ECLI:NL:TACAKN:2025:57 Accountantskamer Zwolle 24/4273 Wtra AK 24/4274 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2025:57
Datum uitspraak: 22-08-2025
Datum publicatie: 25-08-2025
Zaaknummer(s):
  • 24/4273 Wtra AK
  • 24/4274 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met tijdelijke doorhaling in het AFM-register
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht. Betrokkenen krijgen de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van zes maanden opgelegd. Betrokkenen hebben in opdracht van zeven gemeenten een zorgfraudeonderzoek ingesteld en daarover gerapporteerd. Dat rapport, door hen een rapport van feitelijke bevindingen genoemd, heeft geleid tot beslaglegging en een civielrechtelijke procedure. De zorgverleenster, die in deze klacht als klaagster optreedt en tegen wie het onderzoek zich richtte, stelt onder meer dat het rapport geen rapport van feitelijke bevindingen is maar een persoonsgericht onderzoek, dat betrokkenen niet de juiste deskundigen hebben ingeschakeld om een onderzoek te verrichten en onvoldoende hoor en wederhoor hebben toegepast en dat het rapport een deugdelijke grondslag mist. De Accountantskamer verklaart de klacht grotendeels gegrond. Betrokkenen hebben in ernstige mate de fundamentele beginselen geschonden en hebben geen maatregelen genomen toen zij eenmaal wisten of behoorden te weten dat hun onderzoek en rapport niet voldeden.

UITSPRAAK van 22 augustus 2025 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 11 december 2024 ontvangen klacht met nummers 24/4273 en 24/4274 Wtra AK van

X1

wonende te [plaats1]

K L A A G S T E R

advocaten: mrs. W.G. Jonker en I.S.L.M. van Rijckevorsel te Amsterdam

t e g e n

1. Y1

registeraccountant

2. Y2

registeraccountant

beiden kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E N

advocaat: mr. H. Sytema te Den Haag

1. De procedure

1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de op de zitting door klaagster overgelegde pleitaantekeningen.

1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 6 juni 2025. Klaagster is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Jonker en mr. J.T.A. de Keizer. Betrokkenen zijn ook verschenen, bijgestaan door hun advocaat.

2. De uitspraak samengevat

2.1. Betrokkenen hebben in opdracht van zeven gemeenten een zorgfraudeonderzoek ingesteld en daarover gerapporteerd. Dat rapport, door hen een rapport van feitelijke bevindingen genoemd, heeft geleid tot beslaglegging en een civielrechtelijke procedure. De zorgverleenster, die in deze klacht als klaagster optreedt en tegen wie het onderzoek zich richtte, stelt onder meer dat het rapport geen rapport van feitelijke bevindingen is maar een persoonsgericht onderzoek, dat betrokkenen niet de juiste deskundigen hebben ingeschakeld om een onderzoek te verrichten en onvoldoende hoor en wederhoor hebben toegepast en dat het rapport een deugdelijke grondslag mist.

2.2. De klacht is grotendeels gegrond. Betrokkenen hebben in ernstige mate de fundamentele beginselen geschonden en hebben geen maatregelen genomen toen zij eenmaal wisten of behoorden te weten dat hun onderzoek en rapport niet voldeden. Aan betrokkenen wordt de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van zes maanden opgelegd.

3. De feiten

3.1. Betrokkene [Y1] is sinds 2008 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Betrokkene [Y2] sinds 2017. Zij zijn verbonden aan [BV1] te [plaats2], een onderzoeks- en advieskantoor gericht op gemeenten en zorgaanbieders[1].

3.2. Klaagster heeft sinds 2005 een praktijk (eenmanszaak), waarin zij hulp en zorg op grond van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aanbiedt (hierna: de Praktijk). Naast gecontracteerde zorg, biedt de Praktijk ook niet-gecontracteerde jeugdzorg en paramedisch zorg aan. De Praktijk heeft meerdere vestigingen in [provincie1].

3.3. In 2017 heeft de Praktijk met zeven gemeenten uit de regio’s [regio1] en [regio2] (de gemeenten) overeenkomsten gesloten voor het leveren van zorg op grond van de Jeugdwet en de Wmo.

3.4. De gemeenten bereikten, kort gezegd, signalen dat de Praktijk vermoedelijk de gecontracteerde zorg niet correct declareerde. Op 6 september 2022 is daarom aan betrokkenen opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de declaraties die de Praktijk bij de gemeenten had ingediend. De gemeenten, daarbij vertegenwoordigd door de gemeente [gemeente1], hebben een “specifiek controleplan” voor dit onderzoek opgesteld. In dit controleplan is vermeld dat het doel van het onderzoek is het “vaststellen of sprake is van fraude. Secundair vaststellen of de Jeugdwet-declaraties rechtmatig zijn.” In het controleplan staan vijf onderzoekstappen die moeten worden gevolgd, met dien verstande dat de stappen vier en vijf optioneel zijn.

3.5. Betrokkenen hebben op 31 augustus 2022 een offerte uitgebracht, welke offerte bij brief van 6 september 2022 door de gemeenten is geaccepteerd. Bij brief van 7 september 2022 is klaagster door de gemeente [gemeente1] bericht dat een vermoeden van fraude bestaat en dat er daarom een onderzoek zal worden uitgevoerd door accountants en een BIG[2]-geregistreerde professional. Bij deze brief is het specifiek controleplan gevoegd.

3.6. Betrokkenen hebben op 20 oktober 2022 een bespreking gevoerd met klaagster, onder meer om inzicht te krijgen in het door de Praktijk gehanteerde administratieve systeem. Op 17 november 2022 vond opnieuw een bespreking plaats tussen betrokkenen en een door betrokkenen ingeschakelde BIG-geregistreerde psycholoog enerzijds en klaagster en haar collega, een orthopedagoog, anderzijds. Tijdens deze bespreking zijn vragen gesteld over de afkortingen die de Praktijk in de patiëntdossiers hanteerde.

3.7. Op 6 december 2022 hebben betrokkenen het volgende e-mailbericht aan klaagster gestuurd: ‘Door persoonlijke (en onvoorziene) omstandigheden kan (…) (de psycholoog, toevoeging Ack) haar werkzaamheden bij deze audit niet afmaken. We hebben gelukkig een andere Big-geregistreerd iemand bereid gevonden de werkzaamheden van (…) voortzetten. Het betreft [A], (…). [A] is psychiater’.

3.8. Op 13 maart 2023 is het conceptrapport van betrokkenen aan klaagster toegestuurd met het verzoek daarop te reageren. Op 16 maart 2023 is naar aanleiding van vragen van klaagster een tabel aan klaagster verstrekt, waarin per dossier is vermeld of volgens betrokkenen en de psychiater sprake is van begeleiding of behandeling (of een combinatie daarvan).

3.9. Klaagster heeft op 31 maart 2023 schriftelijk gereageerd op het conceptrapport. In haar reactie heeft zij onder meer gevraagd welk toetsingskader is gehanteerd voor de beoordeling of sprake is van behandeling dan wel begeleiding en om die beoordeling per dossier inzichtelijk te maken. Ook heeft zij een verklaring gegeven voor de in het conceptrapport vastgestelde indirect cliëntgebonden, gedeclareerde tijd (€ 302.350 wegens 265.530 bestede minuten). Betrokkene mocht alleen direct cliëntgebonden tijd declareren en dan alleen als sprake was van begeleiding. Behandelingen mochten door de Praktijk niet bij de gemeenten worden gedeclareerd, omdat behandelingen niet waren gecontracteerd.

3.10. Op 2 juni 2023 hebben betrokkenen het definitieve rapport (het rapport) uitgebracht. Op het rapport staat vermeld dat het een rapport van feitelijke bevindingen is. In het rapport staat: “Het doel van het onderzoek is gericht op het vaststellen in hoeverre jeugdwet-declaraties rechtmatig zijn ingediend. De naleving van de contractvoorwaarden dienen als norm. Daarnaast is het vaststellen of sprake is van fraude van secundair belang.”

3.11. De gemeenten hebben klaagster gedagvaard en primair betaling van afgerond € 970.000 gevorderd. Ter onderbouwing van hun vordering is het rapport overgelegd. De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 24 april 2024 de vordering van de gemeenten afgewezen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

4. De klacht

4.1. Betrokkenen hebben volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels.

4.2. Klaagster verwijt betrokkenen het volgende:

1. betrokkenen hebben onduidelijkheid laten bestaan over de aard van de verrichte werkzaamheden, omdat zij:

1.1 geen (accurate) opdrachtbrief aan de gemeenten hebben verstrekt waaruit de aard van de werkzaamheden en het toepasselijke normenkader voor de werkzaamheden blijkt;

1.2 hebben nagelaten aan te geven hoe zij vormgeven aan de waarborgen die voortvloeien uit hun werkzaamheden als “onafhankelijk onderzoeker”;

1.3 geen onderzoeksprotocol hebben gehanteerd;

1.4 het onderzoeksdoel tussentijds hebben gewijzigd;

1.5 het fraudeonderzoek door hun advocaat hebben laten presenteren als een feitenonderzoek;

2. betrokkenen beschikken niet over de vereiste vakbekwaamheid om (persoonsgerichte) onderzoeken als dit fraudeonderzoek uit te voeren;

4. betrokkenen hebben hun opdrachtgever invloed laten uitoefenen op de inrichting en uitvoering van hun werkzaamheden;

7. betrokkenen hebben onvoldoende rekening gehouden met de belangen van klaagster;

11. betrokkenen hebben geen hoor en wederhoor toegepast;

16. betrokkenen zijn onzorgvuldig geweest bij het selecteren en inschakelen van deskundigen en ook onzorgvuldig geweest bij het toezicht op de werkzaamheden die door die deskundigen zijn uitgevoerd, omdat zij:

16.1 deskundigen hebben ingeschakeld die niet deskundig zijn;

16.2 een deskundige hebben ingeschakeld met wie een van hen is gehuwd;

16.3 over de identiteit van deze ingeschakelde deskundige geen openheid hebben verschaft;

16.4 geen toezicht hebben gehouden op de werkzaamheden van de deskundigen;

22. betrokkenen hebben onjuiste conclusies getrokken met betrekking tot:

22.1 de jaarrekeningenanalyse (stap 1: bedrijfsanalyse)

22.2 het dossieronderzoek (stap 2/3: dossieronderzoek, onderzoek inhoudelijk zorg)

22.3 directe versus indirecte tijd (stap 2: onderzoek geleverde prestaties)

22.4 de geleverde zorg per dag (stap 2: onderzoek geleverde prestaties)

22.5 de registraties in zes dossiers;

29. betrokkenen hebben de opdracht ten onrechte niet teruggegeven en hun rapport ten onrechte niet ingetrokken.

5. De beoordeling

5.1. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkenen aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

5.2. De Accountantskamer dient eerst de aard van de opdracht aan betrokkenen en het door hen uitgevoerde onderzoek vast te stellen teneinde het handelen en nalaten van betrokkenen, voor zover hun daarvan een verwijt wordt gemaakt, aan de juiste, toepasselijke regelgeving te kunnen toetsen.[3] De Accountantskamer overweegt het volgende. Betrokkenen hebben een onderzoek ingesteld naar de zorgdeclaraties. Het doel van het onderzoek is volgens het specifiek controleplan van de gemeenten, waarnaar in de opdrachtbrief aan betrokkenen van 6 september 2022 expliciet is verwezen, primair een fraudeonderzoek en secundair een onderzoek naar de vraag of de Jeugdwetdeclaraties rechtmatig zijn. Uit de opdracht blijkt niet dat van betrokkenen assurance of een oordeel werd verlangd.

5.3. Uit de naam die betrokkenen aan het onderzoek hebben gegeven (“Onderzoek: Rapport van feitelijk bevindingen”) lijkt te volgen dat betrokkenen een rapport hebben uitgebracht als bedoeld in Standaard 4400N, Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden[4]. Zo’n opdracht leidt immers tot een rapport van feitelijke bevindingen. Dit zou impliceren dat betrokkenen een aan assurance verwante opdracht hebben uitgevoerd[5]. Uit de offerte van betrokkenen en de opdracht blijkt dat echter niet. Het blijkt ook niet uit de inhoud van het rapport. Uit de daarin gehanteerde bewoordingen kan ook niet worden afgeleid dat betrokkenen assurance of een oordeel hebben gegeven of dat hebben gesuggereerd.

5.4. Naar het oordeel van de Accountantskamer hebben betrokkenen een overige opdracht verricht, in het bijzonder een persoonsgericht onderzoek. Op een overige opdracht is geen specifieke standaard van toepassing[6], maar wel, als de opdracht een persoonsgericht onderzoek is, een handreiking te weten Handreiking 1112. Een persoonsgericht onderzoek kan niet worden uitgevoerd in de vorm van een opdracht tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden, bedoeld in Standaard 4400N. De belangrijkste reden daarvan is dat in deze standaard is voorgeschreven dat de accountant overeenstemming moet bereiken met de belanghebbenden die een exemplaar van het rapport van feitelijke bevindingen zullen ontvangen over de overeengekomen werkzaamheden en de voorwaarden van de opdracht. Dit voorschrift geldt niet voor een persoonsgericht onderzoek. Weliswaar zal ook in een persoonsgericht onderzoek de opdrachtgever een zekere inspraak hebben in de aard en omvang van de uit te voeren werkzaamheden, maar die inspraak is van een andere aard en gaat veel minder ver dan bij een Standaard-4400N-opdracht. Met klaagster, die belanghebbende is[7], is bij de opdrachtaanvaarding geen overleg gevoerd. In Handreiking 1112 wordt de toepasselijkheid van Standaard 4400N bij een persoonsgericht onderzoek uitgesloten.

5.5. Volgens Handreiking 1112 is een persoonsgericht onderzoek een opdracht waarvan het object bestaat uit het functioneren, handelen of nalaten van een (rechts)persoon voor de uitvoering waarvan werkzaamheden met een verifiërend karakter worden verricht, te weten het verzamelen en analyseren van al dan niet financiële gegevens en het rapporteren van de uitkomst. Het primaire doel van het onderhavige onderzoek was of klaagster had gefraudeerd door middel van zorgdeclaraties. Daardoor was het een persoonsgericht onderzoek. Indien het onderzoek had uitgewezen dat sprake was van fraude, dan was op voorhand aannemelijk dat straf- en/of civielrechtelijke consequenties voor klaagster zouden kunnen volgen[8].

5.6. Handreiking 1112 geeft aanwijzingen hoe een persoonsgericht onderzoek kan worden uitgevoerd. Een afwijking van deze handreiking betekent nog niet dat betrokkenen daarmee een of meer fundamentele beginselen hebben geschonden. Het niet of niet correct toepassen van een bepaling uit een handreiking kan slechts een gegrond tuchtrechtelijk verwijt opleveren indien en voor zover daarmee schending van het bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep bepaalde aan de orde is[9]. Wel vormen de handreikingen een belangrijke richtlijn en kenbron voor de accountant waarvan een afwijking op een gegronde reden moet berusten.

5.7. De Accountantskamer zal met inachtneming van deze overwegingen over de aard van de opdracht de klacht beoordelen.

Klachtonderdeel 1: betrokkenen hebben onduidelijkheid laten bestaan over de aard van de verrichte werkzaamheden, omdat zij:

1.1 geen (accurate) opdrachtbrief aan de gemeenten hebben verstrekt waaruit de aard van de werkzaamheden en het toepasselijke normenkader voor de werkzaamheden blijkt;

1.2 hebben nagelaten aan te geven hoe zij vormgeven aan de waarborgen die voortvloeien uit hun werkzaamheden als “onafhankelijk onderzoeker”;

1.3 geen onderzoeksprotocol hebben gehanteerd;

1.4 het onderzoeksdoel tussentijds hebben gewijzigd;

1.5 het fraudeonderzoek door hun advocaat hebben laten presenteren als een feitenonderzoek.

5.8. De Accountantskamer bespreekt het klachtonderdeel samen met de subklachtonderdelen en overweegt het volgende. Betrokkenen waren niet gehouden de opdracht aan de gemeenten schriftelijk te bevestigen, omdat een verplichting daartoe niet uit de regelgeving volgt. Zij waren dus ook niet gehouden de aard van de werkzaamheden, het toepasselijke normenkader en de waarborgen met betrekking tot hun onafhankelijkheid[10] in een opdrachtbrief te beschrijven, zoals klaagster stelt. Overigens is het wel steeds aan te bevelen een opdracht schriftelijk aan een opdrachtgever te bevestigen ter voorkoming van onduidelijkheden en misverstanden, maar verplicht is dat bij overige opdrachten, waarvan in dit geval sprake was, niet. De opdracht is van de kant van de gemeenten wel schriftelijk bevestigd naar aanleiding van de offerte van betrokkenen. Bij de opdrachtbrief van de gemeenten is het specifiek controleplan gevoegd dat betrokkenen dienden te volgen. Dat specifiek controleplan kan als een onderzoeksprotocol worden beschouwd omdat daarin onder meer de onderzoekstappen zijn opgesomd, daargelaten dat betrokkenen niet op grond van regelgeving verplicht waren een onderzoeksprotocol te hanteren. De subklachtonderdelen 1.1, 1.2 en 1.3 zijn ongegrond.

5.9. In hun rapport hebben betrokkenen de twee onderzoeksdoelen ten opzichte van het specifiek controleplan, onderdeel van hun opdracht, omgedraaid. Waar het specifiek controleplan zegt dat het primair gaat om de vaststelling of sprake is van fraude en secundair of de Jeugdwet-declaraties rechtmatig zijn, is dit in het rapport omgedraaid. Betrokkenen hebben daarvoor geen begrijpelijke reden gegeven, maar beide onderzoeksdoelen staan wel in het rapport en daarom mist het verwijt dat die doelen zijn gewijzigd, een feitelijke grondslag. Subklachtonderdeel 1.4 is daarom ongegrond.

5.10. Subklachtonderdeel 1.5. is wel gegrond. De advocaat van klaagster heeft in een brief van 26 oktober 2023 aan betrokkenen geschreven, kort gezegd, dat het fraudeonderzoek niet deugt en verzocht om het rapport in te trekken. De advocaat van betrokkenen heeft in een e-mail van 4 december 2023 daarop aldus geantwoord: “In dit verband merkt cliënte ([BV1], toevoeging Ack) op dat – anders dan de kwalificatie die u hanteert – er geen fraudeonderzoek heeft plaatsgevonden, maar dat er een rapport van feitelijke bevindingen is opgeleverd”. Deze mededeling was zowel in strijd met de opdracht van de gemeenten als het rapport want in het specifiek controleplan staat dat het (primair) een fraudeonderzoek is en in het rapport staat: “Daarnaast is het vaststellen of sprake is van fraude van secundair belang”. Daar komt bij dat in een e-mail van betrokkenen van 18 juli 2023 aan klaagster staat: “Zoals bij u bekend is door [BV1] een fraudeonderzoek verricht in opdracht van verschillende gemeenten aangesloten bij de regio's [regio1] en [regio2].” In dit licht bezien was de mededeling van de advocaat van betrokkenen dat het geen fraudeonderzoek was, beslist onjuist.

5.11. Betrokkenen hebben subklachtonderdeel 1.5 onbesproken gelaten. Zij hebben bijvoorbeeld niet gesteld dat hun advocaat de e-mail op eigen initiatief heeft geschreven of dat met hen geen overleg is gevoerd over het in de e-mail in te nemen standpunt over de aard van het onderzoek. Zij hadden, indien zij niet vooraf wisten dat én/of wat de advocaat namens hen ging schrijven, een maatregel moeten nemen om de onjuistheid te corrigeren nadat zij daarmee wel bekend waren geworden. Betrokkenen hebben in beide gevallen (de advocaat een onjuist standpunt laten vertolken of dat onjuiste standpunt later niet corrigeren) het fundamentele beginsel van integriteit geschonden. In het eerste geval hebben betrokkenen niet eerlijk en oprecht gehandeld (artikel 6 VGBA). In het tweede geval hebben zij geen maatregel genomen om het materieel onjuiste standpunt te corrigeren (artikel 9 VGBA).

5.12. Van klachtonderdeel 1 is subklachtonderdeel 1.5 gegrond en de overige zijn ongegrond.

Klachtonderdeel 2: betrokkenen beschikken niet over de vereiste vakbekwaamheid om (persoonsgerichte) onderzoeken als dit fraudeonderzoek uit te voeren.

5.13. Het klachtonderdeel vraagt de Accountantskamer een uitspraak te doen over de vakbekwaamheid van betrokkenen, maar dat doet de Accountantskamer alleen in relatie tot concrete verwijten. Klaagster verwijst in haar klaagschrift in dit verband naar de wijze waarop betrokkenen het onderzoek hebben verricht en de steken die zij daarbij volgens klaagster hebben laten vallen. Deze verwijten heeft klaagster in de overige klachtonderdelen beschreven. Of betrokkenen het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid hebben geschonden, komt bij de bespreking van de overige klachtonderdelen, indien van toepassing, aan de orde. Als zelfstandig klachtonderdeel heeft klachtonderdeel 2 geen betekenis en is om die reden ongegrond.

5.14. De Accountantskamer merkt in dit verband voor de goede orde op dat het niet vermelden van de afkorting RA achter de naam van betrokkenen in de aanbiedingsbrief van 2 juni 2023 bij het rapport, niet van belang is bij de beoordeling van hun handelen of nalaten. Betrokkenen zijn als accountants immers te allen tijde onderworpen aan de regelgeving voor accountants, ook als zij hun RA-titel niet voeren. Het fundamentele beginsel van professionaliteit is van toepassing op elk handelen of nalaten van de accountant en de overige fundamentele beginselen zijn daarnaast van toepassing als de accountant zijn beroep heeft uitgeoefend (artikel 3 VGBA). Van beroepsuitoefening is sprake als de accountant vakbekwaamheid aanwendt of kan aanwenden (paragraaf 3 Toelichting bij de VGBA).

Klachtonderdeel 3: betrokkenen hebben hun opdrachtgever invloed laten uitoefenen op de inrichting en uitvoering van hun werkzaamheden.

5.15. In het specifiek controleplan staat: “In het kader van het onderzoek worden allereerst willekeurig 100 dossiers geselecteerd over de onderzoeksperiode (75 product ‘begeleiding B’ en 25 product ‘begeleiding A’).” Uit een e-mail van de contactmanager Jeugd (werkzaam bij een van de gemeenten in de regio [regio2]) van 19 september 2022 aan kennelijk betrokkenen volgt, dat een collega van deze contactmanager 100 dossiers aan de hand van bepaalde, in de e-mail opgesomde criteria heeft geselecteerd.

5.16. Met klaagster is de Accountantskamer van oordeel dat hiermee is afgeweken van het specifiek controleplan dat onderdeel uitmaakt van de aan betrokkenen verstrekte opdracht. In de e-mail van de contactmanager Jeugd is niets gezegd over deze afwijking en betrokkenen hebben er ook niets mee gedaan, hoewel het op hun weg lag de gemeenten erop te wijzen, omdat van de opdracht werd afgeweken en het voor de uitkomsten van het onderzoek verschil kan maken of aselect dossiers zijn getrokken of aan de hand van bepaalde criteria. In het laatste geval konden de gemeenten immers invloed uitoefenen op het onderzoek en de uitkomsten ervan door bijvoorbeeld dossiers te selecteren waarin volgens hen waarschijnlijk sprake was van fraude en/of onrechtmatige declaraties.

5.17. In Handreiking 1112 Persoonsgericht onderzoeken is als bedreiging voor de accountant bij de uitvoering van de opdracht vermeld dat een medewerker van de opdrachtgever deelneemt aan het onderzoek. Weliswaar hebben de contactmanager en zijn collega niet zelf aan het onderzoek door betrokkenen deelgenomen, maar de collega heeft wel de 100 dossiers aan de hand van bepaalde criteria geselecteerd waardoor het risico bestond dat het onderzoek en de uitkomsten ervan werden gestuurd. Betrokkenen hebben deze bedreiging van de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en van objectiviteit ten onrechte niet opgemerkt en er dus ook niet op ingespeeld door een of meer maatregelen te nemen. Betrokkenen hadden in elk geval de van de opdracht afwijkende dossierselectie met de gemeenten moeten opnemen, omdat betrokkenen als onderdeel van hun professionele oordeelsvorming voortdurend dienden te beoordelen of op enig moment sprake kon zijn van een bedreiging van het zich houden aan de fundamentele beginselen (artikel 21 VGBA). Betrokkenen hebben in strijd met de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en van objectiviteit gehandeld.

Klachtonderdeel 3 is gegrond.

Klachtonderdeel 4: betrokkenen hebben onvoldoende rekening gehouden met de belangen van klaagster.

5.18. Het verwijt dat klaagster in dit verband onder meer maakt (betrokkenen hebben geen onderzoeksprotocol gehanteerd) is al aan de orde geweest. De Accountantskamer verwijst naar de bespreking van subklachtonderdeel 1.3.

5.19. Klaagster verwijt betrokkenen ook dat zij haar niet adequaat hebben geïnformeerd over de processuele waarborgen, de wijze waarop zij aan de gemeenten rapporteerden (enkel feiten of ook conclusies) en de mogelijke gevolgen ervan.

5.20. De Accountantskamer overweegt het volgende. Klaagster wist dat de gemeenten een fraudeonderzoek waren gestart en dat daartoe accountants en een BIG-geregistreerde professional zouden worden ingeschakeld. Dat staat immers in de brief van de gemeente [gemeente1] aan klaagster van 7 september 2022 waarin naast de in het onderzoek te nemen stappen ook staat dat de professionals zelf geen conclusies zullen formuleren. Omdat klaagster door deze brief bekend was met de aard van het onderzoek, de wijze waarop daaraan uitvoering zou worden gegeven, de functie van betrokkenen als onderzoekers die zelf geen conclusies zullen trekken, rustte op betrokkenen jegens klaagster geen zorgplicht in de door het klachtonderdeel bedoelde zin.

Klachtonderdeel 4 is ongegrond.

Klachtonderdeel 5: betrokkenen hebben geen hoor en wederhoor toegepast.

5.21. Klaagster stelt in de eerste plaats dat zij niet voldoende is gehoord. Zij stelt dat zij op 20 oktober 2022 is gehoord over het proces van aan- tot afmelding van cliënten en over het door haar voor de administratie gehanteerde systeem Praktijkdata. Tijdens het tweede gesprek op 17 november 2022 is klaagster alleen gevraagd naar de betekenis van afkortingen in dossiers en naar haar doelgroep. Mondeling noch schriftelijk zijn inhoudelijke vragen gesteld. In de tweede plaats heeft volgens klaagster ook geen wederhoor, het reageren op de bevindingen van betrokkenen, plaatsgevonden. Aan klaagster is op 23 maart 2023 het conceptrapport toegestuurd met het verzoek binnen de veel te korte termijn van 14 dagen te reageren. Betrokkenen hadden in het conceptrapport echter niet opgeschreven op grond waarvan, en in welke van de 100 dossiers, betrokkenen hadden geconcludeerd dat sprake was van (niet declarabele) behandeling en (wel declarabele) begeleiding en van niet declarabele indirecte uren. Weliswaar ontving klaagster een tabel van de 100 dossiers, maar die beperkte zich tot de kwalificaties: behandeling, begeleiding, een combinatie ervan, of te weinig verslaglegging. Op de vragen van klaagster aan betrokkenen, zowel schriftelijk als telefonisch gesteld, is niet inhoudelijk gereageerd. Betrokkenen schreven klaagster op 8 mei 2023 dat kennis was genomen van haar opmerkingen en dat die waar nodig in het definitieve rapport waren verwerkt, welk rapport al aan de gemeenten was aangeboden. Klaagster heeft dit rapport op 7 juli 2023 ontvangen, tegelijk met de stukken inzake de beslaglegging op haar bezittingen.

5.22. Betrokkenen hebben, samengevat, erkend dat het horen en wederhoren uitgebreider en niet alleen, op verzoek van de advocaat van de gemeenten, schriftelijk had gemoeten. Betrokkenen hadden verwacht dat, conform wat bij eerdere rapportages van hen was gebeurd en met de gemeenten was afgesproken, de gemeenten hun rapport eerst met klaagster zouden bespreken. In plaats daarvan is op basis van het rapport meteen een gerechtelijke procedure tegen klaagster ingesteld.

5.23. De Accountantskamer overweegt het volgende. Horen en wederhoren is in beginsel een belangrijk middel om een deugdelijke grondslag voor een onderzoeksrapport te verkrijgen. Dat geldt in het bijzonder voor een persoonsgericht onderzoek. Bij een dergelijk onderzoek is uitgangspunt dat de (rechts)persoon waarop het onderzoek zich richt, wordt gehoord en wedergehoord. Van dit uitgangspunt kan niet worden afgeweken, tenzij is gebleken van bijzondere omstandigheden die het achterwege laten rechtvaardigen[11]. Naar het oordeel van de Accountantskamer hebben betrokkenen onvoldoende gehoord en wedergehoord, zoals zij zelf hebben erkend. Het verweer dat het wederhoren op verzoek van de regio’s schriftelijk is gebeurd, slaagt niet. In de eerste plaats hebben betrokkenen blijkbaar niet onderkend dat daarin een bedreiging van de van hen verlangde objectiviteit, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid lag besloten. Betrokkenen dienden immers zelf te bepalen op welke wijze aan de eis van wederhoren inhoud zou worden gegeven[12]. In de tweede plaats hadden betrokkenen met klaagster onder meer de belangrijke bevindingen moeten bespreken dat in (maar) 10 van de 100 geselecteerde dossiers (declarabele) begeleiding zou hebben plaatsgevonden en dat voor een bedrag van

€ 302.530 (niet declarabele) indirecte tijd zou zijn gedeclareerd. Hoewel klaagster in haar bericht aan betrokkenen van 31 maart 2023 uitvoerig is ingegaan op allerlei aspecten van het conceptrapport (haar commentaar omvat negen bladzijden), hebben betrokkenen daarin ten onrechte geen aanleiding gezien met klaagster in gesprek te gaan met als mogelijke uitkomst dat nader onderzoek diende te worden verricht en/of het conceptrapport diende te worden aangepast. Betrokkenen hebben in bijlage twee van hun rapport slechts zes vragen en opmerkingen van klaagster opgenomen en hun reactie erbij vermeld, maar dat is, mede gelet op het omvangrijke en inhoudelijke commentaar van klaagster op het conceptrapport, ook geen adequate verwerking van de uitkomst van het (te beperkte) wederhoren.

5.24. Het rapport van betrokkenen mist door het ontbreken van adequaat horen en wederhoren een deugdelijke grondslag. Betrokkenen hebben de fundamentele beginselen van objectiviteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Klachtonderdeel 5 is gegrond.

Klachtonderdeel 6: betrokkenen zijn onzorgvuldig geweest bij het selecteren en inschakelen van deskundigen en ook onzorgvuldig geweest bij het toezicht op de werkzaamheden die door die deskundigen zijn uitgevoerd, omdat zij:

6.1 deskundigen hebben ingeschakeld die niet deskundig waren;

6.2 een deskundige hebben ingeschakeld met wie een van hen is gehuwd;

6.3 over de identiteit van deze ingeschakelde deskundige geen openheid hebben verschaft;

6.4 geen toezicht hebben gehouden op de werkzaamheden van de deskundigen.

5.25. Vaststaat dat betrokkenen eerst een klinisch psycholoog, actief binnen de verslavingszorg hebben ingeschakeld. Nadat de klinisch psycholoog was uitgevallen, hebben betrokkenen met instemming van de gemeenten de echtgenote van betrokkene [Y1], een psychiater gespecialiseerd in ouderen en/of volwassenenpsychiatrie, ingeschakeld. Beiden dienden te beoordelen of in de 100 dossiers sprake was van behandeling of begeleiding, omdat betrokkenen zelf niet over de vereiste expertise beschikten. Bedoelde echtgenote heeft het leeuwendeel van de beoordeling gedaan: 102 van de in verband hiermee in totaal gedeclareerde 128 uren.

5.26. Betrokkenen hebben aangevoerd dat zij bij hun onderzoek de “Handreiking voor de uitvoering van de ministeriële regeling Jeugdwet (uitwisselen persoonsgegevens) voor het onderdeel materiële controle, hebben gevolgd. De Accountantskamer overweegt dat in § 4.3 “Wie mag een materiële controle/detailcontrole uitvoeren?” van deze handreiking staat, dat “iemand met zorginhoudelijke deskundigheid op het terrein van de jeugdhulpverlening waarop de controle betrekking heeft” moet worden ingeschakeld. Vaststaat dat de door betrokkenen ingeschakelde psycholoog en psychiater niet op dit terrein deskundig waren. Betrokkenen, die voor de beantwoording van de vraag of in elk van de 100 dossiers sprake was van begeleiding of behandeling, afhankelijk waren van de inzichten van een deskundige, hebben dus niet deskundigen ingeschakeld die voldoende waren toegerust om bedoelde vraag te beantwoorden. Ook hierdoor ontbeert hun rapport een deugdelijke grondslag. Subklachtonderdeel 6.1 is gegrond.

5.27. De Accountantskamer overweegt verder dat betrokkenen blijkbaar geen oog hebben gehad voor de bedreiging van de objectiviteit ten gevolge van belangenverstrengeling die door de inschakeling van de echtgenote ontstond. Het verweer dat het de instemming van de gemeenten had, is niet relevant. Op grond van de van betrokkenen vereiste professionele oordeelsvorming hadden betrokkenen zich dienen te baseren op wat een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde aanvaardbaar en toereikend acht en de omstandigheden die betrokkenen wisten of behoorden te weten (artikel 20 VGBA). De gemeenten kunnen als opdrachtgevers niet tot bedoelde derde worden gerekend. Betrokkenen hebben de bedreiging van hun objectiviteit die door de inschakeling van de echtgenote ontstond niet onderkend. Subklachtonderdeel 6.2 is gegrond.

5.28. In het rapport is de echtgenote alleen met haar eigen achternaam aangeduid. Klaagster denkt dat betrokkenen daarmee hebben willen verhullen dat zij de echtgenote van betrokkene [Y1] is. De Accountantskamer is van oordeel dat uit het enkel gebruiken van de eigen achternaam en niet ook de naam van haar echtgenoot, ook al blijkt uit andere bronnen dat zij beide achternamen heeft gebruikt, niet per se volgt dat betrokkenen met bedoeld opzet hebben gehandeld. Subklachtonderdeel 6.3 is ongegrond.

5.29. De Accountantskamer overweegt dat betrokkenen in hun rapport geen toetsingskader hebben vermeld aan de hand waarvan is bepaald of in de 100 dossiers sprake was van begeleiding of behandeling. Betrokkenen hebben ter zitting verklaard dat een scherpe grens ertussen niet valt te trekken; er bestaat een grijs gebied tussen begeleiding en behandeling. Betrokkenen hadden, mede gelet op dit grijze gebied, in hun rapport moeten beschrijven welk toetsingskader is toegepast om bedoeld onderscheid te maken. Daarmee hadden betrokkenen hun werkzaamheden en de uitkomsten ervan (beter) kunnen en behoren te verantwoorden.[13] In bijlage één van het rapport hebben betrokkenen met steekwoorden gemotiveerd op grond waarvan in elk van de 100 dossiers sprake was van behandeling of begeleiding of een combinatie ervan. Betrokkenen hadden de bevindingen van de eigen deskundigen op dossierniveau met klaagster behoren te delen en haar om een toelichting behoren te vragen teneinde te toetsen of die bevindingen mogelijk aanpassing behoefden. Klaagster heeft bij haar klaagschrift een bijlage gevoegd waarin per dossier gemotiveerd is uiteengezet op grond waarvan volgens haar sprake was van behandeling, begeleiding of een combinatie ervan. Betrokkenen hadden klaagster in de gelegenheid moeten stellen deze informatie met hen te delen voorafgaand aan het uitbrengen van hun rapport. Subklachtonderdeel 6.4 is gegrond.

5.30. Klachtonderdeel 6 is op drie onderdelen gegrond. Betrokkenen hebben de fundamentele beginselen van objectiviteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Klachtonderdeel 7: betrokkenen hebben onjuiste conclusies getrokken met betrekking tot:

7.1 de jaarrekeningenanalyse (stap 1: bedrijfsanalyse);

7.2 het dossieronderzoek (stap 2/3: dossieronderzoek, onderzoek inhoudelijk zorg);

7.3 directe versus indirecte tijd (stap 2: onderzoek geleverde prestaties);

7.4 de geleverde zorg per dag (stap 2: onderzoek geleverde prestaties);

7.5 de registraties in zes dossiers.

5.31. De Accountantskamer overweegt het volgende. Betrokkenen hebben in het rapport vermeld en als voorbehoud opgenomen, dat klaagster naast de omzet uit de werkzaamheden voor de gemeenten, ook omzet heeft uit andere bronnen, te weten werkzaamheden voor andere gemeenten die tegen andere tarieven zijn aangenomen, en paramedische zorg. Betrokkenen hebben aan de hand van jaarrekeningen van klaagster geanalyseerd of de gerealiseerde winsten plausibel waren, maar onweersproken is gebleven dat zij daarbij dit aspect niet hebben betrokken. Ook is niet weersproken dat de andere gemeenten hogere tarieven en andere voorwaarden hanteren, het tarief van de paramedische zorg hoger ligt en de omzet uit opdrachten van de gemeenten (de opdrachtgevers van betrokkenen) ongeveer 30-40% van de totale omzet uitmaakt. Ook is onweersproken gebleven dat betrokkenen een te laag aantal fte hebben gehanteerd, namelijk 17 in plaats van 22,23. De Accountantskamer is op grond hiervan van oordeel dat de door betrokkenen in de periode 2018-2021 berekende gemiddelde omzet per medewerker van € 85.028 en € 151.025 niet op een deugdelijke grondslag berust. Subklachtonderdeel 7.1 is gegrond.

5.32. Wat betreft de subklachtonderdelen 7.2, 7.3 en 7.4 verwijst de Accountantskamer naar wat bij klachtonderdeel 5 is overwogen. De subklachtonderdelen komen erop neer dat door het ontbreken van hoor en wederhoor het rapport onjuiste conclusies bevat met betrekking tot de aard van de verleende zorg, de gedeclareerde indirecte tijdsbesteding, de geschreven tijd buiten de gebruikelijke kantooruren en de onvoldoende vastleggingen in zes dossiers. Betrokkenen hebben dit niet, althans niet gemotiveerd tegengesproken. Hun verweer dat hun bevindingen uit de administratie van klaagster blijken ziet voorbij aan het bij een persoonsgericht onderzoek als uitgangspunt noodzakelijke hoor en wederhoor. Juist door klaagster met hun bevindingen uit de administratie te confronteren hadden betrokkenen kunnen voorkomen dat hun rapport mogelijk onjuiste conclusies bevat. De Accountantskamer heeft eerder al geoordeeld dat door het ontbreken van voldoende hoor en wederhoor het rapport geen deugdelijke grondslag heeft. De subklachtonderdelen brengen aan het licht wat de gevolgen kunnen zijn indien hoor en wederhoor niet, althans niet in voldoende mate plaatsvindt en vormen zo beschouwd een nadere onderbouwing van klachtonderdeel 5.

5.33. Klaagster heeft op de vaststelling van betrokkenen in hun conceptrapport dat in zes dossiers onvoldoende vastleggingen hebben plaatsgevonden destijds gemotiveerd gereageerd. Die reactie is in het rapport echter niet verwerkt, ook niet in bijlage twee van het rapport waarin betrokkenen de “input” van klaagster hebben opgenomen en hun “opvolging” ervan. Betrokkenen hadden naar het oordeel van de Accountantskamer in hun rapport ervan blijk moeten geven hoe zij met de informatie van klaagster ten aanzien van deze zes dossiers waren omgegaan. Subklachtonderdeel 7.5 is gegrond.

5.34. Klachtonderdeel 7 is gegrond met dien verstande dat de subklachtonderdelen 7.2 tot en met 7.4 als een onderbouwing van klachtonderdeel 5 worden beschouwd. Betrokkenen hebben het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Klachtonderdeel 8: betrokkenen hebben de opdracht ten onrechte niet teruggegeven en hun rapport ten onrechte niet ingetrokken.

5.35. Klaagster stelt dat namens haar in brieven aan betrokkenen van 11 juli 2023 en 26 oktober 2023 erop is gewezen dat hun rapport niet deugt en het rapport moeten terugnemen. De Accountantskamer overweegt dat als bijlage bij de brief van 11 juli 2023 een brief namens klaagster aan de advocaten van de gemeenten van 10 juli 2023 is gevoegd, die op 7 juli 2023 beslag onder klaagster hadden doen leggen. In de brief aan deze advocaten staat onder meer het volgende:

Het persoonsgerichte onderzoek dat de gemeenten 10 maanden later ( ! ) door [BV1]

laat uitvoeren voldoet niet aan de professionele normen die daaraan gesteld mogen worden,

laat staan aan de beginselen van hoor en wederhoor en fair play. Wij noemen het meest

springende voorbeeld: bij de tabel die volgens de gemeenten de kern van het rapport vormt en

waarop zij hun vordering menen te kunnen baseren (de vraag of er sprake is van begeleiding –

Praktijk [X1] is van mening dat hiervan in elk van de genoemde dossiers sprake is – dan

wel behandeling) heeft Praktijk [X1] een aantal zeer relevante opmerkingen gemaakt (die

haar in staat zouden moeten stellen de concept beoordelingen op hun merites te toetsen) die

niet zijn beantwoord en meegenomen in het finale rapport. Er is zelfs geen enkele vraag aan

Praktijk [X1] gesteld door de betrokken BIG-geregistreerde artsen die dit deel van het

onderzoek kennelijk hebben verricht.”

5.36. Met de brief van 10 juli 2023 is ook gevraagd om allerlei informatie met betrekking tot de aanleiding en de uitvoering van het onderzoek te verstrekken. Betrokkenen hebben de advocaat van klaagster op 18 juli 2023 in antwoord daarop bericht dat in opdracht van de gemeenten een fraudeonderzoek is verricht en dat betrokkenen geen informatie zullen verstrekken.

5.37. In de brief namens klaagster aan betrokkenen van 26 oktober 2023 staat onder meer:

De wijze waarop de Gemeenten nu in een (door u voorafgaand aan en ten tijde van het

onderzoek reeds voorziene gerechtelijke procedure) aan de haal gaan met het Rapport,

brengen mee dat [BV1] nalatig is maatregelen te nemen waartoe zij in deze situatie op grond

van toepasselijke regelgeving gehouden is.

Daarbij wijzen wij specifiek op de artikelen 7, 9 en 10 van de Verordening gedrags- en

beroepsregels accountants waarin kortgezegd van een accountant wordt verwacht een

maatregel te nemen óf zich te distantiëren als hij op de hoogte raakt van (i) niet-integer

handelen van anderen (i.c. de Gemeenten), (ii) het feit dat hij betrokken is bij informatie die

materieel onjuist, onvolledig of misleidend is (i.c. het Rapport) of (iii) het feit dat informatie van

hem afkomstig onjuist wordt voorgesteld (i.c. het Rapport door de Gemeenten).

Namens mevrouw [X1] geven wij u (dringend) in overweging om ofwel de opdracht aan de

Gemeenten terug te geven (en het Rapport alsmede alle daaraan voorafgaande concepten in te

trekken), ofwel de Gemeenten schriftelijk te berichten dat zij zich niet op de wijze waarop zij dat

thans (in de procedure jegens mevrouw [X1]) doen, op het Rapport mogen verlaten en het Rapport dus niet als bewijsmiddel voor beweer[de]lijke vorderingen op of aangifte tegen mevrouw [X1] kunnen gebruiken.

5.38. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkenen op grond van de hiervoor geciteerde gedeelten uit de brieven hadden behoren te overwegen of hun rapport, dat door hen was gepresenteerd als een rapport van feitelijke bevindingen, getoetst aan de kritiek in de brief wat betreft de aard en wijze van totstandkoming van het rapport, wel ongewijzigd in stand kon blijven of dat hun rapport wellicht materieel onjuist, onvolledig of misleidend is (artikel 9 VGBA). Betrokkene hebben gesteld dat de gemeenten hun rapport eerst met klaagster zouden bespreken. Dat was ook wat betrokkenen bij andere opdrachten zo gewend waren. Betrokkenen hadden daarom ook moeten overwegen of de handelwijze van de gemeenten (niet eerst een gesprek met klaagster maar meteen beslag onder klaagster laten leggen) meebracht of zij mogelijk in verband werden gebracht met niet-integer handelen van de gemeenten, die immers afweken van wat volgens betrokkenen met hen was afgesproken (artikel 7 VGBA).

5.39. Betrokkenen hebben gesteld dat zij tussen twee vuren zaten (klaagster aan de ene kant en de gemeenten aan de andere kant) en dat zij hun ongenoegen over de gang van zaken jegens de gemeente hebben geuit, maar die maatregel was niet voldoende. In antwoord op de brief namens klaagster van 26 oktober 2023 is namens betrokkenen aan de advocaat van klaagster geschreven:

Cliënte ziet voor het overige geen aanleiding te voldoen aan uw verzoek tot het “terugtrekken” van het rapport danwel daarover mededelingen te doen aan de Gemeenten. In dit verband merkt cliënte op dat – anders dan de kwalificatie die u hanteert – er geen fraudeonderzoek heeft plaatsgevonden, maar dat er een rapport van feitelijke bevindingen is opgeleverd. Cliënte betwist dat het rapport niet zou voldoen aan de daaraan te stellen eisen danwel dat aan de inhoud of totstandkoming ervan bezwaren kleven. Uw cliënte heeft in het kader van hoor en wederhoor de gelegenheid gehad te reageren op eventuele feitelijke onjuistheden, van welke gelegenheid zij ook gebruik heeft gemaakt. Dat uw cliënte de uiteindelijke conclusies – blijkbaar – niet deelt, doet aan het voorgaande niets af. Zij zal zich daartoe moeten verstaan met de Gemeentes.

5.40. Uitgaande van wat de Accountantskamer heeft overwogen over de aard, de inhoud en de tekortkomingen van het onderzoek en de verplichtingen die betrokkenen op grond van de artikelen 7 en 9 VGBA hadden, was deze reactie namens hen onjuist. Betrokkenen hadden de (advocaten van de) gemeenten dienen te berichten dat het rapport niet voldeed aan de eisen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en dat het rapport niet voor een gerechtelijke procedure mocht worden gebruikt. Betrokkenen hebben dit nagelaten wat in strijd is met het fundamentele beginsel van integriteit.

Klachtonderdeel 8 is gegrond.

5.41. De klacht zal wat betreft de klachtonderdelen 1 (deels), 3, 5, 6 (deels), 7 en 8 gegrond worden verklaard en voor het overige ongegrond.

6. De maatregel

6.1. Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. Betrokkenen hebben meerdere fundamentele beginselen geschonden. Indien betrokkenen de fundamentele beginselen volledig in acht hadden genomen dan was hun onderzoek anders verlopen en hadden de conclusies van betrokkenen wellicht anders geluid. Het rapport in de huidige vorm heeft tot serieuze consequenties voor klaagster geleid. De maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van zes maanden is passend en geboden. Daarbij is onder meer ook in aanmerking genomen dat betrokkenen de opdracht van de gemeenten hebben aangenomen en uitgevoerd zonder zich voldoende te hebben verdiept in de vraag welke eisen aan hun onderzoek en rapport vanuit de toepasselijke regelgeving worden gesteld. De Accountantskamer heeft op de zitting niet de indruk gekregen dat betrokkenen in voldoende mate bekend zijn met de regelgeving voor accountants, inclusief de handreikingen. Betrokkenen hebben niet integer en evenmin vakbekwaam en zorgvuldig onderzocht en gerapporteerd. Betrokkene wisten dat van hen een fraudeonderzoek werd verlangd en hadden daarom kunnen en behoren te voorzien dat hun rapport serieuze consequenties voor klaagster zou kunnen hebben. Toen zij eenmaal wisten dat dat het geval was en erop waren gewezen dat hun onderzoek en rapport niet deugde, hebben zij desondanks geen adequate maatregelen genomen. In het voordeel van betrokkenen weegt mee dat zij hebben erkend dat het horen en wederhoren beter had gemoeten en dat zij voortaan beter bedacht zullen zijn op de correcte uitvoering van een opdracht.

7. De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht wat betreft de klachtonderdelen 1 ( deels), 3, 5 , 6 (deels), 7 en 8 gegrond en voor het overige ongegrond;
  • legt aan betrokkenen op de maatregel op als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder d. Wtra, te weten die van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van zes maanden, welke maatregelingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden én de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd en eindigt na ommekomst van de vermelde termijn;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkenen daarin zijn of waren ingeschreven;
  • verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkenen het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagster vergoeden.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.M. van Amsterdam en mr. J.E. Brink-van der Meer (rechterlijke leden) en C.M. Verdiesen AA en E.M. van der Velden AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2025.

_________ __________

secretaris voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] In het vervolg van deze uitspraak zal voor de leesbaarheid telkens over betrokkenen worden gesproken ook als één van hen is bedoeld. Voor de beoordeling van de klacht maakt dit geen verschil.

[2] Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg.

[3] De Accountantskamer wijst op het voor een accountant handige stroomschema op bladzijde 6 van Handreiking 1127.

[4] Deze standaard is inmiddels vervangen door Standaard 4400. Voor de beoordeling van de onderhavige klacht maakt dit geen verschil.

[5] Dit zou tevens betekenen dat betrokkenen een NVKS-opdracht hebben uitgevoerd en dus als accountantskantoor kwalificeren, hoewel betrokkenen als accountants in business staan ingeschreven.

[6] Behalve als het een overige opdracht is als bedoeld in Standaard 5500N (Transactiegerelateerde adviesdiensten), maar dat kan hier verder buiten beschouwing blijven.

[7] Betrokkenen waren ervan uitgegaan dat hun rapport, zoals volgens hen gebruikelijk, door de gemeenten met klaagster eerst zou worden besproken. Betrokkenen hadden al vaker vergelijkbare onderzoeken ingesteld en daarover gerapporteerd. Die rapporten waren volgens betrokkenen steeds eerst met de zorgverlener(s) besproken.

[8] Dat is ook het geval geweest. Het rapport heeft immers geleid tot een gerechtelijke procedure tegen klaagster en er is bij Justitie aangifte tegen haar gedaan.

[9] Zie onder meer ECLI:NL:CBB:2016:118 en ECLI:NL:CBB:2016:148.

[10] De Accountantskamer merkt voor de volledigheid op dat betrokkenen niet onafhankelijk dienden te zijn, wel objectief. Onafhankelijkheid is alleen een eis bij het uitvoeren van assurance-opdrachten. Zie de Verordening inzake onafhankelijkheid accountants bij assurance-opdrachten.

[11] ECLI:CBB:2022:332 rov. 4.3.3.

[12] Vergelijk Handreiking 1112, § 5.6.1: een bedreiging kan zijn dat de opdrachtgever een beperking wenst aan te brengen in de aard en de omvang van de uit te voeren werkzaamheden.

[13] Zie ECLI:NL:CBB:2016:98, ECLI:NL:CBB:2016:118, ECLI:NL:CBB:2017:398 en ECLI:NL:CBB:2023:168. In laatstgenoemde uitspraak staat: “Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van het College van 12 april 2016, ECLI:NL:CBB:2016:98, overwegingen 3.3 en 5.3 dient de rapportage in het kader van een persoonsgericht onderzoek een heldere formulering te bevatten van de (aard van de) verstrekte opdracht ter uitvoering waarvan de werkzaamheden plaatsvinden. Uit het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid zoals bedoeld in artikel 2 onder d van de VGBA vloeit bovendien voort dat een accountant die op basis van een persoonsgericht onderzoek een oordeel geeft over het door hem onderzochte handelen, dat oordeel hoort te verantwoorden door in het door hem te produceren rapport helder uiteen te zetten welk normatief kader hij heeft gehanteerd bij zijn beoordeling van dat handelen.”