zij is werkzaam als partner bij [accountantsorganisatie1] te [plaats1] ([land1]).
3.2. [X1] heeft vanaf oktober 2008 aan [groep1] diensten verleend op basis van een overeenkomst van opdracht met zijn vennootschap [X2]. In februari 2009 is hij in loondienst getreden bij [NV1] als ‘Chief Commercial Officer’ bij de verzekeringsorganisaties. In april 2009 is [X1] door de Raad van Commissarissen benoemd als statutair directeur van drie [groep1] verzekeringsvennootschappen.
3.3. Op 4 juli 2018 is ten aanzien van vennootschappen van [groep1] de noodregeling uitgesproken en heeft de CBCS het bestuur van [groep1] overgenomen. [X1] is aangesteld als bestuurder van de vennootschappen met behoud van dezelfde afspraken omtrent diensten en beloning, zoals die golden uit hoofde van zijn loondienstverband. Bij brief aan klagers van 23 juni 2020 heeft CBCS namens [groep1] de relaties per 4 augustus 2020 opgezegd.
3.4. Klagers en [groep1] zijn niet tot overeenstemming gekomen over de financiële afwikkeling van klagers’ contract, mede door discussies omtrent de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst van opdracht, de hoogte van de managementfee en overige remuneraties. Dit leidde tot een kort geding en vervolgens een bodemprocedure bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarbij klagers het Gerecht hebben verzocht om [NV1] onder meer te veroordelen i) tot betaling van een voorschot op hetgeen [groep1] uit hoofde van de (volgens klagers onterechte) opzegging van de contractuele relaties aan klagers verschuldigd mocht zijn, ii) tot doorbetaling van het laatst overeengekomen loon totdat de arbeidsovereenkomst zal zijn beëindigd en iii) in de kosten van de juridische procedure, met wettelijke rente.
3.5. Op verzoek van [NV1] heeft betrokkene ten behoeve van het juridisch geschil tussen partijen een financiële opstelling gemaakt van de door [groep1] aan klagers betaalde bedragen in de periode 1 januari 2017 tot 4 augustus 2020 met verrekening van eventuele vorderingen op klagers. In de Engagement Letter van 23 november 2022 is de opdracht als volgt geformuleerd:
‘De werkzaamheden die wij zullen uitvoeren, zijn erop gericht om u te assisteren in uw analyse van de eindafrekening van de bedragen die door [groep1] zijn betaald in relatie tot de overeenkomst van opdracht met [X2] B.V. voor de werkzaamheden van de heer [X1] tussen 1 januari 2017 en 4 augustus 2020 voor [groep1], ten opzichte van de bedragen die [groep1] zou hebben betaald voor de werkzaamheden van de heer [X1] voor [groep1] als de arbeidsovereenkomst door [groep1] zou zijn voortgezet met [X1] en verrekening van eventuele openstaande bedragen met betrekking tot de leningen.’
En: ‘De scope van onze werkzaamheden verschilt wezenlijk van de scope van een controle op basis van algemeen aanvaarde grondslagen voor accountantscontrole zoals uitgegeven door de NBA of enige andere algemeen aanvaarde grondslag voor accountantscontrole. Verder omvatten onze werkzaamheden geen beoordeling van (historische of toekomstgerichte) financiële informatie in overeenstemming met de hiertoe uitgegeven algemene grondslagen. Derhalve kunnen en zullen wij geen opinie afgeven op enige door ons in onze analyse betrokken financiële informatie.’
3.6. Klagers hebben [accountantsorganisatie1] bij e-mail van 27 februari 2023 vóór de behandeling van de zaak bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao gewezen op het gebruik van het door betrokkene opgestelde rapport in een juridisch geschil.
3.7. Het rapport is door [groep1] als productie bij de ‘Conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie van gedaagden’ opgenomen. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft in haar tussenvonnis van 9 december 2024 onder meer beslist dat zij bij de afrekening tussen partijen het rapport van betrokkene tot uitgangspunt neemt waarbij klagers in de gelegenheid zijn gesteld om - al dan niet met een deskundige – zich (inhoudelijk) uit te laten over (de eindberekening in) het rapport. Klagers hebben daarvan afgezien waarna het Gerecht bij vonnis van 25 augustus 2025 mede op basis van het rapport van betrokkene de vorderingen van klagers heeft afgewezen. Klagers hebben daartegen hoger beroep ingesteld.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klagers gehandeld in strijd met de voor haar geldende gedrags- en beroepsregels.
4.2. Klagers verwijten betrokkene het volgende:
1. Betrokkene heeft toegestaan dat haar rapportage werd gebruikt in een juridisch geschil tussen klagers en [groep1] en daarmee openbaar is gemaakt. Na daarop te zijn gewezen heeft betrokkene geen actie ondernomen om ervoor zorg te dragen dat haar rapportage niet gebruikt zou worden als accountantsrapport met goedkeurend oordeel.
2. Het rapport kent geen deugdelijke grondslag en is daarmee in strijd met de Verordening Gedrags- en Beroepsregels van Accountants (hierna: VGBA), Handreikingen 1112 en 1127 en NV COS 4400 opgesteld, want:
3.1 betrokkene heeft nagelaten de juistheid, volledigheid en betrouwbaarheid van de aangereikte gegevens vast te stellen, terwijl het rapport uitgebreid lijkt, waardoor de indruk wordt gewekt dat er een gedegen onderzoek heeft plaatsgevonden;
3.2 betrokkene heeft geen hoor en wederhoor toegepast.
5. De beoordeling
Het toetsingskader
5.1. De klacht gaat over het handelen of nalaten van betrokkene, die haar werkzaamheden op [land1] heeft uitgevoerd. Die internationale omstandigheid stelt de vraag aan de orde welk wettelijk kader van toepassing is.
5.2. Betrokkene staat (en stond ten tijde van de hiervoor beschreven feiten) ingeschreven in het register van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (hierna: NBA). Zij heeft op grond van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) het recht om de titel accountant te voeren. De Wab en de daarop gebaseerde regelgeving kennen geen territoriale beperkingen. Daaruit volgt dat de Wab en de bij of krachtens de Wab vastgestelde wet- en regelgeving verplichtingen oplegt aan in Nederland geregistreerde accountants, waar zij zich ook ter wereld bevinden of hun beroep uitoefenen. Zij zijn gehouden tot naleving van (onder meer) de VGBA.[1]
5.3. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de VGBA. Uit de feiten volgt dat betrokkene als partijdeskundige op verzoek van [groep1] een rapport heeft opgesteld over de eindafrekening tussen [groep1] en klagers. Dit betreft een zogenaamde ‘overige opdracht’, waarop geen Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NV COS) van toepassing zijn.
5.4. Het rapport is vanwege het geschil tussen klagers en [groep1] door betrokkene opgesteld onder meer ten behoeve van de bodemprocedure. Voor deze overige opdracht heeft de Accountantskamer acht geslagen op NBA-Handreiking 1127 (Opdrachten uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen). Een NBA-Handreiking bevat geen dwingende bepalingen, maar nadere aanwijzingen voor de uit te voeren werkzaamheden. Van een accountant wordt verwacht dat hij kennis neemt van deze aanwijzingen en dat hij deze overweegt voor zover relevant voor de opdracht. Een accountant die deze aanwijzingen niet toepast, moet erop voorbereid zijn om uit te leggen hoe niettemin is voldaan aan de verplichtingen, basisprincipes en essentiële werkzaamheden uit de wet- en regelgeving die nader zijn behandeld in de aanwijzingen.
5.5. Handreiking 1127 stelt de vraag of de rapportage voldoende inzicht geeft in het al dan niet toepassen van hoor en wederhoor door de accountant, alsmede de overwegingen daarbij en de mogelijke consequenties van het niet toepassen van hoor en wederhoor. Hoor en wederhoor is veelal verplicht, tenzij dit absoluut niet noodzakelijk is om een deugdelijke grondslag te verkrijgen.
Beoordeling van de klachtonderdelen
5.6. Omdat klachtonderdeel 2 onder a samenhangt met klachtonderdeel 1, zullen deze klachtonderdelen gezamenlijk worden besproken.
Klachtonderdeel 2 onder a
Het rapport kent geen deugdelijke grondslag, omdat betrokkene heeft nagelaten de juistheid, volledigheid en betrouwbaarheid van de aangereikte gegevens vast te stellen, terwijl het rapport uitgebreid lijkt, waardoor de indruk wordt gewekt dat er een gedegen onderzoek heeft plaatsgevonden.
Klachtonderdeel 1
Betrokkene heeft toegestaan dat haar rapportage wordt gebruikt in een juridisch geschil tussen klagers en de [groep1] en daarmee openbaar is gemaakt. Na daarop te zijn gewezen heeft betrokkene geen actie ondernomen om ervoor zorg te dragen dat haar rapportage niet gebruikt zou worden als accountantsrapport met goedkeurend oordeel.
5.7. Ter onderbouwing van klachtonderdelen 2 onder a en 1 hebben klagers aangevoerd dat betrokkene in het rapport heeft vermeld dat zij de gebruikte informatie niet heeft gecontroleerd, maar toch tot uitspraken komt die door partijen als oordeel zijn gezien.
5.8. Betrokkene heeft aangevoerd dat geen sprake was van een accountantsrapport met goedkeurend oordeel. De opdracht strekte ertoe de standpunten van klagers en [groep1] over de financiële afrekening te vergelijken. Het ging niet om het beoordelen of controleren van financiële informatie.
5.9. De Accountantskamer overweegt het volgende. Anders dan klagers menen, betrof de door betrokkene opgestelde rapportage geen accountantsrapport met goedkeurend oordeel. Betrokkene heeft onbetwist gesteld dat de opdracht ertoe strekte bedragen te vergelijken en verschillen op te sommen. In de Engagement Letter van 23 november 2022 is toegelicht dat de werkzaamheden van betrokkene zouden bestaan uit – zakelijk weergegeven – het identificeren van mogelijke rekenkundige onjuistheden in de berekening van de eindafrekening zoals opgenomen in de producties van [groep1], het vergelijken van de door [groep1] en klagers gepresenteerde berekeningen, het analyseren van de door [groep1] aan klagers, de Belastingdienst en overige instanties betaalde bedragen in relatie tot de door [X1] voor [groep1] verrichte werkzaamheden en het vergelijken van deze bedragen met de in de overeenkomst van opdracht gemaakte honoreringsafspraken, en het analyseren van de opbouw van leningen. Verder is in de Engagement Letter benadrukt dat het rapport geen beoordeling van financiële informatie behelst.
Klachtonderdeel 2 onder a mist daarmee feitelijke grondslag en is ongegrond.
5.10. De Accountantskamer is van oordeel dat het rapport van betrokkene moet worden aangemerkt als een rapport van een partijdeskundige. Betrokkene heeft het rapport immers in opdracht van [groep1] opgesteld, ten behoeve van de onderbouwing van de standpunten van [groep1] in de procedure bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. Betrokkene heeft in de Engagement Letter uitdrukkelijk toestemming gegeven het rapport te gebruiken in de juridische procedure. Dat laat naar het oordeel van de Accountantskamer onverlet dat het op de weg van een accountant ligt om, in geval er een gebrek kleeft aan een rapport en de accountant daarop wordt gewezen, actie te ondernemen om te voorkomen dat het rapport door derden, zoals in dit geval een rechtbank, verkeerd wordt geïnterpreteerd of gebruikt.
Uit de bij het klaagschrift gevoegde correspondentie tussen [X1] en betrokkene blijkt niet dat betrokkene is gewezen op fouten of ondeugdelijkheden in het rapport. Naar het oordeel van de Accountantskamer was er voor betrokkene dan ook geen aanleiding om actie te ondernemen en te voorkomen dat het rapport in de juridische procedure zou worden gebruikt.
In het klaagschrift en ter zitting hebben klagers evenmin toegelicht welke fouten of ondeugdelijkheden het rapport zou bevatten. Klagers hebben daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het rapport geen deugdelijke grondslag had en dat het op de weg van betrokkene lag om te voorkomen dat het rapport door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao zou worden gebruikt. Klachtonderdeel 1 is ook ongegrond.
Klachtonderdeel 2 onder b
Het rapport kent geen deugdelijke grondslag, omdat betrokkene geen hoor en wederhoor heeft toegepast.
5.11. Klagers hebben aangevoerd dat betrokkene bij het opstellen van het rapport hoor en wederhoor had moeten toepassen.
5.12. Betrokkene heeft aangevoerd dat zij alleen de standpunten van [groep1] en klagers heeft vergeleken en gebruik heeft gemaakt van processtukken die door beide partijen bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao zijn ingediend. Zij was dus bekend met de standpunten van beide partijen. Betrokkene heeft, na ruggespraak met de Professional Practice Department van [accountantsorganisatie1], geconcludeerd dat, onder deze omstandigheden, het toepassen van hoor en wederhoor niet noodzakelijk was voor het verkrijgen van een deugdelijke grondslag.
5.13. De Accountantskamer overweegt dat geen sprake is van een persoonsgericht onderzoek of van een onderzoek met kenmerken daarvan, omdat het handelen of nalaten van klagers daarbij niet centraal stond, zodat Handreiking 1112 niet van toepassing is.
Anders dan klagers stellen, is een accountant op grond van Handreiking 1127 niet verplicht om bij rapporten als het onderhavige altijd hoor en wederhoor toe te passen. Zoals onder 5.10 al is overwogen, hebben klagers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het rapport geen deugdelijke grondslag had. Evenmin hebben klagers onderbouwd waarom betrokkene wel hoor en wederhoor had moeten toepassen, noch hebben zij het standpunt van betrokkene weersproken dat het toepassen van hoor en wederhoor in dit geval niet noodzakelijk was voor het verkrijgen van een deugdelijke grondslag. Klagers hebben dit klachtonderdeel daarmee onvoldoende onderbouwd. Het klachtonderdeel is ongegrond.
6. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. J.M. Brink – Van den Meer en mr. J.L.M. Groenewegen (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en drs. J. Hetebrij RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.L. Vedder, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Vergelijk de uitspraak van de Accountantskamer van 26 mei 2025, ECLI:NL:TACAKN:2025:49, r.o. 5.2.