ECLI:NL:TACAKN:2025:63 Accountantskamer Zwolle 25/2325 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2025:63 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-09-2025 |
| Datum publicatie: | 26-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25/2325 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | klacht kennelijk niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht is kennelijk niet-ontvankelijk, omdat de klachtonderdelen in de onderhavige procedure zien op klachtonderdelen die reeds onderwerp van geschil zijn geweest in de eerdere procedure bij de Accountantskamer of zodanig onderling zijn verweven met de klachten en feiten die in die eerdere procedure aan de Accountantskamer zijn voorgelegd dat deze klachten, gelet op het ne bis in idem beginsel, niet nogmaals het voorwerp van berechting kunnen vormen. |
ACCOUNTANTSKAMER
UITSPRAAK van 26 september 2025 van de voorzitter op grond van artikel 39 lid 1 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 1 september 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2325 Wtra AK van
X
wonende te [plaats1]
K L A A G S T E R
t e g e n
Y
(voormalig) accountant-administratieconsulent
kantoorhoudende te [plaats2]
B E T R O K K E N E
1. De procedure
1.1. De voorzitter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen
2. De beoordeling
2.1. Allereerst ziet de Accountantskamer zich gesteld voor de vraag of klaagster in haar klacht tegen betrokkene kan worden ontvangen. De Accountantskamer beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
2.2. De beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde beogen de tuchtprocedure op een eerlijke en rechtvaardige manier te laten verlopen. Het hieruit voortvloeiende beginsel van ne bis in idem biedt een accountant bescherming tegen dubbele vervolging voor hetzelfde feit. Op grond van dit beginsel kan niet voor een tweede keer (of nog vaker) over dezelfde gedraging van een accountant worden geklaagd[1].
2.3. De Accountantskamer gaat uit van de volgende feiten. Klaagster was gehuwd. In het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft de rechtbank een deskundige benoemd om een bindend advies te geven over de verdeling van de boedel. Medio 2021 heeft betrokkene van klaagster de opdracht gekregen om haar in verband met dit geschil bijstand te verlenen en de ondernemingen van haar ex-partner (een holding met dochterondernemingen) te waarderen. In het kader van deze opdracht heeft betrokkene op 4 september 2022 een brief naar klaagster gestuurd, waarin hij acht vragen heeft geformuleerd en informatie heeft verschaft met betrekking tot de ondernemingen van de ex-partner. Mede naar aanleiding van deze brief heeft de ex-partner een tuchtklacht tegen betrokkene ingediend, omdat hij vond dat betrokkene in zijn brief onjuiste informatie heeft verstrekt en fouten heeft gemaakt bij de waardering van zijn ondernemingen. Ook heeft betrokkene volgens de ex-partner zijn fouten ten onrechte niet gecorrigeerd. Bij uitspraak van 16 oktober 2023[2] heeft de Accountantskamer de klacht van de ex-partner gedeeltelijk gegrond verklaard en aan betrokkene de maatregel van berisping opgelegd.
2.4. Omdat de ex-partner al eerder klachten tegen betrokkene heeft ingediend in verband met zijn handelen als adviseur van klaagster in de gerechtelijke verdelingsprocedure, zal de Accountantskamer eerst beoordelen of met de klachtonderdelen over dezelfde gedragingen van betrokkene wordt geklaagd. Dat de eerste klacht niet is ingediend door klaagster zelf, maar door een derde (haar ex-partner), betekent niet dat die klachtprocedure buiten beschouwing moet worden gelaten. Het gaat er immers om of betrokkene zich al eerder in verband met dezelfde feiten heeft moeten verweren bij de Accountantskamer.
2.5. Als al eerder is geklaagd over dezelfde gedragingen van betrokkene moet deze nieuwe klacht met betrekking tot het desbetreffende klachtonderdeel niet-ontvankelijk worden verklaard en vindt er in zoverre geen inhoudelijke beoordeling plaats.
2.6. Samengevat kwam de klacht van de ex-partner erop neer dat hij betrokkene verwijt dat hij meerdere fundamentele beginselen heeft geschonden en geen professionele oordeelsvorming heeft toegepast door:
a. onjuiste informatie op te stellen en klager ten onrechte en zonder bewijs ervan te leveren te beschuldigen dat hij vermogen verbergt en fiscale fraude pleegt, maar daarvan geen aangifte te doen;
b. onvoldoende zijn vakbekwaamheid te onderhouden en daardoor onvoldoende kennis te hebben van de waardebepaling van de ondernemingen van klager ('consolidatiefout') en openbare informatie (Kamer van Koophandel) niet te raadplegen;
c. zijn fouten niet te corrigeren nadat hij daarvan in kennis is gesteld en ook niet te reageren op
e-mails van klager;
d. de opdracht van klaagster niet nauwgezet uit te voeren.
2.7. Klaagster verwijt op haar beurt betrokkene dat hij:
a. bij de waardering van de Engelse vennootschappen van de ex-partner ondeugdelijke en feitelijk onjuiste berekeningen heeft gemaakt, hetgeen heeft geleid tot een verkeerd oordeel over de waarde van die ondernemingen;
b. heeft geconcludeerd dat de ex-partner vermogen had achtergehouden, terwijl dit achteraf feitelijk onjuist bleek. Deze onterechte conclusie heeft ernstige gevolgen gehad voor het handelen van klaagster in de procedure rondom de verdeling van de gemeenschap;
c. zijn werkzaamheden niet met de vereiste vakbekwaamheid en zorg heeft uitgevoerd. De berekeningen en conclusies waren onvoldoende onderbouwd en niet juist;
d. zijn beoordeling en conclusies niet heeft gebaseerd op een neutrale en evenwichtige weging van feiten en omstandigheden, maar op aannames die niet overeenkwamen met de werkelijkheid;
e. door zijn onjuiste en gebrekkige werkzaamheden niet alleen klaagster heeft geschaad, maar ook het aanzien van het accountantsberoep in het algemeen.
2.8. De Accountantskamer oordeelt dat de klachtonderdelen in de onderhavige procedure zien op klachtonderdelen die reeds onderwerp van geschil zijn geweest in de eerdere procedure bij de Accountantskamer of zodanig onderling zijn verweven met de klachten en feiten die in die eerdere procedure aan de Accountantskamer zijn voorgelegd dat deze, gelet op het ne bis in idem beginsel, niet nogmaals het voorwerp van berechting kunnen vormen. Voor zover klaagster betoogt dat de formulering van haar klachten anders luidt dan die van de ex-partner, faalt dit betoog. De Accountantskamer ziet niet in dat de klacht van klaagster door de thans gebruikte bewoordingen wezenlijk verschilt van de inhoud van de eerdere klacht van de ex-partner. Met de nieuwe klacht stelt klaagster hoofdzakelijk wederom aan de orde dat betrokkene zijn werkzaamheden wat betreft de waardering van de ondernemingen van de ex-partner ondeugdelijk heeft uitgevoerd en ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake was van het achterhouden van vermogen. Dat betrokkene dit verwijt treft, heeft de Accountantskamer echter al bij de uitspraak van 16 oktober 2023 (gedeeltelijk) bevestigd. Dat het handelen van betrokkene (financiele) gevolgen voor klaagster heeft gehad zoals zij stelt, maakt het oordeel van de Accountantskamer dat niet een tweede keer over dezelfde gedraging(en) van een accountant kan worden geklaagd niet anders.
2.9. De klacht zal daarom kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de klacht zonder zitting wordt afgedaan. Aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de Accountantskamer niet toe.
3. De beslissing
De voorzitter van de Accountantskamer:
- verklaart de klacht niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, in aanwezigheid van mr. P. van der Stroom, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 26 september 2025.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 39, derde lid, Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na verzending daarvan verzet worden gedaan. Het verzet kan worden gericht aan de Accountantskamer (adres: Postbus 10067, 8000 GB Zwolle).
[1] Zie o.a. CBb 2 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:219.
[2] ECLI:NL:TACKN:2023:52