ECLI:NL:TACAKN:2025:70 Accountantskamer Zwolle 24/3896 Wtra AK 25/1199 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2025:70 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-11-2025 |
| Datum publicatie: | 10-11-2025 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | Tussenbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Betrokkene mag stukken waarop het verschoningsrecht van klager rust en die klager in eerdere klachten aan de Accountantskamer en betrokkene heeft overgelegd, gebruiken bij zijn verdediging tegen nieuwe klachten van klager. |
ACCOUNTANTSKAMER
TUSSENUITSPRAAK van 10 november 2025 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 28 oktober 2024 en 16 april 2025 ontvangen klachten met nummers 24/3896 en 25/1199 Wtra AK van
mr. X
kantoorhoudende te [plaats1]
K L A G E R
advocaat: mr. C.M. Harmsen te Amsterdam
t e g e n
mr. drs. Y
accountant-administratieconsulent en registeraccountant
kantoorhoudende te [plaats2]
B E T R O K K E N E
advocaat: mr. M.G. Kelder te Utrecht
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken met bijlagen:
- de beide klaagschriften
- het verzoek om een tussenbeslissing van mr. Kelder
- het verweerschrift van mr. Harmsen tegen het verzoek om een tussenbeslissing.
1.2. De Accountantskamer heeft eerder al besloten de klachten gezamenlijk te behandelen.
2. De uitspraak samengevat
Het gaat om de vraag of betrokkene in zijn verweer tegen de klachten zich mag bedienen van stukken waarop het verschoningsrecht van klager rust. De Accountantskamer beantwoordt die vraag bevestigend net als het College van Beroep voor bedrijfsleven (CBb) in de twee hogerberoepszaken waarin klager en betrokkene met elkaar zijn verwikkeld. De beschikking van de Hoge Raad van 25 maart 2025 die na bedoelde beslissing van het CBb is gegeven, brengt daarin geen verandering.
3. Het verzoek om een tussenbeslissing en het verweer ertegen
3.1. Klager heeft in 2021 en 2023 klachten tegen betrokkene ingediend. Die klachten worden hierna aangeduid met respectievelijk klacht 1) en klacht 2). Op die klachten heeft de Accountantskamer beslist op 12 februari 2021 (ECLI:NL:TACAKN:2021:17) respectievelijk 21 december 2023 (ECLI:NL:TACAKN:2023:58). Tegen beide uitspraken is hoger beroep ingesteld dat nog niet is behandeld.
3.2. Klager heeft in 2024 en 2025 opnieuw klachten, de onderhavige, tegen betrokkene ingediend. Die klachten worden hierna aangeduid met klacht 3) respectievelijk klacht 4). Beide klachten komen er in de kern op neer dat betrokkene in zijn verweer tegen (met name) klacht 2) de Accountantskamer onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd.
3.3. Alvorens verweerschriften tegen de klachten 3) en 4) in te dienen heeft mr. Kelder namens betrokkene de Accountantskamer verzocht om een tussenuitspraak. Het verzoek luidt als volgt:
‘1. Het staat [X] niet vrij om zich in de bij de Accountantskamer in de procedures met de nummers 24/3896 en 25/1199 WTRA AK, alsmede in eventuele beroepsprocedures tegen de in deze procedures door de Accountantskamer te wijzen uitspraken jegens [Y], de Accountantskamer en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven zijn verschoningsrecht in te roepen ten aanzien van stukken die hij zelf in de procedure heeft ingebracht;
2. Dat onder de in punt 1 genoemde stukken in ieder geval zijn begrepen de in het Klaagschrift BDO (productie 6 [X] derde tuchtzaak met nummer 24/3896 WTRA Ak) op pagina 12 genoemde stukken, de in het als productie 4 overgelegde overzicht genoemde stukken, alsmede de als productie 7 bij het Klaagschrift derde tuchtzaak door [X] overgelegde mail van 2 april 2015;
3. [Y] na de in deze te wijzen tussenuitspraak een redelijke termijn te vergunnen om het verweerschrift in de procedures met de nummers 24/3896 en 25/1199 WTRA AK met inachtneming van het bepaalde in de verzochte tussenuitspraak bij de Accountantskamer in te dienen.’
3.4. Klager heeft tegen het verzoek verweer gevoerd. Hij stelt dat het verzoek in elk geval mede is gedaan om de behandeling van de klachten te vertragen en hij heeft verzocht om uitstel van de op 6 oktober 2025 geplande mondelinge behandeling van beide klachten. Dat uitstel is inmiddels verleend. Klager heeft zich wat betreft het verzoek van betrokkene gerefereerd aan het oordeel van de Accountantskamer, maar wel gevraagd nadrukkelijk aandacht te besteden aan de beschikking van de Hoge Raad van 25 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:456) inzake, kort gezegd, de reikwijdte van het verschoningsrecht van een advocaat.
4. De beoordeling
4.1. De Accountantskamer is van oordeel dat de stelling van klager dat betrokkene met zijn verzoek om een tussenbeslissing mede beoogt de behandeling van de klachten 3) en 4) te vertragen en de stelling van betrokkene dat het indienen van de vierde tuchtklacht in strijd is met het doel van het accountantstuchtrecht, niet ertoe kunnen leiden dat geen inhoudelijke beslissing op het verzoek van betrokkene kan worden gegeven. Beide stellingen staan aan de ontvankelijkheid van betrokkene in zijn verzoek niet in de weg.
4.2. Met zijn verzoek om een tussenbeslissing wil betrokkene voorkomen dat hem kan worden verweten dat hij het verschoningsrecht van klager als advocaat schendt door zich bij zijn verweer tegen de klachten 3) en 4) te bedienen van stukken die onder dit verschoningsrecht vallen. Het gaat om zogeheten geprivilegieerde stukken die - overgelegd, geciteerd of geparafraseerd - tot de processtukken van de klachten 1) en 2) behoren. Klager heeft geen afstand gedaan van zijn, door betrokkene erkende, verschoningsrecht.
4.3. Volgens betrokkene maakt klager misbruik van tuchtprocesrecht of is sprake van schending van de fundamentele beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde doordat klager wel de processtukken van de klachten 1) en 2), maar niet de daarbij overgelegde producties waarop het verschoningsrecht van klager rust bij de klachten 3) en 4) heeft overgelegd. Daarom moet het beroep van klager op zijn verschoningsrecht falen, aldus betrokkene.
4.4. De Accountantskamer passeert deze stelling. Klager heeft in zijn verweerschrift tegen de tussenbeslissing aangevoerd dat ook de producties bij de klachten 1) en 2) deel uitmaken van de klachten 3) en 4) ook al zijn ze om twee redenen[1] niet of maar ten dele overgelegd. Hieruit volgt dat klager niet heeft beoogd deze producties geen onderdeel te laten zijn van de processtukken van de klachten 3) en 4), zodat het verwijt van betrokkene feitelijke grondslag mist.
4.5. Betrokkene heeft gewezen op een tussenbeslissing van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 16 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:27). Deze tussenbeslissing is gegeven in de hoger beroepen van betrokkene tegen de eerder genoemde uitspraken van de Accountantskamer van 12 februari 2021 en 21 december 2023. Ook in deze hoger beroepen heeft betrokkene verzocht om een tussenbeslissing inzake de reikwijdte van het verschoningsrecht van klager.
4.6. Het CBb heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen en beslist, waarbij voor [naam 1] klager en voor [naam 2] betrokkene moet worden gelezen:
‘Niet in geschil is dat de stukken waarnaar partijen verwijzen onder het verschoningsrecht van [naam 1] vallen. [naam 1] heeft deze stukken zelf ingediend bij de accountantskamer in de twee klachtprocedures tegen [naam 2] die hebben geleid tot de uitspraken waartegen de thans bij het College aanhangige hoger beroepen zijn gericht.
Het College is van oordeel dat [naam 1] daarom in de onderhavige tuchtprocedures tegenover de in deze gedingen betrokken wederpartij en het College in zoverre geen beroep meer kan doen op dat recht. Dit betekent concreet dat [naam 1] , ten aanzien van deze stukken - met name e-mailberichten en een advies van de Landsadvocaat waarin zou worden geciteerd uit deze e-mailberichten - in deze procedures bij het College niet [naam 2] - door middel van een beroep op zijn verschoningsrecht - kan beletten om in onderhavige procedure uit de inhoud van deze e-mailberichten te citeren dan wel te parafraseren, dan wel naar de inhoud daarvan te verwijzen. Nu [naam 1] deze e-mailberichten zelf heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn tuchtklachten, brengt het recht op een eerlijk proces en meer in het bijzonder het beginsel van wapengelijkheid mee dat [naam 2] zich in deze procedures zonder belemmeringen daartegen moet kunnen verweren.
Daarbij komt dat het belang van het verschoningsrecht er met name in is gelegen dat de inhoud van de e-mailberichten niet tegen de bij deze berichten betrokken cliënten van [naam 1] mag worden gebruikt in enige procedure waarbij zij partij zijn. In deze twee procedures zijn die cliënten niet betrokken.
Daarbij zij aangetekend dat de vertrouwelijkheid van deze stukken jegens derden en buiten onderhavige procedures nog immer kan worden gewaarborgd door een beroep van [naam 1] op zijn verschoningsrecht. Buiten deze procedures blijft het verschoningsrecht van [naam 1] immers ook voor deze stukken gelden.
(…)
Beslissing
Het College:
beslist dat het [naam 1] niet meer vrijstaat in deze procedure (jegens [naam 2] en het College) zijn verschoningsrecht in te roepen ten aanzien van de stukken die hij zelf in deze procedure heeft ingebracht.’
4.7. Klager heeft hiertegen ingebracht dat de Hoge Raad na deze tussenbeslissing van het CBb een beschikking heeft gegeven die volgens klager tot een andere uitkomst moet leiden dan de tussenbeslissing van het CBb. Klager doelt op de eerder al genoemde beschikking van de Hoge Raad van 25 maart 2025. De Hoge Raad overwoog daarin, voor zover van belang, het volgende:
‘5.4 De omstandigheid dat een advocaat een stuk waarin gegevens zijn opgenomen waarover zijn verschoningsrecht zich uitstrekt, heeft ingebracht in een fiscale procedure brengt niet met zich dat het verschoningsrecht ten aanzien van de betreffende gegevens wordt prijsgegeven in relatie tot een (mogelijk) latere strafrechtelijke procedure. Dit geldt ook voor eventuele bijlagen die bij dat stuk zijn gevoegd en waarover het verschoningsrecht van de advocaat zich eveneens uitstrekt. Wel kan het inbrengen van die gegevens in de fiscale procedure ertoe leiden dat de belastingrechter de betreffende gegevens vermeldt in zijn uitspraak en dat die uitspraak openbaar wordt. In dat geval komt daarmee in zoverre het vertrouwelijke karakter te vervallen en komt de advocaat wat betreft de openbaar geworden gegevens geen beroep meer toe op zijn verschoningsrecht. Het is aan de belastingrechter om te beslissen welke gegevens hij al of niet in zijn uitspraak vermeldt. De omstandigheid dat op het in de fiscale procedure ingebrachte stuk een verschoningsrecht rust, brengt daarbij voor de belastingrechter geen beperking mee.
5.5 Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat in een strafrechtelijke procedure het verschoningsrecht kan worden ingeroepen ten aanzien van de betreffende gegevens, tenzij aan die gegevens intussen het vertrouwelijke karakter is komen te ontvallen.’
4.8. Anders dan klager is de Accountantskamer van oordeel dat de beschikking van de Hoge Raad niet betekent dat de beslissing van het CBb niet gevolgd zou kunnen worden. Relevant is dat de geprivilegieerde stukken volgens klager onderdeel uitmaken van de processtukken van de klachten 3) en 4). Verder is relevant dat de klachten 3) en 4) bij dezelfde instantie als de klachten 1) en 2) zijn ingediend en dat de aard van de procedures identiek is: het gaat steeds om tuchtrechtelijke procedures bij de Accountantskamer tussen dezelfde partijen. Door de geprivilegieerde stukken van de klachten 1) en 2) aan de Accountantskamer en betrokkene (weer) over te leggen, heeft klager het vertrouwelijke karakter ervan jegens de Accountantskamer en betrokkene binnen het kader van de procedure bij de Accountantskamer prijsgegeven. De beschikking van de Hoge Raad betreft een andere situatie, omdat die ziet op procedures van verschillende aard (straf- en belastingrecht) met verschillende tegenpartijen (het Openbaar Ministerie en de belastinginspecteur) bij verschillende rechters: de strafrechter en de belastingrechter. De Accountantskamer zal de beslissing van het CBb volgen.
4.9. Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek van betrokkene kan worden toegewezen, met dien verstande dat de beslissing om een voor de hand liggende reden zich moet beperken tot de fase van de procedure bij de Accountantskamer en zich niet kan uitstrekken tot de fase na het eventueel instellen van hoger beroep bij het CBb. De Accountantskamer begrijpt het verzoek van betrokkene aldus dat het beroep van klager op zijn verschoningsrecht ten aanzien van de geprivilegieerde stukken, overgelegd bij de klachten 1) en 2) en opnieuw overgelegd bij de klachten 3) en 4), er niet aan in de weg staat dat betrokkene zich in zijn verweer van die stukken bedient. Zo zal worden beslist.
4.10. Betrokkene heeft in zijn verzoek een opsomming gegeven van de stukken die hij ‘in ieder geval’ in zijn verweer wil kunnen gebruiken. Klager heeft op dit punt geen verweer gevoerd zodat die stukken in de beslissing zullen worden opgesomd, met dien verstande dat twee kennelijke fouten zullen worden hersteld: betrokkene noemt productie zes waar hij productie zeven bij klacht 3) bedoelt en omgekeerd.
4.11. Tot slot: betrokkene heeft gevraagd hem een redelijke termijn te geven voor het indienen van zijn verweerschrift. Die termijn zal op zes weken na vandaag worden bepaald.
De beslissing
De Accountantskamer:
● bepaalt dat betrokkene in zijn verweer tegen de klachten 3) en 4) gebruik mag maken van de geprivilegieerde stukken die klager in de klachtprocedures 1) en 2) of bij de klachten 3) en 4) heeft overgelegd;
● bepaalt dat onder die stukken in ieder geval zijn begrepen: de op bladzijde 12 van productie zeven bij klacht 3) genoemde stukken, de in productie vier bij het verzoek van betrokkene om een tussenbeslissing opgesomde stukken, en de als productie zes bij klacht 3) overgelegde e-mail van 2 april 2015;
● bepaalt dat betrokkene binnen zes weken na vandaag zijn verweerschrift bij de Accountantskamer mag indienen.
Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. P. Volker, mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt (rechterlijke leden) en D. ter Harmsel AA en drs. J. Hetebrij RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Omdat, aldus klager, die producties bij de Accountantskamer en betrokkene al bekend zijn en om reden van duurzaamheid: het voorkomen van nodeloos printen.