ECLI:NL:TACAKN:2025:61 Accountantskamer Zwolle 24/2784 Wtra AK 24/3919 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2025:61
Datum uitspraak: 22-09-2025
Datum publicatie: 22-09-2025
Zaaknummer(s):
  • 24/2784 Wtra AK
  • 24/3919 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht. Klaagster verhuurde aan een ondernemer 10 visstekken aan een recreatieplas. De ondernemer stelt dat klaagster haar verplichtingen uit de huurovereenkomst niet is nagekomen waardoor hij schade heeft geleden. In opdracht van de ondernemer heeft betrokkene de schade begroot. Volgens klaagster heeft betrokkene daarbij niet zorgvuldig gehandeld, onder meer omdat hij geen hoor en wederhoor heeft toegepast. De Accountantskamer oordeelt dat klaagster gelet op het gevoerde verweer en de overgelegde rapporten niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene bij het opstellen van zijn schaderapporten steken heeft laten vallen of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 22 september 2025 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 7 juni 2024 ontvangen klacht met nummer 24/2784 Wtra AK en de op 11 november 2024 ontvangen uitbreiding van de klacht met zaaknummer 24/3919 Wtra AK van

X B.V.

gevestigd in [plaats1]

K L A A G S T E R

t e g e n

Y

voorheen registeraccountant

kantoorhoudende in [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. M.B. Esseling te Rotterdam

1. De procedure

1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 7 juni 2024 en aangevuld op 11 juni 2024 (zaaknummer 24/2784 Wtra AK);
  • het verweerschrift met bijlagen;
  • de uitbreiding van de klacht met drie producties, ontvangen op 11 november 2024 (zaaknummer 24/3919 Wtra AK);
  • de e-mail van klaagster van 17 december 2024 met bijlagen;
  • het verweerschrift met bijlagen in zaaknummer 24/3919 Wtra AK;
  • de brief van betrokkene van 22 april 2025 met bijlage vijf;
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van betrokkene.

1.2. De klachten zijn behandeld op de openbare zitting van 9 mei 2025. Voor klaagster is verschenen haar middellijk bestuurder, de heer [A] Msc. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De uitspraak samengevat

2.1. Klaagster verhuurde aan de heer [B], handelend onder de naam [bedrijfsnaam1], een bedrijfsruimte en 10 visstekken aan een recreatieplas ([recreatieplas1]) nabij [plaats1]. [B] stelt dat klaagster haar verplichtingen uit de huurovereenkomst niet is nagekomen waardoor hij schade heeft geleden. In opdracht van [B] heeft betrokkene de schade begroot. Volgens klaagster heeft betrokkene daarbij niet zorgvuldig gehandeld, onder meer omdat hij geen hoor en wederhoor heeft toegepast.

2.2. DeAccountantskamer oordeelt dat klaagster gelet op het gevoerde verweer en de overgelegde rapporten niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene bij het opstellen van zijn schaderapporten steken heeft laten vallen of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is daarom ongegrond.

3. De feiten

3.1. Betrokkene stond vanaf [datum] tot [datum] 2025 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Betrokkene was laatstelijk verbonden aan [BV1], handelend onder de naam [bedrijfsnaam2], in [plaats2].

3.2. Klaagster drijft een onderneming die zich onder meer bezighoudt met dagrecreatie en sportactiviteiten. [A], die namens klaagster op de zitting is verschenen, is via zijn holding enig aandeelhouder en bestuurder van klaagster.

3.3. Vanaf 1 april 2019 tot 1 mei 2023 verhuurde klaagster aan [B], die handelde onder de naam [bedrijfsnaam1], een bedrijfsruimte aan de [adres1] te [plaats1], inclusief (minimaal) tien visstekken gelegen aan een recreatieplas nabij [plaats1], [recreatieplas1] geheten. Deze waterplas bestaat uit een oostelijk deel met vijf visstekken en, na gereedkoming van werkzaamheden, een westelijk deel met eveneens vijf visstekken. Deze visstekken konden door [B] aan derden tegen betaling ter beschikking worden gesteld. Klaagster diende erop toe te zien dat niet zonder toestemming van [B] in de recreatieplas werd gevist. De initiële basishuur bedroeg € 2.340 op jaarbasis exclusief een succesfee van 10% van de bruto omzet exclusief btw. In de huurovereenkomst was, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Het gehuurde, bestemming

1.2 Het gehuurde zal door of vanwege Huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als kantoorunit en opslagruimte voor visspullen alsmede per ingangsdatum minimaal vijf daartoe geschikte visstekken en na gereedkomen van de werkzaamheden aan de tweede plas nog eens vijf visstekken (totaal minimaal tien visstekken).

Publiekrechtelijke bestemming

12.1 Huurder verklaart zich op de hoogte te hebben gesteld van het vigerende bestemmingsplan en vrijwaart verhuurder ter zake. Verhuurder staat dan ook geenszins in voor de door huurder gewenste aanwending dan wel het gebruik zoals omschreven in artikel 1.2.

Exploitatie visstekken

14.1 Verhuurder verleent aan huurder het recht om voor eigen rekening en risico in totaal minimaal 10 (tien) visstekken aan te leggen en te exploiteren. Bij aanvang van het contract 05 (vijf) in plas 1 en zo spoedig mogelijk doch uiterlijk per 01-07-2021 nog eens 05 (vijf) in plas 2.

(…).

14.4 Verhuurder is verplicht om op adequate wijze zorg te dragen en dat derden, zoals de bezoekers en bewoners van en op het terrein, niet zullen vissen in en rondom de plassen. Uitgezonderd nadrukkelijke, schriftelijke toestemming vooraf van de Huurder.

(…).

14.6 Bij constatering van een tekortkoming/overtreding van het bedoelde onder (…) 14.4 zal op de betaalverplichting van Huurder een korting gelden die als volgt wordt opgebouwd:

Tweemaal het door Huurder gehanteerde tarief van de duurste visstek plus tweemaal de geschatte marktwaarde van de gevangen vis(sen) met een minimum van €100,- per keer.”

3.4. Tussen klaagster en [B] is een huurgeschil ontstaan. In dat kader is betrokkene door [B] verzocht om een schadebegroting op te stellen. In de opdrachtbevestiging van betrokkene van 29 januari 2021 staat onder meer het volgende vermeld:

“Onderhavige opdracht is in termen van de beroepsorganisatie voor accountants de NBA aan te merken als een 'overige opdracht' onder verwijzing naar 'Praktijkhandreiking 1111 overige opdrachten', onderdeel 3.2 (opdrachttype: 'bijstand van een partij in een geschil') en 'Praktijkhandreiking 1127 opdrachten uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen'. Het gaat hierbij om een adviesopdracht, niet om een assurance- of een aan assurance verwante opdracht. Er wordt derhalve geen accountantsverklaring of beoordelingsverklaring afgegeven. Dit impliceert dat aan de rapportage geen zekerheid kan worden ontleend omtrent de getrouwheid en de volledigheid van de aan [bedrijfsnaam2] verstrekte en in dit onderzoek gebruikte informatie.”

3.5. Op 8 juli 2021 heeft betrokkene een voorlopige schadeberekening opgesteld die [B] in een kortgedingprocedure tegen klaagster heeft ingebracht. De vorderingen van [B] zijn in kort geding afgewezen (ECLI:NL:RBNNE:2021:3887) en daarna ook in hoger beroep (ECLI:NL:GHARL:2022:1616). Ten behoeve van dat hoger beroep heeft betrokkene op 17 december 2021 een (aanvullend) schaderapport opgesteld. Op 6 maart 2023 heeft betrokkene een geactualiseerde berekening/schatting van de schade van [B] gemaakt.

3.6. Bij e-mail van 1 mei 2023 heeft de advocaat van [B] betrokkene verzocht “de schadeclaim te verhogen op grond van aangehaalde artikelen van het vigerende huurcontract”. Daarbij heeft de advocaat aangegeven dat “voor de door client gewenste beslaglegging onder [A] volstaat (vooralsnog) een verklaring van u, waarin u een summiere opgave doet van de schadeclaim.” Betrokkene heeft naar aanleiding van dit verzoek op 8 mei 2023 een aangepaste schadebegroting opgesteld, die hierna het addendum wordt genoemd. Mede op basis van dit addendum heeft [B] op 23 mei 2023 ten laste van klaagster conservatoir beslag laten leggen. [B] is vervolgens een gerechtelijke procedure tegen klaagster gestart. In zijn laatste rapport van 8 november 2024 heeft betrokkene de schade geschat op een bedrag van € 296.964. Deze schade ziet op de jaren 2021 t/m 2023. De schaderapporten en het addendum van betrokkene zijn door [B] in de gerechtelijke procedure tegen klaagster gebracht.

3.7. Bij vonnis van 14 januari 2025 heeft de kantonrechter klaagster onder meer veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 21.120 exclusief rente aan [B], zijnde gederfde winst over de periode van 1 juli 2021 tot 1 mei 2023. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld dat nog loopt.

4. De klachten

4.1. De Accountantskamer bespreekt beide klachten gezamenlijk.

4.2. De Accountantskamer ontleent aan de klaagschriften de volgende klachtonderdelen. Klaagster verwijt betrokkene dat:

(1) hij het addendum van 8 mei 2023 heeft opgesteld zonder hoor en wederhoor toe te passen;

(2) hij onzorgvuldig heeft gehandeld door klakkeloos aangeleverde informatie als feiten in het rapport op te nemen;

(3) hij niet het gesprek met klaagster wilde aangaan, hoewel betrokkene zich daartoe bereid had verklaard;

(4) hij in zijn rapporten niet heeft beoordeeld of de opdracht leidt tot een bedreiging van de fundamentele beginselen;

(5) hij de bedragen in tabel 2 van het addendum van 8 mei 2023 bij “Vermogensschade (gederfde winst)” op een onnavolgbare wijze heeft berekend;

(6) het addendum geen diepgang heeft;

(7) hij geen aandacht heeft besteed aan de vrijwaring die de huurder in het huurcontract aan de verhuurder heeft verleend;

(8) hij aan het vonnis van de voorzieningenrechter volledig voorbij is gegaan;

(9) hij de schade heeft berekend aan de hand van 31 data waarop overtredingen zouden zijn geconstateerd;

(10) hij zijn kosten en die van de advocaat van [B] bij de begroting van de schade zonder onderbouwing heeft meegenomen;

(11) hij de inflatiecorrectie 2021 ook heeft toegepast op kosten die pas in 2022 worden gemaakt en een post van € 747 zonder toelichting heeft opgenomen;

(12) hij een post van € 10.000 aan reputatieschade zonder onderbouwing heeft meegenomen en de schade, inclusief kosten op een veel te hoog bedrag heeft begroot.

5. De beoordeling

Het toetsingskader

5.1. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

5.2. Betrokkene heeft de rapporten en het addendum als partijaccountant, ter ondersteuning van het standpunt van [B] in zijn geschil met klaagster, opgesteld. Op deze opdracht is de NBA-handreiking 1127 (Opdrachten uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen) van toepassing. De aan betrokkene verstrekte opdracht is ook een ‘overige opdracht’ als bedoeld in de NBA-handreiking 1111 (Overige opdrachten).

5.3. Het niet of niet correct toepassen van een NBA-handreiking kan slechts dan een tuchtrechtelijk verwijt opleveren indien en voor zover daarmee schending van het bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep bepaalde aan de orde is, waarbij in het bijzonder het bepaalde in de VGBA van belang is[1].

5.4. Zoals eerder in de tuchtrechtspraak is overwogen ten aanzien van een in een civielrechtelijke procedure ingebracht rapport opgesteld door een accountant die als deskundige een partij bijstaat, strekt een tuchtrechtelijke procedure er niet toe om de inhoud of de wijze van totstandkoming van dat rapport opnieuw en integraal te onderzoeken. Beoordeeld moet worden of de accountant bij het opstellen van het rapport in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende beroeps- en gedragsregels. Daarbij geldt dat een accountant behalve het belang van zijn opdrachtgever ook het algemeen belang heeft te dienen. Gelet op de toegevoegde waarde die in het maatschappelijke verkeer aan een accountantsrapport in een gerechtelijke procedure wordt toegekend en het algemene belang dat rechtspraak op objectieve waarheidsvinding berust, betekent dit dat de accountant ervoor dient te zorgen dat zijn rapport deze waarheidsvinding niet belemmert, doordat dit te eenzijdig is toegespitst op het standpunt/belang van de opdrachtgever. Waar het op aankomt is dat er geen misverstand over mag bestaan of in de door de accountant gepresenteerde gegevens feitelijke aannames van de opdrachtgever zijn opgenomen, dan wel of sprake is van door de accountant op basis van eigen onderzoek gefundeerd getrokken conclusies.

5.5. De Accountantskamer zal aan de hand van het beschreven toetsingskader de klachtonderdelen bespreken.

Klachtonderdeel (1): persoonsgericht onderzoek / hoor en wederhoor

5.6. Klaagster betoogt dat het onderzoek van betrokkene dat ten grondslag ligt aan zijn schaderapport(en) kenmerken vertoont van een onderzoek met persoonsgerichte aspecten waarop het toetsingskader van een persoonsgericht onderzoek van toepassing is.

5.7. In de NBA-handreiking 1112 (Persoonsgerichte onderzoeken) wordt onder een persoonsgericht onderzoek verstaan de aan een accountant verleende opdracht waarvan het object bestaat uit het functioneren, handelen of nalaten van handelen van een (rechts)persoon, voor de uitvoering waarvan werkzaamheden met een verifiërend karakter worden verricht, onder andere bestaande uit het verzamelen en analyseren van al dan niet financiële gegevens en het rapporteren van de uitkomsten.

5.8. De Accountantskamer stelt vast dat in de schaderapporten geen sprake is van een persoonsgericht onderzoek als bedoeld in de NBA-handreiking 1112. Het functioneren, handelen of nalaten van handelen van klaagster was niet het object van onderzoek. Naar het oordeel van de Accountantskamer is evenmin sprake van een onderzoek met persoonsgerichte aspecten waarop het toetsingskader van een persoonsgericht onderzoek,voor zover mogelijk van toepassing is. Object van het onderzoek in de schaderapporten en het addendum is de berekening van de beweerdelijk ontstane vermogensschade van [B] als gevolg van de niet-nakoming door klaagster van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het onderzoek van betrokkene was echter niet gericht op het vaststellen van feiten en omstandigheden waaruit de tekortkomingen van klaagster blijken. De schaderapporten van betrokkene bevatten hierover geen bevindingen maar slechts uitgangspunten en aannames, waarvan de juistheid ter beoordeling van de rechter is. De Accountantskamer ziet dan ook niet in dat de schaderapporten het resultaat zijn van een onderzoek waarbij (de handelwijze van) klaagster zodanig direct en intensief betrokken is dat het onderzoek onvermijdelijk tevens haar positie en functioneren raakt. Nu van een persoonsgericht onderzoek of een onderzoek met persoonsgerichte aspecten geen sprake is geweest, was betrokkene op grond van de aard van zijn onderzoek niet gehouden tot toepassing van hoor en wederhoor.

5.9. Klaagster stelt dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met onderdeel 4.9 van NBA-handreiking 1127, omdat hij klaagster niet heeft gehoord en klaagster niet zijn bevindingen voor wederhoor heeft voorgelegd.

5.10. Betrokkene voert als verweer dat hoor en wederhoor niet nodig was om een deugdelijke grondslag voor het schaderapport te verkrijgen.

5.11. De Accountantskamer overweegt dat voor het opstellen van een schadeberekening in de vorm van een vermogensvergelijking niet, althans niet zonder meer is vereist dat de (vermoedelijke) veroorzaker van de schade wordt gehoord. Uit de NBA-handreiking 1127 blijkt ook niet dat altijd sprake is van een verplichting tot het toepassen van hoor en wederhoor in het kader van opdrachten uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen. Zoals eerder in de rechtspraak is overwogen, ontbeert een document niet reeds een deugdelijke grondslag op grond van het enkele feit dat geen hoor en wederhoor is toegepast, maar is hoor en wederhoor een middel om een deugdelijke grondslag te verkrijgen[2]. Dat hoor en wederhoor in dit geval noodzakelijk waren om een deugdelijke grondslag voor het schaderapport te verkrijgen, ziet de Accountantskamer niet in. Daarbij is van belang dat betrokkene zich mede heeft gebaseerd op informatie zoals die in de civiele processtukken is opgenomen en dat hij in zijn rapporten voldoende onderscheid heeft gemaakt tussen aannames van [B] en zijn eigen bevindingen. Voorts heeft klaagster niet gesteld welke informatie zij had die, indien zij was gehoord, tot een andere uitkomst van het schaderapport had kunnen leiden.

Klachtonderdeel (1) is ongegrond.

Klachtonderdelen (2) en (12): klakkeloos informatie overgenomen / te hoge schade

5.12. Klaagster verwijt betrokkene dat hij de door [B] verstrekte informatie klakkeloos heeft overgenomen zonder hierbij vragen te stellen of kanttekeningen te maken en zich daardoor ongepast heeft laten beïnvloeden. Daartoe verwijst zij naar passages in het addendum van 8 mei 2023 waaruit dit zou blijken: “U verzoekt me de schadeclaim te verhogen”, “De heer [B] berekent het totaal boetebedrag op € 100.800”, “Wat betreft dit element conformeer ik me aan de door de heer [B] opgestelde berekening” en “Tenslotte heeft u met de heer [B] overlegd dat een bedrag van € 10.000 kan worden gevorderd voor immateriële schade ex artikel 6:95 BW”. Volgens klaagster worden al deze punten zonder schroom overgenomen op grond waarvan betrokkene vervolgens in het addendum tot de conclusie komt dat de schadeclaim per peildatum 31 december 2022 in totaal € 167.116 bedraagt.

5.13. De Accountantskamer overweegt dat betrokkene in de aanhef van het addendum het verzoek van de advocaat van [B] van 1 mei 2023 heeft herhaald om de schadeclaim te verhogen op grond van het huurcontract tussen klaagster en [B]. Aan dat verzoek heeft betrokkene middels het addendum voldaan door bij de berekening van de huurkorting van artikel 14.6 van het huurcontract uit te gaan van het door [B] gestelde aantal van 31 overtredingen in de periode van 19 juni 2021 t/m 10 juli 2022. In afwijking van het door [B] berekende “boetebedrag” van € 100.800, heeft betrokkene de soll-positie huur (waarbij de verweten gedraging is weggedacht) in 2021 en 2022 vastgesteld op het veel lagere bedrag van in totaal € 19.395. Hieruit blijkt al dat betrokkene het door [B] berekende bedrag niet één op één heeft overgenomen maar dat hij de huurkorting zelfstandig heeft begroot op basis van de (expliciete) aanname van 31 overtredingen, waarbij betrokkene – net als [B] – zich heeft beperkt tot het tarief van de duurste visstek en de marktwaarde van de gevangen vis(sen) buiten beschouwing heeft gelaten.

5.14. Ten aanzien van de post immateriële schade ad € 10.000 heeft betrokkene voldoende toegelicht dat deze post ziet op reputatieschade die niet door hem is vastgesteld maar volgens de advocaat van [B] kon worden gevorderd en dat de advocaat deze claim namens [B] nog nader moest onderbouwen, zoals betrokkene duidelijk in het addendum heeft verwoord. Mede gelet op de beperkingen en voorbehouden die betrokkene in het addendum heeft gemaakt, is daarmee de objectieve waarheidsvinding door de rechter niet belemmerd.

Klachtonderdelen (2) en (12) zijn ongegrond.

Klachtonderdeel (3): geen bereidheid tot nadere toelichting

5.15. Klaagster verwijt betrokkene dat hij niet bereid was tot een nadere toelichting, hoewel hij daarmee het addendum had afgesloten.

5.16. Betrokkene voert ten eerste als verweer dat het hem, gelet op het beginsel van vertrouwelijkheid, niet vrij staat om zonder toestemming van zijn opdrachtgever inhoudelijk met klaagster in gesprek te gaan. Ten tweede wijst betrokkene erop dat het addendum – en dus ook de slotzin – gericht is aan de advocaat van [B] en niet aan klaagster. In de slotzin staat dat betrokkene bereid is een nadere toelichting te geven. In de derde plaats bestaat volgens betrokkene geen rechtsregel die meebrengt dat hij met de wederpartij van zijn opdrachtgever inhoudelijk in gesprek moet als hij zijn opdrachtgever laat weten bereid te zijn een toelichting te geven en al helemaal niet in het geval waarin de wederpartij onaangekondigd contact opneemt en uitspreekt te overwegen een tuchtklacht tegen de accountant in te dienen.

5.17. Klaagster heeft dit gemotiveerde verweer van betrokkene niet weersproken. Het verweer treft doel. Klachtonderdeel (3) is daarom ongegrond. Daarbij betrekt de Accountantskamer nog dat klaagster ter zitting heeft erkend dat zij zich kan voorstellen dat betrokkene door zijn toonzetting en uitlatingen het gesprek op 6 juni 2024 heeft beëindigd.

Klachtonderdeel (4): geen beoordeling van (bedreigingen van) de fundamentele beginselen

5.18. Klaagster verwijt betrokkene dat hij in zijn schaderapporten geen beoordeling heeft gemaakt ten aanzien van de fundamentele beginselen en welke maatregelen hij bij mogelijke bedreigingen daarvan zou treffen.

5.19. Het klachtonderdeel is ongegrond, omdat klaagster niet heeft gesteld welke bedreigingen van de fundamentele beginselen betrokkene had moeten identificeren. Als betrokkene al bedreigingen had moeten identificeren, dan had betrokkene die bedreigingen en de in verband daarmee genomen maatregelen op grond van artikel 21 lid 3 VGBA in zijn dossier behoren te documenteren, maar niet (ook) in zijn rapporten.

Klachtonderdeel (5): de schadeberekening is onnavolgbaar

5.20. Klaagster verwijt betrokkene dat hij de bedragen in tabel twee van het addendum op bijna onnavolgbare wijze heeft berekend. Volgens klaagster is er geen aansluiting tussen het eerdere schaderapport van 6 maart 2023 en het addendum. Bovendien, aldus klaagster, wordt er steeds met omzetten gerekend maar nergens met kosten, laat staan met winst/verlies, terwijl de vermogensschade is gekoppeld aan gederfde winst. Daarbij wijst klaagster erop dat [bedrijfsnaam1] blijkens de jaarrekeningen nog nooit winst heeft gemaakt.

5.21. De Accountantskamer overweegt dat de schaderapporten en het addendum in onderlinge samenhang moeten worden bezien om inzicht te krijgen in de wijze waarop betrokkene de door [B] gestelde schade heeft begroot. Zo is in het addendum van 8 mei 2023 bij tabel twee (de aangepaste schadebegroting) expliciet verwezen naar tabel acht (die het resultaat is van de tabellen één t/m zeven) in het schaderapport van 6 maart 2023. Verder heeft betrokkene in tabel vijf (2021) en tabel zes (2022) van dat rapport de relatie tussen omzetderving en winstderving inzichtelijk gemaakt en heeft hij in het schaderapport van 8 november 2024 uitgebreid uiteengezet dat een vergelijking is gemaakt tussen de bestaande situatie van [B] (aangeduid als de 'ist'-positie) en de hypothetische situatie waarin de verweten gedragingen worden weggedacht (aangeduid als de 'soll'-positie). Vanwege het ontbreken van objectieve markt- en CBS-gegevens heeft betrokkene zich daarbij onder meer gebaseerd op een eigen, beknopt benchmarkonderzoek wat betreft de te realiseren omzet. Hieruit volgt dat het verwijt (inhoudende dat de schadebegroting van betrokkene een deugdelijke grondslag ontbeert, in die zin dat verschillende bedragen in tabel twee in het addendum onnavolgbaar zouden zijn) geen doel treft.

Klachtonderdeel (5) is ongegrond.

Klachtonderdeel (6): gebrek aan diepgang

5.22. Klaagster verwijt betrokkene een gebrek aan diepgang doordat hij ervan uitgaat dat meer beschikbare visstekken tot een hogere omzet leiden, terwijl uit het 'Gespreksverslag [B] en [C]' van 3 mei 2023 volgt dat de reeds beschikbare visstekken zelden tot nooit allemaal werden verhuurd. Volgens klaagster heeft betrokkene ten onrechte niet de vraag gesteld hoe de extra visstekken verhuurd zullen worden als er blijkbaar al overcapaciteit is.

5.23. De Accountantskamer oordeelt dat betrokkene voldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat de (latere) ingebruikname van de westelijke waterplas (met vijf visstekken) niet afhankelijk was van de bezetting van de (al in gebruik genomen) visstekken van de oostelijke waterplas (met eveneens vijf visstekken), omdat in het huurcontract was afgesproken dat de westelijke waterplas uiterlijk 1 juli 2021 aan [B] beschikbaar diende te worden gesteld. Betrokkene heeft in zijn rapporten duidelijk uiteengezet dat hij bij de berekening van de ‘soll’-positie is uitgegaan van de in de huurovereenkomst genoemde (minimaal) tien visstekken. Bovendien heeft betrokkene de schade begroot mede op basis van een eigen, beknopt benchmarkonderzoek (zie 5.21). Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat de rapporten geen diepgang hebben.

Klachtonderdeel (6) is ongegrond.

Klachtonderdeel (7): vrijwaring bestemmingsplan

5.24. Klaagster verwijt betrokkene dat hij volledig voorbij is gegaan aan het bepaalde in artikel 12.1 van het huurcontract waarin staat dat huurder kennis heeft genomen van het vigerende bestemmingsplan en de verhuurder ter zake vrijwaart. Volgens klaagster houdt dit artikel in dat [B] klaagster zal vrijwaren als de extra visstekken ten gevolge van het bestemmingsplan (nog) niet gerealiseerd kunnen worden. Betrokkene had deze vrijwaring bij zijn schadeberekening moeten betrekken, aldus klaagster.

5.25. De Accountantskamer overweegt dat betrokkene ten behoeve van de onderbouwing van de gestelde schade een vergelijking heeft gemaakt tussen de werkelijke situatie (de ‘ist’-positie) en de situatie waarin de huurovereenkomst volledig was nagekomen (de ‘soll’-positie). In die vergelijking speelt geen rol of een overeengekomen vrijwaring, althans zoals klaagster die uitlegt, ertoe kan leiden dat schade niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat een bestemmingsplan aan de nakoming van de huurovereenkomst in de weg staat. Dat aspect viel buiten het bestek van de opdracht van betrokkene. Of op grond van een contractuele afspraak het recht op schadevergoeding moet worden beperkt of zelfs vervalt, is een zuiver juridisch vraagstuk dat betrokkene niet bij zijn schadeberekening behoefde te betrekken. In de civiele procedure is de vrijwaring aan de orde gesteld en is de bepaling van artikel 12.1 van het huurcontract, waarin de vrijwaring is opgenomen, uitgelegd.

Klachtonderdeel (7) is ongegrond.

Klachtonderdelen (8) en (11): het kortgedingvonnis en de kosten van betrokkene en de advocaat

5.26. Klaagster verwijt betrokkene dat hij (ook) volledig voorbij is gegaan aan het vonnis van de voorzieningenrechter van 9 september 2021 waarin in rechtsoverweging 4.4 is overwogen dat “onweersproken vaststaat dat bij de koop of huur van die vakantiewoningen het gebruik van de recreatieplas zat inbegrepen, zodat het opleggen van een visverbod aan de bewoners onuitvoerbaar is. Gesteld noch gebleken is dat door [X] wordt gedoogd dat anderen dan deze bewoners de vissport in de plas bedrijven, zodat daarvoor geen ordemaatregel noodzakelijk is.” Volgens klaagster heeft de voorzieningenrechter daarmee geoordeeld dat [B] geen schade heeft geleden doordat bewoners van de vakantiewoningen (gelegen aan de waterplas) in de waterplas vissen. Uit een aantal foto’s blijkt volgens klaagster dat de bewoners van de vakantiewoningen in de waterplas vissen en betrokkene had daaraan aandacht moeten besteden.

5.27. Daarnaast wijst klaagster erop dat de door betrokkene opgevoerde advocaat- en accountantskosten in het addendum niet met facturen of betaalbewijzen zijn onderbouwd en dat geen rekening is gehouden met de beslissing in kort geding inzake de proceskosten.

5.28. De Accountantskamer is van oordeel dat uit de passage in het kortgedingvonnis alleen volgt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat een ordemaatregel, in die zin dat derden wordt verboden in de waterplas te vissen, niet haalbaar c.q. niet nodig is. Niet haalbaar, omdat de bewoners van de vakantiewoningen nu eenmaal in de waterplas mogen vissen en niet nodig, omdat klaagster niet gedoogt dat anderen dan de bewoners van de vakantiewoningen in de waterplas vissen. Klaagster heeft niet toegelicht en onderbouwd dat de afwijzing door de voorzieningenrechter van bedoelde ordemaatregel van invloed was of kon zijn op de schadeberekening van betrokkene.

5.29. Ten aanzien van de advocaat- en accountantskosten staat vast dat bij het schaderapport van 8 november 2024 (alsnog) de facturen en betaalbewijzen als bijlage zijn gevoegd. Voor zover al sprake zou zijn van een verzuim, heeft betrokkene dat hersteld. Het was niet aan betrokkene om een juridisch oordeel te vellen over de vraag of de hiervoor bedoelde kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dat is aan de rechter. Betrokkene heeft het standpunt van zijn opdrachtgever vertolkt, wat in het addendum tot uitdrukking is gebracht. Tot slot zijn de proceskosten in het kort geding tussen [B] en klaagster niet gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, zoals klaagster stelt, maar is zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaringszaak een proceskostenveroordeling uitgesproken.

Klachtonderdelen (8) en (9) zijn ongegrond.

Klachtonderdeel (9): 31 data waarop overtredingen zouden zijn geconstateerd

5.30. Klaagster verwijt betrokkene dat hij is uitgegaan van een opgave door [B] van 31 overtredingen waarbij onbevoegd in de waterplas is gevist, hoewel er slechts 15 foto’s van overtredingen zijn gemaakt en sommige overtredingen op aaneensluitende data zijn geconstateerd.

5.31. De Accountantskamer is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is. Betrokkene heeft in het addendum namelijk voorkomen dat de lezer ervan op het verkeerde been wordt gezet waar het om de 31 overtredingen gaat. Betrokkene heeft immers duidelijk tot uitdrukking gebracht dat het om informatie gaat die [B] aan hem heeft gegeven en dat het dus niet om een eigen bevindingen gaat. Betrokkene heeft geschreven: “Ik ben niet in staat vast te stellen of deze overtredingen zich werkelijk hebben voorgedaan. In mijn verdere berekeningen ga ik daar wel van uit. Bij de lijst heeft de heer [B] ter bewijsvoering gevoegd foto's van de, zo geeft de heer [B] aan, door hem geconstateerde overtredingen. Zie hiervoor de bijlage (2). Het feit dat in alle gevallen een vistent staat opgesteld, duidt er volgens [B] op dat van (langduriger) vissen sprake is/moet zijn geweest. De heer [B] heeft toegelicht dat in alle gevallen waarin er een foto is genomen sprake is geweest van een volledige dag vissen. Dit wordt door hem onderbouwd door verwijzing naar de omstandigheid dat een vistent, soortgelijk aan die de foto’s laten zien, normaliter niet slechts voor een enkel uurtje vissen wordt opgebouwd, gelet op het werk dat dit met zich meebrengt.

Klachtonderdeel (10): inflatiecorrectie

5.32. Klaagster verwijt betrokkene dat hij de inflatiecorrectie van 2021 ook heeft toegepast op kosten die pas in 2022 zijn gemaakt. Daarnaast heeft betrokkene een post van € 747 opgenomen die niet is toegelicht.

5.33. Betrokkene erkent dat in tabel 2 van het addendum een fout is geslopen doordat de inflatiecorrectie over 2021 ten onrechte is toegepast op de winstderving 2022. In randnummer 4.7.2. van het verweerschrift van 7 januari 2025 heeft betrokkene een gecorrigeerde tabel twee opgenomen. Daarbij wijst betrokkene erop dat inmiddels een herberekening heeft plaatsgevonden in het schaderapport van 8 november 2024.

5.34. Ten aanzien van de post € 747 heeft betrokkene toegelicht dat deze post ziet op de proceskostenveroordeling uit hoofde van het kortgedingvonnis van 9 september 2021 en dat deze post reeds in tabel 8 van het schaderapport van 6 maart 2023 als zodanig is benoemd en opgenomen.

5.35. Nu klaagster op dit gemotiveerde verweer niet meer heeft gereageerd en het klachtonderdeel daarmee afdoende is weerlegd, is klachtonderdeel (10) ongegrond.

Conclusie

5.36. De Accountantskamer komt tot de slotsom dat betrokkene bij het uitvoeren van zijn opdracht niet heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel. De klacht zal ongegrond worden verklaard.

6. De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.M. van Amsterdam en mr. P. van der Stroom (rechterlijke leden) en Th.A. Verkade RA en D.J. ter Harmsel (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.M.N. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 september 2025.

_________ __________

secretaris voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] zie onder meer CBB 20 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:364, rov. 4.2.

[2] zie CBB 31 mei 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BW7869, rov. 2.4 en CBB 31 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:201, rov. 7.3.