ECLI:NL:TACAKN:2026:22 Accountantskamer Zwolle 25/588 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:22
Datum uitspraak: 17-04-2026
Datum publicatie: 17-04-2026
Zaaknummer(s): 25/588 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht, betrokkene krijgt de maatregel van berisping opgelegd. Betrokkene heeft als accountant in business (via zijn vennootschap) werkzaamheden verricht. Die werkzaamheden stonden in verband met een factoringovereenkomst op grond waarvan klaagster financiële middelen ter beschikking stelde aan een factoringmaatschappij. Deze factoringmaatschappij kon daarmee vorderingen van haar klanten op derden kopen en vervolgens incasseren. Betrokkene wordt verweten dat hij de belangen van klaagster heeft geschaad door vorderingen onder de kredietfaciliteit bij klaagster aan te melden hoewel die vorderingen niet steeds aan de gestelde financieringsvoorwaarden voldeden. Ook wordt betrokkene verweten dat hij vorderingen, waarop klaagster een pandrecht heeft, voor de nominale waarde aan klaagster heeft gerapporteerd hoewel die vorderingen aanzienlijk minder waard waren, dat hij voor klaagster een aandelentransactie met een klant van de factoringmaatschappij heeft verzwegen en dat hij de administratie van de factoringmaatschappij niet op orde heeft gebracht. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene eraan heeft meegewerkt dat vorderingen in kleinere bedragen werden opgeknipt waardoor het leek alsof die vorderingen aan de financieringsvoorwaarden voldeden. Ook is betrokkene niet steeds zorgvuldig geweest bij het rapporteren van te financieren vorderingen, omdat die vorderingen niet overgedragen en/of verpand mochten worden. Betrokkene heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen integriteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Gelet op de gevolgen die het handelen van betrokkene voor hemzelf en zijn vennootschap heeft, volstaat de Accountantskamer in dit geval met een berisping. 

UITSPRAAK van 17 april 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 23 januari 2025 ontvangen klacht met nummer 25/588 Wtra AK van

X N.V.

gevestigd te [plaats1]

K L A A G S T E R

advocaten: mrs. R.L. Ubels en C.F.B. Groot Rouwen te Amsterdam

t e g e n

Y

registeraccountant

wonende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. drs. J.F. Garvelink te Amsterdam

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de akte van klaagster van 15 januari 2026 met haar producties 86 tot en met 96
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2026. Namens klaagster waren aanwezig de heren [A] en [B], bijgestaan door mr. Groot Rouwen. Betrokkene was ook aanwezig, bijgestaan door mr. drs. Garvelink. 

1.3.        Ter zitting heeft de Accountantskamer, gehoord partijen, besloten de productie van betrokkene, toegezonden op 22 januari 2026, en de producties 97 tot en met 99 van klaagster, toegezonden op 23 januari 2026, te weigeren. Deze producties zijn binnen de in het procesreglement bepaalde termijn van 15 dagen voorafgaand aan de zitting en dus te laat ingediend. 

2.             De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1.        Betrokkene heeft als accountant in business (via zijn vennootschap) werkzaamheden verricht. Die werkzaamheden stonden in verband met een factoringovereenkomst op grond waarvan klaagster financiële middelen ter beschikking stelde aan een factoringmaatschappij. Deze factoringmaatschappij kon daarmee vorderingen van haar klanten op derden kopen en vervolgens incasseren. Betrokkene wordt verweten dat hij de belangen van klaagster heeft geschaad door vorderingen onder de kredietfaciliteit bij klaagster aan te melden hoewel die vorderingen niet steeds aan de gestelde financieringsvoorwaarden voldeden. Ook wordt betrokkene verweten dat hij vorderingen, waarop klaagster een pandrecht heeft, voor de nominale waarde aan klaagster heeft gerapporteerd hoewel die vorderingen aanzienlijk minder waard waren, dat hij voor klaagster een aandelentransactie met een klant van de factoringmaatschappij heeft verzwegen en dat hij de administratie van de factoringmaatschappij niet op orde heeft gebracht.

De beslissing van de Accountantskamer

2.2.        De klacht is gedeeltelijk gegrond. Betrokkene heeft eraan meegewerkt dat vorderingen in kleinere bedragen werden opgeknipt waardoor het leek alsof die vorderingen aan de financieringsvoorwaarden voldeden. Ook is betrokkene niet steeds zorgvuldig geweest bij het rapporteren van te financieren vorderingen, omdat die vorderingen niet overgedragen en/of verpand mochten worden. Betrokkene heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen integriteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Gelet op de gevolgen die het handelen van betrokkene voor hemzelf en zijn vennootschap heeft, volstaat de Accountantskamer in dit geval met een berisping.  

3.             De feiten

3.1.        Het voor de klacht relevante feitencomplex is omvangrijk, ook in die zin dat daarin veel namen van rechtspersonen voorkomen. Bij de weergave van de relevante feiten en de beoordeling van de klacht zal de Accountantskamer voor de leesbaarheid van de uitspraak zoveel mogelijk alleen de naam van de groep noemen waartoe een bepaalde rechtspersoon behoort, ook al gaat het bij klachtonderdelen soms om één rechtspersoon uit een groep. Van dit uitgangspunt zal worden afgeweken als dat voor een beter begrip van de uitspraak of om een andere reden wenselijk is. Betrokkene heeft een besloten vennootschap, [BV1], waarvan hij 100% aandeelhouder is.  De naam van deze vennootschap zal hierna ook voor de leesbaarheid niet meer worden genoemd, ook al is formeel deze vennootschap vaak de handelende partij. Feitelijk gaat het telkens om betrokkene en daarom zal bij de bespreking van de feiten niet de naam van zijn vennootschap worden genoemd. Bedragen zullen, anders dan klaagster heeft gedaan, telkens worden afgerond op hele euro’s. Voor de beoordeling maakt dit geen verschil.   

3.2.        De Accountantskamer zal hierna eerst de relevante feiten ten aanzien van de [C-groep] en haar financiering door klaagster en de afloop ervan uiteenzetten, gevolgd door de feiten die op de [D-groep] betrekking hebben en tot slot de feiten met betrekking tot de rol en positie van betrokkene bij deze groepen of bij de diverse vennootschappen die hiervan onderdeel zijn.

[C-groep] en haar financiering

3.3.        Klaagster was de belangrijkste financier van de [C-groep] (hierna: [C]). [C] exploiteerde onder meer een factoringbedrijf dat het midden- en kleinbedrijf financiering aanbood in de vorm van factoring. [C] kocht vorderingen van factoringklanten en incasseerde die vorderingen voor eigen rekening en risico. Factoringklanten besteedden de incasso en het debiteurenbeheer uit aan [C] en zij kwamen zo eerder over werkkapitaal te beschikken dan wanneer zij betaling door hun debiteuren moesten afwachten. In ruil ontving [C] een percentage van de hoofdsom en de opbrengsten uit de incasso.

3.4.        [C] bestond, voor zover van belang, uit de volgende entiteiten[1]:

a) [BV2] waarin vanaf april 2017 de gefactorde (gekochte) vorderingen werden ondergebracht. Voor april 2017 werden de gefactorde vorderingen ondergebracht in [BV3]. [BV2] kocht de vorderingen van factoringklanten en trok de daarvoor benodigde financiering aan bij klaagster als externe financier en bij [NV1] als interne financier die ook tot [C] behoorde;

b) [NV1], die alle aandelen in [C] [land1] hield en naast klaagster financiering verstrekte aan [BV2]. [NV1] werd gefinancierd door middel van obligatieleningen van particuliere investeerders;

c) [BV4] die alle werkzaamheden met betrekking tot de gefactorde vorderingen verrichtte. Die werkzaamheden omvatten de incasso, het debiteurenbeheer en de administratie.

3.5.        De oprichters van [C] waren de heer [E] en de heer [F]. Beiden waren (indirect) bestuurders van [NV1], [BV4] en [BV3]. [BV2] werd bestuurd door het trustkantoor [BV5].

3.6.        Klaagster heeft op 24 mei 2017 een kredietfaciliteit aan [C] verstrekt van € 20 mln. en na verhoging op 28 december 2018 van € 40 mln. Hiermee kon [C] de koop van vorderingen financieren. Deze kredietfaciliteit van klaagster werd “Senior Loan” genoemd.

3.7.        Met de Senior Loan mocht [C] alleen vorderingen aankopen die aan bepaalde criteria voldeden, de zogenoemde “Eligibility Criteria". De Eligibility Criteria behelsden onder meer dat de aan te kopen vorderingen:

(i) onbetwist moesten zijn;

(ii) niet groter dan € 500.000 mochten zijn;

(iii) niet langer dan 90 dagen onbetaald mochten zijn;

(iv) voor tenminste 90 % kredietverzekerd moesten zijn; en

(v) overdraagbaar of te verpanden moesten zijn.

3.8.        Vorderingen die voldeden aan de Eligibility Criteria werden aangeduid als eligible

vorderingen, ter onderscheiding van non-eligible vorderingen die dat niet deden. [C] mocht de Senior Loan gebruiken voor de aankoop van maximaal 87,5% van de nominale waarde van de eligible vorderingen. Klaagster had in verband met deze kredietfaciliteit een eerste pandrecht bedongen op alle vorderingen van [C], zowel de gefactorde als de niet-gefactorde vorderingen.

3.9.        Voor het overige werden de te factoren vorderingen gefinancierd door [NV1] die aan [C] een kredietfaciliteit had verstrekt van € 23 mln. Dit werd met de term “Junior Loan” aangeduid. [NV1] financierde minimaal 12,5% van de eligible vorderingen (100% minus 87,5%). Daarnaast financierde zij de non-eligible vorderingen waarvoor de kredietfaciliteit van klaagster (dus) niet mocht worden gebruikt.

3.10.      In verband met de kredietfaciliteit die klaagster ter beschikking had gesteld, was [C] maandelijks verplicht aan haar te rapporteren over de eligible en de non-eligible vorderingen en alle vorderingen van [C] waarop klaagster een pandrecht had bedongen.

3.11.      Op 30 september 2019 ontving klaagster een anonieme brief waarin verschillende onregelmatigheden in de maandrapportages van [C] zijn gemeld. In deze brief staat onder meer:

"ln de rapportage [C] naar [X] gaat het op de volgende punten mis:

  • Er wordt aangegeven dat er meer onder de [kredietverzekeraar1] dekking valt dan dat werkelijk het geval is.

(…)

  • Naar [X] worden verpandingsverboden niet aangegeven waardoor deze meer waarde lijken te hebben.
  • Facturen worden verjongd waardoor deze nog waardevol lijken.

(…)

Grote facturen worden opgeknipt in meerdere kleinere facturen t.b.v. voldoen aan voorwaarden van [X] terwijl deze facturen niet op deze wijze naar de uiteindelijke debiteur zo zijn verzonden). Dit alles resulteert in een maandelijks tekort van tussen de €15 á €20 miljoen.”

3.12.      Naar aanleiding van deze brief heeft klaagster onder meer twee onderzoeksbureaus, te weten [G] (hierna: [G]) en [BV7] (hierna: [BV7]) ingeschakeld om onderzoek te doen. Uit de door de bureaus opgestelde rapporten van 28 januari 2020 en 17 maart 2020 blijkt onder meer dat sprake is van, kort gezegd, een ontoereikende administratie bij [C]. 

3.13.      Op instigatie van klaagster zijn begin januari 2020 twee bestuurders van [C] vervangen door een interim-bestuur, bestaande uit betrokkene en [H] (beiden indirect, via hun persoonlijke vennootschappen). Betrokkene en [H] verrichtten hun bestuurstaken tot 31 januari 2020 op het niveau van [NV1] en vanaf 31 januari 2020 op het niveau van haar dochtermaatschappij [BV4]. De bestuurstaken van betrokkene en [H] eindigden met hun aftreden op 29 april 2020 dat volgde op de faillietverklaring van [BV4] op [datum1].

3.14.      Op [datum2] zijn [NV1], [BV3], [BV6] en [Stichting1][2] in staat van faillissement verklaard. [BV2] is niet failliet. De afwikkeling van de factoringportefeuille van [BV2] duurt nog voort.

[D]-groep

3.15.      De [D]-groep (hierna: [D]) drijft een bouwonderneming. [D] bestaat uit de holding [BV8] en 11 aan haar gelieerde vennootschappen, waaronder [BV9], [BV10] en [BV11].

3.16.      [D] werd vanaf februari 2014 gefinancierd door [bank1]. Vanaf 24 april 2017 werd [D] door [C] gefinancierd in de vorm van factoring. Op 10 mei 2017 verkocht [bank1] haar vordering op [D] aan [C].

3.17.      Op 30 januari 2018 zijn de aandelen in [BV8] en [BV10] door haar toenmalige aandeelhouder [BV12] verkocht aan de op 31 januari 2018 opgerichte besloten vennootschap [BV13], waarvan betrokkene (indirect) medebestuurder is. Als onderdeel van deze aandelentransactie heeft [D] haar vordering op de firma [I], groot € 1.544.008 tegen betaling van € 750.000 geleverd aan [BV12].  

3.18.      De aandelen in [BV13] zijn in handen van de [Stichting4], een STAK, waarvan betrokkene medebestuurder is. [NV1] was certificaathouder van alle aandelen in [BV13].

De rollen en posities van betrokkene

3.19.      Betrokkene is sinds 2006 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA.

3.20.      Betrokkene is in de loop van de tijd in verschillende rollen en hoedanigheden betrokken geweest bij [C] en [D]. In maart 2017 is betrokkene  benaderd door [bank1] en hij heeft op haar verzoek de mogelijkheden onderzocht voor externe financiering van [D]. Door de (her)financiering van [D] door [C] waardoor aan de financiering door [bank1] een einde kwam, kwam ook een einde aan de opdracht van [bank1] aan betrokkene.

3.21.      Na deze herfinanciering, die haar beslag kreeg in april 2017, is betrokkene bij [D] aan de slag gegaan als zelfstandig adviseur. Betrokkene ging helpen met de ontvlechting, de afwikkeling van het faillissement van een van de dochtermaatschappijen, de begeleiding van het management en de relatie met leveranciers en klanten.

3.22.      Betrokkene is vanaf 31 januari 2018 indirect bestuurder van [BV13] en medebestuurder van de [Stichting4].

3.23.      Vanaf 1 oktober 2018 verrichtte betrokkene op grond van een managementovereenkomst werkzaamheden in opdracht van [NV1]. Op 4 oktober 2018 is betrokkene door de algemene vergadering van aandeelhouders van deze vennootschap benoemd tot financieel bestuurder. Uit de notulen blijkt dat sprake zal zijn van een driehoofdige directie waarbij “reporting en finance” onder betrokkene vallen, “funding en relations” bij [F] en “daily operations” bij [E].

3.24.      Met ingang van 1 juni 2019 is de managementovereenkomst geëindigd, waarna betrokkene en [BV4] een overeenkomst van opdracht hebben gesloten. Volgens die overeenkomst zal betrokkene “ad interim werkzaamheden van Finance tot intensieve begeleiding ten behoeve van klanten van [C]” verrichten.

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. De klacht is uitgewerkt in een aantal klachtonderdelen die hierna zullen worden weergegeven en vervolgens besproken.

4.2.        Klachtonderdeel 1): betrokkene heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld vanwege zijn rol en betrokkenheid bij onregelmatigheden in de administratie en rapportage van [C]. Volgens klaagster heeft betrokkene:

1.1. niet-gefactorde vorderingen gerapporteerd als gefactorde vorderingen;

1.2. non-eligible vorderingen gerapporteerd als eligible vorderingen door 1) het opknippen van vorderingen, 2) het verjongen van vorderingen, 3) het veinzen van kredietverzekering en 4) het negeren van cessie- en/of verpandingsverboden;

1.3. reeds betaalde vorderingen gerapporteerd als openstaande vorderingen;

1.4. een ontoereikende administratie gevoerd en de geldstromen binnen en rond [C] niet goed geadministreerd en gealloceerd.

4.3.        Klachtonderdeel 2): betrokkene heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld vanwege zijn rol en betrokkenheid bij onregelmatigheden met betrekking tot de factoring en koop van [D]. Volgens klaagster heeft betrokkene:

2.1. de debiteurenvorderingen overgewaardeerd;

2.2. de vorderingen op de firma [I] overgewaardeerd;

2.3. de onrechtmatige handelwijze met betrekking tot de koop van [D] door [C] via [BV13] laten voortbestaan;

2.4. toegestaan dat geld van [C]-entiteiten verloren is gegaan.

Klachtonderdeel 3): betrokkene is actief betrokken geweest bij informatie die materieel onjuist en misleidend was en hij heeft geen toereikende maatregelen genomen toen de naleving van de fundamentele beginselen werd bedreigd.

5.             De beoordeling

Inleidende overwegingen

5.1.        Betrokkene was ten tijde van het verweten handelen en nalaten accountant in business. Hij heeft werkzaamheden verricht waarvoor vakbekwaamheid als accountant is of kan worden aangewend. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene daarom aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en, indien van toepassing[3], aan de Nadere voorschriften handelwijze accountant bij niet-naleving wet- en regelgeving door eigen organisatie of cliënt (Nadere voorschriften NOCLAR).  

5.2.        De kern van de klacht is gelegen in het verwijt dat betrokkene frauduleus heeft gehandeld. Frauduleus handelen betekent in termen van de VGBA[4] dat betrokkene niet eerlijk en oprecht heeft gehandeld, dus niet-integer is geweest. Een dergelijk verwijt is ernstig en mag niet snel bewezen worden geacht[5].

5.3.        Voor zover klaagster haar klacht tijdens de mondelinge behandeling heeft uitgebreid, wordt aan die uitbreiding voorbijgegaan. Het is namelijk niet toegestaan een klacht ter zitting uit te breiden en er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat van deze regel moet worden afgeweken.

5.4.        Het is aan klaagster de verwijten die zij betrokkene maakt voldoende toe te lichten en te onderbouwen en bij gemotiveerd verweer aannemelijk te maken.

5.5.        Betrokkene stelt dat áls hij al als financieel bestuurder, managing partner en statutair bestuurder van [C] heeft gehandeld - wat betrokkene betwist - zijn handelen in die hoedanigheid terughoudend moet worden getoetst. Een bestuurder heeft immers beleidsvrijheid, aldus betrokkene. De Accountantskamer is van oordeel dat dit verweer in algemene zin juist is, maar dat de beleidsvrijheid van een bestuurder haar begrenzing vindt in de voor een bestuurder geldende afspraken, regels en voorschriften. Een schending ervan kan dus niet worden gepareerd met een beroep op beleidsvrijheid.

5.6.        Betrokkene heeft ook aangevoerd dat hij een informatieachterstand ten opzichte van klaagster heeft doordat hij geen toegang meer heeft tot de administratie en andere gegevens die zich in het domein van klaagster bevinden. Klaagster kan daaruit ter onderbouwing van haar klacht stukken opdiepen, maar betrokkene kan dat niet ter onderbouwing van zijn verweer. Daardoor ontbreekt volgens betrokkene een gelijk speelveld. Betrokkene vraagt daarom om voorzichtigheid bij de beoordeling van de klacht, ook omdat er tegen betrokkene een civielrechtelijke procedure is aangespannen waarin dezelfde vragen aan de rechtbank zijn voorgelegd als in de onderhavige tuchtprocedure aan de Accountantskamer.

Klaagster heeft, kort samengevat, bestreden dat betrokkene niet over voldoende informatie kan beschikken om deugdelijk verweer te voeren.

5.7.        De Accountantskamer zal in het vervolg van deze uitspraak, indien daartoe aanleiding bestaat, de door betrokkene gestelde informatieachterstand bij het te bespreken klachtonderdeel in haar beoordeling betrekken. De Accountantskamer ziet geen aanleiding hierover een algemeen oordeel, los van de bespreking van de klachtonderdelen, te geven.

5.8.        Tussen partijen is in discussie of betrokkene tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van [NV1] op 4 oktober 2018 tot haar statutairbestuurder is benoemd. In de notulen van deze vergadering staat dat betrokkene “als financieel bestuurder” is benoemd, en volgens klaagster betekent dit dat betrokkene tot statutair bestuurder is benoemd, ook al is betrokkene vervolgens niet als zodanig bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. Betrokkene betwist mede daarom dat hij de positie van statutair bestuurder bekleedde.

5.9.        De Accountantskamer is van oordeel dat het discussiepunt geen beoordeling door haar vergt. Betrokkene is immers in zijn hoedanigheid van accountant aangeklaagd en de Accountantskamer moet beoordelen of betrokkene in die hoedanigheid tuchtrechtelijk aansprakelijk is. Bij de beoordeling van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van betrokkene zal het discussiepunt mogelijk wel van belang zijn.

Klachtonderdeel 1.1: betrokkene heeft niet-gefactorde vorderingen gerapporteerd als gefactorde vorderingen.

5.10.      Klaagster stelt dat [C] tussen maart 2019 en juli 2019 heeft voorgedaan alsof tussen [C] en de besloten vennootschap [BV14] een factoringovereenkomst bestond. Op grond van die beweerdelijke factoringovereenkomst heeft klaagster aan [C] financiering verstrekt waarmee [C] vorderingen van [BV14] op haar klanten kon kopen en betalen. In genoemde periode was betrokkene bestuurder van [BV14] en financieel bestuurder, managing partner en adviseur van [C], aldus klaagster. Betrokkene heeft hieraan zijn medewerking verleend, althans was hiermee bekend.

5.11.      Betrokkene heeft gesteld dat hij ervan mocht uitgaan dat tussen [C] en [BV14] een factoringovereenkomst bestond. Hij heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar een tussen- en een eindvonnis van de rechtbank Rotterdam. Uit het eindvonnis volgt dat de factoringovereenkomst bestond.

5.12.      De Accountantskamer overweegt het volgende. Vaststaat dat de rechtbank Rotterdam op 28 mei 2025[6] een eindvonnis heeft gewezen waarin, kort gezegd, is geoordeeld dat tussen [C] en [BV14] “een overeenkomst met de inhoud van de factoringovereenkomst tot stand is gekomen.” Klaagster heeft gesteld dat dit oordeel in de tuchtprocedure geen bindende kracht heeft maar de Accountantskamer ziet geen aanleiding om het oordeel van de civiele rechter niet te volgen.

5.13.      Het oordeel van de rechtbank Rotterdam dat de factoringovereenkomst bestond berust mede op getuigenverhoren. Klaagster voert aan dat de rechtbank bepaalde feiten uit de getuigenverhoren onderbelicht heeft gelaten, maar daarmee is, zelfs als dat standpunt juist zou zijn - wat de Accountantskamer niet onderzoekt[7] -, niet aannemelijk gemaakt dat het oordeel van de rechtbank klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. Nu het oordeel van de rechtbank inhoudt dat een factoringovereenkomst bestond en de Accountantskamer de rechtbank daarin volgt, treft het verwijt dat betrokkene ten onrechte niet-gefactorde vorderingen heeft gerapporteerd als gefactorde vorderingen omdat de factoringovereenkomst niet bestond, geen doel. Dit betekent dat het klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel 1.2: betrokkene heeft non-eligible vorderingen gerapporteerd als eligible vorderingen door 1) het laten opknippen van vorderingen, 2) het verjongen van vorderingen, 3) het veinzen van kredietverzekering en 4) het negeren van cessie- en/of verpandingsverboden.

Inleidende overwegingen

5.14.      Klaagster stelt dat [C] door middel van het opknippen van vorderingen van meer dan

€ 500.000 waardoor deze onder de grens van € 500.000 kwamen, het verjongen van vorderingen waardoor deze niet ouder dan 90 dagen leken, het veinzen van een kredietverzekering waardoor het leek alsof een vordering verzekerd was en het negeren van cessie- en/of verpandingsverboden waardoor het leek alsof vorderingen overdraagbaar en verpand konden worden, en deze vorderingen in maandrapportages aldus te verwerken, heeft bereikt dat klaagster zogeheten “trekkingsverzoeken” van [C] heeft ingewilligd. Dat wil zeggen dat zij haar kredietfaciliteit (Senior Loan) voor de aankoop van vorderingen op grond van deels gemanipuleerde maandrapportages beschikbaar heeft gesteld. Volgens klaagster heeft betrokkene hieraan bijgedragen.

5.15.      Klaagster heeft haar stellingen onderbouwd met e-mails en de Accountantskamer zal aan de hand daarvan per verwijt beoordelen of klaagster tegenover het verweer van betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene ter zake van deze handelingen tuchtrechtelijk aansprakelijk is. Daarbij laat, zoals eerder is overwogen, de Accountantskamer in het midden welke formele positie betrokkene bij [C] ten tijde van de e-mails innam (statutair bestuurder, financieel bestuurder, managing partner en/of zelfstandig adviseur), omdat die formele positie tuchtrechtelijk niet relevant is. Het gaat erom dat betrokkene ten tijde van het verweten handelen en nalaten accountant was en daarop wordt hij aangesproken.

Klachtonderdeel 1.2.1: het opknippen van vorderingen.

5.16.      Klaagster heeft de hierna genoemde bewijsstukken overgelegd. De Accountantskamer beperkt zich bij de beoordeling van het klachtonderdeel tot de door klaagster genoemde voorbeelden van vorderingen en rapportages[8].

a) Een e-mail van 16 augustus 2019 van betrokkene aan een bestuurder van [C] inzake de maandrapportage augustus 2019. Daarin staat onder meer:

Bijgaand de ingelezen rapportage.

Deze heeft nu nog een bedrag van rond de EUR 4 mio nodig.

Als ik het zo zie kan er nog een bedrag rond de EUR 1 tot 1,5 gehaald worden door bedragen te knippen.

b) Een e-mail van 18 augustus 2019 van betrokkene aan twee bestuurders van [C] inzake de maandrapportage augustus 2019. Daarin staat onder meer:

Verder is voor [J] een tweetal facturen geknipt. Hiermee ontstaat uiteraard wel ruimte. Er blijft hiermee echter wel nog een tekort, zie ook bijgevoegde concept rapportage.”

Vaststaat dat in het rapport van [C] over augustus 2019 twee facturen van [J] van elk ongeveer

€ 1 mln. zijn opgeknipt in vier facturen van elk ongeveer € 500.000 waardoor de aan de twee facturen ten grondslag liggende vorderingen eligible waren geworden.

c) Een e-mail van 18 september 2019 van betrokkene aan een bestuurder van [C] inzake de maandrapportage september 2019. Daarin staat onder meer:

Verder heb ik het bestand gecontroleerd op grote bedragen om na te gaan of er nog voordeel met opknippen te halen is. Deze zitten er niet in (en voor zover deze er wel in zitten, heeft het geen effect).

d) Een e-mail van 18 september 2019 van een bestuurder van [C] aan betrokkene inzake de maandrapportage september 2019. Daarin staat onder meer:

                “Wil jij nog even kijken naar [K]. De limiet op deze partij is 2,5”

Vaststaat dat in het rapport van [C] over september 2019 een factuur van [K] van ongeveer € 1,5 mln. is opgeknipt in drie facturen, waarvan twee onder het bedrag van € 500.000, waardoor de vordering van € 1,5 mln. grotendeels eligible was geworden.

5.17.      Betrokkene heeft als verweer aangevoerd (en daarmee impliciet erkend dat er werd geknipt in grote facturen) dat hij altijd heeft begrepen dat met klaagster nadere afspraken waren gemaakt over de toepassing van de eligibility-criteria bij enkele grote, solvabele en betrouwbare klanten. Die afspraken pasten volgens betrokkene echter niet in het rapportagemodel van klaagster en om die reden zijn de vorderingen van deze klanten opgeknipt, zodat ze toch in het rapportagemodel konden worden verwerkt. Betrokkene stelt dat hij  klaagster op de beperkingen in het rapportagemodel herhaaldelijk en al in oktober 2018 heeft gewezen. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij met een bestuurder van [C] heeft overlegd hoe moest worden omgegaan met facturen van grote klanten, zoals een factuur van meer dan € 1 mln. Betrokkene heeft volgens zijn verklaring het opknippen met deze bestuurder afgestemd.

5.18.      Klaagster heeft als reactie op dit verweer een e-mail van 21 oktober 2018 van betrokkene aan klaagster overgelegd, ervan uitgaande dat betrokkene in zijn verweer deze e-mail op het oog heeft. Daarin staat onder meer:

Als ik de dataset en de onderliggende rekenregels analyseer, kom ik tot de conclusie dat deze voor een aantal klanten die van grote omvang zijn beperkend werkt. [L] lijkt voor dit model nu namelijk een te grote klant. In de overeenkomst met [L] is een deel reeds afgetopt. Er wordt nooit boven een bepaald maximaal volume aan [L] betaald (ongeacht het volume aan facturen dat zij indient). Deze cap is helaas veel hoger dan die in de [X] ratio is aangegeven. Als gevolg hiervan komt er veel geld in de excess terecht. Als ik naar het risicoprofiel kijk, dan snap ik dat er zekerheden ingebouwd moeten worden. Ik constateer echter dat de klanten die [L] bijvoorbeeld bediend en waarvoor geldt dat deze eligible zijn, deze ook allemaal verzekerd zijn. Hiermee wordt het risico ook beperkt (hierbij blijft dat de omvang relatief groot is). Dit is mede zichtbaar vanuit het feit dat op de 17de [netbeheerder1] (grote klant van [L]) voor een bedrag van ruim EUR 1,6 mio in 1 keer betaald heeft. Deze stond op reporting moment op excess.

(…)

Ik zou je willen vragen om bovenstaande mee te wegen in de rapportage en toetsing van de limieten. Dit omdat de impact groot is en ik van mening ben dat hetgeen op dit moment gerapporteerd wordt voor alle partijen een grote stap vooruit is met veel minder vervuiling (en hiermee zuiverder) dan in het verleden. Het kan volgens mij niet de bedoeling zijn dat [C nu ‘gestraft” wordt met meer junior te storten omdat er zuiverder gerapporteerd wordt lijkt mij.

5.19.      Klaagster heeft gesteld dat het door betrokkene in deze e-mail gestelde probleem met het rapportagemodel te maken had met de “concentration limits” en niet met de eligibility-criteria. Op de eligible vorderingen werd volgens klaagster een begrenzing toegepast om de risico’s bij een bepaalde klant, debiteur of sector te beperken. Toepassing van de begrenzing leidde ertoe dat de aankoop van een eligible vordering niet volledig door klaagster werd gefinancierd (Senior Loan). Het ontbrekende deel diende [C] te financieren (Junior Loan). Bij het opknippen van vorderingen werd volgens klaagster het tegenovergestelde resultaat bereikt: een non-eligible vordering werd eligible gemaakt en de aankoop ervan werd ten gevolge daarvan door klaagster gefinancierd.

5.20.      De Accountantskamer is het met klaagster eens dat uit de e-mail van 21 oktober 2018 de door betrokkene bedoelde nadere afspraken of een aanzet daartoe wat betreft het opknippen van te hoge vorderingen, niet kunnen worden afgeleid.

5.21.      Betrokkene heeft niet gesteld, ook niet bij benadering, wanneer, door wie van [C] en met wie van klaagster nadere afspraken over het opknippen zijn gemaakt en hoe en wanneer hij wetenschap heeft verkregen van het bestaan van die afspraken. Toegegeven kan worden dat betrokkene ten opzichte van klaagster op dit punt een informatieachterstand kan hebben omdat hij geen toegang heeft tot de administratie van [C] en andere gegevens in haar domein, maar niet aannemelijk is dat betrokkene niet meer feiten en omstandigheden had kunnen vermelden met betrekking tot de totstandkoming en de inhoud van de door hem gestelde nadere afspraken dan hij heeft gedaan. Bij deze stand van zaken moet het verweer van betrokkene dat met klaagster nadere afspraken zijn gemaakt die het opknippen van vorderingen rechtvaardigen als onvoldoende toegelicht worden gepasseerd.

5.22.      Het opknippen van vorderingen en het rapporteren van opgeknipte vorderingen zonder daarover transparant jegens klaagster te zijn, is in strijd met de overeenkomst die tussen klaagster en [C] was gesloten. Door het opknippen werd een van de eligibility-criteria omzeild en dat had tot gevolg dat klaagster haar kredietfaciliteit ter beschikking stelde voor het aankopen van vorderingen die in werkelijkheid niet aan de eligibility-criteria voldeden.

5.23.      De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster door middel van de hiervoor besproken e-mails (zie 5.16.) voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene in augustus en september 2018 aan het opknippen van vorderingen heeft meegewerkt, althans ermee bekend was dat het opknippen plaatsvond en zich niet daartegen heeft uitgesproken[9]. Onweersproken is gebleven dat uit de maandrapportages augustus en september 2019 blijkt dat daarin opgeknipte vorderingen waren opgenomen. Betrokkene is door zijn medewerking te verlenen aan het opknippen van vorderingen niet eerlijk en oprecht opgetreden. Dat is in strijd met artikel 6 VGBA. Ook als betrokkene – veronderstellenderwijs – gevolgd zou worden in zijn verweer dat afspraken met een bestuurder van [C] over het opknippen van vorderingen zijn gemaakt, dan kan hem dat niet vrijpleiten. Die afspraken binden klaagster immers niet en betrokkene diende, ook als hij niet zelf voor het opknippen en de rapportages aan klaagster verantwoordelijk was, na te gaan of [C] door het opknippen en het rapporteren van opgeknipte vorderingen wel integer jegens klaagster handelde en zo nodig een redelijkerwijs te nemen maatregel te treffen (artikel 8 VGBA). Vaststaat immers dat betrokkene met het rapporteren van opgeknipte vorderingen in elk geval bekend was.  

5.24.      Dat klaagster volgens betrokkene geen nadeel heeft ondervonden van het opknippen doet aan dit alles niet af. Het verweer dat het opknippen in één opslag zichtbaar zou zijn is niet relevant en moet worden genuanceerd want pas door de anonieme brief van 30 september 2019 is klaagster erop attent gemaakt dat vorderingen werden opgeknipt.

5.25.      Betrokkene heeft het fundamentele beginsel van integriteit geschonden. Het klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel 1.2.2: het verjongen van vorderingen.

5.26.      Klaagster heeft het volgende bewijsstuk overgelegd.

Een e-mail van 9 november 2018 van betrokkene aan [BV9], onderdeel van [D], met het verzoek vier verkoopfacturen aan dezelfde klant te crediteren en te debiteren. Het gaat in totaal om een bedrag van € 2,8 mln. De initiële, gecrediteerde facturen waren van april en juni 2018. Die nieuwe facturen zijn gedateerd 9 november 2018. Betrokkene heeft op 9 november 2018 aan een onbekende derde[10] bij [BV9] geschreven:

“wil jij deze facturen crediteren en debiteren.

(dus zelfde nota’s op vandaag).

Kan jij mij zo gelijk even mailen?”

In de maandrapportage oktober 2018 waren de initiële facturen opgenomen. In de maandrapportage november 2018 zijn de nieuwe facturen opgenomen.

5.27.      Betrokkene heeft gesteld dat het crediteren en debiteren van de verkoopfacturen van [BV9] te maken had met een geschil tussen [BV9] en een opdrachtgever van haar. In dat geschil was overeenstemming bereikt – vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst – en het crediteren en debiteren vloeide daaruit voort en had dus niets te maken met het eligible maken van de vordering. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij de stelling van klaagster wel kan volgen dat sprake is van het verjongen van vorderingen, maar op het moment dat dat plaatsvond was de vordering volgens betrokkene ‘hard’ geworden en daarom opnieuw gefactureerd.

5.28.      Klaagster heeft dit verweer bestreden met de stelling dat hierover in de vaststellingsovereenkomst van 6 juni 2018 tussen [BV9] en haar opdrachtgever niets is opgenomen en als het verweer van betrokkene juist is dan blijft staan dat de vordering non-eligible was vanwege de ouderdom ervan.

5.29.      De Accountantskamer overweegt het volgende. De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster tegenover het verweer van betrokkene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van verjonging met de bedoeling om de vordering van [BV9] op haar opdrachtgever, waarmee [BV9] een conflict had, eligible te maken. Dat is wel de kern van het ernstige verwijt en aan de ‘bewijsvoering’ mogen daarom hogere eisen worden gesteld[11]. In artikel 5 lid 1 van de vaststellingsovereenkomst staat dat [BV9] alle reeds aan haar opdrachtgever verzonden facturen zal crediteren, met uitzondering van de in artikel 2 lid 5 bedoelde factuur. Die factuur komt in plaats van de te crediteren facturen. Dit is, naar de Accountantskamer begrijpt, een factuur die [BV9] aan haar opdrachtgever zal sturen nadat door een deskundige is vastgesteld dat de opdrachtgever meer aan [BV9] is verschuldigd dan door haar aan [BV9] is betaald. Uit de vaststellingsovereenkomst lijkt te volgen dat na het oordeel van de deskundige een factuur zal worden uitgeschreven waarin zowel de reeds aan [BV9] gedane betaling(en)[12] als het op grond van het oordeel van de deskundige alsnog door haar te betalen bedrag, wordt opgenomen. Een andere lezing van de vaststellingsovereenkomst zou ertoe leiden dat het reeds aan [BV9] betaalde bedrag geen grondslag zou vinden in een factuur (de initiële facturen zouden immers worden gecrediteerd) en het is niet aannemelijk dat dat de bedoeling van de bij de vaststellingsovereenkomst betrokken partijen is geweest.

5.30.      De Accountantskamer is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat tussen de vaststellingsovereenkomst van 6 juni 2018 en de e-mail van betrokkene van 9 november 2018 een zodanig verband bestaat dat het verjongen niet is gedaan om de vordering ten onrechte eligible te maken en als zodanig te rapporteren. Om daarover een meer gefundeerde conclusie te kunnen trekken is meer onderzoek noodzakelijk naar de precieze gang van zaken tussen [BV9] en haar opdrachtgever en met name de financiële afwikkeling tussen hen. Dit betekent dat er te veel onzekerheid bestaat of het hier besproken ernstige verwijt wel gegrond is. Het klachtonderdeel is vanwege deze onzekerheid in zoverre ongegrond.

5.31.      Klaagster heeft ook het volgende bewijsstuk overgelegd.

Een e-mail van factoringklant [N] aan [C] met kopie aan betrokkene van 9 november 2018. In deze e-mail staat onder meer:

Bij het doornemen van de positie van [N] vanmiddag viel op dat (waarschijnlijk) de facturen en creditnota's in de laatste wijzigingen niet juist zijn opgenomen.

Facturen 18130043 en 18130044 zijn op verzoek van [C] omgezet naar de facturen 18130049 en 18130051 waarbij de facturen 18130043 en 18130044 werden gecrediteerd met de creditnota's 18130050 en 18130052. In de [C] dashboard staan de facturen 18130043 en 18130044 nog open.

Ook de kostendoorbelasting van deze wijziging op verzoek van [C] moet nog gecorrigeerd worden. [Betrokkene][13] en [O] hebben dit op zich genomen. Wil je graag met hem afstemmen.

Het gevolg van de in de e-mail bedoelde omzetting van de facturen was, dat de uiterste betaaldatum van de facturen is verlaat van 2 december 2018 naar 20 december 2018. Door deze actie zijn de vorderingen volgens klaagster eligible gemaakt.

5.32.      Betrokkene heeft aangevoerd dat hij niet betrokken was bij het crediteren en debiteren. De e-mail is in kopie aan betrokkene gestuurd omdat de kosten die waren verbonden aan het op verzoek van (een bestuurder van) [C] crediteren en debiteren van de facturen bij [N] in rekening waren gebracht en dat diende door betrokkene gecorrigeerd te worden.

5.33.      Klaagster heeft dit verweer niet tegengesproken en uit de e-mail kan de Accountantskamer niet opmaken dat betrokkene ermee bekend was of kon zijn dat het verjongen van de facturen was gedaan om de eligiblity-criteria te ontduiken. Het verwijt is ongegrond omdat het onvoldoende is onderbouwd.

5.34.      Andere voorbeelden van verwijtbare verjonging van facturen heeft klaagster niet gegeven. Dit betekent dat klachtonderdeel 1.2.2. ongegrond is.

Klachtonderdeel 1.2.3: het veinzen van kredietverzekering.

5.35.      Volgens klaagster heeft betrokkene in het maandrapport september 2019 voorgedaan alsof vorderingen voor ten minste 90% kredietverzekerd waren, hoewel dat in werkelijkheid niet het geval was.

Klaagster voert in verband met dit verwijt de volgende bewijsstukken aan.

a) een e-mail van betrokkene van 18 september 2019 aan een bestuurder van [C] inzake het conceptrapport september 2019 waarin onder meer staat:

In de huidige rapportage kom ik echter nu nog uit op een te kort van EUR 9.6 mio[14]. Jij gaf vanavond aan dat jij een ruime overschot verwachtte, mede omdat er tussentijds bij was gestort.

Op een aantal punten heb ik het bestand al even af zitten stemmen met het vorige rapport, er lijkt daarin wel wat meer op credit insured te staan. lk begreep vanmiddag dat jij al naar de limieten had gekeken. Op basis van die data heb ik dit nu ingericht. Zou jij daar nog naar willen kijken, ik denk dat daar nl. de ruimte uit zou moeten kamen. De overige zaken staan m.i. nl.nu juist.

De bestuurder heeft betrokkene op dezelfde dag per e-mail bericht:

Ok ik ga er naar kijken.”

b) Een e-mail van een bestuurder van [C] aan klaagster en cc aan (ook) betrokkene van 20 september 2019 met daarbij de eerste versie van het maandrapport september 2019.

c) Een e-mail van klaagster aan een bestuurder van [C] van 23 september 2019 en cc aan (ook) betrokkene met daarbij het definitieve maandrapport september 2019.

d) Delen uit drie versies van het maandrapport september 2019 (concept, eerste en definitieve versie).

5.36.      Volgens klaagster zijn in de eerste versie van het septemberrapport en in het definitieve septemberrapport 2.089 meer verzekerde vorderingen opgenomen dan in het conceptrapport dat betrokkene op 18 september 2018 aan de bestuurder van [C] toestuurde. Daardoor hoefde door [C] geen beroep te worden gedaan op de kredietfaciliteit bij [NV1] (Junior Loan), althans een beroep voor een aanzienlijk lager bedrag dan € 9,6 mln., genoemd in de e-mail van betrokkene van 18 september 2018.  

5.37.      Ook stelt klaagster dat na toetsing van het septemberrapport is gebleken dat voor een aantal debiteuren geen kredietlimiet was afgegeven, dan wel voor een lager bedrag. Klaagster somt 16 voorbeelden op van debiteuren waarvoor geen kredietlimiet was afgegeven, maar die wel als kredietverzekerd aan haar waren gerapporteerd. Het gaat om een totaalbedrag van € 1,7 mln. aan gerapporteerde eligible vorderingen waarvoor geen kredietlimiet was afgegeven. In het conceptrapport van betrokkene was ten aanzien van deze 16 debiteuren voor een bedrag van

€ 2 mln. aan onverzekerde vorderingen als kredietverzekerd opgenomen. Tot slot heeft klaagster gesteld dat bij 11 van de 16 debiteuren in de maandrapportage september 2019 ten onrechte een hoger bedrag als kredietverzekerd is gerapporteerd dan in het conceptrapport van 18 september 2019.

5.38.      Betrokkene heeft het verwijt tegengesproken. Hij heeft gesteld dat het [P] dat [P] gebruikte automatisch een koppeling had moeten maken met de kredietverzekeraar, maar dat werkte niet goed. Daarom heeft hij het conceptrapport, gebaseerd op het [C], op verzoek van een bestuurder van [C] vergeleken met het vorige rapport dat op Excel was gebaseerd. Vorderingen die in het vorige rapport op kredietverzekerd stonden, konden worden overgenomen in het maandrapport september 2019 omdat een vordering, tenzij te oud of betaald, kredietverzekerd blijft. Dat heeft betrokkene op 18 september 2019 aan de bestuurder van [C] ge-e-maild waarbij hij die bestuurder heeft gevraagd om dat op juistheid te controleren. Daarna was betrokkene niet meer bij de maandrapportage betrokken.

5.39.      De Accountantskamer is van oordeel dat het verwijt niet aannemelijk is gemaakt. Uit de e-mail van betrokkene van 18 september 2019 volgt dat hij een vergelijking heeft gemaakt tussen het conceptmaandrapport september 2019 en het rapport over de maand augustus 2019 en dat daarbij is gebleken dat in laatstgenoemd rapport meer debiteuren als kredietverzekerd waren opgenomen. Hij vraagt in zijn e-mail aan de bestuurder of deze daarnaar nog wil kijken. Uit deze e-mail volgt niet dat betrokkene ten onrechte vorderingen op debiteuren als kredietverzekerd in de maandrapportage september 2019 heeft opgenomen of ermee bekend was dat in die maandrapportage ten onrechte vorderingen op kredietverzekerde debiteuren waren opgenomen. De Accountantskamer weegt daarbij mee dat zowel de eerste als de definitieve versie van de maandrapportage niet door betrokkene zijn ingediend, maar door de bestuurder van [C]. Dat betrokkene daarbij in de cc is meegenomen levert in deze omstandigheden geen zelfstandige grond op voor verwijtbaar handelen van betrokkene. Uit de andere door klaagster aangevoerde e-mails, waarin betrokkene in cc is meegenomen, kan ook niet met voldoende zekerheid worden opgemaakt dat betrokkene wist of behoorde te weten dat ten onrechte kredietverzekerde debiteuren in september 2019 werden gerapporteerd.

5.40.      Klachtonderdeel 1.2.3. is ongegrond.

Klachtonderdeel 1.2.4: het negeren van cessie- en/of verpandingsverboden.

5.41.      Volgens klaagster zijn in het decemberrapport 2018 vorderingen op de debiteuren [Q] en [R] van [D] als eligible opgenomen, hoewel die debiteuren een cessie- en verpandingsverbod hanteerden. Betrokkene was daarmee bekend omdat hij vanaf 31 januari 2018 bestuurder van [D] was.

5.42.      Klaagster voert de volgende bewijsmiddelen aan.

a) In het rapport van het [BV7[ dat in opdracht van klaagster is opgesteld (zie 3.12.) staat onder meer:

Volgens de heer [Y] was bij [Q], [S] en [R] sprake van verpandingsverboden, zodat een faillissement slecht voor [C] zou uitpakken.

b) Twee e-mails van de advocaat van [C] aan betrokkene van 14 juni 2017 en van 26 juli 2017 waarin staat respectievelijk:

                “Voor de vorderingen op (…), [Q] en (…) is beroep gedaan op een cessieverbod.

                “[Q] heeft een verpandings- en cessieverbod wat goed is vastgelegd.

c) Een e-mail van dezelfde advocaat aan betrokkene van 19 februari 2020 waarin staat:

Voor [R], (…) en [Q] is sprake van een cessie- en verpandingsverbod, waardoor de vordering nog eigendom is van [BV9].

d) Een e-mail van dezelfde datum van betrokkene aan zijn medebestuurder waarin staat:

“[R] (…) en [Q] verpandingsverbod. Dit is met name de reden dat [D] in leven gehouden is.

In het decemberrapport 2018 zijn de vorderingen op [Q] en [R] voor een bedrag van

€ 57.953,40 als eligible opgenomen.

5.43.      Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat de check op cessie- en verpandingsverboden door een bestuurder van [C] en diens medewerkers werd verricht en dat hij in december 2018 nog slechts sporadisch bij [C] was betrokken en dat het niet de taak van betrokkene was hierop te letten. Verder stelt betrokkene dat hij had begrepen dat de cessie- en verpandingsverboden door [Q] en [R] in 2018 waren opgeheven en dat de maandrapportages omvangrijk waren: circa 20.000 regels en ruim 100 klanten.

5.44.      De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene in december 2018 de cessie- en verpandingsverboden heeft genegeerd, zoals het verwijt luidt. Het negeren van het verbod veronderstelt dat betrokkene in december 2018 zich heeft gerealiseerd dat de verboden bestonden en dat hij de vorderingen desondanks en tegen beter weten in, als eligible heeft gerapporteerd, althans niet heeft voorkomen dat die vorderingen als eligible werden gerapporteerd. Daarvoor bevatten de overgelegde e-mails niet voldoende aanknopingspunten. Uit de e-mails blijkt immers niet dat betrokkene in december 2018 betrokken is geweest bij de totstandkoming van en de rapportage aan klaagster of kennis droeg van de inhoud ervan en zich ten onrechte heeft stilgehouden. Betrokkene heeft onweersproken aangevoerd dat het niet zijn taak was te letten op mogelijke cessie- en verpandingsverboden. Dat was volgens hem de taak van (medewerkers) van de bestuurder die verantwoordelijk was voor de operationele administratie. Op dit alles stuit het verwijt af.

5.45.      Klachtonderdeel 1.2.4. is ongegrond.

5.46.      De slotsom is dat van klachtonderdeel 1.2. alleen het verwijt ten aanzien van het opknippen van vorderingen (1.2.1.) gegrond is. Betrokkene heeft het fundamentele beginsel van integriteit geschonden.

Klachtonderdeel 1.3: betrokkene heeft reeds betaalde vorderingen gerapporteerd als openstaande vorderingen.

5.47.      Klaagster stelt dat in de maandrapportage augustus 2019 aan haar betaalde vorderingen ten onrechte als onbetaald zijn gerapporteerd.

Het verwijt steunt op de volgende stukken.

a) Een e-mail van 16 augustus 2019 van betrokkene aan een bestuurder van [C] met daarbij het conceptmaandrapport augustus 2019. In de e-mail heeft betrokkene geschreven:

Bijgaand de ingelezen rapportage.

Deze heeft nu nog een bedrag van rond de EUR 4 mio nodig.

b) Een e-mail van betrokkene van 18 augustus 2019 aan beide bestuurders van [C] waarin staat:

                “Bijgaand de aangepaste rapportage cf. hetgeen besproken.

(…)

Verder bijgevoegd de door jou[15] voorgestelde analyse m.b.t. [netbeheerder1]. Hierbij heb ik de OPL[16] P7 vs OPL P8 genomen en vastgesteld welke er in P8 niet meer in zitten en deze alsnog toegevoegd. Let op, het effect hiervan is beperkt. Dit omdat je daarmee over de excess van [L] gaat en alles daar boven geen effect meer heeft op de borrowing base.

(…)

Morgen nog even overleg.

c) Een e-mail van betrokkene van 19 augustus 2019 aan dezelfde bestuurders met bijgevoegd een conceptmaandrapport augustus 2019 waarin staat:

                “Na wat gepuzzel, bestanden bij elkaar voegen etc bijgaand het huidige bestand.

Hierin is verwerkt:

- (…)

-[netbeheerder1] toegevoegd vanuit [L] P7.

-(…).

De borrowing base wordt hiermee EUR 35.895k t.o.v. de Senior Loans van EUR 36.250 (geeft dus nu nog een tekort van EUR 715k.

Verder is hier alles in verwerkt (…)

d) Het verslag van interviews met betrokkene op 13 en 25 maart 2020 waarin staat:  

“6.12     Gedurende de analyse van de afgelopen periode heeft de heer [Y] zich voor het eerst inhoudelijk verdiept in de feitelijke facturenportefeuille. Hierbij heeft hij geconstateerd dat er diverse facturen in het systeem van [C] aanwezig waren die reeds afgewikkeld zijn.

5.48.      Volgens klaagster zijn 145 vorderingen van [L] op [netbeheerder1] uit P7 (juli 2019), met een totaalbedrag van € 1.630.339, die voor 18 augustus 2019 in elk geval gedeeltelijk waren betaald en afgeletterd, door betrokkene als openstaande vorderingen aan het maandrapport augustus 2019 toegevoegd, waardoor de “borrowing base” (de grondslag voor de door klaagster te verstrekken Senior Loan) toenam.

5.49.      Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat de analyse bedoeld in de e-mail van 18 augustus 2019 door een van de beide bestuurders was opgesteld (immers: “door jou”) en dus niet door betrokkene, dat hij op verzoek van deze bestuurder vorderingen van [L] op [netbeheerder1] uit de maandrapportage juli 2019 aan die van augustus 2019 heeft toegevoegd, dat hij daaraan een half uurtje heeft besteed, dat hij niet beter wist dan dat deze vorderingen nog openstonden en dat het opnemen van deze vorderingen niet of nauwelijks effect heeft gehad. In december 2019 heeft betrokkene zich gerealiseerd dat het opnemen van de vorderingen onterecht was en heeft hij dat direct bij klaagster gemeld.

5.50.      De Accountantskamer is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is. Uit de overgelegde stukken kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat betrokkene 145 vorderingen van [L] op [netbeheerder1] uit de maandrapportage juli 2019 aan de maandrapportage augustus 2019 heeft toegevoegd. Dat staat immers in zijn e-mail. Onbetwist is gebleven dat die vorderingen (in elk geval gedeeltelijk) waren betaald en afgeletterd. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en vakbekwaamheid had betrokkene moeten nagaan of de door hem toegevoegde vorderingen onbetaald waren en niet, zoals hij aanvoert, mogen aannemen dat ze onbetaald waren. De door betrokkene gestelde korte tijdspanne, een half uurtje, waarmee hij de vorderingen aan de maandrapportage heeft toegevoegd bevestigt dat betrokkene niet voldoende zorgvuldig te werk is gegaan. De Accountantskamer ziet in de overgelegde bewijsmiddelen, mede gelet op het gevoerde verweer, echter onvoldoende aanknopingspunten om tot de gevolgtrekking te komen dat betrokkene kan worden verweten niet eerlijk en oprecht te zijn geweest.  

5.51.      Klachtonderdeel 1.3. is gegrond. Betrokkene heeft het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.   

Klachtonderdeel 1.4: betrokkene heeft een ontoereikende administratie gevoerd en de geldstromen binnen en rond [C] niet goed geadministreerd en gealloceerd.

5.52.      Klaagster stelt dat uit het onderzoek door [G] en [BV7] blijkt dat de administratie van [C] onvolledig was, onjuistheden bevatte en inadequate methoden, processen en interne controles kende. Klaagster houdt betrokkene hiervoor verantwoordelijk omdat hij volgens haar tussen 1 oktober 2018 en 1 juni 2019 financieel bestuurder en managing partner van [C] was. De ontoereikendheid van de operationele administratie (de administratie van de factoringportefeuille) hing samen met de onvoldoende prioritering van de overgang van Excel naar het [P] en met de omstandigheid dat dit platform inadequaat was en niet de benodigde functionaliteiten bevatte. De financiële administratie werd in Exact gevoerd.

5.53.      Klaagster stelt dat betrokkene de onvolkomenheden in de administratie tijdens de interviews door [BV7] in opdracht van klaagster op 13 en 25 maart 2020 heeft erkend. Hij heeft toen onder meer verklaard dat:

“(…) de administratie en de systemen schromelijk tekortschoten voor een adequaat inzicht in de werkelijke stand van zaken.”

5.54.      Betrokkene heeft aangevoerd dat hij in oktober 2018 was aangesteld om de operationele administratie te verbeteren en om klanten te werven. Hij was echter niet verantwoordelijk voor deze administratie, dat was een van de bestuurders. Betrokkene erkent dat het hem in de periode van acht maanden niet is gelukt de operationele administratie voldoende te verbeteren omdat hij allerlei andere taken kreeg toebedeeld en hij bij het verbeteren van de operationele administratie van de kant van de verantwoordelijk bestuurder tegenwerking ondervond. Betrokkene is pas in februari 2019 gevraagd te helpen met het verbeteren van de financiële administratie.

5.55.      De Accountantskamer overweegt het volgende. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene onder de door hem geschetste, onweersproken gebleven omstandigheden tuchtrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de niet goed functionerende operationele en financiële administratie van [C]. Toen betrokkene op 1 oktober 2018 met zijn werkzaamheden begon waren deze administraties niet op orde en dat kan klaagster betrokkene uiteraard niet verwijten. Klaagster heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die, mits vaststaand, de conclusie rechtvaardigen dat betrokkene in de periode 1 oktober 2018 tot 1 juni 2019 zich tuchtrechtelijke verwijtbaar onvoldoende heeft ingespannen om de administraties op orde te krijgen. Klaagster lijkt betrokkene af te rekenen op het resultaat dat de administraties nog niet op orde waren. Klaagster had echter aannemelijk moeten maken dat betrokkene zich onvoldoende heeft ingespannen om de administraties te verbeteren en daarvoor tuchtrechtelijk aansprakelijk is. Daarin is zij niet geslaagd. 

5.56.      Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 2: Betrokkene heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld vanwege zijn rol en betrokkenheid bij onregelmatigheden met betrekking tot de factoring en koop van [D].

5.57.      Voor een beter begrip van het klachtonderdeel en de leesbaarheid geeft de Accountantskamer in grote lijnen de volgende feiten en omstandigheden (deels nogmaals) weer. [D] bevond zich begin 2017 in zwaar weer. Zij werd gefinancierd door [bank1]. In april 2017 heeft [C] de vorderingen van [D] op haar debiteuren gekocht. Op die vorderingen rustte een pandrecht ten gunste van [bank1]. In mei 2017 heeft [C] de vordering van [bank1] op [D] voor een bedrag van € 1.050.000 gekocht. [C] werd daarmee rechthebbende met betrekking tot de vorderingen. Omdat [C] werd gefinancierd door klaagster heeft [C] aan haar een eerste pandrecht op de vorderingen van [D] verleend. [C] diende ook de verpande vorderingen maandelijks aan klaagster te rapporteren.

Klachtonderdeel 2.1. betrokkene heeft debiteurenvorderingen van [D] overgewaardeerd.

5.58.      Klaagster verwijt betrokkene dat hij in december 2018 vorderingen van [D] op twee van haar debiteuren, waarop klaagster een pandrecht had, voor het volledige nominale bedrag van

€ 1.598.308 aan klaagster heeft gerapporteerd, hoewel die vorderingen veel minder waard waren. Dat laatste volgt volgens haar uit de omstandigheid dat voor álle debiteurenvorderingen van [D], nominaal groot € 2.467.088, feitelijk een bedrag van

€ 1.050.000 was betaald. Met dit bedrag was immers [bank1] als financier van [D] afgelost. Volgens klaagster heeft betrokkene tijdens de interviews op 13 en 25 maart 2020 toegegeven dat de debiteurenvorderingen van [D] niet de waarde vertegenwoordigden die er destijds voor was betaald.

5.59.      Betrokkene heeft het verwijt bestreden onder meer door te stellen dat de nominale waarde van de vorderingen moest worden gerapporteerd. Dit verweer treft doel omdat klaagster ter zitting heeft erkend dat van alle vorderingen (ook de non-eligible en verpande) maandelijks de nominale waarde moest worden gerapporteerd. De verwijzing door klaagster in dit verband naar bepalingen in het Burgerlijk Wetboek inzake de waardering van activa, waaronder vorderingen, in een jaarrekening mist ook doel, omdat betrokkene niet is verzocht informatie te verschaffen over de waarde van de vorderingen in relatie tot het opstellen van een jaarrekening.

5.60.      Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 2.2: betrokkene heeft vorderingen op de firma [I] overgewaardeerd.

5.61.      De Accountantskamer kan over klachtonderdeel 2.2. korter zijn, gegeven haar overwegingen inzake klachtonderdeel 2.1. dat naar aard en strekking ermee overeenkomt.

5.62.      Vaststaat dat vorderingen van [D] op de firma [I], waarop klaagster een pandrecht had, in december 2018 in totaal nominaal € 1.544.008 bedroegen en dat deze vorderingen daarvoor, op 30 januari 2018, voor € 750.000 waren verkocht aan de voormalig aandeelhouder van [D]. Deze verkoop was onderdeel van de transactie inzake de aandelen in [D] tussen deze aandeelhouder als verkoper en de besloten vennootschap [BV13] (in oprichting), waarvan betrokkene indirect medebestuurder was, als koper. In de maandrapportage december 2018 zijn de vorderingen op [I] voor hun nominale waarde aan klaagster gerapporteerd.

5.63.      Klaagster verwijt betrokkene dat de vorderingen op [I] voor het nominale bedrag aan haar zijn gerapporteerd hoewel die eerder voor ongeveer de helft van dat bedrag waren verkocht. Dit verwijt stuit naar het oordeel van de Accountantskamer af op wat hiervoor bij de rapportage van de vorderingen van [D] op andere debiteuren is overwogen. De Accountantskamer verwijst daarnaar (zie 5.59).

5.64.      In een voetnoot[17] in het klaagschrift is nog opgemerkt dat de vorderingen op [I] ook na de verkoop en levering ervan in januari 2018 aan de voormalige aandeelhouder van [D] in de maandrapportages voor klaagster zijn opgenomen, zoals in die van december 2018. De Accountantskamer leidt uit de wijze van presentatie van dit verwijt in een voetnoot af dat klaagster deze opmerking niet tot onderdeel van haar klacht heeft gemaakt. Indien dat wel zo is dan had klaagster, die gehouden is haar klacht zodanig te presenteren dat duidelijk is wat betrokkene wordt verweten, de opmerking in de tekst van het klaagschrift moeten opnemen en niet in een van de (vele) voetnoten.

5.65.      Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 2.3: betrokkene heeft de onrechtmatige handelwijze met betrekking tot de koop van [D] door [C] laten voortbestaan.

5.66.      Voor de leesbaarheid herhaalt de Accountantskamer dat [BV13] (in oprichting) op 30 januari 2018 de aandelen in [D] heeft verworven. De dag erna is [BV13] opgericht. Betrokkene was indirect medebestuurder van deze vennootschap. De Stichting [Stichting4] (een STAK) is houder van de aandelen in [BV13]. Betrokkene isindirect ook medebestuurder van deze stichting. De Stichting [stichting4] heeft op 31 januari 2018 certificaten van alle aandelen in [BV13] uitgegeven aan [NV1].

5.67.      Klaagster verwijt betrokkene dat hij de transactie met betrekking tot [D], waarvan betrokkene moet hebben begrepen dat die onrechtmatig jegens haar was, heeft laten voortbestaan en haar er ook nooit over heeft geïnformeerd. Dat klaagster bewust buiten beeld is gehouden ontleent klaagster aan een e-mail van een bestuurder van [C] aan een notaris van 28 januari 2018 en cc aan betrokkene waarin staat:

We hebben je nodig voor het asap oprichten van een structuur. lk licht eea graag nader toe.

Doel van de spv is het overnemen van een bedrijf, [D] cs. [D] is een bestaande klant van [C]. Onlangs is de beoogde verkoop van de onderneming gestrand doordat de huidige DGA iedere reorganisatie blokkeert en de beoogde kopers hem zien als het grootste risico. Dat zien wij ook zo, zeker gelet op de relatief grote exposure die [C] heeft op de debiteuren van [D]. Om deze posities veilig te stellen en de onderneming gezond going te kunnen verkopen nemen wij nu "zelf" het roer in handen.

Eea komt erop neer dat er een SPV opgericht moet worden met een STAK en een separate beheermaatschappij. Het idee is dat (…) en ik samen met de interim directie het bestuur vormen van de STAK en dat [C] buiten beeld blijft. Voor [betrokkene] moet een separate beheer vennootschap worden opgericht waar vanuit hij directie gaat voeren over de SPV.

[C] (nog nader te bepalen welke vennootschap) verstrekt variabele financiering aan de SPV om de aandelen over te nemen tegen 1 euro (op basis van een reeds uitgewerkte overeenkomst) en voldoende werkkapitaal te hebben. Eea naast de reeds bestaande debiteuren financiering. De reeds gevestigde zekerheden blijven vanzelfsprekend bij [C] op basis van de reeds bestaande overeenkomsten.

Klaagster is volgens haar buiten beeld gehouden, omdat de participatie in het kapitaal van [D] het bestek van de factoringactiviteiten van [C] te buiten ging. Klaagster is pas begin 2020 met de aandelentransactie bekend geworden.

5.68.      Betrokkene heeft bestreden dat de aandelentransactie jegens klaagster onrechtmatig is, en bovendien (alleen) aan de civiele rechter om te beoordelen. Op 30 januari 2018 was betrokkene geen bestuurder van [D]. Volgens betrokkene wist klaagster van de hoed en de rand en uit het klaagschrift blijkt dat de transactie ook volgens klaagster noodzakelijk was om het faillissement van [D] te voorkomen. Door de transactie werd immers de zeggenschap over [D], die in zwaar weer verkeerde, verkregen. Klaagster maakt niet duidelijk hoe zij erdoor is benadeeld dat de zeggenschap over [D] bij [NV1] (als certificaathouder) terecht kwam; de vorderingen van [D] waren toen al gefactord, aldus betrokkene.

5.69.      De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt dat  betrokkene met deze aandelentransactie en het (beweerdelijk) niet-informeren van klaagster erover tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In de e-mail aan de notaris waarop klaagster zich beroept staat niet dat klaagster buiten beeld moet blijven, maar [C]. Het buiten beeld blijven kan een negatieve betekenis hebben, maar daarmee kan ook zijn bedoeld, gegeven de context, dat door deze aandelentransactie - zonder verkeerde bedoelingen – [C] niet als bestuurder of aandeelhouder erbij betrokken moest worden. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt op grond waarvan het jegens haar onrechtmatig was dat de aandelen in [D] werden verworven. Klaagster verwijst naar de “waarborgen van het factoringbedrijf die behelsden dat kritisch moest worden gekeken naar de factoringklant en de aan te kopen vorderingen”, maarlaat na te onderbouwen dat door de aandelentransactie die waarborgen zijn ondermijnd. Evenmin heeft klaagster aannemelijk gemaakt dat betrokkene haar over de transactie had behoren te informeren, bij gebreke waarvan hij tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld.

5.70.      Het klachtonderdeel is ongegrond.

 Klachtonderdeel 2.4: betrokkene heeft toegestaan dat geld van [C]-entiteiten verloren is gegaan.

5.71.      Klaagster stelt dat [C] door middel van het krediet van klaagster ongerechtvaardigde investeringen heeft gedaan in derde partijen zoals [BV14], omdat daarmee volgens klaagster geen factoringovereenkomst bestaat. Over dit laatste heeft de Accountantskamer al een oordeel gegeven in rechtsoverweging 5.13. zodat deze stelling hier geen bespreking meer behoeft, daargelaten dat het klachtonderdeel op dit punt geen zelfstandige betekenis heeft, gegeven klachtonderdeel 1.1.

5.72.      Als voorbeeld van ongerechtvaardigde investeringen in [D] noemt klaagster ook, samengevat, dat in de periode 2 februari 2018 tot 16 februari 2018 een door een obligatiehouder aan [NV1] uitgeleend bedrag van € 1.750.000 niet is gebruikt om daarmee Junior Loans (via [C] Factoring) te verstrekken, maar in die periode onder meer is gebruikt voor betalingen via [Stichting1] aan [D] van in totaal € 675.615 en voor betaling van in totaal € 445.103 aan derden namens twee aan [D] gelieerde rechtspersonen[18].

5.73.      Volgens klaagster wist betrokkene, althans moet hij hebben geweten, dat deze betalingen in strijd waren met “de toepasselijke contractsdocumentatie”. De Accountantskamer begrijpt dat klaagster hiermee bedoelt dat het door de obligatiehouder uitgeleende bedrag voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor het was bestemd. Betrokkene heeft dit ondanks zijn wetenschap toegelaten en klaagster ook nimmer over de betalingen geïnformeerd.

5.74.      Betrokkene heeft gesteld dat hij in februari 2018 niet bij [C] was betrokken; dat was hij pas vanaf 1 oktober 2018. Vanaf 31 januari 2018 was hij (indirect) bestuurder van [D], dus nog maar net toen de betaling aan [D] van in totaal € 675.615 plaatsvond. De financiële gang van zaken bij en de administratie van [D] behoorden niet tot zijn takenpakket. Ter zitting heeft betrokkene gesteld dat hij de betaling door [C] aan [D] heeft opgevat als onderdeel van de factoringovereenkomst.

5.75.      De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene, die pas vanaf 1 oktober 2018 bij [C] was betrokken, tuchtrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor betalingen die een half jaar ervoor, in februari 2018, waren verricht. De betalingen aan en namens [D] hebben tussen 7 en 16 februari 2018 plaatsgevonden, dus kort na het aantreden van betrokkene op 31 januari 2018 als haar (indirect) bestuurder en lang voordat betrokkene bij [C] (per 1 oktober 2018) aan de slag ging. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene zich als (indirect) bestuurder van [D] had moeten afvragen of deze betalingen wellicht in strijd waren met ‘de contractsdocumentatie’ die kennelijk tussen de obligatiehouder en [C] van toepassing was, nog daargelaten de vraag welke bepalingen in die documentatie zouden zijn geschonden. Betrokkene heeft terecht opgemerkt dat het klachtonderdeel op dit punt vaag is. Klaagster heeft in het midden gelaten hoe betrokkene kennis had kunnen nemen van de contractsdocumentatie nu hij pas vanaf 1 oktober 2018 bij [C] was betrokken. Het gaat te ver om te stellen dat betrokkene zich na 1 oktober 2018 had moeten afvragen of betalingen aan en namens [D] in februari 2018 wellicht in strijd met bepaalde voorschriften of afspraken hadden plaatsgevonden, bij gebreke waarvan betrokkene tuchtrechtelijk kan worden aangesproken.

5.76.      Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 3: betrokkene is actief betrokken geweest bij informatie die materieel onjuist en misleidend was en hij heeft geen toereikende maatregelen genomen toen de naleving van de fundamentele beginselen werd bedreigd.

5.77.      Klaagster stelt, samengevat, dat betrokkene in verschillende rollen bij [C] en [D] betrokken is geweest en bekend was met en actief betrokken was bij informatie die materieel onjuist en misleidend was, maar desondanks geen maatregel heeft genomen. Ter onderbouwing hiervan verwijst klaagster naar de door haar “overgelegde bewijsstukken in het algemeen” en zij citeert het volgende uit het verslag van de interviews met betrokkene op 13 en 25 maart 2020:

Rond maart 2019 hadden de heer [naam betrokkene, Ack] en [E] een aanvaring gehad over de manier van werken en gebrek aan inzicht in informatie en de beperkte sturing en planning door [E] aan de organisatie. De heer [Y] geeft aan dat [E] meende dat er geen problemen waren en dat hij aan [E] aangaf dat er weldegelijk problemen zouden ontstaan met deze werkwijze.

Na de aanvaring werden er wijzigingen doorgevoerd in het takenpakket van de heer [naam betrokkene, Ack]. De heer [naam betrokkene, Ack] heeft naar eigen zeggen zijn zorgen geuit bij de heer [F]. De heer [naam betrokkene, Ack] geeft aan te hebben overwogen zijn rol neer te leggen en de opdracht terug te geven door gebrek aan opvolging door de heren [E] en [F]. Op de vraag waarom hij niet is opgestapt, antwoordt de heer [naam betrokkene, Ack] dat die keuze was gebaseerd op emotie: hij vond dat hij de heer [F] moest 'beschermen' en moest afmaken waar hij aan begonnen was.

5.78.      Betrokkene stelt dat het klachtonderdeel een veegklacht is en dat klaagster ten onrechte ervan uitgaat dat betrokkene destijds wist dat onjuiste en misleidende informatie met klaagster werd gedeeld. De in het interviewverslag bedoelde aanvaring met de bestuurder kwam voort uit het feit dat deze geen inmenging en tegenspraak van de kant van betrokkene duldde inzake de operationele administratie en betrokkene heeft dat met anderen in de organisatie gedeeld. Betrokkene had ten gevolge van de interne strubbelingen vanaf februari 2019 geen bemoeienis meer met de operationele administratie en minder bemoeienis met de maandrapportage. Vanaf juni 2019 had betrokkene helemaal geen bemoeienis meer met de administratie en werd aan hem alleen af en toe nog gevraagd voor de maandrapportage iets uit te zoeken.

5.79.      De Accountantskamer overweegt het volgende. Voor zover klaagster voor de onderbouwing van het klachtonderdeel verwijst naar de door haar overgelegde bewijsstukken in het algemeen is het klachtonderdeel onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Klaagster dient de bewijsstukken aan te wijzen waarop haar verwijt berust en de verwijzing naar overgelegde bewijsstukken in het algemeen voldoet daaraan niet[19]. De Accountantskamer is niet gehouden zelfstandig in overgelegde stukken op zoek te gaan naar de onderbouwing van een stelling van een partij. Voor zover het klachtonderdeel voortvloeit uit andere klachtonderdelen - daarop doelt klaagster vermoedelijk met haar verwijzing naar overgelegde bewijsstukken in het algemeen - mist het naast die klachtonderdelen zelfstandige betekenis.

5.80.      Uit het citaat uit het interviewverslag kan worden opgemaakt dat het tussen betrokkene en de bedoelde bestuurder niet boterde, maar kan niet worden opgemaakt dat betrokkene in verband stond met informatie die materieel onjuist en misleidend was. Het klachtonderdeel vindt geen steun in het citaat.

5.81.      Het klachtonderdeel is al met al ongegrond. 

5.82.      De klacht zal wat betreft de klachtonderdelen 1.2.1. (schending integriteit) en 1.3 (schending vakbekwaamheid en zorgvuldigheid) gegrond worden verklaard en voor het overige ongegrond.

6.             De maatregel

6.1.        Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van berisping is passend en geboden. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene de fundamentele beginselen van integriteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft geschonden. De Accountantskamer volstaat, hoewel met name het gegronde verwijt van schending van integriteit ernstig is en in de regel leidt tot een (tijdelijke) doorhaling, in dit geval met een berisping vanwege de inmiddels verstreken tijd tussen de feiten die aan de gegrond verklaarde klachtonderdelen ten grondslag liggen (2019) en de indiening van de klacht (2025) en omdat de gevolgen van het handelen en nalaten van betrokkene voor hemzelf en zijn vennootschap ernstig zijn. Beiden zijn tot betaling van € 9 mln. schadevergoeding aangesproken en er heeft beslaglegging plaatsgevonden waardoor betrokkene in een financieel lastig parket terecht is gekomen. Betrokkene zelf kan geen aanspraak maken op dekking vanuit een beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Alleen zijn persoonlijke vennootschap. Ook de gezondheid van betrokkene lijdt onder de kwestie. Dat alles is reden om in dit geval met een berisping te volstaan.

7.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht wat betreft de klachtonderdelen 1.2.1. en 1.3. gegrond en voor het overige ongegrond;
  • legt aan betrokkene op de maatregel van berisping;
  •  verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan haar vergoedt.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.M. van Amsterdam en mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt (rechterlijke leden) en E.M. van der Velden AA en Th.A. Verkade RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op

17 april 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] In totaliteit bestond de [C]-groep uit [BV4], [NV1], [BV3], [BV6] en [Stichting1]. Formeel geen onderdeel van de [C]-groep, maar daaraan vanwege hun rol binnen het factoringbedrijf feitelijk wel verbonden, waren [BV2], Stichting [Stichting2] en [Stichting3].

[2] Via deze stichting verliep het betalingsverkeer met [C].

[3] NV NOCLAR is van kracht vanaf 1 januari 2019 en de klacht heeft gedeeltelijk betrekking op de periode ervoor.

[4] Artikel 6 van de VGBA luidt: “De accountant treedt eerlijk en oprecht op.”

[5] Zie ECLI:CBB:2024:193, rechtsoverweging 3.3.3: “Anders dan de accountantskamer is het College van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [naam 1] door het versturen van de brief van 27 oktober 2020 niet eerlijk en oprecht heeft opgetreden. Schending van het fundamentele beginsel van integriteit is een ernstig verwijt dat niet licht bewezen wordt geacht.

[6] ECLI:NL:RBROT:2025:6647, met name rov. 3.19.

[7] De Accountantskamer is immers niet de appèlrechter.

[8] Klaagster heeft bij het hier besproken verwijt van opknippen en bij de andere verwijten steeds voorbeelden gegeven. De Accountantskamer beperkt zich steeds tot die voorbeelden, omdat er geen bewijsstukken zijn overgelegd met betrekking tot andere vorderingen en rapportages en daarover dus geen uitspraak kan worden gedaan.

[9] Uit de overgelegde bewijsmiddelen (de voorbeelden) kan niet worden opgemaakt dat betrokkene zélf de vorderingen heeft opgeknipt en/of de desbetreffende maandrapportages heeft opgesteld en aan klaagster heeft toegestuurd.

[10] In de e-mail is de naam van de geadresseerde weggelakt.

[11] Zie ook de uitspraak genoemd in noot 5.

[12] Uit artikel 2 lid 5 van de vaststellingsovereenkomst volgt dat de opdrachtgever bedragen aan [BV9] heeft betaald. Er staat namelijk: ‘Indien het door de deskundige vastgestelde bedrag het reeds door [de opdrachtgever] aan [BV9] betaalde bedrag overstijgt, zal [de opdrachtgever] het verschil aan [BV9] betalen, na een daartoe factuur van [BV9] ontvangen te hebben.’

[13] In de e-mail wordt de naam van betrokkene genoemd.

[14] Het tekort betekende dat voor dit bedrag een beroep moest worden gedaan op de kredietfaciliteit bij [NV1] (Junior Loan).

[15] Eén van beide bestuurders van [C].

[16] OPL=openstaande posten lijst.

[17] Voetnoot 268.

[18] [BV9] en [BV11].

[19] Klaagster heeft in totaal 96 producties overgelegd die bijna 1.000 bladzijden beslaan.