ECLI:NL:TACAKN:2025:75 Accountantskamer Zwolle 25/55 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2025:75 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-12-2025 |
| Datum publicatie: | 23-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25/55 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | Klacht niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | De tuchtrechtspraak is erop gericht dat in het algemeen belang een optimaal functioneren van de accountant wordt verzekerd door in individuele gevallen tegen inbreuken op wettelijke bepalingen en de beroepsethiek op te treden. In het accountantstuchtrecht geldt als uitgangspunt dat wanneer een tuchtprocedure definitief is geëindigd door een intrekking van de klacht, dat op zichzelf de mogelijkheid niet afsnijdt om een nieuwe klacht in te dienen over handelen of nalaten waarover eerder is geklaagd. Voor een inhoudelijke beoordeling van een opnieuw ingediende klacht is geen plaats, indien de klager daarmee misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot klagen. Daarvan is hier sprake. |
UITSPRAAK van 22 december 2025 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 30 december 2024 ontvangen klacht met nummer 25/55 Wtra AK van
X1
wonende te [plaats1]
K L A G E R
gemachtigde: mr. drs. [A] te [plaats2]
t e g e n
Y1
registeraccountant
kantoorhoudende te [plaats1]
B E T R O K K E N E
advocaat: mr. A.E. Goossens te Amsterdam
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen
- de e-mail van betrokkene van 5 februari 2025
- de brief van klager van 24 februari 2025
- de brief van betrokkene van 27 maart 2025
- het verweerschrift met bijlagen
- de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 3 november 2025. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Door klager is bij zijn pleitnota, dus buiten de toegestane termijn voor het indienen van nadere stukken, een productie overgelegd waartegen door betrokkene bezwaar is gemaakt. De Accountantskamer heeft die productie buiten beschouwing gelaten.
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. Klager heeft een eerdere tuchtklacht tegen de accountant over een door hem opgesteld rapport ingetrokken naar aanleiding van een schikking. Na verloop van tijd heeft hij de klacht opnieuw tegen de accountant ingediend.
De beslissing van de Accountantskamer
2.2. De tuchtrechtspraak is erop gericht dat in het algemeen belang een optimaal functioneren van de accountant wordt verzekerd door in individuele gevallen tegen inbreuken op wettelijke bepalingen en de beroepsethiek op te treden. In het accountantstuchtrecht geldt als uitgangspunt dat wanneer een tuchtprocedure definitief is geëindigd door intrekking van de klacht, dat op zichzelf de mogelijkheid niet afsnijdt om een nieuwe klacht in te dienen over handelen of nalaten waarover eerder is geklaagd. Voor een inhoudelijke beoordeling van een opnieuw ingediende klacht is geen plaats, indien de klager daarmee misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot klagen. Daarvan is hier sprake.
3. De feiten
3.1. Betrokkene is sinds [datum1] ingeschreven in het accountantsregister van de Nba. Betrokkene verleent zijn diensten onder de naam [accountantskantoor1] te [plaats1].
3.2. Klager was enig aandeelhouder en bestuurder van [BV1] (hierna: [BV1]). [BV1] was enig aandeelhouder en bestuurder van [BV2] (hierna: [BV2]). [BV2] voerde als zorgbureau op grond van een overeenkomst met een aantal [B] gemeenten werkzaamheden in het kader van de Wet maatmaatschappelijke ondersteuning 2015 en in het kader van de Jeugdwet uit. Op [datum2] zijn deze beide vennootschappen op eigen aangifte failliet verklaard. Mr. [C] is aangesteld als curator van de vennootschappen.
3.3. Naar aanleiding van het faillissement van de vennootschappen is bij de curator het vermoeden ontstaan dat klager aanzienlijke bedragen in privé had opgenomen en dat dit een belangrijke oorzaak was van het faillissement. De curator heeft nader onderzoek uitgevoerd en in dat kader betrokkene ingeschakeld. In de opdrachtbevestiging van [datum3] van betrokkene is vastgelegd dat betrokkene een quickscan-onderzoek zou doen naar de administratie van [BV2] over de periode van 2017 tot en met [datum2]. Het onderzoek zou worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de curator.
3.4. Betrokkene heeft op [datum4] een quickscan-rapport opgesteld naar aanleiding van het door hem uitgevoerde onderzoek (hierna: het rapport). Het rapport is opgesteld op blanco briefpapier en vermeldt niet de naam van betrokkene noch de naam van zijn kantoor. In het rapport geeft betrokkene aan dat zijn eerste bevindingen zijn, dat de administratie van [BV2] niet voldoet aan het bepaalde in artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat de auditfiles en het online boekhoudprogramma over de jaren [jaartal1] en [jaartal2] geen boekingen van de mutaties bevatten. Ook is aangegeven over welke onderwerpen nader onderzoek is vereist.
3.5. Bij e-mail van [datum5] heeft de curator betrokkene gemaild dat hij bezig is met een dagvaarding tegen klager en heeft hij gevraagd om het rapport te ondertekenen. Nog dezelfde dag heeft betrokkene hierop gereageerd. In zijn e-mail aan de curator heeft hij, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:
“Dat mag ik niet doen. Dan moet ik volgens de RA-beroepsregels eerst hoor en wederhoort etc. hebben toegepast met de heer [X1] en ook met de accountant omdat zij door dit rapport worden geraakt. Daarom gebruiken curatoren mijn rapport ook altijd als “hun eigen kennis en wetenschap”. En in de praktijk is dat eigenlijk altijd meer dan voldoende. Je mag wel zeggen dat je mij hebt ingeschakeld voor ondersteuning.
In de opdrachtbevestiging voor curatoren is daarom altijd het volgende opgenomen:
● De werkzaamheden worden uitgevoerd op instructie van en onder verantwoordelijkheid van mr. [C]. De door [Y1] RA op te stellen documenten zijn daarmee een uiting van de curator van [BV2]. [BV3] brengt geen eigen (deel)rapportage uit met de uitkomsten van de door [Y1] RA verrichte werkzaamheden.
● De werkzaamheden van [Y1] RA bestaan onder meer uit het verzamelen, analyseren en het aan u verstrekken van gegevens. De verantwoordelijkheid voor de beslissing(en) omtrent het vervolg zal te allen tijde berusten bij de curator van [BV2].”
3.6. Het onderzoek van de curator heeft geleid tot een civielrechtelijke procedure van de curator tegen klager bij de rechtbank Overijssel (hierna: de rechtbank). De curator heeft in deze procedure het rapport als productie ingebracht en daarbij gemeld dat het rapport door betrokkene is opgesteld.
3.7. Bij vonnis van 6 oktober 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:3746) heeft de rechtbank voor recht verklaard dat klager aansprakelijk is voor het tekort in de faillissementen van beide vennootschappen, klager veroordeeld tot betaling aan de boedel van de faillissementstekorten, te vermeerderen met de boedelschulden en tot betaling van een voorschot van € 150.000. Ook heeft de rechtbank klager een civielrechtelijk bestuursverbod voor de duur van vijf jaren opgelegd.
3.8. Klager heeft van dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Hof Arnhem-Leeuwarden.
3.9. Bij e-mail van 2 februari 2021 heeft de juridisch adviseur van klager zich tot betrokkene gewend met een aantal vragen. Ook wordt in deze e-mail gesteld dat de door betrokkene gebruikte auditfile defect was. Bij e-mail van eveneens 2 februari 2021 heeft betrokkene hierop, voor zover hier van belang, het volgende geantwoord:
“De vragen die u aan mij stelt dient u echter aan de curator te stellen. Ik heb namelijk geen eigen rapport vervaardigd, ik ben ondersteunend bezig geweest ten behoeve van de curator.”
Betrokkene heeft onweersproken gesteld dat hij nadien, tot het moment van indiening van de eerste klacht tegen hem, niets meer van klager dan wel van zijn gemachtigde heeft gehoord.
3.10. Op 31 augustus 2022 heeft klager voor het eerst een klacht bij de Accountantskamer ingediend tegen betrokkene. Deze klacht was geregistreerd onder nummer 22/1480. Betrokkene heeft in die procedure een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft betrokkene de curator aansprakelijk gesteld wegens het zonder zijn toestemming in de gerechtelijke procedure gebruik maken van het rapport, heeft hij het rapport van 11 mei 2020 ingetrokken en heeft hij rectificaties in het faillissementsverslag afgedwongen waarin aan het rapport van betrokkene werd gerefereerd.
3.11. Na indiening van de eerste klacht is in het kader van het hoger beroep
tegen het onder 3.7 bedoelde vonnis tijdens een mondelinge behandeling bij Gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden op 1 februari 2023 een schikking tot stand gekomen tussen klager
en de curator. De schikking is vastgelegd in een proces-verbaal. Onderdeel van de
in het kader van deze schikking gemaakte afspraken is dat de tuchtklacht tegen betrokkene
zou worden ingetrokken. Vervolgens heeft klager op 7 februari 2023 de tuchtklacht
met nummer 22/1480 ingetrokken. Bij afdoeningsbeslissing van 14 februari 2023 heeft
de Voorzitter van de Accountantskamer vervolgens beslist dat de behandeling van die
klacht niet in het algemeen belang dient te worden voortgezet en dat de behandeling
wordt gestaakt.
3.12. Bij brief van 23 december 2024 heeft klager dezelfde klacht tegen betrokkene
nogmaals bij de Accountantskamer ingediend. In een nadere toelichting van 24 februari
2025 op deze nieuwe klacht stelt klager zich op het standpunt dat bij de totstandkoming
van de schikking, op 1 februari 2023, bij hem sprake is geweest van dwaling. Klager
meende dat het door de rechtbank opgelegde bestuursverbod met de schikking eveneens
van de baan zou zijn.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klager verwijt betrokkene het volgende:
1. betrokkene heeft de hoedanigheid en deskundigheid van forensisch accountant oneigenlijk gebruikt;
2. betrokkene heeft zijn rapportage bewust anoniem gehouden om daarmee te ontsnappen aan de beroeps- en gedragsregels;
3. betrokkene heeft beroeps- en gedragsregels geschonden, zoals met name het beginsel van hoor en wederhoor;
4. betrokkene heeft wederhoor nagelaten terwijl de jaarrekening van een collega-accountant kennelijk wel werd getoetst en heeft verzuimd om niet de relevante feitelijkheden aan de andere deskundige voor te leggen, terwijl zijn producties wel worden beoordeeld;
5. betrokkene heeft verzuimd om klager te horen;
6. betrokkene heeft gehandeld in strijd met zijn geheimhoudingsplicht;
7. betrokkene is onzorgvuldig en ondeskundig omgegaan met een auditfile met daarmee verbonden negatieve uitstralingseffecten en het verzuim om de door een curator aangedragen informatie plus auditfile te onderzoeken op volledigheid, deugdelijkheid en betrouwbaarheid;
8. betrokkene heeft ondeskundig gebruik gemaakt van bestanden van een online-(Exact) boekhoudprogramma;
9. betrokkene heeft op basis van ondeugdelijk onderzoek ‘eerste’ bevindingen geformuleerd terwijl vanwege het ontbreken van relevante informatie een oordeelsonthouding eerder op zijn plaats zou zijn geweest;
10. betrokkene heeft nagelaten te handelen nadat hij vernam dat het door hem voorgestelde (vervolg)onderzoek er niet zou komen, waardoor zijn eerste bevindingen op een onvolledig onderzoek zouden blijken te zijn gebaseerd;
11. betrokkene heeft niet gehandeld nadat hij ervan in kennis was gesteld dat klager het gevoel kreeg dat hij door beginnersfouten en onzorgvuldig handelen van een curator het slachtoffer dreigde te gaan worden van valsheid in geschrifte;
12. betrokkene heeft niet voorkomen dat producties waarbij hij betrokken was en waartegen destijds ernstige bezwaren zijn gerezen, daarna stellig en zonder voorbehoud aan processtukken zijn toegevoegd;
13. betrokkene heeft onduidelijkheid laten bestaan over zijn rol en betrokkenheid door de
mededeling dat hij slechts ondersteunend werkt ten behoeve een opdrachtgever die geen accountant is;
14. betrokkene heeft de schijn van partijdigheid opgewekt;
15. betrokkene heeft de schijn van het afschuiven van zijn eigen verantwoordelijkheid op die van zijn opdrachtgever niet voorkomen;
16. betrokkene heeft nagelaten om op een zorgvuldige wijze maatregelen te nemen zoals de vermelding “alleen voor intern gebruik” en “geen accountantscontrole” toegepast;
17. betrokkene heeft een onduidelijkheid laten voortbestaan en geen maatregelen genomen nadat hem kenbaar is geworden dat zijn naam en hoedanigheid door de curator werden gebruikt;
18. betrokkene heeft nagelaten corrigerend te handelen nadat kenbaar was geworden dat de curator in faillissementsverslagen een andere uitleg aan de opdracht geeft;
19. betrokkene heeft zich niet gehouden aan een gegeven onderzoeksopdracht;
20. betrokkene heeft een onjuiste uitleg van artikel 2:10 BW gehanteerd;
21. betrokkene heeft een sterkte vooringenomenheid getoond, waarbij zonder wederhoor gegevens uit een gemeentelijke rapportage worden overgenomen, zonder dat deze rapportage op deugdelijkheid is getoetst, waarmee betrokkene in strijd met de objectiviteit heeft gehandeld;
22. betrokkene heeft aan twee aparte besloten vennootschappen (BV’s) gefactureerd terwijl maar één rapport is toegezonden en duidelijk niet is onderzocht of er tussen de betrokken BV’s mogelijk conflicterende belangen zijn;
23. betrokkene heeft op basis van een zogenaamd ‘quickscan-onderzoek’ en zonder wederhoor conclusies getrokken met ernstig nadelige gevolgen voor klager;
24. betrokkene heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit door niet te stellen dat de uit de rapportage van de gemeente [plaats1] verkregen informatie materieel onjuist, onvolledig en misleidend was en hij heeft nagelaten om aan zijn eigen rapportage een mededeling toe te voegen waarin de onjuistheid, onvolledigheid of misleiding aan de beoogde gebruikers van zijn rapportage kenbaar werd gemaakt;
25. betrokkene heeft zonder deugdelijk onderzoek vermoedens en insinuaties toegevoegd aan de rapportage;
26. betrokkene is buiten zijn opdracht getreden door ongevraagd en zonder voorafgaande toestemming privé-informatie van klager te onderzoeken en, zonder diens toestemming strikt vertrouwelijke informatie aan de curator te rapporteren waarna deze de belastingdienst heeft geïnformeerd;
27. betrokkene heeft op een niet te begrijpen wijze van doen voor klager zeer nadelige uitlatingen over de op de online administratie aanwezige bestanden gedaan, zonder daarvoor een deugdelijk onderzoek te verrichten en daarmee verbonden verifieerbare feiten te overleggen;
28. betrokkene heeft er door een combinatie van factoren voor gezorgd dat door zijn notitie een negatiever totaalbeeld van de failliete vennootschappen is ontstaan dan gerechtvaardigd wordt door de feiten;
29. betrokkene heeft oogluikend toegestaan dat de curator, met gebruikmaking van de naam en de deskundigheid van de forensisch accountant, in faillissementsverslagen en in civiele procedures een negatiever beeld van de failliete ondernemingen en de bestuurder heeft geschetst dan gerechtvaardigd wordt door de feiten, in de wetenschap dat zijn rapportage niet voldeed aan hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam forensisch accountant mocht worden verwacht in het kader van een zorgvuldige uitoefening van zijn taak en zijn (persoonsgerichte) onderzoek;
30. betrokkene heeft onvoldoende zorg betracht en zich onvoldoende ingespannen om een ongewenste situatie te vermijden;
31. betrokkene heeft bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden de vereiste zorgvuldigheid niet in acht genomen;
32. betrokkene heeft bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden het algemeen belang onvoldoende in acht genomen;
33. betrokkene heeft algemeen aanvaarde zorgvuldigheidsnormen voor het handelen van forensisch accountants jegens derden geschonden;
34. betrokkene heeft onrechtmatig gehandeld door bij de uitvoering van een (persoonsgericht) onderzoek de gedrags- en beroepsregels niet toe te passen.
5. De beoordeling
5.1. Tussen partijen is allereerst in geschil of dezelfde tuchtklacht die door klager is ingediend inhoudelijk kan worden beoordeeld nadat deze eerder door klager is ingetrokken. Betrokkene stelt zich, onder verwijzing naar het notarieel tuchtrecht en het advocatentuchtrecht, op het standpunt dat een ingetrokken klacht niet kan worden heropend en de klacht daarom niet-ontvankelijk is. Volgens betrokkene handelt klager in strijd met de overeengekomen schikking door deze klacht nogmaals in te dienen. De voorzitter van de Accountantskamer heeft na de intrekking onherroepelijk beslist dat de klacht niet om redenen van algemeen belang moet worden voortgezet.
5.2. Klager stelt zich op het standpunt dat er geen rechtsregel is die zich verzet tegen het opnieuw indienen van een ingetrokken klacht indien deze nog niet inhoudelijk is beoordeeld door de Accountantskamer. Bij de totstandkoming van de schikking, op 1 februari 2023, is sprake geweest van dwaling. Klager is door zijn advocaat onder druk gezet om de schikking te aanvaarden.
5.3. De Accountantskamer is van oordeel dat de hernieuwde klacht tegen betrokkene niet inhoudelijk kan worden beoordeeld en dat de klacht niet-ontvankelijk is. Daartoe overweegt zij het volgende.
5.4. De tuchtrechtspraak is erop gericht om in het algemeen belang een optimaal functioneren van de accountant te verzekeren door in individuele gevallen tegen inbreuken op wettelijke bepalingen en de beroepsethiek op te treden. In het accountantstuchtrecht geldt als uitgangspunt dat wanneer een tuchtprocedure definitief is geëindigd door intrekking van de klacht (en dus geen onherroepelijke tuchtrechtelijke eindbeslissing voorligt), dat op zichzelf de mogelijkheid niet afsnijdt om een nieuwe klacht in te dienen over handelen of nalaten waarover eerder is geklaagd. Echter, voor een inhoudelijke beoordeling van een dergelijke opnieuw ingediende klacht is geen plaats, indien de klager daarmee misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot klagen. Daarvan is sprake als er omstandigheden zijn die het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken dat een klager - na intrekking van een klacht - alsnog een inhoudelijk oordeel vraagt over hetzelfde handelen of nalaten als waarop de ingetrokken klacht zag. Het oordeel van de voorzitter destijds na de intrekken dat er geen reden van algemeen belang was om de behandeling van die klacht voort te zetten, is geen omstandigheid die maakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat klager zijn klacht opnieuw indient. Of daarvan wel sprake is, is dus afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De Accountantskamer houdt daarbij zowel rekening met de omstandigheden die hebben geleid tot de intrekking van de eerdere klacht, als met de omstandigheden die hebben geleid tot het opnieuw indienen van de klacht.
5.5. Klager heeft destijds een schikking getroffen met de curator. Onderdeel
daarvan was dat de curator door betrokkene aansprakelijk was gesteld vanwege diens
onrechtmatige gebruik van de rapportage van betrokkene. Deze schikking was niet enkel
van betekenis voor de rechtsverhouding tussen klager en de curator, maar ook voor
betrokkene. In dit verband is van belang dat in onderdeel 4 van deze schikking het
volgende is overeengekomen:
“De klachtprocedure tegen [Y1] wordt ingetrokken”.
5.6. De uitdrukkelijke bedoeling van klager en van de curator met het opnemen
van deze bepaling is dus geweest dat ook de klacht over het handelen van betrokkene
zou worden beëindigd.
Klager heeft geen stappen gezet om op grond van artikel 6:228 BW te komen tot vernietiging
van de overeengekomen schikking wegens dwaling. Waarom voldaan zou zijn aan eisen
die voormeld wetsartikel stelt aan een geslaagd beroep op dwaling is gesteld, noch
gebleken. Dat klager meent dat zijn advocaat hem destijds onjuist heeft geadviseerd,
doet niet af aan de rechtsgeldigheid van de schikking. Indien klager zich over het
handelen van zijn toenmalige advocaat wenst te beklagen, staan daarvoor andere wegen
open dan deze procedure bij de Accountantskamer.
5.7. Hoewel betrokkene formeel geen partij was bij de schikking, valt niet in te zien waarom hij daaraan in dit geval geen rechten zou kunnen ontlenen. Betrokkene heeft kennis gekregen van de intrekking. Hij heeft daarna met de curator, tegen finale kwijting, een regeling getroffen over de betaling door de curator van betrokkenes’ proceskosten in de eerdere tuchtprocedure wegens het onzorgvuldige gebruik door de curator van zijn rapport. Klager heeft uitvoering aan (het op betrokkene betrekking hebbende onderdeel van) de schikking gegeven en, in lijn met de hiervoor geciteerde bepaling, de klacht tegen betrokkene ingetrokken. Betrokkene mocht hieraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de klacht tegen hem definitief was afgewikkeld. Daarbij weegt de Accountantskamer mee dat niet is gebleken dat betrokkene op enige wijze een drempel[1] heeft opgeworpen om een (hernieuwde) tuchtklacht te voorkomen.
5.8. De conclusie is dat klager met deze klacht jegens betrokkene misbruik maakt van zijn bevoegdheid om te klagen. De klacht is daarom niet-ontvankelijk.
6. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, en mr. J.L.M. Groenewegen (rechterlijk lid) en drs. E.R. van der Wösten RA (accountantslid), in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Accountantskamer 21 januari 2020, ECLI:NL:TACAKN:2020:14.