ECLI:NL:TACAKN:2026:13 Accountantskamer Zwolle 25/2062 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:13
Datum uitspraak: 20-03-2026
Datum publicatie: 20-03-2026
Zaaknummer(s): 25/2062 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht ongegrond
  • Klacht gegrond met doorhaling
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht over een kantoortoetsing. Klaagster heeft, na een eerdere kantoortoetsing, een hertoetsing uitgevoerd. Daaruit blijkt volgens klaagster dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van het accountantskantoor van betrokkene in opzet en werking nog altijd niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Ook heeft betrokkene nagelaten om de monitoringsvragenlijst 2025 in te vullen en te retourneren aan klaagster. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van doorhaling op voor vijf jaren en verklaart de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 20 maart 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 29 juli 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2062 Wtra AK van

KONINKLIJKE NEDERLANDSE BEROEPSORGANISATIE VAN ACCOUNTANTS

gevestigd in Hoofddorp

K L A A G S T E R

gemachtigde: mr. R. den Boer

t e g e n

y

registeraccountant

kantoorhoudende te [plaats1]

B E T R O K K E N E

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen;
  • het verweerschrift van betrokkene met bijlagen;
  • de pleitaantekeningen die klaagster tijdens de zitting heeft overgelegd.

Het verweerschrift van betrokkene is te laat ingediend. De Accountantskamer heeft het toch toegelaten, ook omdat klaagster tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij daartegen geen bezwaar heeft.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 13 februari 2026. Voor klaagster is [B] verschenen, bijgestaan door mr. L.A.I. Franssen en mr. K.A. Groenendijk. Betrokkene is in persoon verschenen.  

2.             De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1.        Klaagster heeft, na een eerdere kantoortoetsing, een hertoetsing uitgevoerd. Daaruit blijkt volgens klaagster dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van het accountantskantoor van betrokkene in opzet en werking nog altijd niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Ook heeft betrokkene nagelaten om de monitoringsvragenlijst 2025 in te vullen en te retourneren aan klaagster.  

De beslissing van de Accountantskamer.

2.2.        De klacht is geheel gegrond. Daarom legt de Accountantskamer aan betrokkene de maatregel van doorhaling op. Betrokkene mag zich gedurende vijf jaren niet opnieuw inschrijven als accountant.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene was sinds 1991 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Op 3 juli 2015 heeft klaagster een tuchtklacht tegen hem ingediend in verband met een kantoortoetsing, die de Accountantskamer gegrond heeft verklaard. Aan betrokkene is de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van achttien maanden opgelegd bij uitspraak van 18 december 2015. De last tot tenuitvoerlegging van deze maatregel is op 18 maart 2017 afgegeven. Per 21 juni 2019 is betrokkene weer ingeschreven als accountant in het register van de NBA. Betrokkene is verbonden aan [accountantskantoor1], die handelt/handelde onder verschillende namen: [accountantskantoor1], [accountantskantoor2], [administratiekantoor1], [administratiekantoor2].  

3.2.        In november 2022 heeft de Raad voor Toezicht van klaagster (hierna: de Raad) het accountantskantoor van betrokkene getoetst. Die toetsing heeft geleid tot het eindoordeel van de Raad van 28 april 2023 dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de praktijk van betrokkene in opzet en in werking niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en verbetering behoeft. Betrokkene is in de gelegenheid gesteld om een verbeterplan in te dienen, dat ook na aanvullingen daarvan, niet is goedgekeurd door de Raad.

3.3.        Op 5 maart 2024 heeft de Raad aangekondigd dat een hertoetsing zal plaatsvinden. Betrokkene heeft daarop – op 17 maart 2024 – verzocht om vrijstelling van de kantoortoetsing. De praktijk heeft volgens betrokkene een beperkt aantal assuranceopdrachten of aan assurance verwante opdrachten verricht in 2024, als gevolg van de verdere opbouwfase waarin het accountantskantoor zich toen bevond. Een hertoetsing zou hierdoor onvoldoende representatief zijn voor de effectieve werking van het kwaliteitssysteem. De Raad heeft het verzoek om vrijstelling afgewezen op 20 maart 2024.

3.4.        Op 1 juli 2024 heeft de hertoetsing plaatsgevonden. De toetsers hebben drie dossiers geselecteerd voor toetsing. Een van die dossiers, een overige assurance opdracht, is onvoldoende bevonden. De toetsers hebben hun bevindingen vastgelegd in het concept-toetsingsverslag van 4 juli 2024. Betrokkene heeft op 26 augustus 2024 en op 2 september 2024 op dit conceptverslag gereageerd. De Raad heeft in zijn eindoordeel van 21 oktober 2024 geoordeeld dat het kwaliteitssysteem van de accountantspraktijk van betrokkene in opzet en werking niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De Raad heeft tevens zijn voornemen geuit de onderhavige tuchtklacht in te dienen. Betrokkene heeft per brief van 21 oktober 2024 een zienswijze ingediend, maar de Raad heeft per bericht van 24 december 2024 laten weten dat de reactie van betrokkene geen nieuwe feiten of omstandigheden aan het licht heeft gebracht die de Raad aanleiding geven om zijn voornemen het bestuur te adviseren een tuchtklacht tegen betrokkene in te dienen te moeten herzien.

3.5.        Daarnaast heeft de Raad betrokkene op 30 oktober 2024 verzocht om de monitoringsvragenlijsten 2025 (voor de praktijken [accountantskantoor1] en [administratiekantoor2]) in te vullen en af te ronden. Aan dat verzoek is betrokkene (geautomatiseerd) herinnerd op 12 en 31 december 2024. Op onder meer 14 en 27 januari 2025 en 3 februari 2025 heeft klaagster geprobeerd telefonisch contact op te nemen met betrokkene om aan de invulling van de monitoringsvragenlijsten te herinneren, maar die pogingen hebben niet geleid tot contact.

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klaagster verwijt betrokkene, samengevat, dat de opzet en werking van het kwaliteitssysteem van het accountantskantoor van betrokkene niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

4.2.        Klaagster verwijt betrokkene het volgende:

1. Er zijn tekortkomingen in het kwaliteitssysteem vastgesteld;

2. Er zijn tekortkomingen in het getoetste dossier betreffende een overige assurance opdrachtvastgesteld.

3. Betrokkene vult de monitoringsvragenlijsten 2025 ondanks herhaaldelijk verzoek niet in.

5.             De beoordeling

5.1.        Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA), de Nadere Voorschriften Kwaliteitssystemen (NVKS), de Verordening inzake Onafhankelijkheid (ViO), de Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen (VoKwb) en onderliggende regelgeving.

5.2.        Klaagster heeft haar klacht gebaseerd op de bevindingen van de toetsers tijdens de hertoetsing in juli 2024. De toetsers hebben tekortkomingen op stelselniveau geconstateerd (daarover gaat klachtonderdeel 1), maar ook tekortkomingen in één van de drie getoetste dossiers (daarover gaat klachtonderdeel 2).

5.3.        Betrokkene heeft aangevoerd dat het niet mogelijk is om conclusies te trekken over de opzet en werking van het stelsel van kwaliteitsbeheersing op basis van drie dossiers, waarvan overigens maar één onvoldoende is bevonden. Evenmin zijn volgens hem uitspraken te doen over de periode waarin het stelsel niet goed zou hebben gefunctioneerd. Een test van de effectieve werking moet volgens betrokkene met de juiste frequentie over de gehele periode waarover een uitspraak wordt gedaan, worden uitgevoerd.

5.4.        De Accountantskamer verwerpt dit verweer van betrokkene. Betrokkene heeft ter zitting toegelicht dat het leeuwendeel van zijn omzet voortkomt uit activiteiten als accountant in business. Dat laat echter onverlet dat betrokkene ook accountantsopdrachten uitvoert die vallen onder de NVKS. Op grond van deze regelgeving is betrokkene gehouden te waarborgen dat NVKS-opdrachten worden uitgevoerd conform de van toepassing zijnde wet- en regelgeving[1]. Een van de getoetste dossiers vertoont serieuze tekortkomingen die bij betrokkene bekend waren of bekend hadden moeten zijn. Daarmee is betrokkene ook bekend of moest hem dat bekend zijn dat hij niet aan de bedoelde waarborg heeft voldaan. Betrokkene kan daarop tuchtrechtelijk worden aangesproken. Anders dan betrokkene meent doet klaagster geen uitspraak over de periode waarin het stelsel niet heeft voldaan. Het gaat om een toetsingsmoment.

Klachtonderdeel 1. Er zijn tekortkomingen in het kwaliteitssysteem op stelselniveau vastgesteld.

5.5.        Klaagster heeft vier tekortkomingen in het kwaliteitssysteem op stelselniveau aangevoerd.

5.5.1.    Volgens artikel 12 van de Verordening inzake onafhankelijkheid (Vio) moet de accountant in het assurance-dossier opnemen hoe hij de onafhankelijke uitvoering van de assurance-opdracht waarborgt. Betrokkene heeft wel een algemene onafhankelijkheidsverklaring getekend ten aanzien van de onafhankelijkheid van de opdrachtgevers van het kantoor, maar hij heeft geen verklaring per opdracht getekend en in de onderliggende dossiers opgenomen, waardoor zijn onafhankelijkheid van het object van controle en de opstellers daarvan niet zichtbaar is vastgesteld. Daarmee voldoet hij niet aan artikel 12 van de Vio, zo stelt klaagster.

5.5.2.    De inrichtingsjaarrekening van [accountantskantoor1] over 2023 sluit niet aan op de gedeponeerde jaarrekening 2023. Klaagster heeft namelijk vastgesteld dat debet niet gelijk is aan credit. Datzelfde geldt voor de jaarrekeningen 2022. Daarnaast heeft klaagster jaarrekeningen niet tijdig gedeponeerd. Juist van een accountant mag worden verwacht dat hij controleert of de stukken die hij openbaart en/of publiceert, kloppen en dat hij zich houdt aan de termijnen die gelden voor het publiceren van jaarrekeningen, aldus klaagster.

5.5.3.    Artikel 22, eerste lid, van de NVKS bepaalt dat de kwaliteitsmanager ten minste jaarlijks evalueert of het stelsel van kwaliteitsbeheersing relevant en toereikend is en of dat wordt nageleefd op opdrachtniveau, door middel van dossierreviews. Deze jaarlijkse evaluatie heeft als doel het bewaken van de naleving en effectiviteit van het stelsel van kwaliteitsbeheersing. Klaagster heeft vastgesteld dat er over het jaar 2023 geen evaluatie van het stelsel van kwaliteitsbeheersing heeft plaatsgevonden. Het is klaagster overigens onduidelijk of betrokkene het verlicht regime van artikel 27 lid 2 NVKS toepast, aangezien het SRA-handboek volledig is geïmplementeerd.

5.5.4.    Op grond van artikel 4, derde lid, Nadere voorschriften permanente educatie 2019 moet een accountant uiterlijk 31 januari van elk jaar verklaren of hij heeft voldaan aan de verplichting in zijn PE-portfolio vast te leggen op welke wijze hij zijn vakbekwaamheid in het desbetreffende jaar bijhoudt. Dat is een complianceverklaring. Uit de complianceverklaringen van betrokkene blijkt echter dat deze telkens pas in april van het jaar volgend op het PE-jaar wordt afgegeven. Dit is structureel ruim twee maanden te laat.

5.6.        Betrokkene heeft deze tekortkomingen niet in zijn verweer, maar ook niet tijdens de zitting inhoudelijk betwist.

5.7.        De Accountantskamer overweegt het volgende.

5.7.1.    De Accountantskamer is het met klaagster eens dat in ieder afzonderlijk dossier een onafhankelijkheidsverklaring moet zijn opgenomen. Dat volgt rechtstreeks uit artikel 12 van de Vio. Betrokkene heeft dit niet weersproken. Het verwijt is dan ook terecht voorgedragen.

5.7.2.    Betrokkene heeft erkend dat er fouten of verschillen in de inrichtings- en gedeponeerde jaarrekeningen zaten die niet mogen voorkomen. Hij zal dit rechtzetten, zo heeft betrokkene ter zitting beloofd. Dat laat onverlet dat vaststaat dat betrokkene voor zijn onderneming onjuiste jaarrekeningen heeft opgesteld en dat hij deze niet tijdig heeft gedeponeerd. Dat is, zeker voor een accountant, onaanvaardbaar. Het verwijt is dan ook terecht voorgedragen.

5.7.3.    De Accountantskamer is het niet eens met de klacht over de jaarlijkse evaluatie. Betrokkene is de enige medewerker van de accountantspraktijk. Dat betekent dat op grond van artikel 27 lid 2 NVKS het verlichte regime van toepassing is, mits betrokkene op andere wijze waarborgt dat aan de eisen uit artikel 4 lid 1 NVKS wordt voldaan (daarin is opgenomen dat de kwaliteitsbepaler verantwoordelijk is voor een kwaliteitssysteem dat een redelijke mate van zekerheid geeft dat NVKS-opdrachten worden uitgevoerd conform de van toepassing zijnde wet- en regelgeving). Ook moet hij jaarlijks een evaluatie uitvoeren van de kwaliteitsambitie en van de wijze waarop hij heeft gewaarborgd dat NVKS-opdrachten conform de van toepassing zijnde wet- en regelgeving zijn uitgevoerd. Aan die verplichtingen heeft betrokkene voldaan. De toetsers hebben immers vastgesteld dat betrokkene de kwaliteitsambitie heeft geëvalueerd met [C] AA.

5.7.4.    Klaagster stelt dat betrokkene vrijwillig heeft gekozen voor het volledige NVKS-regime, omdat hij ‘onverkort het SRA kantoorhandboek heeft geïmplementeerd’. Om die reden zou de jaarlijkse evaluatie moeten plaatsvinden met de kwaliteitsmanager (artikel 22 NVKS). Daarmee heeft betrokkene wellicht aanvullende kwaliteitseisen op zich genomen, maar dat kan de Accountantskamer niet vaststellen. Het SRA kantoorhandboek is niet overgelegd en ambtshalve is het de Accountantskamer bekend dat SRA vijf versies van het kantoorhandboek heeft opgesteld. Wat er van zij, het opnemen van aanvullende kwaliteitseisen in een kantoorhandboek brengt niet mee dat de praktijk van betrokkene enkel om die reden onder het volledige NVKS-regime zou vallen en dat betrokkene dus op die grond gehouden zou zijn de jaarlijkse evaluatie te houden met de kwaliteitsmanager (die betrokkene niet in dienst heeft, nu hij als enige werkzaam is binnen zijn praktijk). Kortom, in zoverre is het verwijt niet terecht.

5.7.5.    Wel terecht is de klacht dat betrokkene de PE-complianceverklaring een aantal keren te laat heeft ingediend. Betrokkene heeft ter zitting hierover toegelicht dat hij ermee bekend is dat de complianceverklaring uiterlijk 31 januari van het volgende kalenderjaar moet worden ingediend. Toch voldoet hij niet aan die termijn. Dat betrokkene nog niet met zijn PE-portfolio klaar was, terwijl hij wel een PE-complianceverklaring heeft afgegeven, is naar het oordeel van de Accountantskamer tuchtrechtelijk verwijtbaar.

5.8.        De conclusie is dat het klachtonderdeel grotendeels, met uitzondering van het verwijt aangaande de jaarlijkse evaluatie, gegrond is.

Klachtonderdeel 2. Er zijn tekortkomingen in het getoetste dossier betreffende een overige assurance opdracht vastgesteld.

5.9.        Klaagster heeft toegelicht dat de toetsers drie dossiers hebben beoordeeld, een samensteldossier en twee dossiers betreffende overige assurance opdrachten. Het laatste dossier (overige assurance opdrachten, een opdracht voor een uitzendbureau) is onvoldoende bevonden op de onderdelen 1) planning van de werkzaamheden, 2) uitvoering, evaluatie en oordeelsvorming, 3) opdrachtaanvaarding- en continuering en 4) documentatie. Volgens klaagster volgt daaruit dat het accountantskantoor van betrokkene nog altijd niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Ad 1) Planning van de werkzaamheden.

5.9.1.    In de eerste plaats is vastgesteld dat betrokkene zijn onafhankelijkheid heeft beoordeeld en vastgelegd in een specifieke vragenlijst, maar dat deze vragenlijst pas na afgifte van de verklaring is opgemaakt en opgenomen in het dossier. Dat is volgens klaagster in strijd met Standaard 805.7 en artikel 6 van de Vio.

5.9.2.    In de tweede plaats heeft betrokkene inzake de bedrijfskosten geen nadere beschrijving van de administratieve organisatie/interne beheersing (ao/ib) van het daarmee samenhangende proces opgenomen. Dat is op grond van Standaard 315.19 wel vereist. Het onderdeel is afgewerkt met de mededeling ‘N.v.t.’, terwijl een dergelijke beschrijving en bijbehorende lijncontrole waarmee het bestaan van de ao/ib wordt vastgesteld wel had moeten plaatsvinden.

 Ad 2) Uitvoering, evaluatie en oordeelsvorming.

5.9.3.    De toetsers hebben specifiek gekeken naar de controle van de opgave van de bestedingen aan het bevorderen van duurzame inzetbaarheid inzake de uitzendbranche. De toetsers hebben daarvoor de post ‘Cursus loonjournaalposten en financiële administratie’ geselecteerd. Uit het dossier is de toetsers gebleken dat betrokkene heeft gecontroleerd of de facturen overeenstemmen met aanwezigheid bij de cursus (presentieverklaringen). De facturen zijn echter afgedrukt op blanco papier, zonder logo van het bedrijf. Tevens blijkt dat twee bedrijven op hetzelfde adres zijn gevestigd. Betrokkene heeft gesteld dat hij controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd om na te gaan of de ondernemingen bestaan, maar die werkzaamheden zijn niet vastgelegd in het dossier. Bij aanvang is fraude door hem als specifiek risico aangemerkt, maar daarop gerichte aanvullende werkzaamheden zijn gepland noch  verricht. Volgens klaagster blijkt uit het dossier onvoldoende dat betrokkene een professioneel-kritische instelling heeft gehanteerd.

Ad 3) Opdrachtaanvaarding- en continuering.

5.9.4.    De toetsers hebben vastgesteld dat er geen bewijs van registratie in het UBO-register is opgevraagd voordat de klant, het uitzendbureau, was geaccepteerd. Dat is een verplichting op grond van artikel 4, lid 2, van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft).

Ad 4) Documentatie.

5.9.5.    Betrokkene heeft de controleverklaring afgegeven op 2 juni 2024. Op dat moment, zo hebben de toetsers vastgesteld, was de benodigde onderbouwing niet opgenomen in het dossier. De noodzakelijke overwegingen en documenten zijn pas toegevoegd in het dossier nadat de verklaring was afgerond. Dat is volgens klaagster in strijd met artikel 12 van de NVKS.

5.10.      Betrokkene heeft in zijn verweerschrift de voorgaande tekortkomingen onder 1 tot en met 4 niet betwist. Ter zitting heeft betrokkene aangevoerd dat de dochter- en holdingmaatschappij (verbonden partijen) de facturen ter zake van de cursus hebben geboekt op basis van blanco facturen, maar dat hij in het controledossier wel de onderliggende factuur van de opleider heeft opgenomen. Betrokkene heeft dat echter niet aangetoond door de onderliggende factuur over te leggen tezamen met zijn controlebevindingen. Het blijft dus bij een niet onderbouwd verweer, dat de Accountantskamer niet zal volgen.

5.11.      De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster ook voor het overige terechte verwijten maakt, die door betrokkene bovendien niet zijn weersproken. Daarom is klachtonderdeel 2 gegrond.

Klachtonderdeel 3. Het niet indienen van de monitoringsvragenlijsten 2025.

5.12.      Betrokkene handelt volgens klaagster in strijd met de beroepsregels, omdat hij nalaat de monitoringsvragenlijsten 2025 in te vullen. Klaagster heeft in dit verband gewezen op de drie verzoeken die in de periode van eind 2024 aan betrokkene zijn gericht, maar waarop geen reactie is gekomen. Ter zitting heeft klaagster gesteld dat de monitoringsvragenlijsten uiteindelijk in januari 2026 zijn ontvangen.

5.13.      Betrokkene heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij zo laat monitoringsvragenlijsten heeft ingevuld en opgestuurd – anders dan dat [administratiekantoor1] geen accountantspraktijk meer is, zodat voor die praktijk geen monitoringsvragenlijst hoefde te worden ingevuld.

5.14.      De Accountantskamer overweegt het volgende. Het bestuur van klaagster vraagt jaarlijks informatie door middel van een monitoringsvragenlijst om inzicht te krijgen in de accountantseenheid, zo staat in artikel 4, eerste lid, van de VoKwb. Artikel 5, tweede lid, van de VoKwb verplicht de accountant deze inlichtingen te verschaffen, en wel binnen zes weken nadat het verzoek is gedaan (artikel 4, derde lid, van de VoKwb). Vast staat dat betrokkene niet tijdig aan de verzoeken om het invullen van de monitoringsvragenlijsten heeft voldaan. Betrokkene heeft voor dit nalaten geen aannemelijke verklaring geboden. [administratiekantoor1] was in voorgaande jaren een accountantspraktijk. Het had daarom op de weg van betrokkene gelegen om klaagster door middel van een ingevulde monitoringsvragenlijst erover te informeren dat [administratiekantoor1] met ingang van 2025 (blijkbaar) geen accountantspraktijk meer is.

5.15.      Klachtonderdeel 3 is gegrond.

6.             De maatregel

6.1.        De klacht is grotendeels gegrond. Daarom legt de Accountantskamer aan betrokkene een tuchtrechtelijke maatregel op.

6.2.        De Accountantskamer heeft meegewogen dat betrokkene eerder een tijdelijke doorhaling is opgelegd voor de duur van achttien maanden, omdat uit de kantoortoetsing was gebleken dat het stelsel van kwaliteitsbeheersing in opzet en werking niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Betrokkene was dus een gewaarschuwd man en wist dat bij het herleven van de inschrijving in 2019 het van groot belang was om orde op zaken te stellen. Deze recidive weegt de Accountantskamer daarom zwaar mee.

6.3.        Verder weegt de Accountantskamer mee dat betrokkene laat zien weinig op te hebben met de regels van de beroepsgroep: monitoringsvragenlijsten en complianceverklaringen worden structureel niet of te laat ingediend. Betrokkene handelt daarmee in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Veelzeggend is dat betrokkene zich niet toetsbaar opstelt in deze procedure. Betrokkene is er herhaaldelijk op gewezen dat hij een verweerschrift mag indienen, maar desondanks heeft betrokkene pas negen dagen voor de zitting – dus buiten de geldende termijn – van die gelegenheid gebruik gemaakt. Betrokkene heeft zelfs de eigen jaarrekeningen te laat gedeponeerd en deze bevatten fouten en zijn bovendien afwijkend van de inrichtingsjaarrekeningen.

6.4.        Op de vraag waarom betrokkene ondanks de slechte resultaten uit de kantoortoetsingen en de beperkte omzet uit de accountantspraktijk toch door wenst te gaan als openbaar accountant heeft betrokkene geen concreet antwoord kunnen geven.

6.5.        De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel op van doorhaling en bepaalt de termijn waarbinnen betrokkene zich niet kan herinschrijven op vijf jaren. Bovendien wordt de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat eventueel hoger beroep de maatregel niet opschort. Daarmee wordt het belang van het maatschappelijk verkeer, dat erop moet kunnen vertrouwen dat NVKS-opdrachten door een accountantspraktijk worden uitgevoerd in overeenstemming met de wet- en regelgeving, beschermd.

7.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart klachtonderdeel 1 deels ongegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat betrokkene niet in overeenstemming met het volledige NVKS-regime de jaarlijkse evaluatie heeft verricht met de kwaliteitsmanager, en voor het overige gegrond;
     
  • verklaart klachteronderdelen 2 en 3 gegrond.
  • legt aan betrokkene op de maatregel van doorhaling van de inschrijving van de accountant           in de registers als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder e. Wtra, welke maatregelingaat op    de tweede dag volgend op de dag waarop de voorzitter van de Accountantskamer een last         tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd;
  •  bepaalt de termijn waarbinnen betrokkene niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven op vijf jaren;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
  • verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. A.M. van Amsterdam en mr. P. Volker (rechterlijke leden) en drs. D. van der Bij RA en C.M. Verdiesen AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] Dat is een verplichting die rust op de kwaliteitsbepaler conform artikel 4, eerste lid, NVKS of op de eindverantwoordelijk accountant op grond van artikel 27, tweede lid, NVKS. Materieel is de verplichting dezelfde: waarborgen dat NVKS-opdrachten voldoen aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.