ECLI:NL:TACAKN:2026:50 Accountantskamer Zwolle 25/1956 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:50 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-06-2026 |
| Datum publicatie: | 01-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25/1956 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Gegronde klacht, betrokkene krijgt de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van drie maanden opgelegd. Betrokkene heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van objectiviteit, en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Betrokkene heeft klaagster en haar (ex-)man bijgestaan bij de financiële afwikkeling van hun echtscheiding. Hij heeft niet onderkend dat tussen klaagster en haar (ex-)man een belangentegenstelling kon en ook daadwerkelijk is ontstaan en dat het bijstaan van zowel klaagster als haar (ex-)man al bij de opdrachtaanvaarding en vervolgens op meerdere latere momenten tijdens de uitvoering van de opdracht heeft geresulteerd in een bedreiging van zijn objectiviteit. Ook heeft hij er niet voor gezorgd dat klaagster het voor de door haar te nemen beslissingen noodzakelijke inzicht heeft verkregen in de waarde van de vermogensbestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap, ondanks de door klaagster aanhoudend geuite twijfels daarover. |
UITSPRAAK van 1 juni 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 21 juli 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1956 Wtra AK van
X
wonende te [plaats1]
K L A A G S T E R
advocaat: mr. G. de Gelder te Woudenberg
t e g e n
Y
accountant-administratieconsulent
kantoorhoudende te [plaats2]
B E T R O K K E N E
advocaat: mr. R. Bosman te Rotterdam
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de brief van klaagster van 10 maart 2026 met bijlagen;
- de brief van klaagster van 17 maart 2026 met bijlagen;
- de door klaagster op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 27 maart 2026. Beide partijen zijn vergezeld door hun advocaat verschenen.
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. Klaagster klaagt over het handelen van betrokkene bij de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap van haar en haar voormalige echtgenoot. Klaagster verwijt betrokkene dat hij onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt over de waarde van aandelen en de echtelijke woning. Ook meent klaagster dat betrokkene zich had moeten realiseren dat sprake was van een belangentegenstelling tussen haar en haar voormalige echtgenoot en dat betrokkene haar daarom had moeten doorverwijzen naar een onafhankelijk adviseur.
De beslissing van de Accountantskamer
2.2. De klacht is gegrond. Betrokkene heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen objectiviteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. De Accountantskamer legt aan betrokkene op de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van drie maanden.
3. De feiten
3.1. Betrokkene is sinds [datum1] ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Betrokkene is werkzaam bij [accountantskantoor1] (hierna: [accountantskantoor1]).
3.2. Klaagster was sinds 23 december 2013, in gemeenschap van goederen, gehuwd met de heer [A] (hierna: [A]).
3.3. Klaagster heeft een eenmanszaak, [B]. [B] houdt zich bezig met studiebegeleiding, vorming en onderwijs, alsook kinderopvang. [A] is directeur/aandeelhouder van de [groep1], die actief is in de bouw en vastgoed. Middels een eigen besloten vennootschap, [BV1], heeft [A] een 17,74%-aandelenbelang in [BV2]. Betrokkene verrichtte ten tijde van de in deze klacht verweten gedragingen tevens pre-audit werkzaamheden voor de controle van de jaarrekening van [BV2]. De controle van die jaarrekening werd uitgevoerd door een andere accountant die geen relatie heeft met [accountantskantoor1]. Klaagster en [A] waren, met hun ondernemingen, sinds 2013 cliënten van [accountantskantoor1]. Betrokkene had voornamelijk contact met [A]. Vanaf het tweede kwartaal van 2025 is klaagster geen klant meer van [accountantskantoor1].
3.4. Eind 2021 gaf [A] aan dat hij wilde scheiden. [A] heeft betrokkene gevraagd om hem en klaagster bij te staan bij de afwikkeling van hun huwelijksgoederen-gemeenschap. [A] gaf aan dat hij en klaagster gezamenlijk tot een goede verdeling wilden komen, en dat klaagster het leven dat zij op dat moment leidde, tot haar pensioengerechtigde leeftijd zou kunnen blijven leiden.
3.5. Op 1 november 2021 heeft betrokkene met zijn collega [C], register belastingadviseur bij [accountantskantoor1], gesproken over het verzoek van [A]. [C] heeft van dat gesprek handgeschreven aantekeningen gemaakt. Op 2 november 2021 vond een eerste gesprek plaats tussen [A] en [C]. Van dat gesprek heeft [C] ook handgeschreven aantekeningen gemaakt. Op dezelfde datum, na afloop van het gesprek, stuurde [C] een e-mail aan [A] waarin zij aankondigde dat een aparte opdrachtovereenkomst zou worden opgesteld, voor klaagster en [A] in privé. Deze opdrachtbevestiging is nooit opgemaakt.
3.6. Op 18 mei 2022 heeft een overleg plaatsgevonden, waarbij onder andere betrokkene, klaagster en [A] aanwezig waren. Tijdens dat gesprek is aan klaagster een voorstel voor de verdeling gedaan. Daar is klaagster niet mee akkoord gegaan. Na afloop van dat gesprek heeft klaagster overleg gehad met [C]. [C] zou een financiële planning opstellen voor klaagster.
3.7. Op 5 juli 2022 ontving klaagster via e-mail een financiële planning van [C]. Deze e-mail heeft [C] ook naar [A] en betrokkene gestuurd. In die planning werd de echtelijke woning gewaardeerd op € 1.100.000. Naar aanleiding van opmerkingen van [A] heeft [C] op 19 juli 2022 een aangepaste planning aan klaagster gestuurd, waarin de echtelijke woning werd gewaardeerd op € 1.500.000.
3.8. Klaagster heeft op verschillende momenten haar twijfels over de waarde van de woning geuit en daarbij de vraag gesteld of de woning getaxeerd zou moeten worden.[1] Ook de aandelen die [A] middels [BV1] in [BV2] houdt, zijn niet gewaardeerd. Bij e-mail van 10 september 2022 heeft klaagster opnieuw bij [C] geïnformeerd naar de mogelijkheid van een taxatie van de waarde van de woning en de aandelen. Op 13 september 2022 heeft [C] aan klaagster bericht dat zij op de achtergrond een aantal gesprekken heeft gevoerd met betrokkene en dat [C] en betrokkene contact hebben gehad met de mediator en de fiscaal adviseur, onder andere over de waardebepaling van de ondernemingen. [C] heeft klaagster uitgenodigd voor een gesprek met haar en betrokkene, zodat zij hun bevindingen ten aanzien van de indicatieve waardebepaling van de aandelen in de [groep1] kunnen toelichten. Op 15 september 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster, [C] en betrokkene. Na afloop van dat gesprek heeft [C] per e-mail bevestigd dat de bedragen c.q. uitgangspunten in beginsel blijven zoals eerder besproken was. Op 10 oktober 2022 hebben klaagster en [A] een echtscheidingsconvenant en de daarbij behorende vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze zijn thans onderwerp van een civielrechtelijke procedure die klaagster is gestart.
3.9. Op 4 februari 2025 heeft een overleg plaatsgevonden tussen, onder anderen, klaagster, betrokkene en [C]. Het doel van dit gesprek was om duidelijkheid te verkrijgen over het proces van begeleiding door [accountantskantoor1] in de personen van betrokkene en [C] en de beslissingen die zijn genomen tijdens de onderhandelingen rondom de echtscheiding, met name wat betreft de financiële regeling. Tijdens dit gesprek is een vermogensverdeelstaat overhandigd aan klaagster. In dit vermogensoverzicht is de waarde van het aandelenpakket gesteld op
€ 4.000.000, waarbij is vermeld “zichtbaar intrinsieke waarde”, en de waarde van de
woning op
€ 1.500.000.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.
4.2. Desgevraagd heeft klaagster ter zitting bevestigd dat zij twee klachtonderdelen aan de Accountantskamer voorlegt, te weten:
1. betrokkene heeft aan klaagster onjuiste dan wel onvolledige informatie verstrekt met betrekking tot onder meer de waarde van de aandelen en de echtelijke woning. Betrokkene heeft daarmee het fundamentele beginsel van integriteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden;
2. het niet onderkennen van een bedreiging voor de objectiviteit. Betrokkene had zich moeten realiseren dat sprake was van een tegengesteld belang tussen klaagster en [A], en had klaagster moeten doorverwijzen naar een onafhankelijk adviseur.
5. De beoordeling
5.1. Reikwijdte tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid
5.1.1. Betrokkene heeft aangevoerd dat de werkzaamheden die namens [accountantskantoor1] zijn uitgevoerd, erop gericht zijn geweest om uitvoering te geven aan het verzoek van klaagster en [A] om hen te begeleiden bij het in goed onderling overleg financieel afwikkelen van hun voorgenomen echtscheiding. Volgens betrokkene is een aanzienlijk deel van de door klaagster ter discussie gestelde handelingen uitgevoerd door [C]. Betrokkene stelt in het doorlopen traject een beperkte, informerende rol te hebben vervuld, af en toe als klankbord te hebben gefungeerd en geen adviserende rol ten opzichte van klaagster te hebben vervuld. Concrete werkzaamheden of handelingen ten behoeve van klaagster stelt betrokkene niet te hebben uitgevoerd.
5.1.2 Over de rol van betrokkene overweegt de Accountantskamer het volgende. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt dat betrokkene in november 2021 door [A] is benaderd met het verzoek om hem en klaagster bij te staan bij de financiële afwikkeling van de echtscheiding. Naar aanleiding daarvan heeft [C] op 2 november 2021 een gesprek gehad met [A] en de inhoud van dit gesprek op dezelfde dag aan hem bevestigd, waarbij zij onder meer heeft vermeld dat een opdrachtbevestiging op naam van [A] en klaagster zou worden opgesteld. Betrokkene heeft erkend dat deze opdrachtbevestiging nooit is opgesteld. Evenmin heeft betrokkene een andere vastlegging overgelegd waaruit de rol van betrokkene en [C] en hun onderlinge verantwoordelijkheidsverdeling blijken. De Accountantskamer moet de rol van betrokkene daarom afleiden uit de door partijen overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken. Klaagster heeft onweersproken gesteld dat zij eind februari of begin maart 2022 door betrokkene is benaderd met de mededeling dat hij partijen zou gaan bijstaan. Klaagster heeft betrokkene vervolgens op 28 april 2022 per e-mail gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot de financiële kant van de echtscheiding. Naar aanleiding daarvan heeft betrokkene op 18 mei 2022 een bespreking met klaagster en [A] gehad en daarna [C] ingeschakeld voor het uitwerken van een financiële planning. Betrokkene is door [C] steeds in e-mails ingekopieerd en [C] heeft op meerdere momenten in e-mails aan klaagster kenbaar gemaakt dat zij zaken zal afstemmen of heeft afgestemd met betrokkene. Op 15 september 2022 hebben betrokkene en [C] gezamenlijk met klaagster gesproken over onder meer de waardering van de aandelen, waarbij betrokkene ter zitting heeft verklaard dat hij in die bespreking met klaagster verschillende scenario’s heeft doorgenomen aangaande de waardering van de aandelen. De Accountantskamer stelt vast dat de stelling van betrokkene dat hij geen adviserende rol ten opzichte van klaagster heeft vervuld en geen concrete werkzaamheden of handelingen ten behoeve van klaagster heeft uitgevoerd met deze feiten in tegenspraak is. Betrokkene heeft immers op verschillende momenten met klaagster gesproken, waaronder een bespreking over onder meer de waardering van de aandelen en hij stond steeds in nauw contact met [C], wat [C] ook meermaals aan klaagster kenbaar heeft gemaakt. Op grond daarvan concludeert de Accountantskamer dat ook betrokkene verantwoordelijk is voor de uitvoering van de opdracht voor het begeleiden van de financiële afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap en dat hij ten aanzien van zowel klaagster als [A] een adviserende rol heeft vervuld.
5.1.2. Met betrekking tot de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van betrokkene voor de door [C] verrichte werkzaamheden overweegt de Accountantskamer als volgt. Vaste jurisprudentie is dat een accountant alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor eigen handelen of nalaten, tenzij een accountant als vaktechnisch verantwoordelijke voor handelen of nalaten van een ander heeft te gelden. Register belastingadviseurs vallen onder eigen tuchtrecht (de Raad van Tucht van de Vereniging Register Belastingadviseurs) en een accountant is in beginsel niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor handelen van een kantoorgenoot die zelf onder het bereik van accountantstuchtrecht of (zoals hier) het tuchtrecht voor register belastingadviseurs valt.[2]
5.1.3. Gelet hierop is de Accountantskamer van oordeel dat er geen grond is betrokkene tuchtrechtelijk aan te spreken voor door [C] verrichte werkzaamheden, als ware het zijn eigen handelen of nalaten. Voor zover de klacht ziet op gedragingen of handelingen van [C], kan betrokkene hiervan dus geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit aspect zal bij de bespreking van de klachtonderdelen weer aan de orde komen.
5.2. De beoordeling van de klachtonderdelen
5.2.1. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). De door betrokkene verrichte opdracht - de begeleiding van de financiële afwikkeling van een huwelijksgoederengemeenschap - betreft een zogenaamde ‘overige opdracht’, waarop geen Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS) van toepassing zijn.
5.2.2. Voor deze overige opdracht heeft de Accountantskamer acht geslagen op NBA-Handreiking 1111 versie 2010 zoals deze ten tijde van de opdracht gold. Een NBA-Handreiking bevat nadere aanwijzingen voor de uit te voeren werkzaamheden. Van een accountant wordt verwacht dat hij kennis neemt van deze aanwijzingen en dat hij deze overweegt voor zover relevant voor de opdracht. Een accountant die deze aanwijzingen niet toepast, moet erop voorbereid zijn om uit te leggen hoe niettemin is voldaan aan de verplichtingen, basisprincipes en essentiële werkzaamheden uit de wet- en regelgeving die nader zijn behandeld in de aanwijzingen.
5.2.3. Handreiking 1111 Overige opdrachten stelt dat om misverstanden te voorkomen, het van belang is dat de opdrachtgever en de accountant overeenstemming bereiken over de aard van de opdracht. Ook bij de rapportage is het van belang dat gebruikers niet in verwarring worden gebracht over de aard van de opdracht. De accountant zal zijn rapportage zodanig inrichten dat daaruit de aard van de door hem aanvaarde en uitgevoerde opdracht voor alle betrokken partijen voldoende duidelijk blijkt.
Klachtonderdeel 1:
Betrokkene heeft aan klaagster onjuiste dan wel onvolledige informatie verstrekt met betrekking tot de waarde van aandelen, de echtelijke woning en de eenmanszaak van klaagster.
5.2.4. Klaagster voert ter onderbouwing van dit klachtonderdeel aan dat betrokkene, als accountant van [BV1], op de hoogte was van de intrinsieke waarde van de aandelen van [BV2], en het aandeel van [BV1] daarin. Klaagster heeft meerdere malen haar twijfels over de waarde van de aandelen en de woning gedeeld met [C]. Betrokkene was daarvan op de hoogte, maar heeft klaagster niet geïnformeerd over de werkelijke waarde van de aandelen. Klaagster voert aan dat in de aandeelhoudersovereenkomst van [groep1] is opgenomen dat bij overlijden van [A] aan zijn via [BV1] gehouden belang in [BV2] een vaste waarde van € 10.000.000 zou worden toegekend. Voorts heeft klaagster na het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant de beschikking gekregen over de gedeponeerde jaarrekening 2023 van [BV2] waaruit blijkt dat het eigen vermogen van [groep1] op 31 december 2022 ruim € 63 miljoen bedroeg en op 31 december 2023 ruim € 71 miljoen. De winst na belastingen van [groep1] bedroeg volgens die jaarrekeningen in 2022 ruim € 10 miljoen en in 2023 ruim € 20 miljoen. Klaagster heeft ook een deskundige opdracht gegeven een indicatieve waardering op te stellen van het door [BV1] gehouden belang in [groep1]. Volgens het door klaagster overgelegde waarderingsrapport komt die waardering op basis van de cijfers over 2021 en 2022 van [groep1] uit op ruim € 31 miljoen. In een gesprek op 4 februari 2025 (zie overweging 3.9) is aan klaagster een vermogensverdeelstaat overgelegd waaruit blijkt dat aan de aandelen een waarde van € 4.000.000 is toegekend. Volgens klaagster kan deze waarde niet overeenkomen met de werkelijke waarde van de aandelen.
5.2.5. Betrokkene heeft aangevoerd dat de waarde van de aandelen en de waarde van de woning steeds onderwerp van gesprek zijn geweest. Betrokkene had geen inzicht in de waarde van de aandelen. Daarom is gewerkt met een indicatieve waarde. Bij het bepalen van die indicatieve waarde is aansluiting gezocht bij het bedrag van € 10.000.000, dat in geval van overlijden van [A] aan klaagster zou worden uitgekeerd. [C] heeft aan klaagster toegelicht op welke (beperkte) informatie de in de verdeelstaat opgenomen waarde van € 4 miljoen was gebaseerd. Op 15 september 2022 hebben [C] en betrokkene een bespreking gehad met klaagster. Tijdens dit overleg hebben zij met klaagster de vermogensverdeelstaat doorgenomen en verschillende uitgangspunten toegelicht om voor klaagster inzichtelijk te maken welke invloed het op de financiële planning zou hebben als de waarde van de aandelen
€ 10.000.000 of € 15.000.000 zou bedragen. Ook is klaagster toen inzage gegeven in het onderdeel van de aandeelhoudersovereenkomst waarin de uitkering bij overlijden is vastgelegd. Volgens betrokkene was uitgangspunt van de vermogensverdeling dat klaagster na de echtscheiding comfortabel verder zou kunnen leven, en hoefde klaagster niet het onderste uit de kan. Klaagster is meerdere malen gewezen op de mogelijkheid van het laten uitvoeren van een concrete waardebepaling door inschakeling van een onafhankelijke partij. Klaagster heeft daar bewust van afgezien.
5.2.6. De Accountanskamer overweegt het volgende. Volgens betrokkene is in het gesprek van 15 september 2022 aan klaagster inzicht gegeven in de vermogensverdeling en de effecten van verschillende waarderingen van de aandelen. Klaagster heeft ter zitting bestreden dat in dat overleg de waarde uit de aandeelhoudersovereenkomst van € 10 miljoen is genoemd, dat de door betrokkene genoemde scenario’s met indicatieve waarden van € 10 miljoen en € 15 miljoen zijn besproken en dat haar een vermogensverdeelstaat is getoond. Betrokkene heeft geen enkele gespreksaantekening of ander document overgelegd waaruit de Accountantskamer zou kunnen afleiden welke informatie betrokkene precies met klaagster heeft gedeeld. [C] heeft per e-mail slechts de uitkomst van het gesprek bevestigd en aan klaagster en [A] geschreven: “De bedragen c.q. uitgangspunten blijven in beginsel zoals eerder besproken.”
5.2.7. Gelet op de hoge waarde van de aandelen in relatie tot de verzorgingsregeling (zowel absoluut als relatief) had betrokkene ten behoeve van klaagster en zichzelf gedegen inzicht moeten verkrijgen in de werkelijke waarde van de aandelen en de woning en deze zo nodig objectief moeten (laten) verifiëren. Alleen op die manier kon betrokkene klaagster, wier belangen hij ook behartigde, daarover zorgvuldig adviseren opdat zij bewust en weloverwogen (deels) afstand zou (kunnen) doen van het recht op haar deel van het huwelijksvermogen. Dat de aandelen volgens betrokkene en [C] incourant zijn, wat een waardedrukkend effect heeft, doet daar niet aan af. Dat staat immers aan een waardebepaling als zodanig niet in de weg.
5.2.8. Ten aanzien van de vermogensverdeelstaat, die – zo begrijpt de Accountantskamer – pas op 4 februari 2025 aan klaagster is overgelegd, merkt de Accountantskamer het volgende op. Betrokkene heeft in de vermogensverdeelstaat een waarde van de woning en de aandelen opgenomen, zonder dat aan die waardering een taxatierapport of andere onderbouwing ten grondslag lag. De toelichting van betrokkene dat de in de vermogensverdeelstaat genoemde waardes van de woning en het aandelenpakket slechts zijn opgenomen om toe te werken naar de gewenste uitkomst – te weten: voortzetting van de comfortabele levensstijl van klaagster na echtscheiding – staat op gespannen voet met de aanwijzingen in de NBA-Handreiking 1111 dat de aard van de door de accountant aanvaarde en uitgevoerde opdracht voor alle betrokken partijen voldoende duidelijk blijkt. De vermogensverdeelstaat wekt in afwijking daarvan de indruk dat sprake is geweest van een gelijke vermogensverdeling, terwijl een onderbouwde waardering van zowel de aandelen als de woning in een mogelijk substantieel ongelijke verdeling zouden kunnen resulteren. Het inzicht daarin was niet alleen van belang voor de directe financiële afwikkeling tussen klaagster en [A], maar ook voor het bepalen van de mogelijke fiscale consequenties van een ongelijke verdeling.
5.2.9. Uit het voorgaande volgt dat betrokkene zowel bij de advisering van klaagster inzake de waarde van de aandelen als bij het opstellen van de vermogensverdeelstaat het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet heeft nageleefd. Klachtonderdeel 1 is gegrond.
Klachtonderdeel 2
Betrokkene heeft niet onderkend dat sprake was van een bedreiging voor de objectiviteit. Betrokkene had zich moeten realiseren dat sprake was van een tegengesteld belang tussen klaagster en haar voormalige echtgenoot, en had klaagster moeten doorverwijzen naar een onafhankelijke adviseur.
5.2.10. Klaagster voert ter onderbouwing van dit klachtonderdeel aan dat [A] altijd de financiën regelde voor hem en zijn vennootschappen enerzijds, en voor klaagster en haar onderneming anderzijds. Het contact met betrokkene verliep altijd via [A]. Verder was betrokkene ook de accountant van [BV2]. Klaagster was onvoldoende financieel onderlegd en kon onvoldoende inschatten wat de waardes zouden zijn van de verschillende vermogensbestanddelen.
5.2.11. Betrokkene heeft aangevoerd dat van een belangentegenstelling geen sprake was. Klaagster en haar voormalige echtgenoot hadden de gezamenlijke wens om de echtscheiding in goed overleg af te wikkelen. Betrokkene merkt voorts op dat het opstellen van een financiële planning voor klaagster volledig door [C] werd uitgevoerd en dat hij daarin geen rol speelde.
5.2.12. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene door [A] is benaderd met het verzoek om hem en klaagster bij te staan bij de financiële afwikkeling van de echtscheiding. Betrokkene heeft verklaard dat hij [A] heeft uitgenodigd voor een gesprek op 2 november 2021. Hij heeft van [A] begrepen dat ook klaagster daarbij aanwezig zou zijn, maar daar uiteindelijk van af heeft gezien. Desgevraagd heeft betrokkene verklaard dat hij klaagster niet persoonlijk heeft uitgenodigd.
Na afloop van het gesprek heeft [C] aan [A] gemaild: ‘Gezien jouw wens om ervoor te willen zorgen dat jouw echtgenote na de scheiding financieel verzorgd achterblijft, is mijn voorstel om in elk geval voor haar een integraal financieel plan te maken, zodat inzichtelijk wordt wat haar inkomens- en vermogenspositie wordt na een eventuele echtscheiding en hoe de toekomstige ontwikkeling van haar inkomens en vermogenspositie eruit komt te zien, bij de gehanteerde uitgangspunten’ en ‘We zullen voor deze opdracht een aparte opdrachtovereenkomst opstellen. Deze zal op jullie beiden in privé komen te staan’.[3]
De Accountantskamer overweegt dat de opdracht, ondanks de toezegging per e-mail, niet schriftelijk is vastgelegd en dat niet is gebleken dat betrokkene de aard en reikwijdte van de opdracht met klaagster heeft besproken. Niet is komen vast te staan dat klaagster op de hoogte was van de opdracht zoals die door [A] is gegeven, noch dat zij daarmee instemde. Betrokkene heeft zich alleen gebaseerd op uitlatingen van [A] over de voorgenomen deelname door klaagster aan het gesprek en haar latere beslissing om daarvan af te zien, zonder dat bij klaagster te verifiëren. Bovendien heeft betrokkene richting klaagster onvoldoende duidelijk gemaakt wat zijn rol jegens haar was.
5.2.13. Ingevolge artikel 21, eerste lid VGBA identificeert en beoordeelt de accountant omstandigheden die een bedreiging kunnen zijn voor het zich houden aan een fundamenteel beginsel en neemt met betrekking tot dergelijke omstandigheden een toereikende maatregel die ertoe leidt dat hij zich houdt aan de fundamentele beginselen. Indien de accountant optreedt voor een echtpaar in scheiding, waarbij een geschil ontstaat of dreigt te kan ontstaan over de verdeling van het huwelijksvermogen, kan een belangenconflict ontstaan en daarmee een kans op niet-naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit als bedoeld in artikel 11 VGBA. In een dergelijk geval dient de accountant de omstandigheden die een bedreiging kunnen zijn voor het zich houden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit te identificeren en te beoordelen en dient hij zo nodig op grond van artikel 21 VGBA een toereikende maatregel te nemen die ertoe leidt dat hij zich houdt aan dit fundamentele beginsel. Slaagt hij er niet in een zodanige maatregel te nemen, dan hoort hij volgens het tweede lid van artikel 21 VGBA de professionele dienst te weigeren of te beëindigen. De bedreiging, zijn beoordeling, de toegepaste maatregel en zijn conclusie dient de accountant op grond van het derde lid van artikel 21 van de VGBA vast te leggen[4].
5.2.14. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene al jarenlang de vaste accountant van (de onderneming van) [A] was en ook pre-auditwerkzaamheden verrichtte voor [BV2]. Deze langdurige relatie en daarmee gepaard gaande betrokkenheid bij de onderneming van [A] leverde in het kader van de begeleiding van de financiële afwikkeling van een huwelijksgoederengemeenschap een bedreiging op voor het door betrokkene na te leven fundamentele beginsel van objectiviteit. Betrokkene moest immers een opstelling maken van het gezamenlijke vermogen van klaagster en [A], inclusief de waardering van de echtelijke woning en de aandelen in [BV2]. Betrokkene had reeds bij aanvaarding van de opdracht in november 2021 moeten onderkennen dat aldus sprake was van een belangentegenstelling. Die belangentegenstelling heeft zich op meerdere momenten daarna concreet gemanifesteerd. Allereerst was het betrokkene vanaf het begin bekend dat de tot de huwelijksgemeenschap behorende aandelen [groep1] een aanzienlijke waarde vertegenwoordigden en dat [A] deze aandelen buiten de verdeling wilde houden. Voorts zijn door klaagster en [A] tijdens het overleg op 18 mei 2022 met betrokkene tegengestelde standpunten ingenomen over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarbij de gemoederen hoog zijn opgelopen. Naar aanleiding van de tussen klaagster en [A] ontstane discussie is vervolgens de financiële omvang van de verzorgingsregeling ten behoeve van klaagster verlaagd en is de waarde die is toegekend aan de aan klaagster toebedeelde echtelijke woning verhoogd. Zoals eerder geconcludeerd heeft betrokkene daarbij een adviserende rol vervuld. Klaagster heeft vervolgens op meerdere momenten haar twijfel over de waardering van het vermogen geuit en heeft op 10 september 2022 opnieuw bij [C] geïnformeerd naar de mogelijkheid van een taxatie van de woning en de aandelen. Betrokkene en [C] hebben op 15 september 2022 daarover met klaagster gesproken. Tegen de achtergrond van deze omstandigheden is onbegrijpelijk dat betrokkene nog altijd het standpunt inneemt dat van een belangentegenstelling geen sprake was.
5.2.15. De Accountantskamer stelt verder vast dat de financiële planning voor klaagster door [C] werd opgesteld. Zoals hiervoor is overwogen, valt zij als register belastingadviseur onder eigen tuchtrecht. Echter, betrokkene is steeds op de hoogte gehouden van de financiële planning en van de twijfels van klaagster over de waardering van de woning en de aandelen.
E-mails van [C] aan klaagster zijn steeds in afschrift naar betrokkene gestuurd en ook door [C] intern met hem afgestemd. De vermogensverdeelstaat, waarin de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is opgenomen, is mede door betrokkene opgesteld. Terwijl de opdracht volgens betrokkene eruit bestond dat de belangen van beide partijen zouden worden gediend, heeft betrokkene nagelaten actie te ondernemen naar aanleiding van de door klaagster geuite twijfels. In plaats daarvan, zo blijkt uit de e-mails, heeft het handelen van betrokkene (samen met [C]) er steeds toe geleid dat klaagsters twijfels werden gesust en dat er geen onafhankelijke taxatie van de woning en de aandelen kwam.
5.2.16. Klaagster heeft voorts gesteld dat betrokkene niet integer heeft gehandeld. Het ligt op de weg van klaagster om dat te onderbouwen met feiten en omstandigheden. Betrokkene heeft verklaard dat het doel voor klaagster was om comfortabel te kunnen leven en dat zij niet het onderste uit de kan hoefde. Hoewel het handelen van betrokkene vragen oproept over zijn integriteit, is schending van het fundamentele beginsel van integriteit een ernstig verwijt dat niet licht bewezen wordt geacht[5]. Dat het handelen van betrokkene niet eerlijk en oprecht was, in die zin dat hij klaagster bewust heeft willen benadelen door het belang van [A] te laten prevaleren boven dat van klaagster is niet aannemelijk gemaakt.
5.2.17. Gelet op al het voorgaande is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met het conceptuele raamwerk van artikel 21 VGBA en met het fundamentele beginsel van objectiviteit ex artikelen 2 sub c en 11 VGBA. Ook klachtonderdeel 2 is gegrond.
6. De maatregel
6.1. Omdat de klacht gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van drie maanden is passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer het volgende meegewogen.
6.2. Bij de werkzaamheden van betrokkene in het kader van de echtscheiding van klaagster is sprake van meerdere verwijtbare gedragingen, waarmee betrokkene heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, en objectiviteit.
Van een accountant mag worden verwacht dat hij geen onduidelijkheden laat bestaan over de aard en strekking van de opdracht en de opdracht op transparante wijze uitvoert en daarover rapporteert op basis van feitelijk juiste informatie. Ook mag worden verwacht dat de accountant actief let op eventuele bedreigingen voor de objectiviteit en dat hij, als hij een bedreiging signaleert, een toereikende maatregel neemt die ertoe leidt dat hij zich houdt aan de fundamentele beginselen. De Accountantskamer heeft in aanmerking genomen dat betrokkene in het geheel niet heeft onderkend dat tussen klaagster en [A] een belangentegenstelling kon en ook daadwerkelijk is ontstaan en dat het bijstaan van zowel klaagster als [A] al bij de opdrachtaanvaarding en vervolgens op meerdere latere momenten tijdens de uitvoering van de opdracht heeft geresulteerd in een bedreiging van zijn objectiviteit. Ook heeft hij er niet voor gezorgd dat klaagster het voor de door haar te nemen beslissingen noodzakelijke inzicht heeft verkregen in de waarde van de vermogensbestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap, ondanks de door klaagster aanhoudend geuite twijfels daarover.
Tot slot heeft de Accountantskamer meegewogen dat betrokkene geen inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn gedrag.
7. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan betrokkene op de maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder d. Wtra, te weten die van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van drie maanden, welke maatregelingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden én de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd en eindigt na ommekomst van de vermelde termijn;
- verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
- verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagster vergoedt.
Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. A.M. van Amsterdam en mr. P. van der Stroom (rechterlijke leden) en Th.A. Verkade RA en E.M. van der Velden AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.L. Vedder, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Zie de e-mails van 12 juli 2022 (bijlage 12), 22 juli 2022 (bijlage 15), 31 augustus 2022 (bijlage 19) en 10 september 2022 (bijlage 22) van klaagster aan [C].
[2] Vgl. de uitspraak van de Accountantskamer van 16 januari 2026, ECLI:NL:TACAKN:2026:2.
[3] De e-mail van 2 november 2021, bijlage 3 bij het verweerschrift.
[4] Vergelijk de uitspraak van de Accountantskamer van 30 maart 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:15.
[5] Vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 19 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:193