ECLI:NL:TACAKN:2026:15 Accountantskamer Zwolle 25/2666 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:15
Datum uitspraak: 23-03-2026
Datum publicatie: 23-03-2026
Zaaknummer(s): 25/2666 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met doorhaling
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht. Betrokkene heeft onjuiste aangiften Inkomstenbelasting ingediend. Hij heeft namelijk rente voor de eigen woning afgetrokken voor leningen waarvan hij het bestaan niet kon aantonen. Betrokkene heeft erkend dat hij verkeerd heeft gehandeld en heeft daarom geen inhoudelijk verweer gevoerd. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit heeft gehandeld en legt aan hem de maatregel van doorhaling op voor de duur van vijf jaren.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 23 maart 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 8 oktober 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2666 Wtra AK van

KONINKLIJKE NEDERLANDSE BEROEPSORGANISATIE VAN ACCOUNTANTS

gevestigd te Hoofddorp

K L A A G S T E R

gemachtigde: drs. [A] RE RA

t e g e n

Y

voorheen accountant-administratieconsulent

wonende in [plaats1]

B E T R O K K E N E

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen en de aanvullende reactie van 13 november 2025.

1.2.        Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen voor de mondelinge behandeling, die op 13 februari 2026 zou plaatsvinden.

2.             De uitspraak samengevat

2.1.        Klaagster is door de Belastingdienst geïnformeerd dat betrokkene onjuiste aangiften Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) heeft ingediend. Hij heeft namelijk rente voor de eigen woning afgetrokken voor leningen waarvan hij het bestaan niet kon aantonen.

2.2.        Betrokkene heeft erkend dat hij verkeerd heeft gehandeld en heeft daarom geen inhoudelijk verweer gevoerd. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit heeft gehandeld en legt aan hem de maatregel van doorhaling op. Daarbij bepaalt de Accountantskamer de termijn waarbinnen betrokkene zich niet opnieuw kan inschrijven op vijf jaren.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene heeft zich in 1999 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. De inschrijving is op eigen verzoek doorgehaald per 31 december 2020.

3.2.        Betrokkene was eigenaar van een woning. Hij heeft in zijn aangiften IB/PVV over 2014, 2015, 2016 en 2017 rente in verband met de financiering van de eigen woning (eigenwoningrente) in aftrek gebracht tot een bedrag van € 39.237 (2014, 2015 en 2016) en

€ 11.101 (2017). Ook heeft betrokkene € 5.854 (2014, 2015 en 2016) en € 2.820 (2017) aan betaalde premies voor inkomensvoorzieningen in aftrek gebracht.

3.3.        De Belastingdienst heeft de definitieve aanslagen IB/PVV over 2014 en 2015 opgelegd conform de ingediende aangiften. Tijdens de behandeling van de aangifte IB/PVV over 2016 heeft de Belastingdienst betrokkene verzocht om informatie, onder andere over de renteaftrekposten. De Belastingdienst heeft geoordeeld dat betrokkene het bestaan van een lening, waarvoor in dat jaar € 30.767 aan rente door betrokkene is afgetrokken, niet aannemelijk heeft gemaakt. En dat betrokkene te kwader trouw heeft gehandeld. Daarom heeft de Belastingdienst navorderingsaanslagen IB/PVV over 2014 en 2015 opgelegd. Bij het opleggen van de definitieve aanslagen IB/PVV over 2016 en 2017 heeft de Belastingdienst de aftrekbare eigenwoningrente gecorrigeerd met € 30.767 naar € 8.470 (2016) en met € 3.257 naar € 7.844 (2017) en de aftrek van premies voor inkomensvoorzieningen gecorrigeerd met € 3.034 (2016).

Het daartegen ingestelde bezwaar van betrokkene is afgewezen.

3.4.        Betrokkene is in beroep gegaan tegen het besluit op het bezwaar van de Belastingdienst. De rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak van 13 april 2021 het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Belastingdienst voldoende aannemelijk gemaakt dat het aan (voorwaardelijke) opzet van betrokkene te wijten is dat de aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Daarom mocht de Belastingdienst, ook al is geen sprake van een nieuw feit, overgaan tot het opleggen van navorderingsaanslagen, die terecht aan betrokkene zijn opgelegd (ECLI:NL:RBDHA:2021:4894).

3.5.        Betrokkene is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag. In het arrest van 13 januari 2022 heeft het gerechtshof Den Haag de uitspraak bekrachtigd (ECLI:NL:GHDHA:2022:54).

4.             De klacht en de beoordeling daarvan

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Hij heeft namelijk (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften IB/PVV gedaan over 2015 tot en met (naar de Accountantskamer begrijpt) 2017. Daarmee heeft betrokkene volgens klaagster in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit.

4.2.        Betrokkene heeft in reactie op het klaagschrift toegelicht dat hij in de jaren 2014, 2015 en 2016 (daarna niet meer) gebruik heeft gemaakt van een ‘constructie waarbij geld over en weer is geleend’. Die constructie heeft betrokkene uitgevoerd met gesloten beurzen, zodat er verder geen bewijsstukken van zijn. Achteraf gezien kwalificeert betrokkene het opzetten en deelnemen aan deze constructie als dom en ondoordacht.

4.3.        De Accountantskamer overweegt als volgt.

4.3.1.    Het indienen van de eigen belastingaangifte moet worden aangemerkt als een professionele dienst, omdat het werkzaamheden zijn waarvoor betrokkene zijn vakbekwaamheid als accountant aanwendt of kan aanwenden[1]. Betrokkene handelde dus in de uitoefening van het accountantsberoep. De accountant moet zich bij het verrichten van de professionele dienst houden aan alle fundamentele beginselen uit de de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). De Accountantskamer zal het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft daaraan toetsen.

4.3.2.    Uit de uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof Den Haag[2] volgt dat betrokkene in zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2015, 2016 en 2017 aanzienlijke bedragen aan eigenwoningrente in aftrek gebracht zonder dat hij deze met bewijsstukken kon onderbouwen. Ten aanzien van de belastingaangifte over 2015 heeft het gerechtshof bovendien aangenomen dat hij te kwader trouw heeft gehandeld. De belastingaangifte over 2017 is door de Belastingdienst gecorrigeerd. Daaruit leidt de Accountantskamer af dat betrokkene, anders dan hij beweert in het verweerschrift, ook na belastingjaar 2016 nog gebruik heeft gemaakt van de constructie van het over en weer en met gesloten beurzen geld lenen.

4.3.3.    Van een accountant wordt verlangd dat hij eerlijk en oprecht handelt, ook in zijn privéaangelegenheden wanneer deze het vertrouwen in het beroep raken. Betrokkene heeft structureel renteaftrek geclaimd zonder onderbouwing en dit gedrag meerdere jaren voortgezet. Betrokkene heeft daarmee evident in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit en heeft het aanzien van het beroep ernstig geschaad (schending van het fundamentele beginsel van professionaliteit). De klacht is dan ook gegrond.

5.             De maatregel

5.1.        Omdat de klacht gegrond is, legt de Accountantskamer betrokkene een tuchtrechtelijke maatregel op. In dit geval heeft betrokkene over meerdere belastingjaren onjuiste belastingaangiften gedaan en zich bediend van een ‘constructie’ waarvan hij achteraf ook concludeert dat dit niet had gemoeten. Die ingeving achteraf heeft echter bij betrokkene niet eerder geleid tot concrete actie door de Belastingdienst te informeren over de onjuiste aangiftes. Sterker, hij heeft de constructie in rechte verdedigd bij de rechtbank en het gerechtshof. Betrokkene heeft voor eigen gewin gehandeld en heeft geprobeerd te profiteren van een fictief, te hoog opgevoerde belastingaftrek. Dat is een uiterst kwalijke zaak, waarmee betrokkene het accountantsberoep in diskrediet heeft gebracht. De Accountantskamer is van oordeel dat bij zo’n ernstige schending van de integriteit en professionaliteit de maatregel van doorhaling op zijn plaats is. Het feit dat betrokkene al is uitgeschreven weegt daarbij niet mee, omdat betrokkene zich in beginsel weer opnieuw zou kunnen inschrijven. De Accountantskamer bepaalt de duur van het verbod op herinschrijving op vijf jaren.

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt aan betrokkene op de maatregel van doorhaling van de inschrijving van de accountant           in de registers als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder e. Wtra, welke maatregelingaat op    de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden én de       voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd;
     
  • bepaalt de termijn waarbinnen betrokkene niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven op vijf jaren;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven.

Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. A.M. van Amsterdam en mr. P. Volker (rechterlijke leden) en drs. D. van der Bij RA en C.M. Verdiesen AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] Zie artikel 1 van de VGBA.

[2] Betrokkene is niet in cassatie gegaan tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, dat daarom gezag van gewijsde heeft.