ECLI:NL:TACAKN:2026:53 Accountantskamer Zwolle 25/1779 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:53 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-06-2026 |
| Datum publicatie: | 12-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25/1779 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht over de controle van de jaarrekening. Klagers hebben geld geïnvesteerd in beleggingsfondsen. Betrokkene heeft de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 van de beleggingsinstelling gecontroleerd en goedkeurende controleverklaringen afgegeven. De AFM heeft in december 2019 de aan de fondsbeheerder verleende vergunning ingetrokken. Betrokkene was niet op de hoogte van de gebreken in de beheerste en integere bedrijfsvoering van de fondsbeheerder toen de opdracht voor de controle van de jaarrekening 2017 van de beleggingsinstelling aanving. Klagers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de jaarrekeningen geen getrouwe weergave bevatten van de financiële situatie van de beleggingsinstelling en dat dat te verwijten valt aan betrokkene. Toen betrokkene ermee bekend werd dat de vergunning van de fondsbeheerder werd ingetrokken, heeft betrokkene in zijn controleverklaring bij de jaarrekening 2019 van de beleggingsinstelling een paragraaf ter benadrukking inzake de continuïteit van het fonds opgenomen. |
UITSPRAAK van 12 juni 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 4 juli 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1779 Wtra AK van
X1, X2, X3, X4, X5, X6, X7, X8, X9, X10, X11, X12, X13, X14, X15, X16, X17, X18 en X19
K L A G E R S
advocaat: mr. G.A.M. Sieben te Eindhoven
t e g e n
de naamloze vennootschap Y1
gevestigd te [plaats1]
en
Y2
registeraccountant
kantoorhoudende te [plaats1]
B E T R O K K E N E N
advocaten: mr. S.A.G. Hoogeveen en mr. A.J.C. Bogaards te Amsterdam
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen
- het aanvullend klaagschrift met bijlagen van 8 augustus 2025
- het verweerschrift met bijlagen van 29 september 2025
- de e-mail van betrokkene met bijlagen van 9 maart 2026
- de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van beide partijen.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 20 maart 2026. [X2], [X3], [X6], [X8], [X9], [X10], [X11], [X12], [X13], [X14], [X15], [X16], [X17], [X18] en [X19] zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaten.
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. Klagers hebben geld geïnvesteerd in beleggingsfondsen waarvan de fondsbeheerder [BV1] betrof. Betrokkene heeft de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 van de beleggingsinstelling [A] gecontroleerd en goedkeurende controleverklaringen afgegeven. De AFM heeft in december 2019 de aan de fondsbeheerder verleende vergunning ingetrokken. Klagers zijn van mening dat betrokkene zijn controle niet goed heeft uitgevoerd. Zij hadden veel eerder via de jaarrekeningen van de beleggingsinstelling geïnformeerd willen worden over de kritische wijze waarop de AFM de beheerder volgde.
De beslissing van de Accountantskamer
2.2. De klacht is geheel ongegrond. Betrokkene was niet op de hoogte van de gebreken in de beheerste en integere bedrijfsvoering van de fondsbeheerder toen de opdracht voor de controle van de jaarrekening 2017 van de beleggingsinstelling aanving. Klagers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de jaarrekeningen geen getrouwe weergave bevatten van de financiële situatie van de beleggingsinstelling en dat dat te verwijten valt aan betrokkene. Toen betrokkene ermee bekend werd dat de vergunning van de fondsbeheerder werd ingetrokken, heeft betrokkene in zijn controleverklaring bij de jaarrekening 2019 van de beleggingsinstelling [A] een paragraaf ter benadrukking inzake de continuïteit van het fonds opgenomen.
3. De feiten
3.1. Betrokkene is sinds 2007 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is verbonden aan [Y1] N.V.
3.2. [BV1] (hierna: [BV1]) is een fondsbeheerder. Zij beschikte sinds juli 2008 over een vergunning van de AFM op grond van de Wet op het financieel toezicht voor het aanbieden van rechten van deelneming in instellingen die beleggen in financiële instrumenten. Per 22 juli 2014 is deze vergunning van rechtswege omgezet in een AIFM[1]-vergunning. [BV1] beheert onder meer [A] (hierna: [A]). [A] heeft geen eigen rechtspersoonlijkheid, maar bestaat op basis van contractuele afspraken tussen beheerder, juridisch eigenaar en participanten. [A] was opgezet als ‘paraplufonds’, met meerdere onderliggende subfondsen waarin afzonderlijk kon worden belegd. Ieder subfonds heeft een eigen risicoprofiel, rendement en beleggingsbeleid. Een van de subfondsen is [fonds1] een fonds voor gemene rekening[2].
3.3. Klagers belegden via [A] in het subfonds [fonds1] (hierna: [fonds1]) die leningen verstrekte aan het [B] ([B]) en [C] (C). [B] en [C] verstrekten op hun beurt kortlopende handels- en debiteurenfinancieringen aan ondernemingen in de [land1]. Over de leningen aan [B] en [C] werd door hen rente en aflossing betaald. Voor de leningen aan [B] en [C] waren zekerheden verkregen, bestaande uit pandrechten op de activa van [B] en [C], met name op de vorderingen op hun debiteuren.
3.4. De AFM heeft vanaf december 2017 een onderzoek ingesteld naar de bedrijfsvoering van [BV1], meer in het bijzonder naar risicobeheersing en integriteitsproblemen. Op 18 juni 2019 heeft de AFM een conceptrapport opgesteld, waarin zij het voornemen heeft geuit de AIFM-vergunning van [BV1] in te trekken. De vergunning is bij besluit van 10 december 2019 daadwerkelijk ingetrokken. Het bezwaar daartegen is bij besluit op bezwaar van 20 mei 2020 ongegrond verklaard. [BV1] is tegen het besluit op bezwaar in beroep gegaan. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 30 juni 2022 het beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBROT:2022:5130).
3.5. Betrokkene heeft de jaarrekeningen 2017, 2018 en 2019 van [A] gecontroleerd. In zijn controleverklaringen heeft betrokkene steeds geoordeeld dat de betreffende jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en samenstelling van het vermogen per balansdatum geeft en van het resultaat over het betreffende boekjaar, in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.5.1. In de controleverklaring bij de jaarrekening 2019 van [A] heeft betrokkene het volgende verwoord onder het kopje ‘Materiële onzekerheid over de continuïteit’:
‘Wij vestigen de aandacht op het onderdeel 'Beëindiging van de bedrijfsactiviteiten' in de toelichting op pagina 14 van de jaarrekening, waarin uiteengezet is dat de continuïteit van het fonds afhankelijk is van de bereidwilligheid van de AFM om de termijn voor liquidatie van het fonds te verlengen. Deze condities duiden op het bestaan van een onzekerheid van materieel belang op grond waarvan gerede twijfel zou kunnen bestaan over de continuïteitsveronderstelling van de entiteit. Ons oordeel is niet aangepast als gevolg van deze aangelegenheid’.
3.5.2. In de algemene toelichting op pagina 14 van de jaarrekening 2019 waarnaar betrokkene verwijst, beschrijft de directie van [BV1] welke stappen zij heeft ondernomen om het beheer van het [fonds1] over te dragen aan een andere, AIFM vergunninghoudende fondsbeheerder naar aanleiding van het voornemen van de AFM om de vergunning van [BV1] in te trekken. Ook maakt de toelichting duidelijk welke problemen er zullen rijzen als de AFM vasthoudt aan de termijn van zes maanden waarbinnen de beleggingen in het [fonds1] moeten worden afgebouwd. De toelichting vermeldt:
Als gevolg van de onzekerheid over de aflossingscapaciteit van de leningnemer van het [fonds1], [B] en [C], is het momenteel tevens onduidelijk of de beleggingen binnen de door de AFM gestelde termijn kunnen worden afgewikkeld. [B] en [C] heeft aangegeven alles in het werk te zullen stellen om de contractuele verplichtingen na te komen. Voor de goede orde merkt de directie op dat volledige aflossing in dat geval een periode van tien maanden zal bedragen. De directie is niet bereid om de beleggingen te verkopen op een secundaire markt tegen een aanzienlijke afslag. Dit is niet in het belang van de beleggers.
Op dit moment is het onzeker in hoeverre de AFM bereid is verlenging te verlenen voor de opgelegde 6-maandstermijn om zo de beleggingen in het [fonds1] te kunnen afbouwen. Als gevolg hiervan bestaat er een materiële onzekerheid over de continuïteit van het fonds. De directie heeft er op basis van de gesprekken met de AFM echter vertrouwen in dat de liquidatie beheerst kan verlopen en dat om die reden de jaarrekening nog kan worden opgesteld op basis van de continuïteitsveronderstelling. De verwachting is dat het fonds aan al zijn verplichtingen zal kunnen voldoen. Als gevolg hiervan zijn de grondslagen voor waardering en resultaatbepaling ongewijzigd gebleven ten opzichte van het voorgaande jaar, in overeenstemming met RJ170 Discontinuïteit en ernstige onzekerheid over continuïteit.
3.6. Twee participanten[3] zijn van mening dat [Y1] op grond van haar zorgplicht geen goedkeurende controleverklaringen bij de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 had mogen afgeven. Zij stellen schade te hebben geleden en hebben onder meer [Y1] aansprakelijk gesteld. De aansprakelijkstelling en de daarop gevolgde procedure heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Zeeland West-Brabant van 21 mei 2025 waarin de vorderingen zijn afgewezen(ECLI:NL:RBZWB:2025:3467).
3.7. In 2017 is [BV2] (hierna: [BV2]) opgericht, een fondsbeheerder die opereert buiten AFM-toezicht. [BV1] heeft in oktober 2017 de beleggingsinstelling [D] ([D]) overgedragen aan [BV2]. Betrokkene heeft ook de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 van [D] gecontroleerd.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klagers gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.
4.2. Aan het slot van het klaagschrift hebben klagers vijftien summier beschreven klachtonderdelen naar voren gebracht, die elkaar soms overlappen. De voorzitter heeft deze klachtonderdelen tijdens de mondelinge behandeling gerubriceerd en samengevat voorgehouden aan klagers, die desgevraagd met de volgende weergave van hun klacht hebben ingestemd:
1. Betrokkene heeft geen deugdelijk cliëntenonderzoek gedaan en geen deugdelijk overleg met de voorafgaande accountant gevoerd, want dan was betrokkene ermee bekend geweest dat bij [BV1] al jarenlang sprake was van ernstige gebreken in de risicobeheersing en integere bedrijfsvoering, welke gebreken de AFM heeft vastgesteld;
2. Betrokkene heeft de lopende onderzoeken door de AFM en De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) en de correspondentie hierover niet opgemerkt, waardoor informatie daarover in de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 ten onrechte ontbreekt;
3. Betrokkene heeft niet vastgesteld dat de jaarrekeningen geen getrouwe weergave bevatten van de staat van [A] en [D];
4. Betrokkene heeft ten onrechte de ontoereikende en onjuiste toelichting over de continuïteit in de jaarrekening 2019 van [A] goedgekeurd.
4.3. Klagers hebben in hun klaagschrift gerefereerd aan [D] en de controle van haar jaarrekeningen 2017 tot en met 2019, maar maken betrokkene met betrekking tot de door hem uitgevoerde controlewerkzaamheden geen concrete verwijten. Daarom zal de Accountantskamer hierna enkel ingaan op de verwijten die te maken hebben met de controle van de jaarrekeningen van [A]. Klachtonderdeel drie is, voor zover dat ziet op [D], dan ook ongegrond.
5. De beoordeling
De klacht ten aanzien van [Y1] is niet-ontvankelijk.
5.1. Klagers hebben hun klacht gericht tegen zowel betrokkene als tegen [Y1] N.V. waaraan hij is verbonden. Op grond van artikel 22 Wtra kan de Accountantskamer alleen klachten in behandeling nemen die gericht zijn tegen een accountant. Voor zover de klacht zich richt tegen [Y1] N.V. zijn klagers daarom niet-ontvankelijk.
5.2. Hierna zal de Accountantskamer de klacht tegen [Y2] beoordelen, die hierna voor de leesbaarheid betrokkene wordt genoemd.
Het toetsingskader.
5.3. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS), in het bijzonder de Standaarden die van toepassing zijn op opdrachten tot controle van historische financiële informatie.
5.4. In deze klacht gaat het onder meer om de vraag of de jaarrekeningen waarbij betrokkene een goedkeurende controleverklaring heeft afgegeven, het vereiste inzicht geven. Het is de verantwoordelijkheid van betrokkene, voor zover van belang in verband met de klacht, vast te stellen (i) of de jaarrekening een zodanig inzicht geeft dat een oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat en (ii) of het verslag van de fondsbeheerder met de jaarrekening verenigbaar is.
Klachtonderdeel 1. Betrokkene heeft geen deugdelijk cliëntenonderzoek gedaan en geen deugdelijk overleg met de voorafgaande accountant gevoerd, want dan was betrokkene ermee bekend geweest dat bij [BV1] al jarenlang sprake was van ernstige gebreken in de [de Accountantskamer begrijpt] risicobeheersing en integere bedrijfsvoering, welke gebreken de AFM heeft vastgesteld.
5.5. Klachtonderdeel 1 betreft de opdrachtaanvaarding eind 2017. Eerder had [accountantskantoor1] de opdracht de jaarrekening(en) van [A] te controleren. Met ingang van het boekjaar 2017 heeft betrokkene de opdracht aangevangen nadat [Y1] de opdracht had aanvaard en heeft de opdracht op 23 november 2017 namens [Y1] schriftelijk aan [BV1] bevestigd.
5.6. De overdracht van [D] door [BV1] aan [BV2] in oktober 2017 is aan de AFM gemeld. De AFM heeft daarin, gecombineerd met de toezichtshistorie[4] (zoals hierna aan de orde zal komen), aanleiding gezien om eind 2017 een onderzoek in te stellen naar de beheerste en integere bedrijfsvoering van [BV1]. In dit verband hebben klagers in het klaagschrift een aantal, volgens hen relevante momenten genoemd:
- Op 22 december 2017 heeft de AFM een informatieverzoek aan [BV1] gestuurd.
- Op 14 juni 2018 heeft de AFM een onderzoek ter plaatse verricht. Vervolgens heeft zij een hertoetsing aangekondigd. Een dergelijke hertoetsing vindt plaats in samenwerking met DNB.
- Op 26 juni 2018 en 26 juli 2018 heeft DNB [BV1] erop gewezen dat zij niet voldoet aan de vastekosteneis, dat zij onverantwoorde risico’s neemt en geen beleid voert dat is gericht op het beheersen van risico’s die de soliditeit van [BV1] kunnen aantasten[5].
- Op 26 juli 2018 en 29 oktober 2018 hebben hertoetsingsgesprekken met de AFM plaatsgevonden.
5.7. Klagers stellen dat betrokkene op grond van het collegiale overleg met [accountantskantoor1] inzicht had dienen te verkrijgen in mogelijke integriteitsrisico’s bij [BV1] vanwege risico’s op fraude of niet-naleving van wet- en regelgeving. Tijdens dit collegiale overleg zou de toezichtshistorie van de AFM moeten zijn besproken. Op basis van die kennis had betrokkene volgens klagers rode vlaggen moeten signaleren en moeten besluiten om ofwel voorwaarden te verbinden aan de aanvaarding van de opdracht ofwel deze niet mogen aanvaarden. Klagers betwijfelen of betrokkene het verplichte onderzoek op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) heeft verricht. In het kader van dat onderzoek had betrokkene immers de kritische bevindingen van de AFM behoren op te merken, en dat [BV1] al jarenlang niet of onvoldoende meewerkte aan het verbeteren van de door de AFM geconstateerde tekortkomingen.
5.8. Betrokkene heeft aangevoerd dat klagers ten onrechte geen onderscheid maken tussen [BV1] en [A]. Het AFM-onderzoek had betrekking op de beheerste en integere bedrijfsvoering van [BV1], terwijl de controle van de jaarrekeningen [A] betreft. Ter zitting heeft betrokkene uitgelegd dat hij in het kader van de opdrachtaanvaarding eerst een gesprek heeft gevoerd met de vorige accountant en een dossierreview heeft verricht. Tevoren was betrokkene in grote lijnen op de hoogte van de observaties van de AFM op de beheerste en integere bedrijfsvoering van [BV1]. Deze hadden betrekking op aanpassingen in de organisatie en de governance van [BV1], de aanmelding en afwijzing van subfondsen, aanpassingen van prospectussen, (her)toetsing van een bestuurder van [BV1] en verduidelijking van de vergunningsvoorwaarden. [BV1] wilde zich volgens betrokkene verder professionaliseren en in dat kader paste de overstap van [accountantskantoor1] naar [Y1]. Volgens betrokkene hadden de observaties van de AFM geen rechtstreekse invloed op de jaarrekeningen van [A] en de correspondentie die betrokkene had ingezien leidde niet tot een vermoeden van niet-naleving van wet- en regelgeving. Pas later is betrokkene gebleken dat de AFM ook normoverdragende gesprekken met [BV1] heeft gevoerd en dito brieven aan haar heeft gestuurd. [BV1] heeft die informatie niet tijdig met betrokkene gedeeld, ook al had betrokkene verzocht om inzage in de correspondentie met de AFM.
5.9. De Accountantskamer overweegt als volgt. Indien hierna wordt verwezen naar bepaalde Standaarden, dan betreft dat de tekst ervan zoals die in 2017 luidde.
5.9.1. Standaard 220.12 schrijft voor dat de opdrachtpartner ervan overtuigd dient te zijn dat passende procedures met betrekking tot aanvaarding en continuering van cliëntrelaties en controleopdrachten zijn gevolgd en dient vast te stellen dat conclusies die hieromtrent zijn getrokken, passend zijn. Uit Standaard 220.A8 volgt dat hiertoe ook de integriteit van onder meer de met governance belaste personen van de entiteit behoort[6].
5.9.2. Standaard 210 behandelt het overeenkomen van de voorwaarden van controleopdrachten. Daartoe bepaalt de accountant of het stelsel inzake financiële verslaggeving dat bij het opstellen van de financiële overzichten zal worden toegepast, aanvaardbaar is. Daarnaast moet onder meer en kort gezegd overeenstemming bestaan met het management dat het management zijn verantwoordelijkheid voor de jaarrekening erkent en begrijpt, en dat het management alle verlangde informatie aan de accountant zal verstrekken (Standaard 210.6).
5.9.3. In het kader van het verwerven van inzicht in de entiteit en haar omgeving, dient de accountant een algemeen inzicht te verwerven in het wet- en regelgevingskader dat van toepassing is op de entiteit en de branche of sector waarbinnen de entiteit actief is en de manier waarop de entiteit dat kader naleeft (Standaard 250.12). Ter bevordering van het identificeren van gevallen van niet-naleving van overige wet- en regelgeving die een invloed van materieel belang kunnen hebben op de financiële overzichten, dient de accountant de volgende controlewerkzaamheden uit te voeren:
- het management en, in voorkomend geval, de met governance belaste personen vragen of de entiteit dergelijke wet- en regelgeving naleeft; en
- de eventuele correspondentie met de desbetreffende vergunningverlenende of regelgevende of toezichthoudende instanties inspecteren (Standaard 250.14).
5.9.4. De accountant dient het management en in voorkomend geval, de met governance belaste personen, te verzoeken om schriftelijke bevestigingen te verstrekken dat alle bekende gevallen van niet-naleving of vermoede niet-naleving van wet- en regelgeving waarmee bij het opstellen van de financiële overzichten rekening moet worden gehouden, de accountant ter kennis zijn gebracht (Standaard 250.16).
5.10. Uit het verweer van betrokkene volgt naar het oordeel van de Accountantskamer dat hij overleg heeft gevoerd met de voorafgaande accountant. Betrokkene heeft gemotiveerd betwist dat hij geen deugdelijk overleg met de voorafgaande accountant heeft gevoerd, zoals klagers hem verwijten. Klagers zijn niet op deze weerspreking van het verwijt ingegaan. Zij hebben ook niet onderbouwd gesteld dat betrokkene op basis van het overleg met [accountantskantoor1] signalen heeft ontvangen die aanleiding zouden moeten hebben gegeven de opdracht niet (of alleen onder bepaalde voorwaarden) te aanvaarden.
5.11. Uit het overleg met [accountantskantoor1] zijn aandachtspunten van de AFM met betrekking tot [BV1] naar voren gekomen. Er is sprake van een zekere, bij betrokkene bekende lotsverbondenheid tussen [BV1] en [A]. Als [BV1] haar vergunning van de AFM zou verliezen, dan zou dat onmiskenbaar substantiële gevolgen hebben voor [A]. Het verlies van de vergunning betekende immers dat het [fonds1] aan een andere beheerder overgedragen, of geliquideerd zou moeten worden. Dat betekent dat betrokkene bij de opdrachtaanvaarding tevens aandacht moest hebben voor de situatie bij [BV1]. Het verweer van betrokkene, dat klagers het verschil tussen [BV1] en [A] miskennen, is onvoldoende om aan deze lotsverbondenheid (die betrokkene dus ook onderkent) voorbij te gaan.
5.12. Uit bijlage 2 bij het conceptrapport van de AFM van 18 juni 2019 blijkt dat de AFM veelvuldig met [BV1] heeft gecorrespondeerd en gesproken (de eerdergenoemde toezichtshistorie). Bij klagers leeft kennelijk de veronderstelling dat dit door [BV1] is gedeeld met de accountant. Dat – met andere woorden – [accountantskantoor1] en vervolgens betrokkene hiervan[7] op de hoogte waren. En dat [accountantskantoor1] de bij haar bekende informatie ook met betrokkene heeft gedeeld. Dat heeft betrokkene echter gemotiveerd weersproken. Het was betrokkene bekend dat de AFM aanmerkingen had op diverse issues bij [BV1] maar i) [BV1] maakte juist een professionaliseringsslag om die onderwerpen te adresseren en ii) uit de hem bekende informatie heeft betrokkene niet kunnen afleiden dat de AFM de integriteit van [BV1] ter discussie stelde of dat er aanwijzingen waren dat het management zijn verantwoordelijkheden niet zou nakomen en dat betrokkene geen voldoende en geen geschikte controle-informatie zou kunnen verkrijgen. Alsdan was hem, zo stelt betrokkene, geen informatie bekend die ertoe had moeten leiden dat [Y1] de controle-opdracht niet kon aanvaarden.
5.13. De Accountantskamer komt tot de slotsom dat klagers niet aannemelijk hebben gemaakt dat betrokkene onvoldoende cliëntonderzoek heeft verricht. De twijfel die klagers uitspreken of betrokkene het onderzoek op grond van de Wwft wel heeft verricht, kan niet leiden tot een gegrond klachtonderdeel, nu die twijfel niet is onderbouwd. Klachtonderdeel 1. is ongegrond.
Klachtonderdeel 2. Betrokkene heeft de lopende onderzoeken door de AFM en DNB en de correspondentie hierover niet opgemerkt waardoor informatie daarover in de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 ten onrechte ontbreekt.
5.14. Klachtonderdeel 2 betreft de controle van de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 van [A]. In de jaarrekening 2019 van [A] is in de algemene toelichting de continuïteit aan de orde gesteld vanwege het feit dat de AFM op 10 december 2019 had besloten de vergunning van [BV1] in te trekken. Betrokkene heeft in verband hiermee een paragraaf ter benadrukking als bedoeld in Standaard 706 in zijn controleverklaring bij de jaarrekening 2019 opgenomen. Daaruit volgt reeds dat betrokkene bij de controle van de jaarrekening 2019 aandacht heeft gehad voor het onderzoek door de AFM en de uitkomst ervan, zodat het klachtonderdeel wat betreft de controle van de jaarrekening 2019 ongegrond is.
5.15. Wat betreft het onderzoek door DNB hebben klagers gewezen op twee brieven van DNB (gedateerd 26 juni 2018 en 26 juli 2018), die zijn genoemd in een bijlage bij het onderzoeksrapport van de AFM van juni 2019. Deze brieven gaan over de situatie bij [BV1] en het door haar gevoerde, door DNB bekritiseerde facetten van het financiële beleid. Klagers hebben niet aannemelijk gemaakt dat hierover informatie in de jaarrekening 2018 van [A] had moeten worden opgenomen.
5.16. In de jaarrekeningen 2017 en 2018 van [A] heeft [BV1] geen informatie verschaft over de correspondentie met de AFM. Deze informatie was volgens klagers echter van materieel belang, omdat zij hun beslissing om al dan niet (verder) te investeren mede daarvan zouden hebben laten afhangen. Klagers zijn daarom van mening dat deze jaarrekeningen niet voldoen aan het inzichtvereiste. Hierbij komt dat op de dag waarop betrokkene zijn controleverklaring bij de jaarrekening 2018 heeft afgegeven en het management van [BV1] de letter of representation heeft ondertekend, de AFM haar conceptrapport en het voornemen om de vergunning in te trekken aan [BV1] bekend heeft gemaakt (alles op 18 juni 2019). Op 28 mei 2019 had de AFM in een gesprek met het management dit voornemen aangekondigd.
5.17. De Accountantskamer is van oordeel dat klagers niet aannemelijk hebben gemaakt dat betrokkene ten tijde van de afgifte van de controleverklaringen 2017 en 2018 over informatie beschikte die hem aanleiding had moeten geven om nadere controlewerkzaamheden te verrichten of om zijn oordeel aan te passen. Daarbij is onder meer van belang dat betrokkene voor het verkrijgen van inzicht in de correspondentie met de AFM afhankelijk was van de informatie die het management hem daarover verschafte.
5.17.1. Betrokkene heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat hij ten tijde van de controlewerkzaamheden van de jaarrekeningen 2017 en 2018 kennis heeft genomen van correspondentie tussen de AFM en [BV1]. Die correspondentie betrof, kort samengevat, de volgende onderwerpen:
- aanpassingen in de organisatie van [BV1] en de governance,
- de aanmelding/afwijzing van subfondsen,
- de aanpassing van prospectussen,
- (her)toetsing van een bestuurder van [BV1], en
- verduidelijking van de vergunningvoorwaarden.
5.17.2. Op 22 december 2017 heeft de AFM een informatieverzoek verzonden, waarin de AFM aankondigde onderzoek te doen naar de beheerste en integere bedrijfsvoering van [BV1]. Dat informatieverzoek leidde tot correspondentie over een aantal aanvullende vragen en over de inhoud van het informatieverzoek.
5.17.3. Betrokkene heeft een gedeelte (snippet) uit het controledossier 2018 overgelegd waarin een overzicht van de aan hem verstrekte correspondentie met de AFM is opgenomen en de follow-up van betrokkene daarbij, die telkens No issues noted luidt:
- brief van 12 januari 2018 van [BV1] aan de AFM met bezwaar tegen de afwijzing van een voorgedragen lid van de board;
- brief van 12 januari 2018 van [BV1] aan de AFM met een antwoord op een informatieverzoek van de AFM van 22 december 2017;
- brief van 6 februari 2018 van de AFM aan [BV1] aangaande de voortgang van het plan van aanpak, verzoek om toezending van het beleid omtrent ongebruikelijke transacties, verzoek om toelichting van transacties met een bepaalde besloten vennootschap, etc.;
- brief van 26 februari 2018 van [BV1] aan de AFM met een reactie op de vragen uit de brief van de AFM van 6 februari 2018;
- 4 december 2018 goedkeuring van de aanstelling van een bepaalde chief financial officer.
5.17.4. Al deze correspondentie leidde volgens betrokkene niet tot een vermoeden van niet-naleving van wet- en regelgeving door [A], ten gevolge waarvan een risico zou kunnen bestaan op een afwijking van materieel belang in haar financiële overzichten op grond waarvan betrokkene aanvullende controlewerkzaamheden had moeten verrichten of zijn oordeel had moeten aanpassen. Klagers hebben dit verweer niet weerlegd.
5.17.5. Uit de correspondentie die [BV1] heeft verstrekt aan betrokkene blijkt volgens hem niet van informatie die in de jaarrekeningen 2017 en 2018 opgenomen had moeten worden. Klagers stellen dat betrokkene niet had mogen volstaan met de aanname dat de AFM een (in het kader van haar toezicht) gebruikelijk onderzoek verrichtte en dat hij mocht vertrouwen op de inlichtingen van het management. Klagers onderbouwen deze stelling echter niet. Het gaat bovendien om lopende onderzoeken, waarvan het maar de vraag is – en klagers beantwoorden die vraag niet – of informatie daaruit moest worden opgenomen in de jaarrekeningen 2017 en 2018 van [A]. Klagers hebben nog gewezen op de lawyers letter die [Y1] ontving op 1 mei 2019 met informatie over de discussie met de AFM. Daarin is echter ook opgenomen dat de AFM nog geen voornemen tot een handhavingsmaatregel bekend had gemaakt. Betrokkene heeft op 8 mei 2019 navraag gedaan naar de aard, inhoud en stand van zaken van het AFM-onderzoek. [BV1] heeft geantwoord dat de discussie nog gaande was en klagers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er toen aanleiding bestond om verdere controlewerkzaamheden uit te voeren.
5.17.6. De Accountantskamer is verder van oordeel dat betrokkene niet met succes verweten kan worden dat hij niet over meer correspondentie de beschikking had. In bijlage 2 bij het conceptrapport van de AFM van juni 2019 staan vele contactmomenten met [BV1] (e-mails, brieven, telefonische contacten, onderzoek ter plaatse) opgesomd, die het management kennelijk in beperkte omvang met betrokkene heeft gedeeld. Betrokkene is voor het verkrijgen van informatie over de contacten met de AFM en haar onderzoek en standpunten afhankelijk van het management van [BV1], dat deze informatie desgevraagd of uit eigen beweging moet delen. Betrokkene heeft bij de controle van de jaarrekening 2017 naar aanleiding van Standaard 250.15 op 18 april 2018 aan het management van [BV1] gevraagd of wet- en regelgeving is nageleefd die een invloed van materieel belang kan hebben op de financiële overzichten en het antwoord daarop was positief, met dien verstande dat bepaalde issues die de AFM aan de orde had gesteld, door het management werden geadresseerd. Bij de controle van de jaarrekening 2018 was de situatie in dit opzicht grotendeels vergelijkbaar. Betrokkene heeft een en ander vastgelegd in de controledossiers betreffende de jaarrekeningen van 2017 en 2018. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij niet door [BV1] is geïnformeerd dat de AFM op 28 mei 2019 had aangekondigd de vergunning in te trekken. Noch heeft [BV1] het conceptrapport van de AFM van 18 juni 2019 gedeeld en de zienswijze van [BV1] op dat concept evenmin. Daarvan kan betrokkene in redelijkheid geen verwijt worden gemaakt.
5.18. Het is betrokkene pas na de afgifte op 18 juni 2019 van de controleverklaring bij de jaarrekening 2018 gebleken dat op diezelfde dag de AFM haar conceptrapport naar [BV1] had verstuurd.
5.19. Klachtonderdeel 2 is ongegrond.
Klachtonderdeel 3. Betrokkene heeft niet vastgesteld dat de jaarrekeningen geen getrouwe weergave bevatten van de staat van [BV1]/[A].
5.20. Klagers hebben aangevoerd dat betrokkene onvoldoende controlewerkzaamheden heeft opgezet en uitgevoerd naar de waardering van de beleggingen en in het bijzonder onvoldoende heeft onderzocht of de gestelde zekerheden, de pandrechten op vorderingen van [B] en [C] op hun debiteuren van voldoende kwaliteit waren en zo nodig uitgewonnen konden worden. Als betrokkene de gestelde zekerheden had gecontroleerd, dan had hij ontdekt dat deze niet aanwezig waren en dat de risico’s en waarde van de beleggingen[8] onjuist waren weergegeven, zo stellen klagers.
5.21. De Accountantskamer overweegt dat klagers bij dit klachtonderdeel als vaststaand feit aannemen dat de jaarrekeningen van [A] over de jaren 2017 tot en met 2019 geen getrouw beeld geven. Dat betreft echter een stelling van klagers die niet, althans onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Klagers zijn op dat spoor gekomen nadat in 2020 (na het uitbreken van de covid-pandemie) was gebleken dat [B] en [C] niet in staat waren te voldoen aan de rente- en aflossingsverplichtingen en de gestelde zekerheden onvoldoende soelaas boden. Daaruit concluderen zij dat de waardering van de beleggingen onjuist was. Deze conclusie is naar het oordeel van de Accountantskamer onvoldoende aannemelijk gemaakt gelet op de informatie die destijds beschikbaar was (en dus niet achteraf beschikbaar kwam).
5.22. Betrokkene heeft uitgelegd op welke wijze hij zijn controlewerkzaamheden van de jaarrekeningen van [A] heeft opgezet en uitgevoerd voor de genoemde onderdelen. Hij heeft getoetst of de keuzes ten aanzien van de waardering van de leningen in redelijkheid gemaakt konden worden, aanvaardbaar waren en tot het vereiste inzicht leidden.
5.22.1. [BV1] heeft als waarderingsgrondslag voor de verstrekte leningen gekozen voor de geamortiseerde kostprijs onder aftrek van een eventuele voorziening voor oninbaarheid (conform de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving 290.516). Betrokkene heeft deze voorziening gecontroleerd door na te gaan of [B] en [C] voldeden aan de op hen rustende verplichtingen (betaling van rente en aflossing) en door de gecontroleerde jaarrekeningen van [B] en [C] te evalueren.
5.22.2. Het bestaan en de kostprijs van de beleggingen in [B] en [C] is gecontroleerd aan de hand van externe bronnen (leningovereenkomsten en externe bevestigingen). Betrokkene kon, anders dan klagers stellen, vaststellen dat de gestelde zekerheden bestonden. Uit de loan & security agreements is betrokkene gebleken dat pandrechten op activa van [B] en [C] waren gevestigd, met name op de vorderingen op de debiteuren van [B] en [C]. Uit de jaarrekeningen van [B] en [C] bleek dat de vorderingen de schuld aan [A] konden afdekken.
5.23. De Accountantskamer stelt vast dat klagers niet specifiek zijn ingegaan op de controle-aanpak en -werkzaamheden van betrokkene. Zij hebben niet aangevoerd dat en waarom deze aanpak en werkzaamheden ontoereikend zouden zijn. Klagers hebben het verweer van betrokkene niet weerlegd dat er geen aanleiding bestond om aan te nemen dat de vorderingen op [B] en [C] geheel of gedeeltelijk afgewaardeerd hadden moeten worden en dat ter zake een voorziening had moeten worden opgenomen. Klagers hebben wel gewezen op de beweerdelijk complexe situatie waarbij volgens hen sprake was van een groot concentratierisico bij twee [land1] tegenpartijen ([B] en [C]), governanceproblemen bij [BV1] en het onderzoek van de AFM, maar daaruit volgt niet dat betrokkene zijn controlewerkzaamheden had moeten uitbreiden naar een toets op de kwaliteit en de mogelijkheid tot uitwinning van de verpande vorderingen zoals klagers stellen.
5.24. De Accountantskamer is samenvattend van oordeel dat klagers niet aannemelijk hebben gemaakt dat betrokkene onvoldoende controlewerkzaamheden heeft verricht waardoor hij niet heeft vastgesteld dat de jaarrekeningen van [A] geen getrouw beeld geven zoals het klachtonderdeel luidt. De controlewerkzaamheden betroffen, anders dan het klachtonderdeel suggereert, niet de jaarrekeningen van [BV1] zelf. Klachtonderdeel 3 is ongegrond.
Klachtonderdeel 4. Betrokkene heeft ten onrechte de ontoereikende en onjuiste toelichting over de continuïteit in de jaarrekening 2019 goedgekeurd.
5.25. Klagers stellen dat in de jaarrekening 2019 van [A] een verkeerde – en daardoor misleidende – voorstelling van zaken is geschetst onder de kop Beëindigingbedrijfsactiviteiten. In de algemene toelichting bij de jaarrekening 2019 staat onder meer[9]:
Op dit moment is het onzeker in hoeverre de AFM bereid is verlenging te verlenen voor de opgelegde 6-maandstermijn om zo de beleggingen in het [fonds1] beheerst te kunnen afbouwen. Als gevolg hiervan bestaat er een materiële onzekerheid over de continuïteit van het fonds. (…) De verwachting is dat het fonds aan al zijn verplichtingen zal kunnen voldoen. Als gevolg hiervan zijn de grondslagen voor waardering en resultaatbepaling ongewijzigd gebleven ten opzichte van het voorgaande jaar, in overeenstemming met RJ170 Discontinuïteit en ernstige onzekerheid over continuïteit.
5.25.1. Betrokkene had volgens klagers niet mogen volstaan met de paragraaf materiële onzekerheid omtrent de continuïteit in zijn controleverklaring. Ook menen klagers dat betrokkene veel eerder had moeten signaleren en communiceren dat er twijfels bestaan over de continuïteit van [A].
5.26.
5.26.1. Betrokkene heeft toegelicht dat hij eerst in mei 2020 heeft kennisgenomen van het definitieve onderzoeksrapport van de AFM waarmee zij de vergunning van [BV1] heeft ingetrokken. Op dat moment heeft betrokkene meerdere maatregelen getroffen. In de eerste plaats heeft betrokkene twee consulten bij het bureau vaktechniek van [Y1] gevraagd, namelijk ten aanzien van de continuïteit en ten aanzien van het niet voldoen aan wet- en regelgeving. Verder heeft betrokkene een opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordelaar (okb’er) en een forensisch specialist aan het controleteam toegevoegd vanwege het verhoogde risicoprofiel van de opdracht. Tot slot heeft betrokkene met [BV1] erover gesproken dat hem niet steeds en op tijd alle relevante informatie was verstrekt. [BV1] heeft vervolgens gemeld dat dit niet tijdig melden het gevolg was van grote werkdruk.
5.26.2. Betrokkene heeft in afstemming met de okb’er en de forensisch specialist geconcludeerd dat de goedkeurende controleverklaring met een paragraaf over de onzekerheid van materieel belang inzake de continuïteit kon worden afgegeven. Daarbij is betrokken dat de definitieve bevindingen van de AFM het vermogen, het resultaat, de solvabiliteit en liquiditeit van [A] voor boekjaar 2019 niet direct raakten. Er was geen financiële impact op de jaarrekening van [A].
5.26.3. Betrokkene heeft er in dit verband erop gewezen dat de intrekking van de vergunning niet betekende dat [A] en het [fonds1] onmiddellijk in de financiële problemen kwamen. Ten tijde van de afgifte van de controleverklaring was de intrekking van de vergunning nog niet definitief (vanwege een lopende bezwaarprocedure) en was aannemelijk dat het liquidatieproces van [A] beheerst zou verlopen, al was dat afhankelijk van de bereidheid van de AFM om de liquidatietermijn van zes maanden te verlengen. In overleg met het bureau vaktechniek van [Y1] heeft betrokkene besloten dat een toelichtende paragraaf in de controleverklaring noodzakelijk was.
5.27. De Accountantskamer overweegt als volgt. De jaarrekening van [A] is opgesteld conform Titel 9 Boek 2 BW. In artikel 2:384 lid 3 BW is bepaald dat bij de waardering van activa en passiva wordt uitgegaan van de veronderstelling dat het geheel der werkzaamheden van, in dit geval, [A] waaraan die activa en passiva dienstbaar zijn, wordt voortgezet tenzij die veronderstelling onjuist is of haar juistheid aan gerede twijfel onderhevig is. In dat geval wordt dit onder mededeling van de invloed op vermogen en resultaat in de toelichting uiteengezet. [BV1] heeft in de jaarrekening 2019 vermeld dat de intrekking van de vergunning geen gevolgen heeft voor de waardering en resultaatbepaling.
5.28. Betrokkene diende als controlerend accountant het hanteren van de continuïteitsveronderstelling en de mogelijke gevolgen van de intrekking van de vergunning voor de waardering en resultaatbepaling vakbekwaam, zorgvuldig en voldoende professioneel-kritisch met inachtneming van het bepaalde in Standaard 570 te beoordelen. De Accountantskamer is van oordeel dat klagers niet aannemelijk hebben gemaakt dat betrokkene hierin zijn verantwoordelijkheid heeft nagelaten. Hiervoor wordt het volgende overwogen.
5.28.1. De aangekondigde intrekking van de vergunning van [BV1] hoefde niet te leiden tot discontinuïteit van [A] en evenmin tot de conclusie dat [A] naar verwachting niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Daarbij is van belang dat [BV1] [A] zou kunnen onderbrengen bij een andere fondsbeheerder binnen de begunstigingstermijn van de AFM en dat de intrekking van de vergunning een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing is, van welke rechtsmiddelen [BV1] gebruik heeft gemaakt[10]. Betrokkene heeft in dit verband ook aangevoerd dat de termijn van zes maanden die de AFM op 10 december 2019 voor de afwikkeling van de vergunningplichtige activiteitenhad gesteld, ten tijde van de afgifte van de controleverklaring op 9 juli 2020 met zes maanden was verlengd. Dit betekent dat [A] een zeker respijt had en dat het gevolg van de intrekking van de vergunning voor de jaarrekening 2019 niet zodanig was dat niet langer mocht worden uitgegaan van de continuïteitsveronderstelling en dat [A] naar verwachting niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.
5.28.2. Voorgaande neemt niet weg dat de intrekking van de vergunning voor de gebruikers van de jaarrekening van [A] een relevant gegeven was of kon zijn in relatie tot de continuïteit van [A]. Deze omstandigheid heeft betrokkene onder ogen gezien en een hiermee verband houdende paragraaf ter benadrukking in zijn controleverklaring opgenomen.
5.28.3. De Accountantskamer ziet niet in waarom de toelichting in de paragraaf over de materiële onzekerheid omtrent continuïteit onvoldoende is zoals klagers stellen. Dat de toelichting verkeerde of misleidende informatie bevat hebben klagers niet aannemelijk gemaakt. In zoverre het klachtonderdeel verwijt dat betrokkene eerder had behoren te twijfelen aan de continuïteit van [A], is sprake van een overlap met klachtonderdeel 2, zodat dit verwijt hier geen bespreking meer behoeft. Klachtonderdeel 4 is ongegrond.
6. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover deze is gericht tegen [Y1] N.V.;
- verklaart de klacht ongegrond, voor zover deze is gericht tegen betrokkene.
Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. A.M. van Amsterdam (rechterlijke leden) en drs. J.C. Scheper RA en prof. dr. Ph. Wallage RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Alternative Investment Fund Managers Directive, een Europese richtlijn die geharmoniseerde regels heeft geïntroduceerd waaraan beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen moeten voldoen.
[2] Een fonds voor gemene rekening kan als volgt gedefinieerd: een overeenkomst tussen meestal een beheerder van het fonds, een bewaarder van het fonds en, in voorkomende gevallen, participanten in het fonds. De participanten brengen geld of ander vermogen in het fonds om dat samen te beleggen. Voor elk bewijs van deelgerechtigdheid krijgt de participant een deel van de opbrengst.
[3] Het is de Accountantskamer niet bekend of deze participanten tot de klagers in deze tuchtprocedure behoren.
[4] In het conceptrapport van de AFM van 18 juni 2019 staat op bladzijde 5 onder meer: ‘Vanaf de datum van vergunningverlening is [BV1] meerdere malen door de AFM aangesproken op door de AFM geconstateerde wetsovertredingen en hebben andere (voor toezicht relevante) gebeurtenissen plaatsgevonden’. De datum van bedoelde vergunningverlening is kennelijk juli 2008.
[5] Als bedoeld in artikel 26.1 van het Besluit prudentiële regels Wft.
[6] Vanaf 1 januari 2020 bevat de VGBA in artikel 15a het voorschrift dat met de voorafgaande accountant moet worden overgelegd of er aanleiding is om een controle-, beoordelings- of samenstellingsopdracht van historische financiële informatie opdracht niet te aanvaarden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de integriteit van de cliënt, diens naleving van wet- en regelgeving, Wwft-aspecten, en situaties waarin NOCLAR van toepassing kan zijn.
[7] In bijlage 2 bij het conceptrapport van de AFM van juni 2019 is in de pagina’s 91 tot en met 109 weergegeven welke (vele) contactmomenten en correspondentie er is geweest tussen de AFM en [BV1].
[8] Voor de goede orde: de leningen door het [fonds1], waarin klagers belegden, aan [B] en [C].
[9] Zie 3.5.2 voor een omvangrijker citaat.
[10] Uiteindelijk is het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5130.