ECLI:NL:TACAKN:2026:16 Accountantskamer Zwolle 25/1311 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:16 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25/1311 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Gegronde klacht over de controle van de jaarrekening van een metaalverwerkingsbedrijf. Betrokkene heeft een controleverklaring met oordeelonthouding afgegeven. Naar aanleiding van een politie-inval bij dat bedrijf heeft betrokkene een incidentmelding bij klaagster gedaan. Klaagster is daarop een onderzoek gestart naar de wijze waarop betrokkene de wettelijke controle van de jaarrekening 2020 van het metaalverwerkingsbedrijf heeft verricht. Volgens klaagster heeft betrokkene onvoldoende werkzaamheden uitgevoerd om de risico’s op een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude te identificeren en in te schatten. Betrokkene heeft niet scherp in beeld gehad dat de handel in goud van geheel andere aard is dan de handel in metalen. Als gevolg daarvan heeft betrokkene onvoldoende controlewerkzaamheden opgezet en uitgevoerd om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over het bestaan (voorkomen) van de omzet uit de verkopen van goud. Betrokkene heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de kern van de klacht. De Accountantskamer verklaart de klacht geheel gegrond en legt aan betrokkene de maatregel van doorhaling op voor de duur van zes maanden. |
UITSPRAAK van 27 maart 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 1 mei 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1311 Wtra AK van
de stichting AUTORITEIT FINANCIËLE MARKTEN
gevestigd te Amsterdam
K L A A G S T E R
advocaten: mr. M.L. Batting en mr. J. Waalkens te Den Haag
t e g e n
Y
registeraccountant
kantoorhoudende te [plaats1]
B E T R O K K E N E
advocaten: mr. F.C.M. van der Velden en mr. D.C. Theunis te Amsterdam
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen
- het verweerschrift met bijlagen
- de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen door beide partijen.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 5 december 2025. Voor klaagster zijn [A], [B], [C], [D] en [E] verschenen, bijgestaan door mr. Batting en mr. Waalkens-Bessems. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door mr. Theunis.
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. Betrokkene heeft de jaarrekening 2020 van [BV1] (hierna: [BV1]) gecontroleerd en daarbij een controleverklaring met oordeelonthouding afgegeven. Naar aanleiding van een politie-inval bij [BV1] heeft betrokkene een incidentmelding bij klaagster gedaan. Klaagster is daarop een onderzoek gestart naar de wijze waarop betrokkene de wettelijke controle van de jaarrekening 2020 van [BV1] heeft verricht. Volgens klaagster heeft betrokkene onvoldoende werkzaamheden uitgevoerd om de risico’s op een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude te identificeren en in te schatten. Als gevolg daarvan heeft betrokkene onvoldoende controlewerkzaamheden opgezet en uitgevoerd om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over het bestaan (voorkomen) van de omzet uit de verkopen van goud.
2.2. Betrokkene heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de kern van de klacht. Wel heeft hij de klachtonderdelen voorzien van bepaalde nuances en gewezen op de lessons learned en de maatregelen die hij en de accountantsorganisatie hebben getroffen naar aanleiding van de bevindingen van klaagster.
De beslissing van de Accountantskamer.
2.3. De klacht is geheel gegrond. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van doorhaling op en bepaalt de termijn waarbinnen betrokkene zich niet opnieuw kan inschrijven op zes maanden.
3. De feiten
3.1. Betrokkene is sinds 2013 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is verbonden aan [accountantskantoor1] in [plaats1].
3.2. [BV1] is opgericht in 2013 en was gevestigd in [plaats2]. Zij hield zich bezig met de in- en verkoop van oud metaal en het mixen (blenden) van deze materialen. Daarnaast hield zij zich sinds 2019 ook bezig met de handel in goud en exclusieve horloges. Op 30 november 2022 is het faillissement op eigen verzoek van [BV1] uitgesproken en is de besloten vennootschap ontbonden.
3.3. [BV2] was enig aandeelhouder van [BV1]. [F] (hierna: [F]) was bestuurder en enig aandeelhouder van deze financiële holding. [F] was tevens de bestuurder van [BV1]. Vanaf november 2018 was [G] operationeel manager tevens titulair waarnemend directeur bij [BV1].
3.4. De FIOD heeft zich in een strafrechtelijk onderzoek gericht op drie groothandelsbedrijven in metaal, waaronder [BV1]. Het vermoeden bestond dat deze bedrijven metaal leveren aan ondernemingen in het [land1] die bij doorverkoop van het schroot btw moeten afdragen, maar dat bewust niet doen (btw-carrousel). In verband met dit onderzoek heeft de FIOD op [datum1] een inval gedaan bij zes woningen en twee bedrijfspanden, waaronder dat van [BV1]. In de strafrechtelijke procedure is [BV1] aanvankelijk vrijgesproken van het opzettelijk doen van negentien onjuiste maandaangiften omzetbelasting (in de periode van juli 2015 tot en met november 2017)[1]. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 24 juni 2024 dat vonnis vernietigd[2]. Het hof is alsnog tot een bewezenverklaring gekomen van de tenlastelegging en heeft [BV1] een geldboete opgelegd van € 95.000. Het daartegen ingestelde cassatieberoep is verworpen[3].
3.5. Betrokkene had met ingang van boekjaar 2018 de opdracht de jaarrekening van [BV1] te controleren. Over 2020 bedroeg de netto-omzet van [BV1] € 249.458.069. In de jaarrekening 2020 is vermeld dat van de omzet € 65.067.097 afkomstig is uit de verkoop van ‘Precious Metals’, waardevolle metalen. Op 2 september 2021 heeft betrokkene een controleverklaring met oordeelonthouding bij de jaarrekening 2020 afgegeven. In de verklaring is het volgende vermeld:
‘(…) Wij geven geen oordeel over de getrouwheid van de in dit jaarverslag opgenomen jaarrekening van de vennootschap. Vanwege het belang van de aangelegenheid beschreven in de paragraaf ‘De basis voor onze oordeelonthouding’ zijn wij niet in staat geweest om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen om daarop ons controleoordeel te kunnen baseren bij de jaarrekening als geheel. (…)
De basis voor onze oordeelonthouding
Gegeven de aard van de activiteiten is de administratie van de voorraad en de kostprijs van de verkopen niet zodanig ingericht dat door accountantscontrole op rationele wijze de vereiste zekerheid kan worden verkregen over de volledigheid en juistheid van de omzet, kostprijs omzet en de daarmee rechtstreeks samenhangende posten, die zijn opgenomen in de jaarrekening van de vennootschap. Tevens hebben wij onvoldoende controle-informatie verkregen over de juistheid van de kosten’.
3.6. Op [datum2] heeft de politie een inval gedaan bij onder andere [BV1] en [F], die ook is aangehouden op verdenking van het vormen van een criminele organisatie die zich bezighoudt met witwassen en drugshandel. Betrokkene heeft op 12 oktober 2022 een incidentmelding gedaan bij klaagster.
3.7. Klaagster is een onderzoek gestart naar de vraag of betrokkene bij de uitvoering van de wettelijke controle van de jaarrekening 2020 van [BV1] heeft voldaan aan de regelgeving. In dat kader heeft klaagster op 18 oktober 2022, 20 december 2022 en 31 januari 2023 gesprekken gevoerd met betrokkene en een inlichtingenvordering verstuurd op 7 februari 2023. Ook heeft zij de controledossiers 2019 en 2020 gevorderd. Op 1 november 2023 heeft een onderzoek op het kantoor van betrokkene plaatsgevonden. Een en ander heeft geresulteerd in een voorlopig rapport van 22 februari 2024, waarop [accountantskantoor1] heeft gereageerd bij brief van 4 april 2024.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. In essentie vindt klaagster dat betrokkene bij zijn controle over het boekjaar 2020 geen voldoende en geschikte controle-informatie heeft verkregen over het voorkomen van de omzet uit de verkoop van goud.
4.2. Klaagster verwijt betrokkene het volgende:
1. Betrokkene heeft onvoldoende werkzaamheden uitgevoerd om de risico’s op een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude te identificeren en in te schatten.
2. Betrokkene heeft onvoldoende controlewerkzaamheden opgezet en uitgevoerd om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over het voorkomen van de omzet uit de verkopen van goud.
5. De beoordeling
5.1. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS) zoals die ten tijde van de controle luidden.
5.2. De klacht gaat over de controle van de jaarrekening 2020 van [BV1] en in het bijzonder over de omzet die is behaald met de verkoop van goud. De goudsector is volgens klaagster gevoelig voor verschillende vormen van fraude zoals witwassen en carrouselfraude en wordt vaak in verband gebracht met criminaliteit. Dat is algemeen bekend. Goud heeft een hoge waarde, maar een geringe omvang. De liquiditeit is hoog, terwijl het karakter van de transacties vaak anoniem is. Dat zijn allemaal voordelen waarvan ook criminelen graag gebruik maken, aldus klaagster.
5.3. De Accountantskamer overweegt voorafgaand aan de bespreking van de klachtonderdelen het volgende. Een van de verantwoordelijkheden van de accountant in het kader van de wettelijke controle is dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de financiële overzichten als geheel geen afwijkingen van materieel belang bevatten die het gevolg zijn van fraude of fouten (Standaard 240.5). Daartoe handhaaft de accountant een professioneel-kritische instelling en houdt hij rekening met de mogelijkheid dat het management de interne beheersingsmaatregelen doorbreekt. De doelstellingen volgens Standaard 240.11 zijn:
- het identificeren en inschatten van de risico's op een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude;
- het verkrijgen van voldoende en geschikte controle-informatie over de ingeschatte risico's op een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude door middel van het opzetten en implementeren van geschikte manieren om op die risico's in te spelen; en
- het op passende wijze inspelen op fraude of vermoede fraude die tijdens de controle is geïdentificeerd.
Betrokkene heeft een verklaring van oordeelonthouding uitgebracht. Dit betekent dat betrokkene tot het oordeel is gekomen dat van een onzekerheid in de controle sprake is en dat de eventueel niet-gedetecteerde afwijkingen van materieel belang en diepgaande invloed kunnen zijn, zo volgt uit Standaard 705.9. Een dergelijke verklaring mag pas worden afgegeven indien de accountant niet in staat is voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen (Standaard 330.27 en 705.9). Daaruit volgt dat de accountant gehouden is zich in te spannen voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen. Indien de accountant zich onvoldoende heeft ingespannen en toch een verklaring van oordeelonthouding heeft uitgebracht, dan is sprake van een schending van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
Klachtonderdeel 1: Betrokkene heeft onvoldoende werkzaamheden uitgevoerd om de risico’s op een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude te identificeren en in te schatten.
5.4. Bij klachtonderdeel 1 gaat het om een fase uit het begin van het controleproces: het identificeren en inschatten van risico’s op een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude op het niveau van financiële overzichten en van beweringen met betrekking tot transactiestromen, rekeningsaldi en in de financiële overzichten opgenomen toelichtingen[4]. Voor de leesbaarheid kort de Accountantskamer hierna geïdentificeerde risico’s op een afwijking van materieel belang ten gevolge van fraude in tot de term frauderisico’s. Deze risico’s moeten worden beschouwd als significante risico’s (Standaard 240.28), waarop de controle-aanpak moet inspelen (over de uitvoering daarvan gaat klachtonderdeel 2). Betrokkene heeft vijf frauderisico’s geïdentificeerd in het controledossier:
1. FIOD-inval vanwege de verdenking op strafbare feiten (btw-carrousel);
2. Hoge contante kasstromen;
3. Betalingen in de bankapplicatie die geen tweede autorisatie vereisen;
4. Te hoge en/of te vroege verantwoording van de omzet (juistheid); en
5. Doorbreking van de bestaande administratieve organisatie/interne beheersingsmaatregelen (ao/ib) door de directie.
Klaagster stelt dat betrokkene de frauderisico’s 4. en 5. heeft gekoppeld aan de opbrengstverantwoording, maar niet heeft gespecificeerd voor de omzet uit de verkopen van goud. En beide frauderisico’s komen niet voort uit frauderisicofactoren die aan de goudhandel zijn verbonden. Betrokkene heeft wel de tendentie tot het flatteren van de omzet onderkend en ter zake een risico geïdentificeerd, maar dat risico ziet op de afgrenzing en niet op het voorkomen van de omzet. Betrokkene heeft deze stellingen van klaagster niet tegengesproken.
5.5. Klaagster is van mening dat betrokkene onvoldoende controlewerkzaamheden heeft verricht. Zij heeft het klachtonderdeel in drie subverwijten onderverdeeld:
- Betrokkene heeft onvoldoende inzicht verkregen in de sectorspecifieke kenmerken van de handel in goud.
- Betrokkene heeft onvoldoende inzicht verworven in de bedrijfsprocessen en interne beheersing die betrekking hebben op de handel in goud.
- Betrokkene heeft evidente frauderisicofactoren niet onderkend.
Ad i) Betrokkene heeft onvoldoende inzicht verkregen in de sectorspecifieke kenmerken van de handel in goud.
5.6. Klaagster heeft uit het controledossier geconcludeerd dat betrokkene geen inzicht heeft verkregen in de relevante specifieke factoren van de goudsector. Hij heeft zich namelijk nagenoeg uitsluitend gericht op de sector schroothandel. Die sector verschilt aanzienlijk van de goudsector in bijvoorbeeld fraudegevoeligheid en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving (zoals de naleving van de Waarborgwet). Goud geldt bovendien als bekend betaalmiddel binnen het criminele circuit. Hierin heeft betrokkene geen inzicht verkregen. Voor het vereiste inzicht heeft betrokkene uitsluitend gebruik gemaakt van interne bronnen (jaarrekening 2019, interview management en bezoek aan [BV1]) en geen externe informatiebronnen gebruikt die inzicht hadden kunnen verschaffen in de sectorspecifieke kenmerken van de handel in goud.
Ad ii) Betrokkene heeft onvoldoende inzicht verworven in de bedrijfsprocessen en interne beheersing die betrekking hebben op de handel in goud.
5.7. Klaagster heeft aangevoerd dat betrokkene onvoldoende inzicht heeft verkregen in de voor de controle van de financiële verslaggeving relevante interne beheersing van het informatiesysteem en de bedrijfsprocessen die betrekking hebben op de handel in goud. In de eerste plaats geldt dat betrokkene alle transactiestromen met betrekking tot verkopen gezamenlijk heeft behandeld. Hij heeft dus ten onrechte nagelaten om separaat inzicht te verkrijgen in de bedrijfsprocessen en interne beheersing die betrekking hebben op de transactiestroom van handel in goud. Dat is echter een dermate afwijkend bedrijfsproces, dat betrokkene daarin volgens klaagster separaat inzicht had moeten verkrijgen. Bij de schroothandel wordt gebruik gemaakt van een weegbrug en vinden bewerkingen plaats (blenden/omzetting). Goud daarentegen moet worden gecertificeerd; zuiverheidsgraden, wegingen en weegrapporten zijn daarbij belangrijk, net als de veiligheid bij opslag en transport. Betrokkene heeft de opzet van de beheersingsmaatregelen rondom deze transactiestroom niet geëvalueerd en evenmin vastgesteld dat eventuele maatregelen zijn geïmplementeerd.
5.8. In 2020 was sprake van een materiële commissietransactie met [BV3] (verkoopfactuur van € 488.580), een grote leverancier van goud voor [BV1]. Betrokkene heeft niet geëvalueerd of deze materiële transactie aanleiding geeft tot het identificeren van een significante transactiestroom. Evenmin heeft hij in meer brede zin inzicht verkregen in de omvang van de commissie-opbrengsten, wat de geleverde tegenprestaties hiervoor zijn en hoe de bedrijfsprocessen en interne beheersing rondom commissie-opbrengsten zijn opgezet.
5.9. Tot slot, wat dit subverwijt aangaat, heeft klaagster aangevoerd dat de controle van het Wwft-beleid en de ken-je-klant-procedure (KYC) onvoldoende was. [BV1] had wel een Wwft-beleid, aangezien de Wwft van toepassing is op de verkoop van edele metalen zoals goud. Zo is daarin opgenomen dat [H] (een afnemer) voldoet aan de compliance-richtlijnen. Twee zaakvoerders tevens zonen van [H] zijn in 2020, dus ruimschoots voor de controleverklaring in 2021 werd afgegeven, echter veroordeeld voor schriftvervalsing en witwassen. Dat werpt een ander licht op deze KYC-procedure, waaruit klaagster afleidt dat betrokkene onvoldoende inzicht heeft verkregen op welke wijze [BV1] tot haar conclusies is gekomen.
Ad iii) Betrokkene heeft evidente frauderisicofactoren niet onderkend.
5.10. In het opdrachtcontinueringsproces is een hoog corruptierisico geïdentificeerd bij [BV1] vanwege transacties met tussenkomst van derden, van goederen met een hoge waarde en waarbij gebruik wordt gemaakt van persoonlijke netwerken met hoge verkoop- en representatiekosten in het buitenland. Uit het controledossier blijkt niet dat betrokkene heeft geëvalueerd of deze frauderisicofactoren aanleiding zijn tot het identificeren van frauderisico’s, aldus het standpunt van klaagster.
5.11. Ook was sprake van een hoog integriteitsrisico bij [BV1] vanwege het lopende FIOD-onderzoek. Betrokkene heeft de FIOD-inval wel geïdentificeerd als een frauderisico, maar uit het controledossier blijkt volgens klaagster niet dat betrokkene heeft geëvalueerd of het hoge integriteitsrisico impact heeft op andere frauderisicofactoren of frauderisico’s. Dit terwijl een integriteitsissue bij het management de kans op een afwijking van materieel belang als gevolg van fraude kan vergroten.
5.12. In het controledossier is opgenomen dat er geen activa zijn die makkelijk te verzilveren zijn. Daarom is betrokkene tot de conclusie gekomen dat er geen omstandigheden zijn die vatbaarheid van het oneigenlijk toe-eigenen van activa vergroten. Daarmee heeft betrokkene volgens klaagster miskend dat goudgevoelig is voor diefstalen op verschillende manieren in verband wordt gebracht met criminaliteit. Daar komt bij dat binnen [BV1] geen sprake was van functiescheiding in de handel in goud (uitgevoerd door één persoon, een familielid van [F]), wat een voorbeeld van een frauderisicofactor is omdat daardoor de gelegenheid kan bestaan om fraude te plegen. Bij de in- en verkoop maakte [BV1] gebruik van self-billing, wat betekent dat niet de verkopende partij een verkoopfactuur opstelt maar de afnemer zelf een (credit)factuur opmaakt. Ook dat kan gelegenheid bieden tot fraude door het opstellen van valse facturen. Documentatie met betrekking tot het daadwerkelijk plaatsvinden van goudtransacties, zoals certificeringen en testrapporten, waren niet aanwezig bij [BV1]. Betrokkene heeft aan klaagster tijdens het onderzoek op het kantoor op 1 november 2023 verklaard dat hij nog nooit goud bij [BV1] heeft aangetroffen, wat een frauderisicofactor kan vormen.
5.13. Betrokkene heeft informatie van [BV1] ontvangen dat tussen de in- en verkopen in 2020 een verschil zat van 267 kilo goud, wat een waarde vertegenwoordigt van ongeveer € 14 mln. Dat verschil wijst op het ontbreken van een sluitende goederenbeweging, wat kan leiden tot een hogere vatbaarheid voor fraude. Ook dit is volgens klaagster een frauderisicofactor die betrokkene had moeten evalueren, maar dat heeft hij nagelaten.
5.14. Tot slot heeft klaagster gewezen op de al eerder genoemde materiële opbrengst van € 488.580 uit commissies van [BV3]. Betrokkene heeft niet geëvalueerd of voor deze opbrengst een duidelijke, zakelijke reden bestaat. Dat kan (op basis van bijlage 1 Standaard 240) een gelegenheid zijn tot frauduleuze financiële verslaggeving. Te meer, omdat betrokkene wel heeft onderkend dat voor de commissie-opbrengsten onderliggende documenten (contracten, vastlegging van e-mailcorrespondentie) ontbreken, wat op grond van genoemde bijlage 1 ook een frauderisicofactor is.
De reactie van betrokkene .
5.15. Betrokkene erkent dat hij ten aanzien van de handel in goud specifieke frauderisicofactoren en frauderisico’s had moeten onderkennen en in het controledossier had moeten vastleggen, maar brengt wel een aantal nuances aan op de verwijten.
5.15.1. [BV1] was geen fraudecasus ten tijde van de controle. De verdenking op toepassing van een onjuist btw-tarief was bekend, maar een enkele verdenking betekent nog niet dat het handelen van [BV1] per definitie frauduleus was. De onherroepelijke veroordeling volgde pas 4,5 jaar na balansdatum.
De primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen en ontdekken van fraude ligt bij de entiteit zelf. Dat fraude heeft plaatsgevonden betekent nog niet dat betrokkene de VGBA heeft geschonden. De kans dat de controlerend accountant fraude ontdekt is niet groot, helemaal niet wanneer het management fraudeert.
Het handelen in goud is volgens betrokkene an sich geen fraudesignaal/risico voor een onderneming die in metalen handelt.
5.15.2. Betrokkene heeft wel risico’s op een afwijking van materieel belang geïdentificeerd en ingeschat, waaronder de risico’s op afwijkingen die het gevolg zouden kunnen zijn van fraude. Aan de significante risico’s met betrekking tot waardering voorraad, hoeveelheid voorraad, onvolledige verantwoording van de omzet en waardering van debiteuren heeft betrokkene in de controle veel aandacht besteed. Het risico op afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude is besproken met [G] (operationeel manager van [BV1]). Daarnaast heeft betrokkene de risico’s op doorbreking van de ao/ib onderkend en frauderisico’s in verband met de verdenking op btw-fraude. Overige frauderisico’s hangen samen met de afwezigheid van een tweede autorisatie in het bankpakket en de hoge contante kasstromen, waaraan in 2019 een einde is gekomen. Betrokkene heeft zijn evaluatie van de risicofactoren overgelegd ter onderbouwing van zijn werkzaamheden. De uitkomst is dat betrokkene de integriteits- en corruptierisico’s als hoog heeft ingeschat. Een en ander laat zien dat het verwijt dat betrokkene onvoldoende werkzaamheden zou hebben uitgevoerd om de risico’s op een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude te identificeren en in te schatten wel genunaceerd moet worden bezien, aldus betrokkene.
De overwegingen van de Accountantskamer.
5.16. Voor een goed begrip van de uitspraak stelt de Accountantskamer het volgende voorop.
5.16.1. In het kader van de jaarrekeningcontrole is fraude een opzettelijke handeling door één of meer leden van het management, met governance belaste personen, werknemers of derden, gericht op het misleiden van gebruikers van de jaarrekening. Kenmerkend voor fraude is:
- opzet (bewust handelen);
- misleiding;
- met als doel een onrechtmatig of onwettig voordeel te verkrijgen (Standaard 240.12 sub a), waardoor de jaarrekening een onjuist beeld geeft van de financiële situatie.
5.16.2. Frauderisicofactoren zijn gebeurtenissen of omstandigheden die wijzen op een stimulans of druk om fraude te plegen of die een gelegenheid scheppen om te frauderen (Standaard 240.12 sub b). Frauderisicofactoren kunnen worden geclassificeerd volgens de fraudedriehoek: stimulans of druk om fraude te plegen, een waargenomen gelegenheid om fraude te plegen en de mogelijkheid om de fraudeleuze handeling te rechtvaardigen (Standaard 240.A26). Frauderisicofactoren betreffen aldus omstandigheden of signalen die, afzonderlijk of in onderlinge samenhang bezien, kunnen duiden op de mogelijkheid van fraude, maar vormen op zichzelf geen vaststelling dat zich een risico op een afwijking van materieel belang als gevolg van fraude voordoet.
5.16.3. Van de accountant wordt verwacht dat hij frauderisicofactoren onderkent en deze betrekt bij zijn professionele oordeelsvorming. Dat oordeel dient er vervolgens toe te leiden dat wordt vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, deze factoren aanleiding geven tot het identificeren van een risico op een afwijking van materieel belang als gevolg van fraude. Als de accountant op basis van zijn professionele oordeelsvorming concludeert dat de onderkende omstandigheden kunnen leiden tot een afwijking van materieel belang als gevolg van fraude, is sprake van een frauderisico dat een daarop toegesneden controleaanpak vereist.
5.16.4. Het bestaan van frauderisicofactoren noch de identificatie van een frauderisico betekent dat fraude is vastgesteld of vermoed. Het betreft een risicobeoordeling die gericht is op het bepalen van de aard, timing en omvang van de te verrichten controlewerkzaamheden, en niet op het doen van een uitspraak over het daadwerkelijk voorkomen van fraude. De identificatie en inschatting van frauderisico’s is een fundament van de controle.
5.17. Betrokkene heeft opgemerkt dat er geen fraude is vastgesteld bij [BV1] en dat het geen fraudecasus was. Hij verliest daarbij uit het oog dat dit klachtonderdeel gaat over het proces van risico-inschatting: welke frauderisicofactoren heeft betrokkene al dan niet onderkend en welke hebben geleid tot het identificeren en inschatten van een frauderisico?
5.18. De Accountantskamer overweegt in dit verband dat [BV1] tot 2019 hoofdzakelijk actief was in de handel in en het blenden van schroot. De uitbreiding in 2019 van deze activiteiten met de handel in goud betreft een (ook vanwege de omvang ervan) substantiële wijziging van de aard van de bedrijfsactiviteiten, terwijl tegelijkertijd sprake is van onvoldoende ingerichte processen en ontoereikende interne beheersing.
5.18.1. Omdat goud al een hoge waarde heeft bij een laag volume, is sprake van een verhoogd risico op oneigenlijke toe-eigening, onvolledige vastlegging en/of fictieve transacties. Bedacht moet worden dat de interne beheersing die is ingericht op het verhandelen van schroot in bulk niet toereikend is voor de handel in goud. De handel in goud vergt immers een geheel andere benadering, waaronder een fijngevoelig weegproces (in grammen, niet in kilogrammen of tonnen), certificering van de zuiverheid van het goud (naleving van de Waarborgwet) en deze handel stelt hoge veiligheidseisen aan opslag en transport. Daarbij komt dat de goudprijs sterk kan fluctueren, hetgeen het risico vergroot op onjuiste waardering van de voorraad.
5.18.2. Goud is eenvoudig internationaal verhandelbaar, een ‘anoniem’ betaalmiddel en snel liquide te maken. Daarom kleeft aan de handel in goud een verhoogd risico op gebruik in witwasconstructies en bij andere criminele activiteiten.
5.19. Ten tijde van het gecontroleerde boekjaar 2020 bestond de handel in goud door [BV1] nog maar kort (vanaf 2019) en de identificatie en inschatting van frauderisico’s is een iteratief proces (Standaard 330.A60). Dat brengt mee dat betrokkene professioneel-kritisch en alert had moeten zijn of [BV1] wel in staat was deze activiteit beheerst uit te voeren.
5.20. Betrokkene heeft naar het oordeel van de Accountantskamer onvoldoende werkzaamheden uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in de entiteit en haar omgeving. Hij heeft onvoldoende inzicht verworven in de bedrijfsprocessen en interne beheersing die betrekking hebben op de handel in goud. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij geen specifieke aandacht heeft besteed aan de handel in goud, omdat extra aandacht daarvoor nooit tot een goedkeurende controleverklaring zou kunnen leiden. Volgens betrokkene was het namelijk al niet mogelijk een sluitende geld-goederenbeweging voor de schroothandel te maken. Exemplarisch voor het ontbreken van aandacht voor de goudhandel is het gespreksverslag met [G] op 31 januari 2020. Volgens het verslag zijn de fraudemogelijkheden hierbij uitgebreid aan bod gekomen. Over het risico op voorraaddiefstal is in het verslag opgenomen: ‘Voorraad diefstal: dit kan, echter nooit materiele impact. Dan moet men een vrachtwagen meenemen’. Een vrachtwagen is voor de diefstal van goud met materiële impact niet noodzakelijk, omdat een laag volume aan goud al een hoge waarde vertegenwoordigt. Dit maakt duidelijk dat betrokkene het gesprek met [G] niet heeft gevoerd over (de bedrijfsprocessen rondom) de handel in goud en dat die handel hem inderdaad niet helder voor ogen stond.
5.21. Betrokkene heeft mondeling aan klaagster toegelicht dat de werkzaamheden rondom de handel in goud bij één medewerker zijn belegd, een familielid van [F]. Het goud werd volgens betrokkene opgeslagen in een kluis in het kantoor van [BV1] en werd, indien nodig, getransporteerd in de kofferbak van de auto van het familielid. Dit levert geen voldoende en adequaat inzicht op in het bedrijfsproces rondom de handel in goud en vormt op zichzelf al een frauderisicofactor. Betrokkene heeft niet onderzocht of de opslag en het transport van goud met de nodige waarborgen waren omgeven. Evenmin heeft hij vastgesteld of en zo ja, op welke wijze analyses van goudzuiverheid werden uitgevoerd. En ook is onduidelijk of en zo ja, hoe [BV1] zelf het frauderisico van de handel in goud inschatte, zodat betrokkene daarvan geen evaluatie kon verrichten.
5.22. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene onvoldoende werkzaamheden heeft uitgevoerd om de risico’s op een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude ten aanzien van de handel in goud te identificeren en in te schatten. Het klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel 2. Betrokkene heeft onvoldoende controlewerkzaamheden opgezet en uitgevoerd om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over het voorkomen van de omzet uit de verkopen van goud.
5.23. De accountant dient controlewerkzaamheden op te zetten en uit te voeren waarvan de aard, timing en omvang worden gebaseerd op, en een reactie zijn op, de ingeschatte risico’s op een afwijking van materieel belang op het niveau van beweringen (Standaard 330.6). De werkzaamheden dienen geschikt te zijn om voldoende en geschikte controle-informatie te verkijgen (Standaard 500.6). Betrokkene heeft de controle van het voorkomen van de omzet uit de verkoop van goud gecontroleerd door middel van gegevensgerichte werkzaamheden. Hij heeft geen systeemgerichte controlewerkzaamheden verricht.
5.24. Wat betrokkene volgens klaagster na zijn risico-identificatie, die hiervoor is besproken, wat betreft het voorkomen van de goudomzet heeft gedaan is:
1. Vaststellen door middel van een steekproef dat de verkoopfacturen rond balansdatum in het juiste boekjaar zijn verantwoord (steekproef op verkoopfacturen november en december 2020);
2. Een aansluiting maken tussen de specificatie van de diverse omzetgroepen c.q. overige opbrengsten in de jaarrekening met grootboek en saldibalans, inclusief de samenvoeging van posten ten behoeve van de rapportering (basisaansluiting om de omzet in de jaarrekening aan te sluiten met de financiële administratie);
3. Vaststellen dat de ontvangsten zijn toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben (verbandscontrole om de totalen van de geregistreerde verkopen en inkopen voor de top 20 debiteuren en crediteuren aan te sluiten met de totalen van de bankontvangsten en bankbetalingen);
4. Verificatie van de aanvaardbaarheid van de in de nieuwe periode geboekte creditnota’s op basis van de onderliggende bescheiden, zoals klachten en de oorspronkelijke kopie-verkoopfacturen (vaststellen of creditnota’s uit 2021 betrekking hebben op 2020 en of deze correct zijn verwerkt).
5.25. Klaagster vindt deze gegevensgerichte werkzaamheden ontoereikend om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over het voorkomen van omzet uit de verkoop van goud vanwege het volgende.
5.25.1. De steekproef op de verkoopfacturen in de periode november 2020-januari 2021 geeft wel controle-informatie over de afgrenzing van de omzet, maar geen informatie over het voorkomen van de omzet uit de verkopen van goud gedurende het (volledige) jaar, gelet op de beperkte omvang van de steekproef en evenmin over het voorkomen in 2020 van omzet uit de verkopen van goud omdat niet is vastgesteld dat de verkooptransacties daadwerkelijk in 2020 hebben plaatsgevonden. Bovendien is betrokkene afgegaan op de self-billing facturen van de afnemer, zonder onderbouwing daarbij, en heeft hij geconcludeerd dat sprake is van voldoende en geschikte controle-informatie over het voorkomen van de transacties. Dat is echter onvoldoende volgens klaagster. Verder heeft betrokkene de ontvangst van betaling van de geselecteerde precious metals transacties niet vastgesteld. Voor transacties met één afnemer heeft betrokkene wel een aansluiting gemaakt met leveringsdocumenten, maar die waren afkomstig van [BV1], afgedrukt op haar briefpapier. Betrokkene heeft de betrouwbaarheid hiervan niet geëvalueerd.
5.25.2. De verbandscontrole tussen de bankbetalingen en -ontvangsten en de in- en verkooptransacties bij de top 20 debiteuren/crediteuren is niet geschikt voor het verkrijgen van voldoende en geschikte controle-informatie over het voorkomen van de omzet, omdat bij de handel in goud in hoge mate sprake was van self-billing en saldering. Klaagster wijst er als voorbeeld op dat in 2020 bij een grote afnemer van goud een omzet is geboekt van € 45,8 mln, hoewel er slechts één bankontvangst van € 65.000 is geweest.
5.25.3. Betrokkene heeft zoals blijkt uit het vorenstaande geen detailcontroles gepland die zien op het voorkomen van de omzet uit het verkopen van goud in de periode van januari 2020 tot en met oktober 2020. De geplande werkzaamheden op andere risico’s, transactiestromen of rekeningsaldi geven ook geen voldoende en geschikte controle-informatie over het voorkomen van de omzet uit de verkopen van goud. Dat komt omdat betrokkene onvoldoende toereikende werkzaamheden heeft gepland ten aanzien van de goederenbeweging. Betrokkene heeft immers geen inventarisatie uitgevoerd van de voorraad goud, zodat de begin- en eindvoorraad onbekend is. Verder zijn er voor de inkopen van goud geen weegbonnen beschikbaar en worden in- en verkopen gesaldeerd. Het verschil van 267 kilo goud (zie hiervoor onder 5.13) heeft betrokkene niet meegenomen in de evaluatie of aanvullende werkzaamheden noodzakelijk zijn. Betrokkene heeft bovendien geen andere controlewerkzaamheden gepland die voldoende en geschikte controle-informatie konden opleveren over het voorkomen van de omzet uit de verkoop van goud. Dat had wel gekund. Betrokkene had bijvoorbeeld detailcontroles kunnen plannen op de omzet, om externe bevestigingen kunnen verzoeken de voorraad goud (onaangekondigd) kunnen inventariseren of de analyses van goudzuiverheid kunnen controleren.
5.26. Klaagster vindt kortom dat betrokkene onvoldoende professionele oordeelsvorming heeft toegepast bij het plannen en uitvoeren van de controlewerkzaamheden. Hierdoor heeft betrokkene nagelaten voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen teneinde het controlerisico naar een aanvaardbaar laag niveau terug te brengen om zodoende in staat te zijn om redelijke conclusies te trekken waarop hij zijn oordeel kon baseren.
5.27. Betrokkene heeft bij deze verwijten een aantal nuanceringen aangebracht..
5.27.1. Betrokkene was zich bewust van de transactiestroom handel in goud. Dat blijkt uit de beschrijving van de huishouding 2020 (‘De opbrengststromen zit hem in RVS en in non-ferro en edelmetalen’). Bij de initiële cijferbeoordeling van de omzet hadden de specifieke kenmerken van de handel in goud ook de aandacht van betrokkene. Daarin is opgenomen dat op de verkoop van edelmetalen een lage marge wordt behaald en dat de toename in nog te factureren omzet opvallend is en extra aandacht behoeft.
5.27.2. Betrokkene heeft vervolgens brondocumentatie opgevraagd en ontvangen over de handel in goud. Op die documentatie heeft betrokkene de nodige controlewerkzaamheden uitgevoerd, waarbij hij heeft geprobeerd gegevensgerichte cijferanalyses uit te voeren door diverse brondocumenten op elkaar aan te sluiten. De verschafte informatie was echter ontoereikend om de geld-goederenbeweging sluitend te krijgen. Dat oordeel had betrokkene in zijn verklaring van oordeelonthouding opgenomen en betreft dus niet uitsluitend de handel in schroot maar ook de handel in goud. Betrokkene heeft in het controledossier vastgelegd (werkprogramma omzet) dat de in- en verkoopfacturen niet volledig konden worden aangesloten op elkaar dan wel op de bank.
5.27.3. Wat volgens betrokkene nog meespeelt is dat [BV1] de in- en verkoop van goud in haar administratie boekte tegen maandkoersen en niet tegen de ‘actuele’ transactiekoersen, terwijl sprake was van sterke schommelingen in de EUR/USD-wisselkoers. Dat bemoeilijkte de aansluitingen.
5.27.4. Betrokkene heeft geconcludeerd dat hij geen voldoende en geschikte controle-informatie heeft gekregen over de omzet, waaronder de omzet uit de verkoop van goud. Dat was de reden voor zijn oordeelonthouding. Dat is uitdrukkelijk in de verklaring onder woorden gebracht.
De overwegingen van de Accountantskamer.
5.28. In algemene zin geldt dat als de risico-identificatie en -inschatting niet juist en volledig hebben plaatsgevonden, de daaropvolgende controlewerkzaamheden in beginsel onvoldoende professioneel-kritisch en met onvoldoende diepgang zullen plaatsvinden. Daarmee is het controlerisico, dat een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fouten of fraude wel voorkomt maar niet wordt ontdekt, te hoog.
Kort gezegd is de focus van de externe accountant immers niet scherp gesteld.
5.29. Betrokkene heeft op 9 juli 2020 aan een medewerker van [BV1] het volgende e-mailbericht gestuurd:
‘Ook voor goud is het van belang om naast 2020 ook 2019 te kunnen volgen.
Van belang hierbij is dan ook dat de grammen te volgen zijn. De huidige in- en verkoopfacturen hebben afgeronde kilo's. Ik weet niet of de huidige nota’s voldoen aangezien deze dus niet per gram zijn.
Het mooiste zou zijn dat de binnenkomende levering in grammen te volgen zijn van:
- Leverancier ontvangst (weeg bon extern / factuur leverancier)
- Inkoopfactuur/ (selfbilling)
- Verkoopfactuur/ (selfbilling)
- Weeg bon extern / factuur extern van klant
In principe zouden de leveringen 1 op 1 (in grammen) te volgen moeten zijn.
Ook vanuit eventuele WWFT / Compliance is het van belang om de goudstroom inzichtelijk te hebben’.
5.30. In reactie op dat e-mailbericht stelt betrokkene dat hij onder meer een ordner heeft ontvangen met facturen en aangehechte leverbonnen voor de goudtransacties uit 2020 en een e-mail met door betrokkene geselecteerde transacties. Deze informatie was volgens betrokkene onvoldoende om de geld-goederenbeweging – ook en niet uitsluitend wat goud betreft – sluitend te krijgen. Dat kwam omdat de in- en verkoopfacturen niet volledig op elkaar of op de bank konden worden aangesloten. Die conclusie heeft betrokkene neergelegd in het Werkprogramma omzet handel. Daarin staat onder meer (het Werkprogramma gaat met name in op de handel in ferro en non-ferro, niet op goudhandel) dat ‘een totaal overspannende controle’ ontbreekt, dat de diverse bestanden niet aan elkaar te linken zijn door het ontbreken van overeenkomende kenmerken. Daarnaast beschrijft betrokkene de onmogelijkheid om in- en verkoopnota’s op elkaar aan te sluiten:
‘Als laatste stap volgen de verkoop en inkoopnota’s beide zouden 1 op 1 moeten aansluiten met de bestanden echter worden hier dan ook weer andere benamingen gebruikt of wordt op de factuur neergezet 1 stuks en dan wordt daarmee de gehele order benoemd. De data is daardoor niet rond te rekenen. Dit geldt tevens ook voor de edelmetalen (goud). Hiervan worden soms de eenheden aangegeven dit MT is, terwijl dit eigenlijk kilo’s moeten zijn.
Een eventuele geldgoederenbeweging zou te maken kunnen zijn. Dit is door [BV1] in 2019 ook geprobeerd. Dit is uiteindelijk niet gelukt door het ontbreken van eenduidige stukken. Voor 2020 geldt hetzelfde.
Door bovenstaande omstandigheden kan er geen sluitende geld-goederenbeweging gemaakt worden. De facturen van [BV1] (inkoop en verkoop) en weegbonnen ([BV1]) kunnen nu alsnog worden geprint. Echter geeft dit geen zekerheid voor de controle. De uitzonderingen zijn niet vastgelegd gedurende het jaar.
Wij kunnen derhalve geen uitspraak doen over de volledigheid van de omzet’.
Gelet op een en ander komt betrokkene tot de conclusie dat een verklaring met oordeelonthouding moet worden afgegeven.
5.31. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene te snel tot die conclusie is overgegaan. Als tijdens de uitvoering blijkt dat controle-informatie ontbreekt of ontoereikend is, dan moet de accountant aanvullende (of alternatieve) werkzaamheden plannen en uitvoeren om alsnog voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen (Standaard 500.11). Pas als dat redelijkerwijs niet mogelijk is (bijvoorbeeld als sprake is van objectieve beperkingen, of als er geen alternatieve procedures beschikbaar zijn) kan een oordeelaanpassing (Standaard 705) in beeld komen, waarbij de accountant op grond van Standaard 705 ook moet overwegen of er omstandigheden bestaan die ertoe kunnen leiden dat hij de controle-opdracht moet teruggeven. Ingeval van een aanpassing van het oordeel moet duidelijk zijn welke werkzaamheden zijn uitgevoerd en waarom die niet tot voldoende en geschikte controle-informatie konden leiden. In dat verband heeft klaagster een aantal voorbeelden van werkzaamheden opgesomd, zoals het inventariseren van de voorraad goud (begin- en eindvoorraad) en het plannen en uitvoeren van detailcontroles, bijvoorbeeld het opvragen van externe bevestigingen.
5.31.1. Wat de voorraadinventarisatie betreft stelt klaagster dat betrokkene geen voldoende en geschikte controle-informatie heeft verkregen over de begin- en eindvoorraad goud. Betrokkene heeft een en ander in zijn verweerschrift niet weersproken. Ter zitting heeft betrokkene echter naar voren gebracht dat hij de kluis waarin het goud zou zijn opgeborgen tweemaal heeft geopend. Dat staat ook in de zienswijze van [accountantskantoor1] van 4 april 2024 in reactie op het conceptrapport van klaagster. Zowel op 7 januari 2020 als op 17 december 2020 was geen goud voorradig, aldus betrokkene. De Accountantskamer stelt vast dat deze voorraadinventarisatie niet is vastgelegd in het controledossier. De Accountantskamer kan er dus niet vanuit gaan dat betrokkene deze inventarisatie daadwerkelijk heeft verricht. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij niet in de kofferbak van de auto heeft gekeken waaarmee goud werd vervoerd.
5.31.2. Betrokkene had de beschikking over een Excel-bestand van [BV1], waarin ingaande en uitgaande transacties staan geregistreerd. Dat bestand bevond zich overigens niet in het controledossier, maar heeft betrokkene opgevraagd tijdens de interimcontrole. Volgens dat bestand zou per eind 2020 een voorraad van 267 kilogram, met een waarde van ongeveer € 14 mln, aanwezig moeten zijn bij [BV1]. Die informatie sloot niet aan op de (niet-vastgelegde) waarneming van betrokkene bij het openen van de kluis. Daarmee was wel duidelijk dat betrokkene niet op het Excel-bestand kon vertrouwen, hetgeen betrokkene heeft onderkend. Het bestand was niet bijgewerkt per eind december 2020. De Accountantskamer heeft niet kunnen vaststellen dat betrokkene deze transactiegegevens heeft gecontroleerd voor zover ze wel waren bijgewerkt. Betrokkene had aan de hand van een overzicht van transactiegegevens veel gerichter te werk kunnen gaan in het opsporen van ontbrekende informatie. Betrokkene had in dat geval kunnen overwegen of het opvragen van externe bevestigingen in dit geval toereikende controle-informatie zou kunnen verschaffen. In dat verband heeft betrokkene ter zitting toegelicht dat hij ervaring had opgedaan met externe bevestigingen over een eerder boekjaar, maar dat de respons laag lag. Het ging in dat eerdere boekjaar echter over externe bevestigingen inzake de schroothandel. Bij de handel in goud gaat het om andere afnemers met wie betrokkene nog geen ervaring had.
5.32. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene onvoldoende controlewerkzaamheden heeft opgezet en uitgevoerd om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over het voorkomen van de omzet uit de verkopen van goud. Het klachtonderdeel is gegrond.
6. De maatregel
6.1. De klacht is geheel gegrond. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van doorhaling op in de registers. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene bij de onderhavige wettelijke controle zeer zwak heeft gehandeld. Hij heeft ten aanzien van de handel in goud de risico’s onvoldoende geïdentificeerd en ingeschat en is onvoldoende professioneel-kritisch geweest. Betrokkene is daarnaast op basale punten tekortgeschoten in het verkrijgen van voldoende en geschikte controle-informatie bij de uitvoering van zijn werkzaamheden op het voorkomen van omzet uit de handel in goud. De Accountantskamer overweegt dat betrokkene de controle van deze materiële post met onvoldoende diepgang heeft uitgevoerd. Betrokkene heeft daarmee het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid ernstig geschonden.
6.2. Betrokkene heeft zowel in zijn verweerschrift als ter zitting in eerlijkheid gedeeld welke fouten hij heeft gemaakt, welke lessen hij daaruit heeft getrokken en welke maatregelen hij en [accountantskantoor1] hebben getroffen om fouten als de onderhavige te voorkomen. Deze reflectie op een tuchtklacht laat zien dat betrokkene zich toetsbaar opstelt, verantwoording aflegt en maatregelen heeft getroffen. Maar de Accountantskamer ziet er geen reden in om een lichtere maatregel op te leggen. Het uitgangspunt moet immers zijn dat elke accountant voldoende maatregelen treft om de kwaliteit van de dienstverlening op het vereiste peil te brengen en te houden. De tekortkomingen in de risico-analyse en de controle-aanpak zijn zeer ernstig, terwijl de frauderisico’s evident aanwezig waren. In 2019 heeft de NBA een publiekscampagne (Nederland rekent op zijn accountants) gelanceerd waarbij de aandacht ook is gevestigd op de rol van de accountant ten aanzien van het ontdekken van fraude. Betrokkene had mede daarom extra alert kunnen en behoren te zijn.
6.3. Het maatschappelijk verkeer moet erop kunnen vertrouwen dat wettelijke controles worden uitgevoerd in overeenstemming met de vereisten. De Accountantskamer is er niet van overtuigd, ook niet na de beantwoording ter zitting, dat betrokkene wezenlijk is doordrongen van de eisen die aan het werk van een controlerend accountant worden gesteld. De Accountantskamer bepaalt daarom de termijn waarbinnen betrokkene zich niet opnieuw kan inschrijven op zes maanden.
7. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan betrokkene op de maatregel van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder e. Wtra, welke maatregelingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden én de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd;
- bepaalt de termijn waarbinnen betrokkene niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven op zes maanden;
- verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven.
Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. I.F. Clement (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en mr. drs. J.B. Backhuijs RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Vonnis rechtbank Amsterdam van 26 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2282.
[2] ECLI:NL:GHAMS:2024:1784
[3] Arrest van 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1096.
[4] Standaard 240.26 die verwijst naar Standaard 315.