ECLI:NL:TACAKN:2026:49 Accountantskamer Zwolle 25/2146 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:49
Datum uitspraak: 11-05-2026
Datum publicatie: 11-05-2026
Zaaknummer(s): 25/2146 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: Klacht is gegrond en de maatregel van berisping is opgelegd omdat de accountant de opdracht wegens een wijziging van het kantoorbeleid niet had moeten aanvaarden en eenmaal toch aanvaard de opdracht heeft teruggegeven zonder met de belangen van klaagster voldoende rekening te houden. Ongegrond is dat de klacht niet volgens de klachtenregeling van het kantoor binnen drie weken is afgehandeld.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 11 mei 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 7 augustus 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2146 Wtra AK van

STICHTING X

gevestigd te [plaats1]

K L A A G S T E R

advocaat: mr. F. Wubbena te Oosterhout

t e g e n

Y

registeraccountant

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. R. Bosman te Rotterdam

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de brief van klaagster van 24 februari 2026 met bijlagen 7 tot en met 11
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van klaagster.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 13 maart 2026. Voor klaagster is [A] verschenen, bijgestaan door mr. K.L. Broekman. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. 

2.             De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1.        Klaagster heeft betrokkene de opdracht gegeven haar subsidieverantwoording te controleren ten behoeve van de gemeente [plaats1]. Betrokkene heeft die opdracht op 12 mei 2025 bevestigd. Per e-mailbericht van 20 mei 2025 heeft betrokkene de opdracht teruggegeven. Volgens klaagster had betrokkene de opdracht niet mogen beëindigen zonder de belangen van klaagster daarin mee te wegen, althans had hij de opdracht nooit mogen aanvaarden. Ook vindt klaagster dat betrokkene onvoldoende heeft gereageerd op haar klacht hierover.

De beslissing van de Accountantskamer

2.2.        De klacht is deels gegrond. Daarom legt de Accountantskamer aan betrokkene de maatregel van berisping op.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 2009 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Betrokkene is verbonden aan [accountantskantoor1] in [plaats2].

3.2.        Klaagster is een welzijnsorganisatie die subsidie ontvangt van de gemeente [plaats1]. Krachtens de gemeentelijke subsidieverordening is zij verplicht jaarlijks haar subsidieverantwoording te laten controleren door een accountant. Een medewerker van het administratiekantoor van klaagster heeft betrokkene namens klaagster op 8 april 2025 verzocht de subsidieverantwoording te controleren. Hij schrijft:

‘Afgelopen jaren om deze tijd benaderde ik jullie met het verzoek om voor onze gezamenlijke cliënt Stichting [X] ([X]) te [plaats1] een controleverklaring aan te vragen. (…) De controleverklaringen dienen uiterlijk 1 mei 2025 a.s. aangeleverd te worden ten behoeve van de gemeente [plaats1] mede rekening houdend met de agenda van de bestuurder van [X]. (…)’.

3.3.        Naar aanleiding van het rappel op 23 april 2025 heeft betrokkene per e-mailbericht van 24 april 2025 laten weten dat een controleverklaring voor 1 mei 2025 niet haalbaar is. Hij schrijft:

‘In onze planning is het wel mogelijk om uiterlijk maandag 19 mei 2025 de verklaringen te kunnen afgeven. Indien dit akkoord is, zal ik de werkzaamheden inplannen’.

3.4.        Vervolgens heeft betrokkene zijn opdracht als volgt bevestigd op 12 mei 2025:

‘U heeft ons de opdracht gegeven tot controle van de financiële subsidieverantwoording 2024 ten behoeve van de gemeente [plaats1], betreffende de volgende beschikking:

- Beschikking d.d. [datum1], dossiernummer: [nummer1], zaaknummer: [nummer2]. Het betreft een subsidie in het kader van het Uitvoeringsplan [B]. De subsidie die betrekking heeft op 2024 bedraagt € 827.648.

Het doel van deze brief is om de aanvaarding van de opdracht schriftelijk te bevestigen en tevens de inhoud van de opdracht schriftelijk weer te geven.

Opdracht

Subsidieverantwoordingen 2024

Als accountant onderzoeken wij of de bestedingen in de subsidieverantwoording 2024 rechtmatig zijn. De uitslag van ons onderzoek geven wij weer in een controleverklaring betreffende de financiële subsidieverantwoording.

Naast de controle zullen wij de volgende specifieke werkzaamheden uitvoeren en hierover afzonderlijk rapporteren:

1. vaststellen dat de verantwoorde lasten op de gesubsidieerde activiteiten aansluiten op de administratie van de subsidieontvanger;

2. op basis van een deelwaarneming 1 vaststellen dat de facturen betaald zijn en er geen verrekenbare en compensabele btw als kosten zijn opgevoerd, tenzij in de subsidiebeschikking anders is bepaald;

3. vaststellen dat de financiële verantwoording is opgesteld inclusief een vergelijking met de bij de toegekende subsidieaanvraag aangeleverde activiteitenbegroting. Eventuele afwijkingen zijn toegelicht;

4. vaststellen dat de in de financiële verantwoording vermelde aantallen en uitgevoerde activiteiten overeenkomen met de inhoudelijke verantwoording van de subsidieontvanger én onderliggende administraties/registratiesystemen;

5. op basis van een deelwaarneming 1 op brondocumenten vaststellen dat de verantwoorde kosten vallen binnen de voorwaarden van de verstrekte subsidie;

6. op basis van deelwaarneming 1 vaststellen dat de gehanteerde tarieven overeenkomen met de tarieven die gehanteerd zijn bij de ingediende activiteitenbegroting;

7. vaststellen dat de subsidieontvanger vanwege de subsidietoekenning heeft voldaan aan de verplichtingen volgens het wettelijk kader genoemd onder paragraaf 1.1.

Het aantal deelwaarnemingen wordt bepaald op basis van de omvang van de subsidie; voor elke € 125.000 subsidie wordt één deelwaarneming bepaald en uitgevoerd tot een maximum van 10 deelwaarnemingen’.

3.5.        Klaagster heeft de opdrachtbevestiging op 14 mei 2025 voor akkoord ondertekend.

3.6.        Betrokkene heeft per e-mailbericht van 20 mei 2025 te kennen gegeven dat hij de opdracht niet kan uitvoeren. Betrokkene schrijft: 

‘Vanmorgen heb ik de afronding van de controle besproken met de compliance officer. Na enig overleg kwamen wij tot de conclusie dat het voor ons helaas niet haalbaar is om een controleverklaring over 2024 af te geven. De reden is dat de controle verder moet reiken dan alleen de subsidieverantwoording en dat tevens de jaarrekening 2024 in de controle moet worden betrokken omdat deze ten grondslag ligt aan de subsidieverantwoording. Omdat wij vanaf het kalenderjaar 2024 geen jaarrekeningcontroles meer uitvoeren is de opdracht voor ons niet meer passend.

Mijn voorstel is dat u de gemeente verzoekt om uitstel voor het aanleveren van de controleverklaring en een andere accountant zoekt die de opdracht kan uitvoeren.

Het spijt mij om u dit te moeten berichten’.

3.7.        Bij brief van 20 juni 2025 heeft de advocaat van klaagster betrokkene aansprakelijk gesteld vanwege wanprestatie. Ook deelt de advocaat mee dat klaagster voornemens is (onderhavige) tuchtklacht in te dienen.

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klaagster verwijt betrokkene het volgende:

1. Betrokkene had de controleopdracht niet mogen beëindigen;

2. Betrokkene had de controleopdracht niet moeten aanvaarden;

3. Betrokkene heeft niet gereageerd op de klachtbrief van klaagster van 20 juni 2025.

5.             De beoordeling

5.1.        De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

Klachtonderdelen 1 en 2. Betrokkene had de opdracht niet mogen beëindigen en de opdracht niet moeten aanvaarden.

5.2.        De Accountantskamer behandelt de klachtonderdelen gezamenlijk, omdat ze samenhangen.

5.3.        Klaagster heeft het volgende aangevoerd. De gemeente [plaats1] verlangde uiterlijk 1 juni 2025 een controleverklaring bij de subsidieverantwoording. Het was voor betrokkene dan ook duidelijk dat het voor klaagster belangrijk was dat de opdracht tijdig werd afgerond. Betrokkene heeft echter zo’n twee weken voor deze deadline laten weten dat hij de opdracht toch niet kon uitvoeren. In dat verband brengt klaagster de volgende verwijten naar voren.

5.3.1.    In de eerste plaats meent klaagster dat van een accountant verwacht mag worden dat hij bij het aanvaarden van een opdracht zorgvuldig beoordeelt of hij over voldoende deskundigheid, tijd en middelen beschikt om de opdracht uit te voeren. Een eenmaal bevestigde opdracht moet hij uitvoeren. Betrokkene heeft deze controleopdracht al eerder uitgevoerd en was dus bekend met de omvang ervan. Omdat betrokkene de opdracht vlot na de aanvaarding daarvan weer heeft teruggegeven, concludeert klaagster dat betrokkene ofwel onvoldoende deugdelijk vooronderzoek heeft gepleegd naar de aanvaarding van de opdracht, ofwel - als hij wist dat hij de opdracht niet kon uitvoeren - in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit (eerlijk en oprecht handelen).

5.3.2.    In de tweede plaats is klaagster van mening dat betrokkene haar kenbare belangen onvoldoende heeft meegewogen in de beslissing de opdracht te beëindigen. Klaagster zou door de beëindiging minder dan twee weken voor de deadline in serieuze problemen komen, omdat niet snel een andere accountant kan worden gevonden die de opdracht zou kunnen uitvoeren. De gevolgen daarvoor zijn in beginsel groot, omdat de gemeente [plaats1] aan niet tijdige indiening van de subsidieverantwoording gevolgen verbindt. Betrokkene heeft onvoldoende met deze voor hem kenbare belangen rekening gehouden. Daarbij komt dat de belangen van betrokkene onvoldoende zwaarwegend zijn om een beëindiging van de opdracht te rechtvaardigen. Betrokkene stelt dat hij geen jaarrekeningcontroles meer uitvoert, en dat dit vereist is voor de uitvoering van de opdracht, maar betrokkene verricht volgens zijn website nog steeds wettelijke controles en hij heeft in 2024 de controle van de subsidieverantwoording wel uitgevoerd en was dus bekend met de vereiste controlewerkzaamheden. Daaruit concludeert klaagster dat betrokkene een onjuiste reden aanvoert voor de beëindiging van de opdracht, hetgeen niet eerlijk en oprecht is.

5.3.3.    Tot slot voert klaagster aan dat betrokkene niet heeft geprobeerd om de opdracht over te dragen aan een andere accountant en evenmin hulp heeft (aan)geboden bij deze overdracht. Ook heeft hij geen andere oplossingen aangedragen.

5.4.        Betrokkene heeft uitgelegd dat is besloten om met ingang van 1 januari 2025 te stoppen met het uitvoeren van jaarrekeningcontroles. Sindsdien legt zijn kantoor zich (uitsluitend) toe op advies- en samenstellingsopdrachten. Betrokkene ontving de opdracht van het administratiekantoor van klaagster. Aanvankelijk had betrokkene de opdracht ingeschaald als een opdracht voor de controle van subsidieverantwoording. Tijdens de uitvoering van de opdracht moest betrokkene concluderen dat de controle zich ook zou uitstrekken tot de jaarrekening. In verband met de beleidswijziging kon betrokkene deze opdracht niet afronden. Betrokkene kwalificeert dit als een inschattingsfout. Hij betreurt dan ook dat hij heeft moeten terugkomen op de aanvaarding van de opdracht.

5.5.        Betrokkene heeft benadrukt dat hij bij de beëindiging van de opdracht de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. In het e-mailbericht van 20 mei 2025 te 10:56 uur stelt betrokkene voor dat klaagster uitstel verzoekt aan de gemeente en een andere accountant zoekt die de opdracht kan uitvoeren. Wat later die dag, om 16:23 uur, biedt betrokkene klaagster aan haar te bellen voor een telefonische toelichting. Klaagster heeft dat aanbod echter afgewimpeld in haar bericht van 21 mei 2025. Daarin kondigt zij aan dat een advocaat contact met betrokkene zal opnemen. Daarop heeft betrokkene aangeboden klaagster in contact te brengen met een accountantskantoor dat gespecialiseerd is in audits. Klaagster houdt dat op 22 mei 2025 af met een kort bericht: ‘Nee bedankt’. Kortom, betrokkene heeft de vereiste zorgvuldigheid betracht en had oog voor de belangen van klaagster door actief het overleg te zoeken en aan te bieden te ondersteunen bij de overdracht van de opdracht aan een andere accountant.

5.6.        De Accountantskamer overweegt het volgende.

Het kantoor van betrokkene heeft ervoor gekozen met ingang van 2025 geen jaarrekeningcontroles meer uit te voeren. De Accountantskamer wijst erop dat het verstandig kan zijn terugkerende opdrachtgevers direct van een dergelijke beleidswijziging op de hoogte te stellen, zodat zij voldoende gelegenheid hebben een nieuwe accountant te vinden. Betrokkene heeft daar echter niet voor gekozen, althans klaagster niet meteen geïnformeerd.

5.7.        Vaststaat dat betrokkene al op 8 april 2025 was benaderd voor de terugkerende opdracht, het verrichten van de controle van de subsidieverantwoording. Het was betrokkene genoegzaam bekend dat de uitvoering van die opdracht enkel kon met een gelijktijdige controle van de jaarrekening. Dat was dus een uitgekiend moment om klaagster erover te informeren dat het kantoor geen jaarrekeningcontroles meer verrichtte en dus de opdracht zou moeten weigeren. Betrokkene heeft dat niet gedaan. Sterker nog, betrokkene heeft de opdracht schriftelijk bevestigd op 12 mei 2025 én hij heeft toegezegd dat hij de werkzaamheden zou afronden uiterlijk 19 mei 2025. Ter zitting heeft betrokkene erkend dat hij een fout heeft gemaakt. De Accountantskamer heeft mede daarom geen aanwijzingen dat betrokkene destijds niet eerlijk en oprecht heeft gehandeld.  

5.8.        Voor betrokkene is vervolgens een dilemma ontstaan. Volgens het nieuwe kantoorbeleid kon de opdracht niet worden uitgevoerd, terwijl hij een klant had die de tijdige voltooiing van de opdracht verwachtte. Een klant die daar bovendien op mocht rekenen, gelet op de eerdere uitlatingen van betrokkene dat hij zijn werkzaamheden uiterlijk 19 mei 2025 zou afronden. Hoewel het een accountant in beginsel vrij staat om een opdracht te beëindigen, moet de accountant daarbij wel een zorgvuldige belangenafweging maken tussen zijn eigen belang en de (voor hem kenbare) belangen van die cliënt, die als gevolg van de beëindiging (kunnen) worden geschaad. De Accountantskamer verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 23 maart 2015 (ECLI:NL:TACAKN:2015:45).

5.8.1.    Betrokkenes eigen belang was gelegen in het handelen in overeenstemming met het kantoorbeleid. Er waren geen andere (feitelijke) hindernissen of vaktechnische bezwaren tegen het uitvoeren van de opdracht van klaagster, ook niet wanneer de jaarrekeningcontrole erbij zou komen. Dat heeft betrokkene desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling bevestigd.

5.8.2.    Voor klaagster was een tijdige controleverklaring belangrijk, omdat zij diende te voldoen aan de termijn die de subsidiegever had bepaald. En te late indiening is hiermee in strijd en door de opdracht terug te geven diende klaagster op korte termijn om te zien naar een andere accountant, waarbij het maar de vraag was of het zou lukken op tijd een andere accountant te vinden.

5.8.3.    In dit geval had naar het oordeel van de Accountantskamer een zorgvuldige afweging van de belangen ertoe moeten leiden dat betrokkene de opdracht wel had uitgevoerd. Dat was dan weliswaar in strijd met het kantoorbeleid, maar de voor betrokkene kenbare belangen van klaagster hadden zwaarder moeten wegen.

5.8.4.    Ter zitting heeft betrokkene benadrukt dat hij ervoor had willen zorgen dat de opdracht bij een samenwerkend kantoor terecht zou komen die wel de controle zou kunnen uitvoeren. Betrokkene zou dan op de achtergrond werkzaamheden hebben kunnen uitvoeren en zodoende hebben kunnen bewerkstelligen dat de verklaring wel tijdig werd afgegeven. Klaagster hield dat aanbod volgens betrokkene echter af. Voor zover betrokkene hiermee heeft willen betogen dat hij wel zorgvuldig heeft gehandeld door ook in het belang van klaagster te handelen, volgt de Accountantskamer hem daarin niet. Het voornemen of het aanbod om de opdracht in samenwerking met een ander kantoor te voltooien is niet duidelijk gemaakt aan klaagster. Immers, in zijn bericht van 20 mei 2025 ’s ochtends volstaat betrokkene met het informeren van klaagster dat zij uitstel kan vragen aan de gemeente en zelf een andere accountant moet zoeken. Betrokkene heeft klaagster niet geïnformeerd over de ter zitting geschetste mogelijkheid en heeft dat ook in latere berichten niet met zoveel woorden aan klaagster toegelicht.

5.9.        Beide klachtonderdelen zijn gegrond.

Klachtonderdeel 3. Betrokkene heeft niet gereageerd op de klachtbrief van klaagster van 20 juni 2025.

5.10.      Per brief van 20 juni 2025 heeft de advocaat van klaagster een aansprakelijkstelling naar het kantoor van betrokkene gestuurd. De advocaat schrijft onder meer:

‘Als gevolg en op grond van al het voorgaande is duidelijk dat er sprake is van wanprestatie welke

toerekenbaar is aan u, althans aan uw kantoor. Nakoming is daarnaast reeds blijvend onmogelijk nu de fatale termijn reeds is verstreken, dan wel nu u heeft aangegeven geheel niet na te zullen komen.

Daarom stel ik u, althans [accountantskantoor1], namens cliënte aansprakelijk voor al de door cliënte geleden en nog te lijden schade als gevolg van de hiervoor uiteengezette wanprestatie.

Die schade bestaat in ieder geval, maar niet uitsluitend, uit reputatieschade van cliënte ten opzichte van de Gemeente [plaats1], de (hogere) accountantskosten van de nieuwe accountant van cliënte, de juridische kosten van cliënte en alle toekomstige kosten die te maken hebben met niet tijdige indiening van de controle.

Ik verzoek, en voor zover nodig sommeer, u om binnen 14 dagen na heden de aansprakelijkheid

schriftelijk te erkennen’.

In de brief is ook aangekondigd dat klaagster voornemens is (onderhavige) klacht bij de Accountantskamer in te dienen:

Klacht

In aanvulling op de aansprakelijkstelling is cliënte voornemens om tegen u een tuchtrechtelijke klacht in te dienen bii de Accountantskamer te Zwolle.

Het zonder toereikende grond en zorgvuldige belangenafweging afzien van een reeds aanvaarde opdracht, zeker op een moment dat de termijn voor indiening van de controle bijna was verstreken, is naar het oordeel van cliënte niet slechts civielrechtelijk verwijtbaar, maar ook klachtwaardig in de zin van de geldende gedrags- en beroepsregels voor accountants.

U heeft, zoals reeds aangegeven, gehandeld in strijd met de professionaliteit, integriteit en

zorgvuldigheid die van een accountant mag worden verwacht. Dit schaadt het vertrouwen in het

accountantsberoep’.

5.11.      Klaagster voert aan dat betrokkene inhoudelijk niet heeft gereageerd op deze aansprakelijkstelling. Dat is naar de mening van klaagster in strijd met de uitgangspunten van transparantie, toetsbaarheid en verantwoording die binnen het beroep van accountant essentieel zijn. Volgens de eigen klachtenregeling behoorde de klacht binnen drie weken te zijn afgehandeld. Dat heeft betrokkene niet gedaan. Betrokkene heeft daarmee in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid gehandeld, zo stelt klaagster.

5.12.      Betrokkene heeft gewezen op zijn reactie van 7 juli 2025 op de aansprakelijkstelling. Daarin heeft betrokkene klaagster geïnformeerd dat de aansprakelijkstelling is doorgestuurd naar de verzekeraar die contact met klaagster zal opnemen. Daar is het niet van gekomen, omdat klaagster in de tussentijd de tuchtklacht al had ingediend.

5.13.      De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster in haar brief niet kenbaar heeft gemaakt dat zij een klacht bij de kantoororganisatie wenst in te dienen. De brief is civielrechtelijk van aard, omdat klaagster schadevergoeding claimt vanwege een toerekenbare tekortkoming. Op dat deel van de klacht heeft betrokkene voldoende gereageerd, nu hij de brief heeft doorgestuurd aan zijn verzekeraar. Een formele klacht (op grond van de kantoorregeling) staat naar het oordeel van de Accountantskamer niet in de brief, anders dan de mededeling dat klaagster voornemens is een tuchtklacht in te dienen bij de Accountantskamer. Het kan betrokkene daarom niet worden verweten dat de klacht niet binnen drie weken is afgehandeld conform zijn kantoorregeling.

5.14.      Klachtonderdeel 3 is ongegrond.

6.             De maatregel

6.1.        Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is, legt de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel op. Betrokkene heeft in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid door een opdracht te aanvaarden, waarvan hij had moeten begrijpen dat deze op basis van een wijziging van het kantoorbeleid niet kon worden uitgevoerd. Ook heeft hij onvoldoende rekening gehouden met de voor hem kenbare belangen van klaagster en niet gezorgd voor een warme overdracht aan een ander accountantskantoor. Daarom legt de Accountantskamer aan betrokkene de maatregel van berisping op.

7.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht wat betreft klachtonderdelen 1 en 2 gegrond en wat betreft klachtonderdeel 3 ongegrond;
  • legt aan betrokkene op de maatregel van berisping;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
  • verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagster vergoedt.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. P. Volker (rechterlijke lid ) en drs. D. van der Bij RA (accountantslid), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.