ECLI:NL:TACAKN:2026:48 Accountantskamer Zwolle 25/1701 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:48
Datum uitspraak: 11-05-2026
Datum publicatie: 11-05-2026
Zaaknummer(s): 25/1701 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: Accountant is betrokken bij de totstandkoming van een samenwerking tussen twee partijen zonder oog te hebben voor de bedreiging van zijn objectiviteit. De maatregel van berisping wordt opgelegd. 

UITSPRAAK van 11 mei 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 18 juni 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1701 Wtra AK van

X B.V.

gevestigd te [plaats1]

K L A A G S T E R

advocaat: mr. L.T. Lonis te Hilversum

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. R.F. Vonk te Ede

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • de brief van de Accountantskamer van 25 juni 2025 met het verzoek om een nadere onderbouwing van de klacht
  • het aanvullend klaagschrift van 9 juli 2025
  • het verweerschrift met bijlagen
  • het e-mailbericht van 25 februari 2026 met de bijlagen 14 tot en met 24
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van klaagster.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 13 maart 2026. Voor klaagster is [A] verschenen, bijgestaan door mr. Lonis. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door mr. Vonk. 

2.             De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1.        Klaagster heeft geïnvesteerd in een onderneming van een klant van betrokkene, [B] ([B]). Klaagster stelt dat betrokkene hierover heeft geadviseerd en daarbij in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen. De investering is op niets uitgelopen. Klaagster heeft door de advisering door betrokkene schade geleden.

De beslissing van de Accountantskamer

2.2.        Betrokkene heeft ten onrechte geen aandacht gehad voor de omstandigheid dat hij zowel accountant was van [B] als van klaagster en dat sprake was van belangen die onderling strijdig zijn of dat konden worden. Deze bedreiging van de objectiviteit heeft betrokkene niet ingezien. Daarom is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel objectiviteit. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van berisping op.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 2014 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij was tot 1 september 2018 als openbaar accountant verbonden aan accountantskantoor1] in [plaats2]. Vanaf 1 september 2018 is betrokkene werkzaam als accountant in business (controller) bij [BV1] ([BV1]).

3.2.        Klaagster drijft een handelsonderneming in medische en veterinaire artikelen en is sinds 2012 klant van [accountantskantoor1]. In de periode van 2014 tot en met 2018 had betrokkene de opdracht de jaarrekeningen van klaagster samen te stellen. De heer [A] is de directeur-grootaandeelhouder van klaagster. Betrokkene verzorgde de aangifte inkomstenbelasting van [A].

3.3.        [B] was met haar vennootschappen, waaronder [C] en [D], ook klant van [accountantskantoor1]. [B] hield zich onder meer bezig met de logistiek ten aanzien van goederen vanuit [land1] naar [land2]. Een aantal ondernemingen van [B] is per 5 februari 2019 in staat van faillissement verklaard. Een van die ondernemingen betreft [BV2] ([BV2]). [BV2] was een start-up en hield zich bezig met een zogenoemd e-shippingportal.

3.4.        Tijdens een gesprek op 25 april 2018 heeft betrokkene [A] verteld over [B] en de mogelijkheid gesuggereerd dat [A] en [B] met elkaar zaken zouden kunnen gaan doen.

3.5.        [A] en [B] zijn met elkaar in contact gebracht door betrokkene. Dit heeft ertoe geleid dat [B] de businesscase [BV2] met [A] heeft gedeeld. Daarop heeft [A] besloten om in [BV2] te investeren. Op 28 mei 2018 is een bedrag van circa € 30.000 geïnvesteerd. Later heeft [A] een bedrag van in totaal € 45.000 (op 27 juni en 27 juli 2018) geïnvesteerd. Betrokkene heeft in dat verband medio juli 2018 een ‘intentieovereenkomst converteerbare geldleningsovereenkomst’ opgesteld, waarbij klaagster samen met [BV1] zijn aangemerkt als geldlener en [BV3] i.o. als geldnemer. Deze overeenkomst is op 3 augustus 2018 ondertekend.

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

4.2.        De Accountantskamer heeft tijdens de mondelinge behandeling een weergave gegeven van de klacht. Klaagster heeft desgevraagd bevestigd dat het onderstaande een correcte weergave van haar klacht is:

klaagster verwijt betrokkene dat hij in 2018, zonder opdracht daartoe, heeft aangedrongen op participatie in het project [BV2]. Dit terwijl betrokkene bekend was met de medische situatie van de heer [A] en diens conservatieve beleggingsprofiel. Daarbij komt dat betrokkene gebruik heeft gemaakt van zijn professionele positie en e-mailadres bij [accountantskantoor1] en dat hij verzuimd heeft zijn eigen belang kenbaar te maken. Betrokkene heeft niet getoetst of de belegging van klaagster paste bij het risicoprofiel van [A] en heeft gehandeld zonder vergunning op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft).

4.3.        De gedragingen van betrokkene zijn volgens klaagster overtredingen van de vijf fundamentele beginselen, waaronder het fundamentele beginsel objectiviteit.

4.4.        Ter zitting heeft klaagster haar klacht uitgebreid. Zo brengt klaagster de verwijten naar voren dat betrokkene niet aan de eisen uit de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NV COS) 5500N heeft voldaan. Ook dicht klaagster betrokkene een ‘dominerende’ rol toe in het vormgeven van de vennootschapsstructuur die [B] heeft opgezet. De Accountantskamer betrekt deze uitbreiding van de klacht niet bij haar beoordeling. Een uitbreiding van de klacht ter zitting is namelijk in beginsel te laat en in strijd met de goede procesorde. Betrokkene was er niet op voorbereid en heeft zijn verweer er niet op kunnen afstemmen. Er bestaat geen grond van dit uitgangspunt af te wijken.

5.             De beoordeling

5.1.        De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

Primair verweer: niet-ontvankelijk.

5.2.        Betrokkene is primair van mening dat klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Klaagster maakt de feiten en omstandigheden waarop de klacht is gebaseerd onvoldoende duidelijk, zelfs niet nadat de Accountantskamer daarop heeft gewezen in haar brief van 25 juni 2025 en klaagster een aanvullend klaagschrift heeft ingediend. Over de bij het (aanvullend) klaagschrift gevoegde bijlagen geeft klaagster nauwelijks een toelichting ter onderbouwing van welke stelling de betreffende bijlage is ingediend, zo stelt betrokkene.

5.3.        Dit verweer wordt verworpen. De ‘aanleiding en de kern van de klacht’ staan letterlijk zo beschreven in het aanvullend klaagschrift. Met hulp van de summiere omschrijving van de bijlagen in het aanvullend klaagschrift was het betrokkene blijkens het door hem gevoerde verweer voldoende duidelijk waar de klacht over ging en dat de bijlagen zijn bedoeld om de klacht te onderbouwen. Terecht merkt betrokkene op dat de relevantie van een aantal bijlagen niet in het klaagschrift is toegelicht. Voor zover klaagster daarop ter zitting niet is ingegaan, zal de Accountantskamer deze bijlagen daarom buiten beschouwing laten.

Inhoudelijk.

5.4.        Betrokkene heeft in zijn verweerschrift beschreven dat hij hooguit twee klanten met elkaar in contact heeft gebracht en heeft voorgesteld dat ze eens met elkaar spreken. Waar klaagster zich bezig hield met het importeren van goederen vanuit [land1] en [B] bezig was met het opzetten van een e-shippingportal gericht op logistiek ten aanzien van goederen uit [land1] en daarvoor investeerders zocht, dacht betrokkene dat zij ‘iets’ voor elkaar zouden kunnen betekenen. Betrokkene betwist dat hij [A] heeft geadviseerd geld te investeren in [BV2] of dat hij daartoe heeft gelobbyd; betrokkene had ook geen (eigen) belang in [BV2]. Klaagster heeft betrokkene niet geïnformeerd over het uitlenen van € 30.000 op 28 mei 2018.

5.5.        De Accountantskamer overweegt als volgt. Vaststaat dat betrokkene op 25 april 2018 een gesprek heeft gehad met [A]. Klaagster heeft een gespreksnotitie overgelegd, met daarin  aantekeningen van [A] van wat tijdens dat gesprek aan de orde is gekomen: ‘[E] (betrokkene, Accountantskamer) geeft aan dat 5% rendement op effecten niet opschiet. Heeft relatie die bezig is met een e-shipping portaal “[BV2]”, die klant zoekt nog een investeerder en dit zou wel iets heel groots kunnen worden. Klant [B] is relatie van [accountantskantoor1] en succesvolle onderneemster met miljoenen omzet vlgs. [E] Adviseert contact met [B] op te nemen hierover. Is erg enthousiast hierover (…)’. Betrokkene heeft de juistheid van deze weergave van het gesprek op 25 april 2018 niet betwist. Daarom gaat de Accountantskamer ervan uit dat betrokkene op bovenstaande wijze met [A] heeft gesproken over [B] en [BV2].

5.6.        Naar aanleiding van dat gesprek zijn (met toestemming) gegevens uitgewisseld en heeft [A] namens klaagster contact opgenomen met [B]. In die allereerste fase was er, althans dat is niet gesteld of gebleken, geen verdere bemoeienis van de kant van betrokkene. [A] heeft betrokkene er kennelijk niet over geïnformeerd dat hij voornemens was via klaagster een initiële investering van € 30.000 te doen in [BV2] en dat hij daartoe geld heeft overgemaakt naar [C] (een van de ondernemingen van [B]). Het klopt dan ook dat, zoals betrokkene stelt, betrokkene niet (ongevraagd) specifiek heeft geadviseerd om geld te investeren in [BV2]. De verwijten dat betrokkene tijdens het gesprek op 25 april 2018 niet heeft getoetst of deze belegging past bij het beleggings- en risicoprofiel van [A], of dat betrokkene handelde zonder Wft-vergunning, zijn daarom ongegrond.

5.7.        Het voorgaande laat onverlet dat betrokkene het gesprek op 25 april 2018 in zijn verweerschrift naar het oordeel van de Accountantskamer ten onrechte doet voorkomen als een onschuldig praatje (betrokkene heeft hooguit twee klanten in contact gebracht die iets voor elkaar zouden kunnen betekenen). Daarbij is het immers niet gebleven. Betrokkene heeft zich daarna namelijk bemoeid met de samenwerking tussen partijen. Zo heeft betrokkene eind mei 2018, kennelijk naar aanleiding van positieve berichten van/over [B], aan [A] geschreven: “Wat een goednieuwsshow hieronder hè. Denk dat we nu wel even moeten doorpakken. Kan jij vrijdag aan het eind van de middag even zitten om e.e.a. te bespreken? Hoor graag van je”. Op 28 mei 2018 heeft een bespreking tussen [A] en betrokkene plaatsgevonden en medio juli 2018 heeft betrokkene de afspraken tussen [B] en (onder meer) klaagster vastgelegd in een intentieovereenkomst converteerbare geldleningsovereenkomst.  Ook heeft betrokkene een liquiditeitsbegroting ten aanzien van [BV2] opgesteld en op 20 juli 2018 aan (ook) klaagster toegestuurd. Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat betrokkene niet slechts twee partijen met elkaar in contact heeft gebracht en zich daarna niet meer met de verdere gang van zaken heeft bemoeid.

5.8.        Betrokkene diende vanwege zijn hiervoor beschreven betrokkenheid op grond van artikel 21 VGBA omstandigheden te identificeren en te beoordelen die een bedreiging konden zijn voor het zich houden aan het fundamentele beginsel objectiviteit. Nu betrokkene dit heeft nagelaten – betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij geen bedreiging heeft gezien in het bijeenbrengen en bijstaan van beide partijen – heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel objectiviteit. Dat geen sprake is geweest van kwade intenties doet hieraan niet af. Van een accountant mag worden verwacht dat hij zich te allen tijde bewust is van mogelijke bedreigingen voor zijn objectiviteit en daarnaar handelt.

5.9.        De klacht dat betrokkene gebruik heeft gemaakt van zijn positie als accountant bij [accountantskantoor1] en zijn professionele e-mailadres ligt in het verlengde van wat de Accountantskamer hiervoor heeft overwogen en mist daarom afzonderlijke betekenis. Klaagster heeft dat verwijt ook niet verder toegelicht. De stelling dat betrokkene heeft verzuimd zijn eigen belang kenbaar te maken is niet onderbouwd in het klaagschrift. Ter zitting heeft klaagster volstaan met een vermoeden[1]. Dat is een onvoldoende basis voor het ferme verwijt van schending van de integriteit, zodat de klacht in zoverre ongegrond is.

5.10.      De slotsom is dat de Accountantskamer de klacht gedeeltelijk gegrond zal verklaren, in die zin dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel objectiviteit. Voor het overige is de klacht ongegrond.

6.             De maatregel

6.1.        De klacht is gedeeltelijk gegrond. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van berisping op. Daarbij heeft de Accountantskamer meegewogen dat betrokkene in strijd met het fundamentele beginsel objectiviteit heeft gehandeld en er ook ter zitting geen blijk van heeft gegeven, althans niet met overtuiging, in te zien dat de bedreiging van dit fundamentele beginsel in geding was.

7.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht gegrond wat betreft de schending van het fundamentele beginsel objectiviteit en voor het overige ongegrond;
  • legt aan betrokkene op de maatregel van berisping;
  • verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagster vergoedt.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. P. Volker (rechterlijk lid) en drs. D. van der Bij RA (accountantslid), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] ‘Door zijn wijze van handelen en aldus te adviseren — met conflicterende belangen en naar het zich laat aanzien eigenbelang — is [Y] niet eerlijk en oprecht opgetreden en heeft hij daarmee gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit’, zo staat in klaagsters pleitnota.