ECLI:NL:TACAKN:2026:51 Accountantskamer Zwolle 25/2288 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:51 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-06-2026 |
| Datum publicatie: | 05-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25/2288 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over het handelen en/of nalaten van betrokkene als lid van de CEA met betrekking tot het Besluit gewijzigde eindtermen accountantsopleidingen 2016. Terughoudende toetsing door de Accountantskamer. De klacht is ongegrond in alle onderdelen. |
UITSPRAAK van 5 juni 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 21 augustus 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2288 Wtra AK van
mr. drs. X RA
wonende te [plaats1]
K L A G E R
t e g e n
prof. dr. Y
registeraccountant
kantoorhoudende te [plaats2]
B E T R O K K E N E
advocaten: mr. drs. J.F. Garvelink en mr. V.A. Zandvliet te Amsterdam
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen
- het verweerschrift met bijlagen
- de brief van klager van 13 maart 2026 met bijlagen
- de brief van klager van 18 maart 2026 met bijlagen
- de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 13 april 2026. Klager is verschenen en betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn beide advocaten.
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. Klager stelt dat de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (hierna: CEA) eindtermen heeft opgesteld voor de ‘oriëntatie MKB’ die niet gericht is op de wettelijke controle, terwijl de wet de CEA daar geen bevoegdheid voor heeft geattribueerd. Klager verwijt betrokkene dat hij desondanks zijn benoeming als commissielid van de CEA heeft aanvaard, dat hij heeft verzuimd de eindtermen te doen intrekken en dat hij opleidingen heeft geaccrediteerd die opleiden tot niet-certificeringsbevoegd accountant met de beroepstitel AA.
De beslissing van de Accountantskamer
2.2. De Accountantskamer verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
3. De feiten
3.1. Betrokkene is sinds 2003 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Sinds april 2022 is betrokkene (op persoonlijke titel) lid van de CEA. Deze commissie is op basis van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) – kort samengevat – belast met het vaststellen van de eindtermen voor de accountantsopleiding en het aanwijzen van opleidingen die (gedeeltelijk) voldoen aan de eindtermen (met uitzondering van de eindtermen die betrekking hebben op de praktijkopleiding) voor zover aan deze opleidingen geen accreditatie als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is verleend.
3.2. Klager heeft in de periode van 2023 tot en met 2025 brieven gestuurd aan de CEA waarin hij stelt dat het Besluit gewijzigde eindtermen accountantsopleidingen 2016 (hierna: het Besluit) strijdig is met wet- en regelgeving, omdat dit Besluit eindtermen bevat voor de ‘oriëntatie MKB’ die niet gericht zijn op de wettelijke controle.
3.3. Op 12 september 2025 heeft de secretaris van de CEA een brief gestuurd aan klager met een inhoudelijke reactie op de door klager geuite bezwaren.
3.4. Klager heeft verder een klacht ingediend bij de Europese Commissie, omdat de Wet toezicht accountantsorganisatie (Wta) en de Wab, maar ook de Verordening op de beroepsprofielen en het Besluit in strijd zouden zijn met Richtlijn 2006/43/EG, Richtlijn 2014/56/EU en het EU-Verdrag. De Europese Commissie heeft de klacht afgewezen. Ook heeft klager de Minister van Financiën verzocht de commissieleden te laten ontslaan, dan wel de benoemingsbesluiten ten aanzien van de commissieleden te vernietigen. Die verzoeken aan de Minister zijn afgewezen.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. De klacht gaat over het handelen en/of nalaten van betrokkene als lid van de CEA.
4.2. Klager stelt dat het Besluit in strijd is met de wet en het recht en verwijt betrokkene het volgende:
1. het aanvaarden van een benoeming en aanblijven als lid van de CEA, terwijl hij voorafgaande aan het aanvaarden van zijn benoeming had dienen vast te stellen dat de vastgestelde eindtermen in strijd met de wet en het recht zijn en zijn benoeming niet had mogen aanvaarden, tenzij de CEA toezegde deze toestand met de grootst mogelijke spoed te beëindigen;
2. het verzuimen om als lid van de CEA de onrechtmatige eindtermen in te trekken dan wel te bedanken voor zijn lidmaatschap, openbaar afstand te nemen van de eindtermen nadat hij gemotiveerd gewezen was op de onrechtmatigheid daarvan alsmede adequaat te antwoorden op verzoekschriften en wetsconforme eindtermen vast te stellen;
3. het accrediteren van theoretische opleidingen en praktijkopleidingen op de grondslag van de onrechtmatige eindtermen, dan wel die accreditatie in stand laten, terwijl deze opleidingen niet voldeden aan wettelijke eisen.
5. De beoordeling
5.1. De kern van de klacht is dat het Besluit een deugdelijke wettelijke grondslag mist en dat betrokkene als lid van de CEA heeft meegewerkt aan handelen en/of nalaten dat in strijd was met wet- en regelgeving. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).
5.2. De CEA
5.2.1. De CEA is een zelfstandig bestuursorgaan dat regelgevende bevoegdheden heeft. De wettelijke grondslag daarvoor is gelegen in de artikelen 46 en 49 Wab. Deze artikelen luiden als volgt:
Artikel 46
De opleiding tot accountant omvat bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen vakgebieden en voldoet aan de eindtermen, bedoeld in artikel 49, tweede lid, onderdeel a, die voor controles van financiële verantwoordingen van belang zijn.
Artikel 49
1. Er is een Commissie eindtermen accountantsopleiding.
2. De commissie heeft tot taak:
3.1 het vaststellen van de eindtermen, met inachtneming van de vakgebieden, bedoeld in artikel 46, en de beroepsprofielen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel k;
3.2 het aanwijzen van opleidingen die geheel of gedeeltelijk voldoen aan de in onderdeel a bedoelde eindtermen, met uitzondering van de eindtermen die betrekking hebben op de praktijkopleiding, voor zover aan deze opleidingen geen accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is verleend;
3.3 het toetsen of de praktijkopleidingen voldoen aan de eindtermen, bedoeld in onderdeel a die gelden voor de praktijkopleiding;
3.4 het toetsen of het examen, bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdeel c, voldoet aan de eindtermen, bedoeld in onderdeel a.
3. De commissie maakt de vastgestelde eindtermen bekend door plaatsing in de Staatscourant.
5.2.2. In artikel 49, eerste lid, van de Wab is neergelegd dat er een Commissie eindtermen accountantsopleiding is en in het tweede lid van dit artikel is opgesomd welke taken deze commissie heeft. In het hier aan de orde zijnde onderdeel a van het tweede lid van dit artikel is de CEA opgedragen om, met inachtneming van de vakgebieden, bedoeld in artikel 46, en de beroepsprofielen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, aanhef en onder k, van de Wab, de eindtermen vast te stellen, waarin inhoudelijk wordt bepaald waaraan de accountantsopleiding moet voldoen. Hoewel in de Wab niet is geregeld op welke wijze de CEA aan deze taak invulling moet geven, behalve dat zij op grond van het derde lid van artikel 49 de vastgestelde eindtermen bekend moet maken door plaatsing in de Staatscourant, is het Besluit gezien de aard van de normstelling waartoe de wetgever opdracht heeft gegeven en de wijze waarop deze normstelling is geformuleerd, aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift[1].
Op 22 januari 2021 heeft de CEA het Besluit in de Staatscourant geplaatst. Deze (gewijzigde) eindtermen zijn van kracht met ingang van 1 september 2021.
5.2.3. Op de CEA is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (hierna: de Kaderwet) van toepassing. Op grond van artikel 22 van de Kaderwet kan de Minister (in de onderhavige zaak: de Minister van Financiën) besluiten van de CEA vernietigen.
5.3. De ontvankelijkheid van klager in zijn klacht
5.3.1. Betrokkene heeft aangevoerd dat klager feitelijk vraagt om een oordeel van de Accountantskamer over de geldigheid van het Besluit. Dat is niet de taak van de tuchtrechter. De klacht ligt buiten het bereik van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra); dat leidt volgens betrokkene tot niet-ontvankelijkheid.
5.3.2. Uit artikel 42 van de Wab volgt dat een klacht kan worden ingediend ter zake van enig handelen of nalaten van de accountant dat in strijd is met het bij of krachtens de Wab bepaalde dan wel enig ander handelen of nalaten dat in strijd is met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. De drempel om een klacht in te dienen is hierdoor laag: als in het klaagschrift wordt aangevoerd dat van bedoeld handelen of nalaten sprake is, is een klager in beginsel ontvankelijk in zijn klacht.
5.3.3. Klager heeft de verschillende klachtonderdelen toegespitst op het handelen dan wel nalaten van betrokkene terzake het Besluit en toegelicht waarom dat handelen dan wel nalaten volgens hem in strijd is met de fundamentele beginselen. Klager is daarom ontvankelijk in zijn klacht.
5.3.4. Bij de daaropvolgende beoordeling van de vraag óf sprake is van bedoeld handelen of nalaten is de drempel hoger. Klager dient op grond van artikel 22 lid 3 van de Wtra de klacht met voldoende, concrete en op de aangeklaagde accountant betrekking hebbende feiten en omstandigheden toe te lichten en te onderbouwen. Indien klager dit niet of niet voldoende heeft gedaan dan kan dit leiden tot ongegrondverklaring van de klacht.
5.4. De klachtonderdelen
5.4.1. Alle klachtonderdelen zijn gebaseerd op de stelling van klager dat het Besluit een deugdelijke wettelijke grondslag mist en dat betrokkene zich daarvan rekenschap had moeten geven bij zijn handelen en/of nalaten in zijn rol als lid van de CEA. De Accountantskamer zal de klachtonderdelen daarom tegelijk bespreken.
5.4.2. Klager klaagt over handelen en/of nalaten van betrokkene in zijn rol als lid van de CEA. Hier is sprake van een professionele dienst als bedoeld in artikel 1 van de VGBA. Betrokkene heeft bij de uitvoering van deze functie immers zijn vakbekwaamheid als accountant aangewend of kunnen aanwenden. Zoals in paragraaf 5.2 overwogen is de CEA een zelfstandig bestuursorgaan met regelgevende bevoegdheden. De CEA neemt als commissie besluiten, de commissieleden doen dat niet individueel. Betrokkene was nog geen commissielid ten tijde van de totstandkoming van het Besluit (zie 5.2.2. per 1 september 2021).
5.4.3. Dit staat er niet aan in de weg dat handelen en nalaten van accountants als lid van de CEA ter toetsing aan de Accountantskamer kan worden voorgelegd. Wel moet die toetsing met terughoudendheid plaatsvinden. Gelet op de wettelijke taak van de CEA en het toezicht daarop door de Minister van Financiën, is alleen in uitzonderlijke gevallen plaats voor tuchtrechtelijk ingrijpen. Een tuchtprocedure bij de Accountantskamer is in beginsel niet bedoeld om de inhoud of wijze van totstandkoming van besluiten als deze ter discussie te stellen[2].
5.4.4. Zoals overwogen, zijn alle klachtonderdelen gebaseerd op de stelling van klager dat het Besluit een deugdelijke wettelijke grondslag mist. Met de onder 5.4.3 bedoelde terughoudende toetsing, kan de Accountantskamer niet tot de conclusie komen dat betrokkene met de aan hem verweten gedragingen zich heeft schuldig gemaakt aan schending van een of meer fundamentele beginselen. Een verdergaande toetsing door de Accountskamer zou een onaanvaardbare inbreuk vormen op de materieel-wetgevende bevoegdheid van de CEA en het toezicht daarop door de Minister van Financiën. De klacht zal ter zake alle onderdelen ongegrond worden verklaard.
6. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. J.W. Frieling en mr. A.P.W. Esmeijer (rechterlijke leden) en drs. E.R. van der Wösten RA en mr. drs. J.B. Backhuijs RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.L. Vedder, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] ECLI:NL:CBB:2017:141, r.o. 6
[2] Vgl. ECLI:NL:TACAKN:2023:36.