ECLI:NL:TACAKN:2026:10 Accountantskamer Zwolle 25/1557 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:10
Datum uitspraak: 27-02-2026
Datum publicatie: 27-02-2026
Zaaknummer(s): 25/1557 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht ongegrond
  • Klacht gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Betrokkene heeft in een notitie een opstelling gemaakt van de elementen die partijen hebben gebruikt om te komen tot een koopsom van de aandelen. Betrokkene heeft erkend dat in die opstelling een fout is gemaakt doordat in de jaarrekening een belastinglatentie was gevormd en betrokkene in zijn berekening is uitgegaan van het eigen vermogen in de jaarrekening en ten behoeve van de berekening opnieuw een belastinglatentie heeft bepaald zonder rekening te houden met de in de jaarrekening al gevormde latentie. Dat verwijt is dan ook terecht gemaakt. De Accountantskamer geeft betrokkene een waarschuwing, omdat hij onzorgvuldig heeft gehandeld. Klaagster vindt ook dat betrokkene de zoons had moeten adviseren een eigen adviseur in de arm te nemen, maar dat verwijt is volgens de Accountantskamer onterecht.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 27 februari 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 2 juni 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1557 Wtra AK van

de besloten vennootschap X B.V.

gevestigd in [plaats1]

K L A A G S T E R

advocaat: mr. D. Alblas te Barendrecht

t e g e n

Y

voorheen accountant-administratieconsulent

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. J.F. Garvelink te Amsterdam

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van beide partijen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 16 januari 2025. Voor klaagster is
[A] verschenen, bijgestaan (via een videoverbinding)door mr. Alblas. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.  

2.             De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1.        Klaagster exploiteerde tuinbouwbedrijven in [plaats1] en [plaats2]. Zij wilde dat drie zonen van de ondernemer zouden participeren in die bedrijven. Betrokkene heeft in dat kader - in samenwerking met kantoorgenoten - een herstructurering voorgesteld, waarbij klaagster haar aandelen aan een tussenholding heeft verkocht. Later is volgens klaagster gebleken dat betrokkene een fout heeft gemaakt bij de berekening die als uitgangspunt heeft gediend voor de bepaling van de koopsom voor de aandelen, waardoor de tussenholding is bevoordeeld met een bedrag van € 419.728. Omdat vervolgens door de tussenholding een deel van de aandelen tegen dezelfde koopsom aan de holdings van de zonen is overgedragen, stelt klaagster schade te hebben geleden.

De beslissing van de Accountantskamer.

2.2.        Betrokkene heeft in een notitie een opstelling gemaakt van de elementen die partijen hebben gebruikt om te komen tot een koopsom van de aandelen. Betrokkene heeft erkend dat in die opstelling een fout is gemaakt doordat in de jaarrekening een belastinglatentie was gevormd en betrokkene in zijn berekening is uitgegaan van het eigen vermogen in de jaarrekening en ten behoeve van de berekening opnieuw een belastinglatentie heeft bepaald zonder rekening te houden met de in de jaarrekening al gevormde latentie. Dat verwijt is dan ook terecht gemaakt. De Accountantskamer geeft betrokkene een waarschuwing, omdat hij onzorgvuldig heeft gehandeld. Klaagster vindt ook dat betrokkene de zoons had moeten adviseren een eigen adviseur in de arm te nemen, maar dat verwijt is volgens de Accountantskamer onterecht.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene stond ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Zijn inschrijving is op eigen verzoek doorgehaald met ingang van 1 september 2021. Betrokkene was verbonden aan [accountantskantoor1].

3.2.        [A] was de directeur-grootaandeelhouder van [BV1] (hierna: de Holding). De Holding exploiteerde een tuinbouwbedrijf in [plaats1] en [plaats2].

3.3.        Betrokkene had sinds (in ieder geval) boekjaar 2017 de opdracht de jaarrekening van de Holding samen te stellen, de financiële administratie te verwerken alsmede fiscale- en loonadministratieve werkzaamheden te verrichten.

3.4.        [A] wilde dat drie van zijn zoons vanaf 1 januari 2019 zouden participeren in de meer- en minderwaarden van de tuinbouwbedrijven. Betrokkene heeft [A] in dat traject geadviseerd, samen met andere adviseurs.

3.5.        Op 29 november 2018 heeft een bespreking plaatsgevonden met [A] en zijn drie zoons waarin betrokkene aan de hand van een presentatie een toelichting heeft gegeven op het stappenplan dat is opgesteld om tot de gewenste structuur te komen. Daarin is onder andere benoemd dat [A] een tussenholding zal oprichten, genaamd [BV2]. Tevens is besproken op welke wijze de aandelen zullen worden gewaardeerd, waarbij aangestipt is dat de Belastingdienst zich op het standpunt kan stellen dat sprake is van goodwill. Over de belastingclaim is het volgende opgenomen in het besprekingsverslag:

‘Toegelicht dat er een belastingclaim rust op de onderneming daar er een verschil is tussen de fiscale boekwaarde van de opstallen en de taxatie ervan. In het cijfervoorbeeld is deze op 20% gezet. Gezien de toekomstige daling van de tarieven van de VpB zou het percentage lager kunnen worden vastgesteld’.

3.6.        Op 14 januari 2019 heeft betrokkene een memo opgesteld waarin de herstructurering is geactualiseerd. Een taxateur had de grond van de locatie in [plaats1] namelijk op een hoger bedrag gewaardeerd dan waar betrokkene tijdens de bespreking op 29 november 2018 vanuit ging. In het memo staat het volgende:

Deze hogere waarde (van de grond, toevoeging Ack) leidt tot een hogere waarde van de aandelen van [BV3] met circa € 226.000. Door de lagere waarde van de opstallen daalt de latente belastingclaim met € 10.800 (20% van € 54.000) zodat de waarde van de aandelen per saldo met € 215.200 toeneemt (€ 226.000 -/- € 10.800).

(…)

Naar aanleiding van de laatst verstrekte gegevens met betrekking tot de concept-taxatie komt de

overdrachtsprijs uit op circa € 11.585.000 (€ 13.620.000 -/- € 2.035.000) . Dit is nog steeds een

globale indicatie daar het resultaat over 2018 nog niet bekend is en de commerciële en fiscale

boekwaarden van de activa nog niet definitief zijn vastgesteld per 31-12-2018.

3.7.        Op 23 december 2019 heeft de Holding de tussenholding [BV2] opgericht. Ook heeft de Holding op die datum de door haar gehouden aandelen in het kapitaal van [BV4]en [BV5] verkocht voor een gezamenlijke koopprijs van € 11.375.545 aan [BV2]. In de akte van overdracht aandelen is het volgende bepaald ten aanzien van de koopsom in artikel 1 onder c:

‘Volgens verklaring van partijen/de accountant van de venootschap is de koopsom voor de aandelen in overeenstemming met de werkelijke waarde van de aandelen (de intrinsieke waarde), waarvan blijkt uit de aan deze akte gehechte jaarcijfers van vennootschap 1 en vennootschap 2 en voormelde verklaring van partijen’.

3.8.        In een beslissing op het verzoek van [bedrijfsnaam1] v.o.f. (waarin de persoonlijke holdings van vader en zoons al samenwerkten) heeft de Belastingdienst meegedeeld dat de waarderingssystematiek akkoord is bevonden.

3.9.        De Holding heeft op enig moment haar naam gewijzigd in die van klaagster.

3.10.      Op 12 maart 2020 heeft de Holding 75% van haar aandelen in [BV2] verkocht aan de persoonlijke holdings van de drie zonen. Hierbij is uitgegaan van dezelfde waardering van de onderneming als die bij de overdracht op 23 december 2029.

3.11       In 2023 wenste klaagsterde resterende 25% aandelen in [BV2] te verkopen aan [BV2] (inkoop van eigen aandelen). De accountant die betrokkene heeft opgevolgd, [B] AA, heeft naar aanleiding van vragen van klaagster op 5 mei 2023 per e-mail geschreven dat in de berekening in 2019 van de waarde van de aandelen een fout is gemaakt. Die fout licht [B] als volgt toe:

‘Vorige week stelde [voornaam1] de vraag of ik een onderbouwing kon verstrekken van de berekende meer-/minderwaarde van het vorige traject.

Tijdens het opzoeken van de berekeningen en onderbouwingen hiervan ontdekte ik een fout in de berekening uit 2019.

Wat is er fout gegaan?

Tijdens het opstellen van de berekening is een fout gemaakt in de berekening van de latente belastingclaim.

De fout betreft niet het toepassen van een verkeerde percentage maar de methodiek hoe deze is berekend.

Helaas hebben destijds geen van de partijen ([accountantskantoor1], Belastingdienst en overige adviseurs) dit opgemerkt.

In de bijlage heb ik in het kader van transparantie de volledige berekening toegevoegd en zal ik verder toelichten wat er niet goed is gegaan.

Op het tabblad ‘intrinsieke waarde aandelen’ heb ik de herberekening wat het volgens mij had moeten zijn en de definitieve berekening 2019 naast elkaar gezet.

Zo is het direct inzichtelijk waar de verschillen in zitten, de verschillen heb ik geel gemarkeerd.

Zoals te zien zitten de verschillen alleen in de latenties.

In het Excel bestand is op tabblad 'Concept taxatie Vellekoop' de berekening van de latentie terug te vinden:

  • [plaats2] vanaf rij 50
  • [plaats1] vanaf rij 81

In de definitieve berekening 2019 is de latentie gevormd over het verschil tussen taxatiewaarden en fiscale boekwaarde.

In Kolom L van de desbetreffende rijen per locatie wordt duidelijk dat de latentie is berekend over de fiscale meerwaarde uit kolom K. De totalen van de latenties ([plaats2]: 384.611 / [plaats1]: 394.212) zie je terug in de definitieve berekening 2019.

De latentie had echter niet over het verschil tussen taxatiewaarden en fiscale boekwaarden berekend moeten worden maar over het verschil tussen de taxatiewaarde en de commerciële boekwaarde per 31-12-2018.

Deze heb ik nagerekend en zijn terug te vinden in kolom F. De totalen hiervan zijn terug te vinden in de herberekening.

Waarom is dit fout?

In de jaarrekening is voor de verschillen tussen de commerciële en fiscale boekwaarden reeds een latentie gevormd.

Door opnieuw een latentie te vormen voor de verschillen tussen de hogere taxatiewaarde en fiscale boekwaarde is een overloop ontstaan met het verschil tussen de commerciële en fiscale boekwaarde.

Deze fout heeft ervoor gezorgd dat de latentie te hoog is berekend met als gevolg een lagere koopsom.

Conclusie:

Ik heb een herrekening opgesteld en de berekende koopsom had € 11.795.273 moeten zijn in plaats van € 11.375.545.

Het verschil ad € 419.728 is [BV2] eigenlijk verschuldigd aan [X] B.V.’

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Desgevraagd heeft klaagster ter zitting bevestigd dat zij twee klachtonderdelen aan de Accountantskamer voorlegt, te weten:

1.            Betrokkene heeft een fout gemaakt in de berekening van de koopsom van de aandelen, door een te hoge latente belastingverplichting in mindering te brengen;

2.            Betrokkene heeft in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van objectiviteit door er niet voor te zorgen dat de zoons werden bijgestaan door een eigen deskundige.

4.2.        Ter zitting heeft klaagster nog naar voren gebracht dat betrokkene in strijd met Standaard 5500N de onderhavige opdracht niet schriftelijk heeft bevestigd. De Accountantskamer laat deze uitbreiding van de klacht ter zitting buiten beschouwing, omdat die vanwege de eisen van een goede procesorde in beginsel te laat is en geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een afwijking van deze regel rechtvaardigen.  

5.             De beoordeling

5.1.        De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

5.2.        Betrokkene is gepensioneerd en al enige jaren uitgeschreven als accountant. Toch kan de Accountantskamer een beslissing nemen over de klacht. Het verweten handelen vond namelijk plaats toen betrokkene nog wel als accountant ingeschreven stond in het register van de NBA.

Klachtonderdeel 1: Betrokkene heeft een fout gemaakt in de berekening van de koopsom van de aandelen, door een te hoge latente belastingverplichting in mindering te brengen.

5.3.        Klaagster heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel verwezen naar het e-mailbericht van [B] van 5 mei 2023 (zie 3.11). Daaruit concludeert klaagster dat betrokkene de verschuldigde belastinglatentie onjuist heeft berekend. Uit de herrekening van [B] volgt dat de berekende koopsom € 419.728 hoger had moeten zijn. Omdat in de akte aandelenoverdracht geen bepaling is opgenomen op grond waarvan de Holding alsnog aanspraak zou kunnen maken op betaling van dat bedrag, kan klaagster dat bedrag dus niet in rechte opeisen. De conclusie is daarmee dat [BV2] met dit bedrag is bevoordeeld en klaagster benadeeld.

5.4.        Betrokkene heeft benadrukt dat voor de familie van belang was dat de aandelen door de zoons konden worden overgenomen tegen een vriendelijke en eenvoudig te financieren prijs die door de Belastingdienst zou worden geaccepteerd. Betrokkene had niet de opdracht een waardering te maken van de aandelen, bijvoorbeeld conform de Discounted Cashflow-methode. De prijs die partijen voor de onderneming hebben vastgesteld, is gebaseerd op de intrinsieke waarde van de aandelen te vermeerderen met de meerwaarde van de onroerende zaken die is bepaald aan de hand van een taxatie door onafhankelijke taxateurs en te verminderen met de belastinglatentie. Daarbij is de belastinglatentie gesteld op 20%. Betrokkene erkent dat bij het berekenen van de belastinglatentie ten onrechte is uitgegaan van de fiscale boekwaarde en niet van de in de jaarrekening opgenomen commerciële waarde. Voor het verschil tussen de commerciële waarde en de fiscale boekwaarde was immers al een latentie in de jaarrekening opgenomen. De berekening was volgens betrokkene in het vervolg van de bedrijfsoverdracht verder niet relevant. Waar het om ging was het onderbouwen van een aanvaardbare koopprijs. Dat is gelukt, nu de Belastingdienst ermee kon instemmen. Betrokkene is van mening dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt treft, omdat het ging om een fiscaal gedreven overdracht. Hij heeft geen verificatiewerkzaamheden uitgevoerd of een vorm van zekerheid verstrekt over de hoogte van de koopprijs.

5.5.        De Accountantskamer overweegt het volgende. De Accountantskamer gaat niet over de vraag of de koopsom die vader heeft ontvangen van de tussenholding [BV2] ‘juist’ was. De prijs – en daarmee de te betalen koopsom – is immers de uitkomst van een traject tussen partijen over de verkoop van de aandelen.

5.6.        Betrokkenes toelichting op het fiscaal gedreven zijn van de transactie laat onverlet dat hij partijen heeft voorzien van input. In zijn memo van 14 januari 2019 heeft hij de elementen genoemd en berekend die van invloed zijn geweest op de vaststelling van de koopsom voor de aandelen, te weten het zichtbaar eigen vermogen, de getaxeerde waarde van het onroerend goed en de belastinglatentie. Die opstelling leidt – zie ook 3.6 –  tot de volgende slotsom van betrokkene:

‘Naar aanleiding van de laatst verstrekte gegevens met betrekking tot de concept-taxatie komt de

overdrachtsprijs uit op circa € 11.585.000 (€ 13.620.000 -/- € 2.035.000). Dit is nog steeds een

globale indicatie daar het resultaat over 2018 nog niet bekend is en de commerciële en fiscale

boekwaarden van de activa nog niet definitief zijn vastgesteld per 31-12-2018’.

5.7.        In zijn opstelling van 14 januari 2019 heeft betrokkene de belastinglatentie niet correct berekend, zoals ook volgt uit de e-mail van zijn opvolger [B] (zie 3.11). Betrokkene heeft dat erkend.

5.8.        Het klachtonderdeel is gegrond. Betrokkene heeft in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

5.9.        Klachtonderdeel 1 is gegrond.

Klachtonderdeel 2: Betrokkene heeft in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van objectiviteit door zowel klaagster als de zoons van [A] te adviseren en er niet voor te zorgen dat de zoons werden bijgestaan door een deskundige.

5.10.      De zoons van [A] en [A] zelf hadden een tegenstrijdig/tegengesteld belang. Daarom vindt klaagster dat betrokkene ervoor had moeten zorgen dat er aan de zijde van de zoons een andere, deskundige adviseur was betrokken. Door dat na te laten heeft betrokkene in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van de objectiviteit, aldus klaagster.

5.11.      Het is volgens betrokkene juist gebruikelijk en heel verstandig om binnen de hele familie te adviseren als het gaat om bedrijfsoverdrachten. Dat speelt bij [accountantskantoor1] en alle andere kantoren in het midden- en kleinbedrijf, zeker in de agrarische sector. In dit geval heeft geen van de familieleden het anders gewild. [accountantskantoor1] heeft steeds de hele familie geadviseerd en geen partij gekozen. Het verwijt dat klaagster nu achteraf maakt, is volgens betrokkene onbegrijpelijk.

5.12.      De Accountantskamer overweegt het volgende. De VGBA verlangt van de accountant dat hij omstandigheden identificeert en beoordeelt die een bedreiging kunnen zijn voor het zich houden aan een fundamenteel beginsel. Met betrekking tot dergelijke omstandigheden neemt de accountant een toereikende maatregel die ertoe leidt dat hij zich houdt aan de fundamentele beginselen. Dat is bepaald in artikel 21 van de VGBA. Bij de naleving van artikel 21 van de VGBA is de eerste stap steeds het herkennen van omstandigheden die kunnen leiden tot een bedreiging van het naleven van de fundamentele beginselen (zie ook de toelichting op de VGBA en NBA-Handreiking 1130).  

5.13.      Het klachtonderdeel neemt tot uitgangspunt dat telkens als een accountant betrokken is bij een traject waarbij aandelen in (bijvoorbeeld) familieverband worden verkocht, de accountant één van de partijen moet aanraden een eigen adviseur in de arm te nemen. Dit uitgangspunt is in zijn algemeenheid onjuist. Gesteld noch gebleken is dat het vader en zoons ging om een zo hoog respectievelijk zo laag mogelijke prijs voor de aandelen of dat op een ander onderdeel van de transactie de belangen zodanig tegengesteld waren dat betrokkene niet langer de partijen kon adviseren zonder dat zijn objectiviteit in gedrang kwam. Klaagster heeft zelf gesteld dat de waarderingsmethode - en daarmee de prijsbepaling - tussen partijen geen punt van discussie was: bepalend was de intrinsieke waarde van de aandelen na hertaxatie van het onroerend goed én fiscaal geaccepteerd. Dit laatste volgt ook uit artikel 1 lid 3 van de (notariële) koopovereenkomst van 23 december 2019. Daarin staat namelijk, zakelijk weergegeven, dat de afgesproken koopsom zal worden aangepast aan de fiscaalrechtelijk onherroeplijk vastgestelde lagere of hogere waarde van de aandelen. Een economische benadering van de prijs welke benadering in het zakelijk verkeer gebruikelijk is, was bij de herstructurering tussen partijen dus niet aan de orde. Tegen die achtergrond kon betrokkene menen dat er geen sprake was van tegenstrijdige belangen en dat een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde het daarom niet nodig zou vinden de zoons naar een eigen adviseur te verwijzen. Het klachtonderdeel is daarom ongegrond.

6.             De maatregel

6.1.        De klacht is gedeeltelijk gegrond. Daarom legt de Accountantskamer aan betrokkene  de maatregel van waarschuwing op.

6.2.        Betrokkene heeft in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid door een fout te maken in zijn opstelling van de elementen die partijen hebben betrokken in de prijsvorming. Met de waarschuwing brengt de Accountantskamer tot uitdrukking dat sprake is van een fout in het professioneel handelen, die in het vervolg voorkomen moet worden, ook al is betrokkene al uitgeschreven als accountant.

7.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart klachtonderdeel 1 gegrond en klachtonderdeel 2 ongegrond;
  • legt aan betrokkene op de maatregel van waarschuwing;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
  • verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagster vergoedt.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.A.T. van Rens en mr. D. van den Berg (rechterlijke leden) en drs. D. van der Bij RA en D.J. ter Harmsel AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.