ECLI:NL:TACAKN:2026:5 Accountantskamer Zwolle 24/3458 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:5 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 09-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 24/3458 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Vanwege een relatiebreuk heeft klaagster zich voor advies tot (de dochter van) betrokkene gewend. Klaagster verwijt betrokkene onder meer dat hij (zonder opdracht) zich als advocaat heeft voorgedaan, terwijl hij van het tableau is geschrapt, dat hij mondelinge afspraken niet is nagekomen en dat hij een contante betaling van € 20.000 heeft aangenomen waarvoor hij geen kwitantie wilde verstrekken. De klacht wordt deels niet-ontvankelijk verklaard en deels ongegrond. |
ACCOUNTANTSKAMER
UITSPRAAK van 9 februari 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 10 september 2024 ontvangen klacht met nummer 24/3458 Wtra AK van
X
wonende te [plaats1]
K L A A G S T E R
gemachtigde: [A] te [plaats2]
t e g e n
MR. DRS. Y
voorheen accountant-administratieconsulent
kantoorhoudende te [plaats3]
B E T R O K K E N E
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen;
- het aanvullend klaagschrift met 6 producties, ingekomen op 11 november 2024;
- de brief van de Accountantskamer van 7 februari 2025, waarbij aan klaagster is meegedeeld dat de stukken die zij op 21 september 2024 digitaal heeft toegezonden buiten beschouwing zullen worden gelaten, omdat deze stukken niet gelijk zijn aan de schriftelijke stukken die de Accountantskamer op 11 november 2024 heeft ontvangen;
- het verweerschrift;
- de e-mail van klaagster van 2 september 2025;
- de e-mail van de Accountantskamer van 5 september 2025;
- de e-mail van betrokkene van 3 november 2025 met bijlage;
- het aanvullend klaagschrift met producties 7 en 8, ingekomen op 9 november 2025;
- de brief van klaagster van 11 november 2025 met een USB-stick waarop geluidsfragmenten staan;
- de brief van de Accountantskamer van 12 november 2025;
- de e-mail van betrokkene van 16 november 2025 met bijlage;
- de op de zitting door partijen overgelegde pleitaantekeningen.
1.2. De mondelinge behandeling van de klacht stond aanvankelijk gepland op 29 augustus 2025 maar is toen uitgesteld vanwege autopech van betrokkene. De klacht is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 24 november 2025, waar beide partijen zijn verschenen. Klaagster werd bijgestaan door haar gemachtigde en door diens kantoorgenoot, [B].
2. De uitspraak samengevat
2.1. Vanwege een relatiebreuk heeft klaagster zich voor advies tot (de dochter van) betrokkene gewend. Klaagster verwijt betrokkene onder meer dat hij (zonder opdracht) zich als advocaat heeft voorgedaan, terwijl hij van het tableau is geschrapt, dat hij mondelinge afspraken niet is nagekomen en dat hij een contante betaling van € 20.000 heeft aangenomen waarvoor hij geen kwitantie wilde verstrekken. Volgens klaagster heeft betrokkene in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen genoemd in de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Betrokkene betwist dit en vindt dat klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk is, omdat niet hij maar zijn dochter de opdrachtnemer van klaagster was en hij bovendien niet is opgetreden als advocaat en/of accountant maar als juridisch adviseur. Daarnaast voert hij aan dat de verwijten onvoldoende zijn onderbouwd. De Accountantskamer verwerpt het verweer over de ontvankelijkheid maar volgt het laatste verweer over de onderbouwing. De klacht wordt deels (op andere gronden) niet-ontvankelijk verklaard en deels ongegrond.
3. De feiten
3.1. Betrokkene stond van 2013 tot [datum] 2025 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Daarnaast is betrokkene werkzaam geweest als advocaat in welke hoedanigheid hij met ingang van 26 april 2021 is geschrapt van het advocatentableau.
3.2. Klaagster heeft een geschil met haar ex-partner over de verdeling van hun gemeenschap. In dat verband heeft klaagster op 3 september 2022 een gesprek gehad met betrokkene en zijn dochter, mr. [C] (hierna: de dochter), advocaat, die op dat moment werkzaam was bij [advocatenkantoor1]. Bij dit gesprek waren namens klaagster ook aanwezig [D] en
[E] e/v [D].
3.3. Vanaf 3 september 2022 tot en met 13 januari 2023 heeft de dochter werkzaamheden voor klaagster verricht. Op 13 januari 2023 mailde de dochter het volgende aan klaagster:
“Zoals zojuist besproken, hebben we het navolgende afgesproken. We hebben besproken dat in het kader van de afwikkeling van de gemeenschap u mijn vader als financieel adviseur in de hand wenst te nemen. Ik zal de advocaat van uw ex-partner informeren dat zij contact dient op de nemen met mijn vader. Mijn vader zal u in de financiële afwikkeling van de gemeenschap begeleiden. Mocht procederen nodig zijn, dan wel een advocaat benodigd zijn, dan sta ik uiteraard tot uw beschikking en zal ik weer inspringen in de zaak. Voor nu zend ik u de gegevens van mijn vader (…)[1]”.
3.4. Vanaf 1 februari 2023 is de dochter werkzaam bij [advocatenkantoor2], gevestigd te [plaats4].
3.5. Op 27 februari 2023 mailde betrokkene het volgende aan klaagster:
“Onderstaand doe ik u in concept de tekst toekomen van de e-mail die ik voornemens was aan de advocaat van de wederpartij te verzenden. Ik merk hierbij op dat de tekst nog niet volledig klaar was. Het leek mij zinvol u hier toch over te informeren en de tekst toe te zenden.”
De concepttekst ziet op een tegenvoorstel van betrokkene namens klaagster aan de advocaat van de ex-partner van klaagster met betrekking tot, onder meer, de toedeling van de voormalige echtelijke woning en de gezamenlijke ondernemingen.
3.6. Op 16 maart 2023 mailde klaagster het volgende naar het e-mailadres [mailadres1] met als onderwerp '[X]/[F]':
“Geachte mevrouw mr. [Y],
Middels deze weg wil ik aan u bekend maken het dossier per 16 maart 2023 bij u af te sluiten.
Ik heb een nieuwe juridische adviseur gevonden die mij zal bijstaan. Ik wil u bedanken
voor de bijstand.”
3.7. Op 19 april 2023 heeft de dochter voor haar werkzaamheden in de periode van
3 september 2022 tot en met 13 januari 2023 een factuur van € 854,26 met een urenspecificatie aan klaagster toegezonden (40,40 uur x uurtarief € 250 + bureaukosten € 606 – voorschot
€ 10.000 x 21% btw). Daarin zijn ook de volgende werkzaamheden begrepen:
“Datum Uurtype Omschrijving Decl. Best.
(…)
30-03-2023 Overig inhuur derden 17,00 17,00”
3.8. In september 2024 heeft klaagster tegen zowel de dochter (bij de Orde van Advocaten Midden-Nederland; daar geregistreerd onder zaaknummer 2372088) als tegen betrokkene een tuchtklacht ingediend.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem als accountant geldende gedrags- en beroepsregels.
4.2. Klaagster verwijt betrokkene, zoals ter zitting is bevestigd, dat hij:
(1) zich als advocaat heeft voorgedaan, wat misleidend is;
(2) zich niet heeft gehouden aan mondelinge afspraken, zoals het adequaat regelen van belastingzaken;
(3) uren heeft gefactureerd die niet overeenkomen met de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden;
(4) geen schriftelijke opdracht heeft verstrekt; ook was er een gebrek aan communicatie en transparantie over de aard van de dienstverlening, de kosten en de voorwaarden en was er sprake van belangenverstrengeling binnen het kantoor;
(5) een contante betaling van € 20.000 heeft aangenomen zonder daarvoor een kwitantie te willen verstrekken.
5. De beoordeling
Ontvankelijkheid
5.1. Betrokkene voert als meest verstrekkend verweer dat klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk is, omdat hij geen werkzaamheden in opdracht van klaagster heeft uitgevoerd. Volgens betrokkene heeft hij uitsluitend indirect, te weten in opdracht en onder auspiciën van zijn dochter, die advocaat en (enig) opdrachtnemer van klaagster is, werkzaamheden voor klaagster verricht.
5.2. De Accountantskamer overweegt dat, ook als de dochter als opdrachtnemer van klaagster eindverantwoordelijk is, betrokkene nog steeds tuchtrechtelijk kan worden aangesproken op zijn eigen handelen of nalaten.[2] Of klaagster opdrachtgever van betrokkene is, is voor het indienen van een klacht bij de Accountantskamer overigens niet relevant. Eenieder kan een klacht indienen tegen een accountant.[3] Een (persoonlijk) belang van klaagster of de hoedanigheid van opdrachtgever is daarvoor niet vereist.
5.3. Betrokkene heeft verder naar voren gebracht dat hij niet is opgetreden als accountant maar uitsluitend werkzaamheden van juridische aard heeft verricht. Gelet op zijn ervaring als advocaat in echtscheidingszaken is hij opgetreden als assistent van zijn dochter. Omdat hij geen werkzaamheden heeft uitgevoerd waarvoor vakbekwaamheid als accountant nodig is, is volgens betrokkene geen sprake van een professionele dienst en dient de klacht ook om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.4. De Accountantskamer overweegt dat van een professionele dienst als accountant, zoals bedoeld in artikel 1 VGBA, sprake is als er werkzaamheden worden uitgevoerd waarvoor vakbekwaamheid als accountant wordt of kan worden aangewend. Als sprake is van een professionele dienst dan zijn alle fundamentele beginselen genoemd in artikel 2 VGBA van toepassing op de werkzaamheden van een accountant. Als geen sprake is van een professionele dienst, dan moet een accountant zich bij de uitoefening van zijn werkzaamheden in ieder geval houden aan het fundamentele beginsel van professionaliteit.
5.5. Niet in geschil is dat betrokkene werkzaamheden heeft verricht die betrekking hebben op de verdeling van de gemeenschap van klaagster en haar ex-partner. Omdat deze werkzaamheden (ook) betrekking hebben op de financiële afwikkeling daarvan, zoals ook volgt uit het door betrokkene geformuleerde concept-tegenvoorstel dat hij op 27 februari 2023 aan klaagster heeft gemaild, is naar het oordeel van de Accountantskamer sprake van werkzaamheden waarbij betrokkene vakbekwaamheid als accountant heeft aangewend dan wel heeft kunnen aanwenden. Daarom wordt betrokkene geacht zijn beroep als accountant te hebben uitgeoefend, zodat hij gehouden was zich aan alle in artikel 2 VGBA genoemde fundamentele beginselen te houden[4].
5.6. Met uitzondering van klachtonderdeel (3) – zie hierna – volgt uit het voorgaande dat er geen grond bestaat om de klacht niet-ontvankelijk te verklaren. Daarmee komt de Accountantskamer toe aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht. Het handelen of nalaten van betrokkene zal worden getoetst aan de VGBA.
5.7. De Accountantskamer overweegt dat het in beginsel aan klaagster is om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel (1): voordoen als advocaat
5.8. Klaagster verwijt betrokkene dat hij in contacten met derden zich heeft voorgedaan als advocaat, terwijl hij de bevoegdheid om als zodanig op te treden niet meer heeft. Volgens klaagster heeft betrokkene daarmee misleidend en niet integer gehandeld.
5.9. De Accountantskamer stelt op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken vast dat het tussen partijen duidelijk was dat de dochter de advocaat van klaagster was en dat betrokkene – vanwege zijn kennis van en ervaring met het personen- en familierecht – de dochter als opdrachtnemer van klaagster slechts zou adviseren over kwesties betreffende klaagster die verband hielden met haar relatiebreuk. Dat betrokkene in zijn (telefonische) contacten met derden, zoals de Rabobank, zich zou hebben voorgedaan als de advocaat van klaagster, is door klaagster niet aannemelijk gemaakt. Klachtonderdeel (1) is ongegrond.
Klachtonderdeel (2): niet-nakoming mondelinge afspraken
5.10. Klaagster verwijt betrokkene dat hij mondelinge afspraken niet is nagekomen. Daartoe voert klaagster aan dat volgens haar is afgesproken dat betrokkene na het (intake)gesprek op 3 september 2022 direct de belastingschulden zou aanpakken en contact zou opnemen met de boekhouder. Daarnaast zou betrokkene de fiscale zaken voor klaagster in orde maken. Volgens klaagster heeft betrokkene echter niets gedaan.
5.11. Betrokkene betwist dat hij een (mondelinge) opdracht van klaagster heeft gehad om haar belastingzaken te behartigen. Daarbij wijst betrokkene erop dat iedere vermeende afspraak of verwachting via zijn dochter liep, dat klaagster ook niet heeft toegelicht om welke fiscale kwestie/belastingsoort het zou gaan en dat hij bovendien niet beschikte over een voor de communicatie met de belastingdienst noodzakelijke volmacht en het burgerservicenummer van klaagster en de naam en contactgegevens van de boekhouder.
5.12. Nu klaagster haar standpunt (vervolgens) niet verder heeft kunnen onderbouwen of toelichten aan de hand van concrete omstandigheden, is de Accountantskamer van oordeel dat niet vast is komen te staan dat klaagster met betrokkene mondelinge afspraken heeft gemaakt over haar belastingzaken. Klachtonderdeel (2) is ongegrond.
Klachtonderdeel (3): onjuiste declaratie
5.13. Klaagster verwijt betrokkene dat de wijze waarop de facturatie heeft plaatsgevonden niet transparant is, wat kan worden gezien als een inbreuk op de integriteit. Volgens klaagster komen de door betrokkene gefactureerde (17) uren niet overeen met de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden.
5.14. Betrokkene betwist dat hij (als opdrachtnemer) uren aan klaagster heeft gefactureerd. Volgens betrokkene heeft hij alle door hem bestede uren intern aan zijn dochter gerapporteerd.
5.15. De Accountantskamer stelt vast dat de “inhuur derden” in de urenspecificatie behorende bij de factuur van 19 april 2023 (zie 3.7) betrekking heeft op de werkzaamheden van betrokkene. Deze werkzaamheden zagen op de analyse van het dossier en het voeren van gesprekken en correspondentie. De factuur is afkomstig van (het kantoor van) de dochter. Als advocaat valt zij onder eigen tuchtrecht. Voor zover klaagster met dit klachtonderdeel heeft bedoeld te klagen over het deel van de factuur van 19 april 2023 dat ziet op de werkzaamheden van betrokkene, overweegt de Accountantskamer dat het aan de burgerlijke rechter en/of de Raad voor Geschillen van de NBA voorbehouden is om tussen (betrokken) partijen bindend te oordelen over burgerrechtelijke geschillen inzake declaraties van accountants. In het kader van een tuchtrechtelijke procedure bij de Accountantskamer kan alleen met succes over declaraties worden geklaagd als een accountant bij het opstellen en indienen van de declaraties zodanig in strijd met de van hem te verlangen zorgvuldigheid, integriteit of professionaliteit heeft gehandeld dat daardoor een schending van het bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep (Wab) bepaalde aan de orde is. Daarbij moet onder meer gedacht worden aan situaties waarin de betrokken accountant bij zijn cliënt of opdrachtgever bewust onjuiste of misleidende declaraties, derhalve te kwader trouw, indient. Omdat niet is gebleken dat deze situatie hier aan de orde is, is klaagster in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk.[5]
Klachtonderdeel (4): gebrek aan transparantie en communicatie / belangenverstrengeling
5.16. Klaagster verwijt betrokkene dat hij onvoldoende transparant is geweest en onduidelijk heeft gecommuniceerd over de aard van de dienstverlening, de kosten en de voorwaarden. Volgens klaagster had betrokkene een (nieuwe) schriftelijke opdracht moeten verstrekken, nadat zijn dochter de financiële afwikkeling van de verdeling van de gemeenschap aan hem had overgedragen.
5.17. Betrokkene betwist dat hij niet transparant heeft gehandeld. Daartoe voert hij aan dat de rolverdeling duidelijk was en dat die ook blijkt uit de schriftelijke opdrachtbevestiging van zijn dochter. Volgens betrokkene was de communicatie naar klaagster glashelder en wist klaagster precies waar zij aan toe was. Verder betwist betrokkene dat hij gelijktijdig conflicterende belangen heeft gediend, zodat van belangenverstrengeling geen sprake is geweest.
5.18. Zoals hiervoor in 5.9 is overwogen, staat naar het oordeel van de Accountantskamer voldoende vast dat betrokkene in opdracht van zijn dochter advies heeft gegeven over de financiële afwikkeling van het samenlevingscontract dat klaagster met haar ex-partner heeft gesloten. Dit betreft een overige opdracht als bedoeld in de NBA-handreiking 1111. Meer concreet ziet de opdracht (indirect) op bijstand van een partij in een (potentieel) geschil. Hoewel het wel aan te bevelen is om een dergelijke opdracht schriftelijk vast te leggen, is dit niet verplicht. Dat betrokkene de opdracht met zijn dochter alleen mondeling is overeengekomen, is dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verder is niet gebleken dat betrokkene niet objectief heeft gehandeld. Het enkele feit dat betrokkene zijn dochter heeft geadviseerd, maakt niet dat sprake is van een belangenverstrengeling. De dochter en betrokkene hebben geen tegengesteld belang. Het verwijt van klaagster dat betrokkene niet duidelijk heeft gecommuniceerd over de aard van de dienstverlening, de kosten en de voorwaarden ziet op de overeenkomst die klaagster met de dochter had. Weliswaar heeft de dochter op 13 januari 2023 haar eigen werkzaamheden voor klaagster gestaakt, maar daarmee heeft zij de opdracht niet beëindigd. Dat heeft klaagster zelf gedaan met haar e-mail van 16 maart 2023. De werkzaamheden die betrokkene na 13 januari 2023 heeft uitgevoerd, maken deel uit van de eerdergenoemde factuur van 19 april 2023. Als de overeenkomst met de dochter voor klaagster op dit punt niet duidelijk was, dan kan betrokkene daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klachtonderdeel (4) is ongegrond.
Klachtonderdeel (5): aannemen contante betaling
5.19. Klaagster stelt dat betrokkene heeft gezegd dat de opdracht in totaal € 30.000 zal kosten, waarvan zij via de bank een voorschot van € 10.000 heeft betaald en het restant van € 20.000 contant aan betrokkene heeft overhandigd. Ondanks herhaalde verzoeken heeft betrokkene geweigerd daarvoor een kwitantie te verstrekken. Volgens klaagster heeft betrokkene daarmee niet transparant en integer gehandeld.
5.20. Betrokkene betwist uitdrukkelijk dat hij van klaagster een contante betaling van € 20.000 heeft ontvangen. Daartoe voert hij aan dat deze aantijging op geen enkele wijze is onderbouwd. Daarbij wijst betrokkene erop dat hij tegen klaagster aangifte van smaad en laster heeft gedaan en dat hij deze aangifte desgewenst kan tonen.
5.21. De Accountantskamer overweegt dat het op de weg van klaagster ligt om feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit volgt dat zij aan betrokkene het bedrag van
€ 20.000 contant heeft betaald. Klaagster heeft dat ook na de gemotiveerde betwisting door betrokkene niet gedaan. Ter zitting heeft klaagster desgevraagd geen duidelijkheid kunnen geven over deze contante betaling. Zo kon zij onder meer niet concreet aangeven wanneer de beweerdelijke betaling aan betrokkene heeft plaatsgevonden. Haar verklaring ter zitting dat dit “na 13 januari 2023” was, is onvoldoende concreet. Verder gaf zij een onduidelijke verklaring over de herkomst van dit bedrag. Tijdens de zitting verklaarde klaagster eerst dat dit haar volledige spaargeld zou zijn en later dat zij haar woning had verkocht en met (een deel van) de overwaarde de betaling heeft gedaan, nadat zij dat bedrag eerder had gepind. Klaagster heeft op geen enkele wijze een van deze lezingen aannemelijk gemaakt. De Accountantskamer maakt geen gebruik van de mogelijkheid op dit punt onderzoek te doen en getuigen te horen, omdat de feiten en omstandigheden waarop klaagster zich beroept onvoldoende helder en eenduidig zijn. Klachtonderdeel (5) is ongegrond.
Conclusie
5.22. Het voorgaande leidt ertoe dat de klacht geen doel treft. Klaagster zal ten aanzien van klachtonderdeel (3) niet-ontvankelijk worden verklaard. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.
6. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart klachtonderdeel (3) niet-ontvankelijk;
- verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.N. Bartels, voorzitter, mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt en mr. P. van der Stroom (rechterlijke leden) en drs. D. van der Bij RA RB en P. Mansvelder RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Deze gegevens betreffen een e-mailadres en een telefoonnummer.
[2] Vgl. ECLI:NL:TACAKN:2025:55.
[3] Artikel 22 lid 1 Wtra.
[4] Toelichting bij artikel 3 VGBA.
[5] Vgl. ECLI:NL:TACAKN:2022:20 en ECLI:NL:CBB:2019:147.