We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TACAKN:2026:52 Accountantskamer Zwolle 25/1002 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:52
Datum uitspraak: 05-06-2026
Datum publicatie: 08-06-2026
Zaaknummer(s): 25/1002 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht, berisping. Klager is een van de maten van een maatschap. Volgens klager heeft betrokkene twee documenten opgesteld met verschillende afspraken over de samenwerking binnen een maatschap. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene niet integer en niet vakbekwaam en zorgvuldig heeft gehandeld bij het opstellen van en adviseren over de samenwerkingsdocumentatie.

UITSPRAAK van 29 mei 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 21 maart 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1002 Wtra AK van

X

wonende in [plaats1]

K L A G E R

t e g e n

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. D.C. Theunis te Amsterdam

1.            De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • de brief van de Accountantskamer van 26 maart 2025
  • de reactie daarop van klager (aanvullend klaagschrift), ontvangen op 7 april 2025
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van betrokkene .

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 1 december 2025. Klager is verschenen, bijgestaan door [A]. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

1.3.        Klager heeft ter zitting een financieel overzicht overgelegd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar aangetekend wegens ontijdigheid (zie hierna, 5.1 ).

2.            De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1.        Klager is in 2015 samen met zijn broer een samenwerking aangegaan met twee anderen, in het kader waarvan klager gronden, quota en bedrijfstoeslagen ter beschikking stelde voor akkerbouw. Op verzoek van partijen heeft betrokkene de uitgangspunten van hun samenwerking schriftelijk vastgelegd in een document met de titel ‘Interne afspraken inzake de samenwerking’ (hierna: de Interne afspraken). Eén van deze uitgangspunten was dat klager gemiddeld een vaste (minimum)vergoeding zou ontvangen voor de door hem ingebrachte gronden, quota en bedrijfstoeslagen. Ook heeft betrokkene een als maatschapsovereenkomst aangeduid stuk opgesteld, over dezelfde samenwerking tussen partijen. Het genoemde uitgangspunt kwam daarin niet terug. Klager verwijt betrokkene onder meer dat hij (dusdoende) een verkapt pachtcontract heeft opgesteld.

De beslissing van de Accountantskamer.

2.2.        De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene niet integer en niet vakbekwaam en zorgvuldig heeft gehandeld bij het opstellen van en adviseren over de samenwerkingsdocumentatie. In zoverre is de klacht gegrond. Voor het overige zijn de verwijten ongegrond. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van berisping op.

3.            De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 1999 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is verbonden aan [accountantskantoor1] in plaats2].

3.2.        [B] en [C] (vader en zoon) zijn de maten van [maatschap1]. Klager is samen met zijn broer [D] een samenwerking aangegaan met [maatschap1]. De uitgangspunten van deze samenwerking zijn eind 2015 in onderling overleg bepaald en besproken met betrokkene . Daarna heeft betrokkene de gehanteerde uitgangspunten uitgewerkt in de Interne afspraken die door partijen zijn ondertekend op 3 december 2015. De Interne afspraken bepalen onder meer het volgende:

‘Deze afspraken zijn een vastlegging van intern gemaakte afspraken en dienen dus niet naar buiten te worden gebracht.

Afzonderlijk zal een samenwerkingsovereenkomst worden opgesteld welke externe werking heeft.

(…)

  • Op grond van bovenstaande is de feitelijke inbreng van partij 1 ( klager , toevoeging Accountantskamer) 70 hectare landbouwwgrond;
     
  • Besloten is om gezamenlijk het bedrijf te gaan exploiteren waarbij partij 1 alleen het gebruik en genot van de grond inbrengt tezamen met de daarbij behorende rechten;
     
  • Partij 2 (de heren [B] en [C], toevoeging Accountantskamer) zal naast het gebruik en genot van zijn in gebruik zijn de gronden, quota en bedrijfstoeslagen inbrengen het gebruik en genot van de machines;
     
  • Partij 2 zal zorg dragen voor de arbeid; (…)
     
  • De samenwerking wordt aangegaan voor de duur van 10 jaar met optie op verlenging waarbij na 5 jaar een evaluatie wordt afgesproken om de gemaakte afspraken te kunnen herzien;
     
  • Voor partij 1 zal de jaarlijkse vergoeding bedragen voor de inbreng van het gebruik en genot € 1.500 per ingebrachte hectare naar de gemeten maat en 50% van de daarmee samenhangende toeslagrechten;
     
  • Bovenstaande vergoeding kan fluctueren. Echter over de gebruiksduur van de grond zal de vergoeding gemiddeld minimaal aan bovenstaande vergoeding moeten voldoen. (…)
  • In de samenwerkingsovereenkomst kunnen vergoeding anders worden benoemd (fiscale redenen). Echter het uitgangspunt blijft dat de gemiddelde vergoeding voor de inbreng van partij 1 € 1.500 per ingebrachte hectare plus 50% van de daarmee samenhangende bedrijfstoeslag bedraagt. (…)
     
  • Partijen komen overeen dat [accountantskantoor1] de samenwerkingsovereenkomst opmaken en dat een ieder voor 50% bijdraagt in deze kosten’.

3.3.        Met ingang van 1 januari 2016 zijn partijen van start gegaan met hun samenwerking. Op 3 maart 2016 hebben zij een als maatschapsovereenkomst aangeduid document ondertekend, strekkend tot oprichting van de maatschap [maatschap2] en opgesteld door betrokkene. Dit stuk vermeldde een looptijd van 10 jaren. In artikel 11 is het volgende opgenomen:

Artikel 11 Jaarwinstverdeling

Als grondslag van de winstverdeling zal gelden de winst zoals blijkt uit de op grond van

artikel 10 vastgestelde jaarstukken. Winsten en verliezen zullen worden verdeeld als volgt:

  1. De maten ontvangen jaarlijks een aandeel in het bedrijfsresultaat als vergoeding voor de inbreng van het gebruik en genot in de maatschap van de onroerende zaken in artikel 4 van deze akte voornoemd, ter grootte van€ 1.000 (zegge: duizend euro) per ha. Alle kosten, lasten, afschrijvingen en renten van schulden, die betrekking hebben op de onroerende zaken, waarvan het gebruik en genot is ingebracht, komen ten laste van de inbrengende maat.
  2. De maat sub 2 (de heren [B] en [C], toevoeging Accountantskamer ) ontvangt jaarlijks een aandeel in het bedrijfsresultaat als vergoeding voor de inbreng van het gebruik en genot in de maatschap van de machines en installaties in artikel 4 van deze akte voornoemd, ter grootte van een nader over een te komen bedrag. Alle kosten, lasten, afschrijvingen en renten van schulden, die betrekking hebben op de machines en installaties, waarvan het gebruik en genot is ingebracht, komen ten laste van de inbrengende maat.
  3. Iedere maat ontvangt of draagt jaarlijks als aandeel in het bedrijfsresultaat een vergoeding over zijn aandeel in het kapitaal van de maatschap per het begin van het boekjaar van zoveel procent als de door de Europese Centrale Bank vastgestelde depositorente per het begin van het boekjaar vermeerderd met 1 procent.
  4. Vervolgens kan aan ieder van de maten een vergoeding naar zijn geleverde arbeidsprestatie worden toegekend. Deze vergoedingen zullen aan het einde van elk boekjaar in onderlinge overeenstemming worden vastgesteld.
  5. Hetgeen na de hiervoor vermelde vergoedingen als saldo resteert, wordt jaarlijks als volgt verdeeld:
    de maat sub 1
    ( klager , toevoeging Accountantskamer) ontvangt of draagt: dertig procent (30%);
    de maat sub 2 ontvangt of draagt: vijfenzestig procent (65%);
    de maat sub 3
    (klagers broer, toevoeging Accountantskamer) ontvangt of draagt: vijf procent (5%).

De verdeling van het bedrijfsresultaat kan jaarlijks in onderling overleg worden gewijzigd.

3.4.        Betrokkene heeft sinds 2016 de opdracht de jaarrekening van de (veronderstelde) maatschap samen te stellen. Tot en met boekjaar 2023 heeft betrokkene deze opdracht uitgevoerd. Ook heeft hij in deze periode jaarlijks voor de positie van klager een financieel overzicht verstrekt van, kort gezegd, het verschil tussen enerzijds de gemiddelde vaste (minimum)vergoeding conform de Interne afspraken (hierna ook: de vaste vergoeding) en anderzijds het aandeel van klager in het bedrijfsresultaat volgens de maatschapsjaarrekening, steeds zowel voor het betreffende boekjaar als cumulatief, aangeduid als “nog te verrekenen” (dit laatste hierna ook: tegoed overzicht). Een voorbeeld van een dergelijk financieel overzicht over 2023 (opgenomen in productie 8 van het verweerschrift van betrokkene) ziet er als volgt uit:

Uitwerking afspraken [maatschap2]

[X]                                                                              2023


Conform afspraken te ontvangen:
 

Jaarlijkse vergoeding inbreng grond

€ 1.600 / ha x 71,80 ha =                                 €  114.880


50% toeslagrechten                                         €     14.837

71,80 ha X € 413,29 X 50%                                            

                                                                                                      
Totaal
te ontvangen conform afspraak                                        129.717

Ontvangen conform winstverdeling                                                      € 135.152

Extra correctie ivm verrekening TVL


Overschot                                                                                           €     5.435


Extra verrekening ivm aankoop grond


Vergoeding verkoop grond (1 e 3 jr)

€ 10.000 / ha x 10.19.90 ha=                           €  101.990

Af: overschot winst 2016                                  €    31.539

Restant nog te verrekenen 31-12 - 2016             €    70.451

Af: overschot winst 2017                                  €    31.895

Nog te verrekenen per 31-12-2017                   €    38.556

Af: overschot winst 2018                                  €    25.092

Nog te verrekenen per 31-12-2018                   €    13.464

Af: overschot winst 2019                                  €    95.647

Nog te verrekenen 31-12-2019                         €   -82.183

Bij: overschot winstaandeel 2020                     €         403

Nog te verrekenen 31-12-2020                         €   -82.586     (tegoed [X]) Per saldo moet [X] dus nog betalen!

Bij: overschot winstaandeel 2021                     €    83.263

Nog te verrekenen 31-12-2021                         € -165.849     (tegoed [X]) Per saldo moet [X] dus nog betalen!

Bij: overschot winstaandeel 2022                     €    24.836

Nog te verrekenen 31-12 - 2022                         € -190.685     (tegoed [X]) Per saldo moet [X] dus nog betalen!

Bij: overschot winstaandeel 2023                     €      5.435

Nog te verrekenen 31-12-2023                         € -196.120     (tegoed [X]) Per saldo moet [X] dus nog betalen!

Voor gezien en akkoord zoals besproken ten kantore van [accountantskantoor1] [plaats2] d . d . 30 augustus 2024

3.5.        Verder heeft betrokkene het volgende “Totaal overzicht afspraken [maatschap2]” opgesteld (opgenomen in productie 10 van het verweerschrift van betrokkene), door partijen getekend op 7 september 2024:

Totaal overzicht afspraken [maatschap2]                        [X]
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Jaarlijkse vergoeding

(1500*42,43) (1500*71,80)

63.645

107.700

107.700

107.700

107.700

(1600*71,80)

114.880

114.880

114.880

50% toeslagrechten

6.614

15.855

  14.837

14.837

14.837

   14.837

  14.837

  14.837

Verrekening TVL

  -34.236

   -5.939

Vergoeding grond

101.990

172.249

123.555

122.537

122.537

122.537

95.481

123.778

 129.717

Winstaandeel

101.798

155.450

147.629

218.184

122.940

178.744

148.615

  135.152

Opnamen

100.000

135.000

115.000

125.000

120.000

157.000

132.000

  207.000

Overig

44.567

38.726

0

0

0

0

0

      0

Vermogen jaarrekening

-42.769

-61.045

-28.416

64.768

67.708

89.452

106.067

    34.219

Totale tegoed (liquiditeit)

27.682

- 50.171

7.537

-2.463

2.537

-61.519

-8.222

   -77.283

Cummulatief

27.682

-22.489

-14.952

-17.415

-14.878

-76.397

-84.619

    -161.902

Uitwerking afspraken

Tegoed overzicht

70.451

38.556

13.464

-82.183

-82.586

-165.849

-190.685

-196.120

Vermogen jaarrekening

-42.469

-61.045

-28.416

 64.768

  67.708

89.452

  106.066

   34.218

Cummulatief

27.982

-22.489

-14.952

-17.415

-14.878

  -76.397

 -84.619

-161.902

3.6.        Dit overzicht laat voor klager voor de boekjaren 2016-2023 steeds per boekjaar zien, achtereenvolgens (de dubbel onderstreepte bedragen van boven naar beneden):

  1. De vaste vergoeding (in het overzicht ‘Jaarlijkse vergoeding’ genoemd);
  2. Het vermogen volgens de jaarrekening van de maatschap;
  3. Een verkorte weergave van de hierna te bespreken post 4;
  4. Het verschil tussen het tegoed overzicht en het vermogen volgens de jaarrekening van de maatschap.

3.7.        In deze laatste post komt het aandeel van klager in het bedrijfsresultaat van de maatschap volgens de maatschapsjaarrekening niet terug. Dit laat zich als volgt toelichten:

Tegoed overzicht =

vaste vergoeding

-/- aandeel in het bedrijfsresultaat vlg. jaarrekening

Vermogen vlg. jaarr. =

aandeel in het bedrijfsresultaat vlg. jaarrekening

-/- kapitaalopnames

Saldo =

vaste vergoeding

-/- kapitaalopnames

Deze post sluit voor het boekjaar 2023 op -/- € 161.902,-, bij een kapitaalstand volgens de maatschapsjaarrekening van € 34.219,-.

3.8.        Aan het slot van dit overzicht is vermeld (hierboven niet afgebeeld): “Per 31 december 2023 heeft [X] een negatief vermogen van € 161.901. Dus een verplichting jegens de familie [B] en [C]. Verklaring hiervoor is dat [X] meer kapitaal opneemt dan waar hij recht op heeft volgens de winstverdeling en dat zijn toebedeelde winst hoger is dan het afgesproken aandeel.”

4.            De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Ter zitting heeft klager bevestigd dat zijn klacht bestaat uit de volgende klachtonderdelen:

  1. Betrokkene is tijdens het bespreken van de conceptjaarrekeningen nooit ingegaan op vragen van klager en heeft niet duidelijk aangegeven wat klagers positie in de maatschap was. Het gaat dan om vragen over de “extra toedelingen” aan de heren [B] en [C] in 2023 van € 771.090 ten opzichte van 2016 van € 346.090;
  2. Klager heeft niet elke maand een vergoeding gekregen voor het gebruik van het land en klagers winstdeling is niet als bedrijfsvermogen in de maatschap opgebouwd;
  3. Er zijn aankopen gedaan die niet of nauwelijks te traceren zijn in de boekhouding van de maatschap. Het gaat dan om ‘gewassen te velde’ voor een bedrag van € 230.742 (jaarrekening 2023) en 1.600 lattenkisten voor een bedrag van € 184.400 (jaarrekening 2023);
  4. Het document van 3 december 2015 (zie 3.2) blijkt een verkapt pachtcontract te zijn;
  5. Betrokkene heeft de percentages in de jaarwinstverdeling niet aangepast.

5.            De beoordeling

5.1.        De Accountantskamer laat het door klager ter zitting overgelegde financieel overzicht (hiervoor, 1.3 ) buiten beschouwing. Klager heeft dat overzicht namelijk te laat ingediend (volgens artikel 14 van het Procesreglement van de Accountantskamer), waardoor betrokkene zijn verweer niet deugdelijk op dit overzicht heeft kunnen afstemmen.

5.2.        De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

5.3.        Klachtonderdeel 4 ziet op handelen uit 2015, zodat de vraag aan de orde kan zijn of de wettelijke klachttermijn voor dit klachtonderdeel niet al is verstreken. De Accountantskamer moet dit ambtshalve beoordelen.

5.3.1.     De klachttermijn van artikel 22 Van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) bedraagt 10 jaar. Betrokkene heeft het document Interne afspraken eind 2015 opgesteld. Dit betekent dat de (aanvullende) klacht van 22 maart 2025 en 7 april 2025 binnen deze termijn is ingediend.

5.3.2.     Vóór 1 januari 2019 golden volgens het destijds geldende artikel 22 Wtra andere termijnen: een klacht diende op straffe van niet-ontvankelijkheid te worden ingediend binnen zes jaar na het verweten handelen of nalaten, en binnen drie jaar nadat de klager had geconstateerd of redelijkerwijs had kunnen constateren dat het handelen of nalaten in strijd was met, kort gezegd, de voor de accountant geldende beroeps- en gedragsregels. Op grond van het overgangsrecht (artikel 51 Wtra) moeten deze destijds geldende klachttermijnen thans nog in aanmerking worden genomen in die zin, dat een klacht niet ontvankelijk is als op 1 januari 2019 de voordien geldende klachttermijnen reeds waren verstreken.

5.3.3.     Duidelijk is dat met betrekking tot het document Interne afspraken, op 1 januari 2019 de zesjaarstermijn van artikel 22 Wtra (oud) nog niet was verstreken. Dit geldt ook voor de driejaarstermijn. Voor deze driejaarstermijn geldt volgens vaste tuchtrechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat deze gaat lopen wanneer bij de klager op grond van de door hem geconstateerde feiten redelijkerwijs een vermoeden kan ontstaan dat de accountant van zijn handelen of nalaten een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De Accountantskamer heeft in het voorliggende geval geen aanleiding om te veronderstellen – geen van partijen heeft dit ook aangevoerd – dat klager reeds vóór 1 januari 2016 (drie jaar vóór de peildatum 1 januari 2019) redelijkerwijs kon vermoeden dat betrokkene omtrent zijn betrokkenheid bij het document Interne afspraken, tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat klager (ook) wat het vierde klachtonderdeel betreft, ontvankelijk is in zijn klacht.

Klachtonderdeel 1. Betrokkene is tijdens het bespreken van de conceptjaarrekeningen nooit ingegaan op vragen van klager en heeft niet duidelijk aangegeven wat klagers positie in de Maatschap was. Het gaat dan om vragen over de “extra toedelingen” aan de heren [B] en [C] in 2023 van € 771.090 ten opzichte van 2016 van € 346.090.

5.4.        Klager heeft toegelicht dat de gesprekken met betrokkene vaak over koetjes en kalfjes gingen, maar dat zijn vragen nooit gericht werden beantwoord. Betrokkene heeft dat stellig ontkend, zowel in het verweerschrift als ook ter zitting. Betrokkene meent altijd ruimte te hebben gelaten om vragen te stellen en waar klager die heeft gesteld, zegt hij deze te hebben beantwoord.

5.5.        Klager is de partij die betrokkene aanklaagt. Die positie vereist dat hij niet alleen het verwijt formuleert, maar ook de feiten en omstandigheden aannemelijk maakt die leiden tot de conclusie dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. De Accountantskamer beslist op basis van wat het meest aannemelijk is, gegeven de overgelegde stukken en andere bewijsmiddelen, het verweer en de overige omstandigheden van het geval. In dit geval heeft klager onvoldoende gesteld ter onderbouwing van het verwijt dat hij vragen heeft gesteld aan betrokkene die onbeantwoord zijn gebleven. De door klager geschetste onduidelijkheid kan de Accountantskamer daarom niet vaststellen, en daarom evenmin of betrokkene ter zake tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 2. Klager heeft niet elke maand een vergoeding gekregen voor het gebruik van het land en klagers winstdeling is niet als bedrijfsvermogen in de Maatschap opgebouwd.

5.6.        In de Interne afspraken is geregeld dat klager een vergoeding ontvangt voor de inbreng van de grond. Er staat niet dat klager die vergoeding maandelijks zou ontvangen. Klager heeft ook niet gesteld op grond waarvan klager mocht verwachten dat hij niettemin een maandelijkse uitkering zou ontvangen, laat staan waarom betrokkene tuchtrechtelijk verantwoordelijk zou zijn voor het niet naleven van een daartoe strekkende afspraak door de [maatschap1].

5.7.        Betrokkene heeft ieder jaar een overzicht verstrekt van het verloop van het kapitaal – met daarin het aandeel van klager in het bedrijfsresulaat en zijn opnames – binnen de (zogenaamde) maatschap. Het verwijt dat klagers winstdeling daarin niet is opgebouwd, is in zoverre zonder grond. Dit klachtonderdeel heeft verder – wat betreft het hierna te bespreken klaarblijkelijk papieren karakter van de winstdeling – geen zelfstandige betekenis ten opzichte van klachtonderdeel 4, dat de Accountantskamer gegrond oordeelt.

Klachtonderdeel 3. Er zijn aankopen gedaan die niet of nauwelijks te traceren zijn in de boekhouding van de Maatschap. Het gaat dan om ‘gewassen te velde’ voor een bedrag van € 230.742 (jaarrekening 2023) en 1.600 lattenkisten voor een bedrag van € 184.400 (jaarrekening 2023).

5.8.        Betrokkene heeft gewezen op de bijlagen bij het accountantsrapport. Daaruit blijkt van de aankoop van de gewassen te velde en van de lattenkisten, waarmee de feitelijke grondslag voor dit klachtonderdeel ontbreekt. Ter zitting heeft klager toegelicht dat hij niet begrijpt dat de kosten voor deze aankopen mede voor zijn rekening zijn gebracht, nu de aankopen zonder overleg zijn gedaan. Dat betreft een verwijt aan de heren [B] en [C] en kan niet bijdragen aan de conclusie dat betrokkene verwijtbaar heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 4. Het document van 3 december 2015 (zie 3.2) blijkt een verkapt pachtcontract te zijn.

5.9.        Klager stelt dat hij de Interne afspraken heeft laten toetsen door een advocaat. De advocaat kwam tot de conclusie dat sprake is van een verkapt pachtcontract. Dat betekent volgens klager dat een groot deel van zijn grond is blootgesteld voor het overhevelen van pacht. Klager bedoelt daarmee klaarblijkelijk dat hij is blootgesteld aan het risico dat de overeenkomst (de Interne afspraken) zou worden aangemerkt als een pachtovereenkomst (met alle rechtsgevolgen van dien).

5.10.      Betrokkene heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat de afspraken wellicht op enig moment als basis zouden kunnen dienen om een pachtovereenkomst aan te gaan. Dat was volgens hem uitdrukkelijk niet de bedoeling van partijen. De schriftelijke verklaring van de heren [B] en [C] van 29 januari 2025, die betrokkene met zijn verweerschrift heeft overgelegd, toont dat volgens betrokkene ook aan. Op de mondelinge behandeling heeft betrokkene nog aangevoerd dat hij partijen destijds ook heeft gewezen op het risico dat hun afspraken zouden kunnen worden aangemerkt als pacht, en dat zij daarom een maatschap moesten vormen, met als argument dat een maatschap geen pacht is. Betrokkene meent dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt over de totstandkoming van de afspraken over de samenwerking, omdat het volgens hem duidelijk was dat betrokkene geen juridisch advies gaf. Zouden partijen daaraan behoefte hebben gehad, dan hadden zij elders advies moeten inwinnen, aldus betrokkene.

5.10.1.   Wat de inhoud van het vierde klachtonderdeel betreft, geldt het volgende. Als grond in gebruik wordt gegeven aan een ander ten behoeve van de landbouw en die ander daarvoor een tegenprestatie is verschuldigd, kan al snel het vermoeden bestaan dat sprake is van een pachtovereenkomst. Dan wordt immers in beginsel aan de wettelijke voorwaarden van artikel 7:311 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor het bestaan van een pachtovereenkomst voldaan[1]. Een pachter geniet vergaande bescherming op grond van dwingend recht, met onder meer automatische verlenging van de pachttermijn (artikel 7:325 lid 5 BW) en beperkte beëindigingsmogelijkheden voor de verpachter (artikelen 7:369-370 BW). In het voorliggende geval zijn in de Interne afspraken stellig aanknopingspunten te vinden voor de aanname dat partijen in feite een pachtovereenkomst hebben gesloten. Klager stelt volgens de Interne afspraken immers (slechts) grond ter beschikking voor akkerbouw, tegen een vaste vergoeding. Als gezegd heeft betrokkene aangevoerd dat partijen niet de intentie hadden om een pachtovereenkomst aan te gaan, maar dat verhindert op zichzelf niet dat als de afspraken tussen partijen materieel moeten worden aangemerkt als pacht, er feitelijk en juridisch ook sprake is van pacht. En als daarvan sprake is, is een eventuele (gezamenlijke) wens om bepaalde rechtsgevolgen van het bestaan van die pachtovereenkomst niet te willen, zonder rechtsgevolg voor zover die wens in strijd zou zijn met voor pachtovereenkomsten dwingend recht.

5.10.2.   Tijdens de mondelinge behandeling heeft betrokkene aangevoerd dat hij partijen (en dus ook klager) op dit risico heeft gewezen. Ter vermijding van dat risico heeft betrokkene geadviseerd, zo stelt hij, dat partijen een maatschap moesten vormen.

5.10.3.   Betrokkene heeft vervolgens ook een als maatschapsovereenkomst aangeduid document opgesteld (hiervoor, 3.3), klaarblijkelijk zonder afbreuk te willen doen aan de Interne afspraken (die het risico liepen als pachtovereenkomst te worden aangemerkt (hiervoor, 5.10.1 )). Betrokkene stelde immers daarnaast jaarlijks financiële overzichten op waarin de vaste vergoeding werd afgezet tegen het aandeel van klager in het bedrijfsresultaat volgens de maatschapsjaarrekening, onder vermelding van “nog te verrekenen” (hiervoor, 3.4 ). Het in de financiële overzichten opnemen van deze vaste vergoeding duidt er niet op dat de Interne afspraken (op dit punt) opzij waren gezet, in tegendeel. In het “Totaal overzicht afspraken [maatschap2]” (hiervoor, 3.5) is uiteindelijk het bedrag weergegeven dat klager volgens dit overzicht steeds per einde boekjaar nog van de [maatschap1] te vorderen heeft dan wel aan deze verschuldigd is als saldo van de vaste vergoedingen en zijn kapitaalopnames. Het aandeel van klager in het bedrijfsresultaat volgens de maatschapsjaarrekeningen speelt aldus geen rol in zijn uiteindelijke financiële aanspraken of verplichtingen in het kader van de samenwerking (hiervoor, 3.5-3.8). Dit doet de vraag rijzen wat dan wél het (legitieme) doel van de maatschap en de maatschapsjaarrekeningen was. Betrokkene heeft op deze vraag in zijn verweerschrift noch op de mondelinge behandeling een bevredigend antwoord gegeven.

5.10.4.   Alles bij elkaar genomen, heeft betrokkene niet kunnen uitleggen dat de maatschap en de maatschapsjaarrekeningen voor hem iets anders waren dan slechts schijn. Voor derden kon hiermee echter een realiteit worden voorgewend, terwijl bovendien het risico werd geschapen dat ook partijen zelf hierin een realiteit zouden zien (klagers stellingen suggereren dat dit risico zich voor hem heeft verwezenlijkt). Of de Interne afspraken daadwerkelijk een overeenkomst van pacht behelzen staat uiteindelijk niet ter beoordeling van de Accountantskamer. Wel kan de Accountantkamer vaststellen dat de Interne afspraken evident het risico in zich borgen te worden aangemerkt als een overeenkomst van pacht, en dat betrokkene niet heeft kunnen uitleggen dat de maatschap en de maatschapsjaarrekeningen een ander doel hadden om daaromheen een papieren (andere) werkelijkheid te scheppen. In zoverre is de klacht dat betrokkene een “verkapt pachtcontract” heeft opgesteld gegrond. Met het dusdoende (volgens althans het eigen perspectief) opstellen van onjuiste en misleidende informatie heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit. Verder heeft betrokkene ook gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Ervan uitgaande dat betrokkene, zoals hij stelt, partijen erover heeft geïnformeerd dat de Interne afspraken zouden kunnen worden aangemerkt als pachtovereenkomst, heeft hij – nog steeds volgens zijn eigen stellingen – gezegd dat (ter vermijding daarvan) een maatschap moest worden aangegaan. Vanuit het perspectief dat de alstoen onder begeleiding van betrokkene aangegane maatschap slechts een papieren werkelijkheid behelsde, kon die maatschap echter geen bescherming bieden tegen het risico van (het aanmerken van de afspaken tussen partijen als) pacht.

Klachtonderdeel 5. Betrokkene heeft de percentages in de jaarwinstverdeling niet aangepast.

5.11.      Klager vindt dat de jaarwinstverdeling aangepast had moeten worden, omdat de heren [B] en [C] in de loop der jaren steeds minder grond hebben ingebracht in de Maatschap zonder aanpassing van hun winstaandeel. Wijzigingen in de onderlinge verdeling van de ingebrachte grond en de gevolgen daarvan voor de winstdeling zijn echter in de eerste plaats een kwestie tussen klager en de heren [B] en [C] onderling. De Accountantskamer laat dan nog daar wat de waarde van deze wijzigingen moge zijn, gelet op het kennelijk papieren karakter van het hele maatschapsgebeuren (hiervoor, klachtonderdeel 4). Het klachtonderdeel is ongegrond.

6.            De maatregel

De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van berisping op. Betrokkene heeft meegewerkt aan de totstandkoming van een kennelijk papieren werkelijkheid, waarmee hij in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen van integriteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Dit moet betrokkene ernstig worden aangerekend. In het voordeel van betrokkene weegt de Accountantskamer mee dat hij zich in de procedure transparant en toetsbaar heeft opgesteld.

7.            De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht gegrond voor wat betreft klachtonderdeel 4 en voor het overige ongegrond;
  • legt aan betrokkene de maatregel op van berisping;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
  •  verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klager betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klager vergoedt.

Aldus beslist door mr. J.W. Frieling, voorzitter, mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt en mr. J.L.M. Groenewegen (rechterlijke leden) en mr. drs. J.B. Backhuijs RA en A.M.H. Homminga AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.

_________                                                                                                           __________

secretaris                                                                                                             voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] Artikel 7:311 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt (en bepaalde ook destijds) dat pacht de overeenkomst is waarbij de ene partij, de verpachter, zich verbindt aan de andere partij, de pachter, een onroerende zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw en de pachter zich verbindt tot een tegenprestatie. Volgens artikel 7:312 BW wordt onder landbouw mede akkerbouw verstaan.