ECLI:NL:TACAKN:2026:23 Accountantskamer Zwolle 25/1522 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:23 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-04-2026 |
| Datum publicatie: | 17-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25/1522 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Een curator heeft betrokkene opdracht gegeven een rapport op te stellen dat inzicht moet geven in de door de failliete werkmaatschappijen gevoerde financiële- en projectadministratie. Volgens klagers, die door de curator aansprakelijk waren gesteld, deugt het rapport om meerdere redenen niet. Zo zou door betrokkene onvoldoende onderzoek zijn gedaan, geen wederhoor zijn toegepast en betrokkene is ten onrechte niet verschenen op een rechtszitting in het geschil tussen de curator en de klagers. De klacht is ongegrond. |
UITSPRAAK van 17 april 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 27 mei 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1522 Wtra AK van
1. X1 B.V.
gevestigd in [plaats1]
en
2. X2
wonende in [plaats1]
K L A G E R S
advocaat: mr. W.A. Velema in Assen
t e g e n
Y
registeraccountant
kantoorhoudende in [plaats2]
B E T R O K K E N E
advocaat: mr. A.P.P. Witteveen in Amsterdam
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen
- het verweerschrift met bijlagen
- de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van beide partijen.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 6 februari 2026. Klager [X2] is verschenen, mede namens klaagster [X1 B.V.], bijgestaan door de advocaat. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door de advocaat.
2. De uitspraak samengevat
2.1. Twee werkmaatschappijen van [X1 B.V.] zijn failliet verklaard. Klagers zijn bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland onder meer veroordeeld tot betaling van een voorschot op het boedeltekort van € 1.4 mln aan de curator. Klagers en de curator zijn in hoger beroep gegaan. De curator heeft betrokkene de opdracht gegeven een rapport op te stellen dat nader inzicht geeft in de door failliete werkmaatschappijen gevoerde financiële- en projectadministratie. Volgens klagers deugt het rapport om meerdere redenen niet. Zo zou onvoldoende onderzoek zijn gedaan, geen wederhoor zijn toegepast en betrokkene niet zijn verschenen op een rechtszitting.
2.2. De klacht is ongegrond.
3. De feiten
3.1. [Y] is sinds 1988 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA en is verbonden aan [accountantskantoor1] in [plaats2].
3.2. Klager [X2] is enig bestuurder en aandeelhouder van klaagster, [X1 B.V.]. [X1 B.V.] was bestuurder en aandeelhouder van [BV2] en [BV3]. Deze vennootschappen (hierna: de faillieten) zijn op [datum1] failliet verklaard.
3.3. Bij brief van 28 augustus 2020 heeft de curator de bestuurders aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort. De aansprakelijkstelling heeft geleid tot een procedure bij de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen. De curator heeft aan zijn vordering onder andere ten grondslag gelegd dat klagers als (indirect) bestuurders van de faillieten niet aan de administratieplicht van artikel 2:10 BW hebben voldaan. De curator heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat er geen projectadministratie was en dat urenbriefjes in de urenadministratie ontbraken waardoor onvoldoende inzicht was te verkrijgen in de rechten en plichten van de faillieten. De bestuurders zouden hun taak onbehoorlijk hebben vervuld.
3.4. Klagers hebben betwist dat niet was voldaan aan de administratieplicht. De project- en urenadministratie was digitaal (volledig) beschikbaar en kon worden ingezien. Ter onderbouwing hebben zij onder andere een rapport van 25 januari 2023 van partijdeskundige drs. [A] RA CFE ingebracht.
3.5. De rechtbank Noord-Nederland heeft de vorderingen van de curator grotendeels toegewezen bij vonnis van 31 januari 2024. Klagers zijn door de rechtbank veroordeeld tot betaling van het boedeltekort en moesten een voorschot van € 1.4 mln betalen.
3.6. Klagers en de curator zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan. De curator heeft betrokkene de opdracht gegeven om onderzoek te doen en een deskundigenrapport op te stellen.
3.7. Op 17 juni 2024 heeft betrokkene de opdracht schriftelijk bevestigd aan de curator. In de opdrachtbevestiging staat onder andere:
‘Ten behoeve van het hoger beroep wenst u een deskundigenrapport wat u nader inzicht geeft in de gevoerde financiële- projectadministratie. U heeft vermoedens dat door [X1 B.V.} c.s. een 'uitsterfbeleid' is gevoerd in de aanloop naar het faillissement en dat de administratie dit beleid niet reflecteert.
De onderzoeksperiode betreft 1 januari 2019 tot en met [datum1] (datum faillissement).
(…)
Het onderzoek kwalificeert als een persoonsgericht onderzoek. Daarom zullen wij de heer [X2] uitnodigen voor een interview in het kader van het "hoor". Tijdens het interview zullen wij gerezen vragen vanuit de analyses voorleggen. Van het interview wordt een interviewverslag opgesteld wat wij voor zullen leggen aan de heer [X2].
Wij zullen, alvorens over personen te rapporteren, onze voorlopige bevindingen in concept aan de heer [X2] voorleggen in het kader van het "wederhoor". De reactie van de heer [X2] zullen wij in onze conceptrapportage verwerken.’
3.8. [X2] is uitgenodigd voor een interview, maar heeft op 17 juni 2024 via zijn advocaat laten weten dat hij niet meewerkt aan een interview vooraf. [X2] was wel bereid om schriftelijk vragen te beantwoorden.
3.9. Op 12 augustus 2024 zijn namens betrokkene een vragenlijst en conceptrapport verstuurd naar [X2]. In de begeleidende e-mail staat:
‘Wij willen u het volgende vragen:
- Kunt u de vragen beantwoorden in het document Vragenlijst [X1 B.V.] c.s. en deze antwoorden onderbouwen met relevante documenten?
- Zou u onze waarnemingen in het conceptrapport willen doornemen en hierop willen reageren? Indien de waarnemingen niet juist of niet volledig zijn ontvangen we, indien mogelijk, hier graag een onderbouwing van met relevante documenten.
Zowel de beantwoording van de vragen als de becommentariëring van de waarnemingen in het conceptrapport kunnen door middel van opmerkingen en track changes in beide documenten.
Wij zien de beantwoording van de vragen en uw reactie op het conceptrapport graag uiterlijk 26 augustus 2024 17:00 tegemoet.
Mocht deze termijn niet haalbaar zijn vernemen wij dit graag per ommegaande.’
3.10. Op 27 augustus 2024 heeft betrokkene de advocaat van klagers gemaild:
‘Op 16 augustus spraken we telefonisch over de door [X1 B.V.] toegezegde medewerking aan het wederhoor. We hebben echter niets meer van ze vernomen. Kunnen we er nog op rekenen? Dan moet er extra uitstel komen, anders is er geen ruimte meer voor de praktische uitvoering van die medewerking aan het wederhoor. Zo niet, dan gaan we ons rapport in de huidige vorm versturen, zonder deze wederhoorreactie.’
3.11. Vervolgens heeft op 4 september 2024 alsnog een overleg plaatsgevonden tussen [X2], [B] - de (nieuwe) accountant van klager [X1 B.V.]-, betrokkene en zijn collega [C]. Na het overleg zijn klagers in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 12 september 2024 12.00 uur stukken en informatie aan te leveren. Klagers hebben toegezegd terug te komen op een drietal openstaande punten.
3.12. Op 11 september 2024 heeft betrokkene, omdat hij niets meer had vernomen, een herinnering gestuurd, waarna [B] op 12 september 2024 om 11.50 uur documenten en informatie heeft aangeleverd bij betrokkene.
3.13. Betrokkene heeft op 16 september 2024 het rapport definitief gemaakt.
3.14. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland vernietigd bij arrest van 20 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3283). Het gerechtshof heeft geoordeeld dat [X1 B.V.] haar taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, dat haar daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt en heeft de schade vastgesteld op € 36.200.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klagers gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klagers hebben desgevraagd ter zitting bevestigd dat zij de vijf klachtonderdelen zoals opgenomen in het klaagschrift onder “F” aan de Accountantskamer ter beoordeling voorleggen.
4.2. Klagers verwijten betrokkene het volgende:
1. Betrokkene heeft zich onvoldoende laten informeren;
2. Betrokkene heeft geen wederhoor toegepast;
3. Betrokkene is niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven;
4. Betrokkene heeft feiten gepresenteerd die niet naar behoren zijn geverifieerd;
5. Betrokkene heeft ten onrechte op een risico inzake omzetbelasting gewezen.
5. De beoordeling
5.1. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).
5.2. Betrokkene heeft zijn rapport als partijdeskundige in opdracht van de curator opgesteld. Voor deze opdracht is de NBA-handreiking 1127 (Opdrachten uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen) relevant. De aan betrokkene verstrekte opdracht is een ‘overige opdracht’ als bedoeld in de NBA-handreiking 1111 (Overige opdrachten) en een persoonsgericht onderzoek als bedoeld in de NBA-handreiking 1112 (Persoonsgerichte onderzoeken).
5.3. Het niet of niet correct toepassen van een NBA-handreiking kan slechts dan een tuchtrechtelijk verwijt opleveren indien en voor zover daarmee schending van het bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep bepaalde aan de orde is, waarbij in het bijzonder het bepaalde in de VGBA van belang is[1].
5.4. Zoals eerder in de tuchtrechtspraak[2] is overwogen ten aanzien van een in een civielrechtelijke procedure ingebracht rapport opgesteld door een accountant die als deskundige een partij bijstaat, strekt een tuchtrechtelijke procedure er niet toe om de inhoud of de wijze van totstandkoming van dat rapport opnieuw en integraal te onderzoeken. Beoordeeld moet worden of de accountant bij het opstellen van het deskundigenrapport in strijd heeft gehandeld met de voor hem of haar geldende gedrag- en beroepssregels. Daarbij geldt dat een accountant behalve het belang van de opdrachtgever ook het algemeen belang heeft te dienen. Gelet op de toegevoegde waarde die in het maatschappelijke verkeer aan een deskundigenrapport in een gerechtelijke procedure wordt toegekend en het algemeen belang dat rechtspraak op objectieve waarheidsvinding berust, betekent dit dat de accountant ervoor dient te zorgen dat het rapport deze waarheidsvinding niet belemmert, doordat dit te eenzijdig is toegespitst op het standpunt of het belang van de opdrachtgever. Waar het op aankomt is, dat er geen misverstand over mag bestaan of in de door de accountant gepresenteerde gegevens feitelijke aannames van de opdrachtgever zijn opgenomen, of dat sprake is van door de accountant op basis van eigen onderzoek gefundeerd getrokken conclusies.
Klachtonderdeel 1: betrokkene heeft zich onvoldoende laten informeren.
5.5. Klagers stellen dat betrokkene geen kennis heeft genomen van het deskundigenbericht van [A] van 25 januari 2023. Dat is volgens klagers onzorgvuldig, aangezien het rapport betrekking heeft op hetzelfde onderzoeksobject en dezelfde onderwerpen.
5.6. Daarnaast brengen klagers naar voren dat betrokkene nauwelijks gebruik heeft gemaakt van de kennis en inzichten van de (nieuwe) accountant van de faillieten, [B] AA RB. [B] heeft drie dagen voor het gereedkomen van het rapport een brief aan betrokkene geschreven. Die brief heeft betrokkene volgens klagers genegeerd, hetgeen zij onzorgvuldig vinden.
5.7. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij wel heeft kennisgenomen van het rapport van [A]. Dat is ook impliciet benoemd in zijn deskundigenrapport. Er staat dat betrokkene heeft kennisgenomen van de processtukken, waaronder de Memorie van Grieven van 24 mei 2024, inclusief producties. Het rapport van [A] maakt onderdeel uit van die producties. Daarnaast heeft betrokkene aangevoerd dat [A] heeft gerapporteerd over de juridische vraag of voldaan is aan de administratieplicht, terwijl betrokkene heeft gerapporteerd over wat feitelijk is aangetroffen in de administratie.
5.8. Betrokkene heeft er verder op gewezen dat klagers niet duidelijk maken op welke punten geen gebruik zou zijn gemaakt van de kennis van [B], terwijl dat wel zou hebben gemoeten en wat voor gevolgen dat voor het rapport zou hebben gehad.
5.9. Tijdens de zitting is aan de orde gekomen dat de Accountantskamer geen brief van [B] aan [Y] in het dossier heeft aangetroffen drie dagen voor het uitbrengen van het rapport, zoals geschreven in het klaagschrift. Desgevraagd hebben partijen verklaard dat geen brief in het dossier zit, maar dat op 12 september 2024 om 11.50 wel een e-mail met bijlagen is verzonden door [B] aan betrokkene. Betrokkene heeft verklaard dat het een stapel urenbriefjes waren en facturen met een losse brief met uitleg hoe een contract in [land1] is verantwoord in de urenregistratie. Betrokkene heeft deze stukken bekeken, maar niet gebruikt in het rapport, omdat het slechts een bevestiging was van wat al in het rapport stond.
5.10. De Accountantskamer is van oordeel dat het onderdeel van de klacht dat ziet op het niet kennisnemen van het rapport van [A] geen doel treft. Door klagers is niet weersproken en daarmee staat vast, dat het rapport van [A] deel uitmaakte van de Memorie van Grieven en bijbehorende producties en aangenomen kan worden dat betrokkene daar kennis van heeft genomen.
5.11. Ten aanzien van de stelling dat nauwelijks gebruik zou zijn gemaakt van de kennis en informatie van [B] overweegt de Accountantskamer het volgende. [X2] en [B] hebben volgens het klaagschrift tijdens de bijeenkomst op 4 september 2024 aan betrokkene een presentatie gegeven van hun bevindingen naar aanleiding van de vragen van betrokkene. Zowel klagers als betrokkene hebben verklaard dat tijdens deze bijeenkomst [X2] en [B] vragen hebben beantwoord en dat zij in de gelegenheid zijn gesteld om na de bijeenkomst informatie en stukken aan te leveren. [B] heeft op 12 september om 11.50 uur van die gelegenheid gebruik gemaakt. Uit het vorenstaande blijkt dat betrokkene [X2] en [B] in de gelegenheid heeft gesteld om kennis en informatie met hem te delen. Daar waar er over geklaagd wordt dat nauwelijks gebruik is gemaakt van deze gedeelde kennis en (aan)geleverde infomatie overweegt de Accountantskamer dat onduidelijk is gebleven welke (concrete) informatie - op 12 september 2024 of eerder - met betrokkene zou zijn gedeeld die betrokkene ten onrechte buiten beschouwing zou hebben gelaten in het rapport. Daar waar het de op 12 september 2024 door [B] verstrekte informatie en stukken betreft, geldt dat betrokkene ook onweerspoken heeft gesteld dat de op 12 september 2024 ontvangen informatie en stukken geen aanleiding gaven om het rapport aan te passen. Gelet op het voorgaande faalt dit klachtonderdeel.
Klachtonderdeel 2: betrokkene heeft geen wederhoor toegepast.
5.12. Klagers hebben aangevoerd dat zij nadrukkelijk hebben gevraagd om wederhoor en dat dit verzoek is gepasseerd door betrokkene. Naar aanleiding van het overleg op 4 september 2024 en het aanleveren van informatie mochten klagers verwachten dat hen een aangepast conceptrapport zou worden voorgelegd. Zij zouden daar meerdere keren en tijdig op hebben aangedrongen. Vervolgens werden zij onnodig geconfronteerd met een fatale datum (12 september 2024). Betrokkene zou zijn gezwicht voor de druk van de curator om een definitief rapport aan te leveren. Daardoor staan er onjuistheden in het rapport en ontbreekt een deugdelijke grondslag. Betrokkene heeft volgens klagers niet professioneel en niet integer gehandeld.
5.13. Betrokkene stelt dat het hoor- en wederproces is doorlopen. [X2] is uitgenodigd voor een gesprek, maar heeft daarvan afgezien onder de toezegging schriftelijke vragen te zullen beantwoorden. Op 12 augustus 2024 is [X2] het conceptrapport toegestuurd en gevraagd de meegestuurde vragen te beantwoorden. Op 4 september 2024 heeft alsnog een overleg plaatsgevonden. Betrokkene heeft verder aangevoerd dat hij geen druk van de curator heeft ervaren, laat staan dat hij daarvoor zou zijn gezwicht. Betrokkene heeft een planning gemaakt waarbij termijnen zijn verschoven om klagers tegemoet te komen. Tijdens het overleg op 4 september 2024 is afgesproken dat de termijn tot 12 september 2024 werd verlengd en dat was leidend.
5.14. De Accountantskamer overweegt dat volgens NBA-handreiking 1112, die ziet op persoongerichte onderzoeken, onder wederhoor wordt verstaan het in de gelegenheid stellen van de persoon op wie het onderzoek zich richt, kennis te nemen van en te reageren op de bevindingen uit het onderzoek. Een aspect van wederhoor is dat op een adequate wijze rekening wordt gehouden met de belangen van die persoon. Wanneer, zoals in dit geval, sprake is van een persoonsgericht onderzoek, dient met het oog op het verkrijgen van een deugdelijke grondslag hoor- en wederhoor in beginsel te worden toegepast.[3]
5.15. De Accountantskamer stelt vast dat klagers in de gelegenheid zijn gesteld kennis te nemen van en te reageren op de bevindingen uit een op hen betrekking hebbend persoonsgericht onderzoek. Betrokkene heeft klagers immers op 12 augustus 2024 het conceptrapport met daarin zijn voorlopige bevindingen toegestuurd en de gelegenheid geboden uiterlijk 26 augustus 2024 inhoudelijk te reageren op het rapport. Klagers hebben binnen deze termijn niet inhoudelijk gereageerd. Pas na het verstrijken van deze termijn en eerst nadat betrokkene heeft gevraagd of hij nog een inhoudelijke reactie mocht verwachten, is er alsnog een overleg gepland op 4 september 2024. Tijdens deze bijeenkomst heeft betrokkene klagers de mogelijkheid geboden vragen te beantwoorden en te reageren op het conceptrapport, waarna betrokkene klagers ook in de gelegenheid heeft gesteld om uiterlijk 12 september 2024 om 12.00 uur nadere stukken of informatie aan te leveren. Uit het voorgaande blijk dat wederhoor is toegepast, dat op passende wijze rekening is gehouden met de belangen van klagers en daarmee is in beginsel een deugdelijke grondslag door betrokkene verkregen. De Accountantskamer stelt in dat verband vast dat klagers niet hebben genoemd welke onderdelen van hun reactie in wederhoor betrokkene ten onrechte onbesproken heeft gelaten in zijn rapport waardoor onjuistheden zouden zijn opgenomen en de deugdelijke grondslag zou ontbreken. Dat een deugdelijke grondslag ontbreekt is dan ook niet komen vast te staan.
5.16. De Accountantskamer overweegt verder dat niet is komen vast te staan dat klagers hebben gevraagd of dat hen is toegezegd dat zij in de gelegenheid zouden worden gesteld te reageren op een aangepast conceptrapport. Een algemene verplichting om een aangepast conceptrapport nogmaals voor wederhoor voor te leggen bestaat niet, tenzij dit dienstbaar is aan het verkrijgen van een deugdelijke grondslag. Van het ontbreken van een deugdelijke grondslag was, zoals hiervoor overwogen, geen sprake.
5.17. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel 3: betrokkene is niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven.
5.18. Klagers stellen dat betrokkene heeft verzuimd om naar de mondelinge behandeling in hoger beroep te komen om een toelichting te geven op zijn rapport en om bevraagd te kunnen worden over het rapport en de gang van zaken rond het rapport. Dat wordt door klagers ervaren als minachting voor de rechtsgang en het belang van partijen bij die rechtsgang, hetgeen in strijd is met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit.
5.19. Betrokkene meent dat hij niet verplicht is op de zitting te komen en een toelichting te geven op het rapport, als daarom niet gevraagd is. Een onderzoeksrapport is zelfstandig leesbaar zonder afhankelijk te zijn van een nadere duiding of toelichting die tijdens een rechtszitting wordt gegeven. Betrokkene was niet opgeroepen om een toelichting te geven.
5.20. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene niet is opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Er is geen regel die voorschrijft dat een accountant ongevraagd ter zitting moet verschijnen om een door hem opgesteld rapport toe te lichten, zodat dit klachtonderdeel niet slaagt.
Klachtonderdeel 4: betrokkene heeft feiten gepresenteerd die niet naar behoren zijn geverifieerd.
5.21. Klagers hebben aangevoerd dat betrokkene feiten heeft gepresenteerd in zijn rapport, die niet naar behoren zijn geverifieerd. De betrokkene heeft enkel de visie van de curator (zijn opdrachtgever) gevolgd. Hierdoor bevat het rapport volgens klagers evidente tegenstrijdigheden, onjuistheden en onvolledigheden. Dat is in strijd met de vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en objectiviteit, aldus klagers.
5.22. Betrokkene heeft betwist dat hij het standpunt van de opdrachtgever heeft gevolgd. Hij heeft gerapporteerd over zelfstandig uitgevoerde werkzaamheden; de curator heeft hierin geen rol gespeeld. Klagers onderbouwen hun verwijt op dit punt ook niet. De gestelde evidente onjuistheden zijn niet onderbouwd, zodat betrokkene hiertegen geen gemotiveerd verweer kan voeren.
5.23. De Accountantskamer is van oordeel dat klagers hun stellingen niet hebben onderbouwd. Onduidelijk is gebleven welke concrete feiten betrokkene volgens klagers had moeten verifiëren en welke fouten daardoor in het rapport staan. Daar komt bij dat klagers op 12 augustus 2024 het conceptrapport hebben ontvangen. Het had in het kader van wederhoor op de weg gelegen van klagers, als er fouten in het conceptrapport staan die bij hen bekend zijn, betrokkene op deze fouten te wijzen. Dat klagers betrokkene hebben gewezen op fouten is niet gebleken. Dit klachtonderdeel kan niet slagen.
Klachtonderdeel 5: betrokkene heeft ten onrechte op een risico inzake omzetbelasting gewezen.
5.24. Betrokkene heeft volgens klagers in het deskundigenrapport een oordeel gegeven door in zijn rapport te wijzen op een risico ten gevolge van het mogelijk ten onrechte niet afdragen van omzetbelasting. Klagers maken daar bezwaar tegen: dat risico heeft zich niet voorgedaan, valt buiten de onderzoeksopdracht en het behoort niet tot de competenties van betrokkene om zich over dergelijke risico’s uit te laten.
5.25. Betrokkene heeft aangevoerd dat het een feitelijke bevinding is dat de interne doorbelastingen in rekening-courant werden geboekt en dat hiervoor geen facturen zijn opgemaakt. De vennootschappen vormen geen fiscale eenheid. Die omstandigheden bij elkaar brengen volgens betrokkkene een mogelijk risico met zich mee. Dat risico is omschreven als punt van aandacht, niet als een constatering van onjuiste afdracht van omzetbelasting. Betrokkene stelt dat dit een onderdeel vormde van de opdracht, het verkrijgen van inzicht in de administratie.
5.26. De Accountantskamer stelt vast dat in het rapport staat dat betrokkene van zijn opdrachtgever heeft begrepen dat de faillieten geen fiscale eenheid vormen voor de omzetbelasting en dat hij ‘derhalve een mogelijk risico ten aanzien van het voldoen aan de omzetbelastingplicht’ voorziet. Het klachtonderdeel kan niet slagen. Betrokkene heeft immers geen oordeel gegeven zoals klagers stellen, maar alleen een risico gesignaleerd. Het klachtonderdeel heeft dus geen feitelijke grondslag.
Conclusie:
5.27. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klachtonderdelen geen doel treffen en dat de klacht ongegrond is.
6. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht ongegrond
Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. J.L.M. Groenewegen en mr. D. van den Berg (rechterlijke leden) en drs. J.C. Scheper RA en drs. E. van Splunter RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1]Zie CBB 20 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:364, rov. 4.2.
[2] Zie CBB 12 juni 2018, ECLI:NL:CBB:2018:241 en CBB 1 september 2020, ECLI:NL:CBB:2020:597.
[3] Zie CBB 24 februari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:42, rov. 3.7.2.