Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2021:27 Accountantskamer Zwolle 20/2530 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2021:27
Datum uitspraak: 16-04-2021
Datum publicatie: 16-04-2021
Zaaknummer(s): 20/2530 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: klacht kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Voorzittersuitspraak. Klacht over accountant die correspondentie, adviesdossiers en administratie van klaagster aan de FIOD heeft verstrekt en heeft meegewerkt aan een gedelegeerd rechter-commissarisverhoor door de FIOD. Betrokkene heeft de stukken aan de FIOD overhandigd na ontvangst van een vordering als bedoeld in art. 126nd Wetboek van Strafrecht (Sv), zodat sprake is van openbaarmaking die door de wet wordt gevorderd, in welk geval de accountant vertrouwelijke gegevens toch openbaar moet maken. Daarnaast was betrokkene op grond van het bepaalde in de artikelen 201, 213 en 221 Sv verplicht mee te werken aan het gedelegeerd getuigenverhoor. Aan een accountant komt geen verschoningsrecht toe. Betrokkene heeft hierover overleg gehad met de afdeling juridische zaken en hun adviezen opgevolgd. Klacht kennelijk ongegrond.

ACCOUNTANTS KAMER

 

UITSPRAAK van 16 april 2021 van de voorzitter op grond van artikel 39 lid 1 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 21 december 2020 ontvangen klacht met nummer  20/2530 Wtra AK van

X

gevestigd te [plaats1]

K L A A G S T E R

gemachtigde: [A]

t e g e n

Y  

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

Gemachtigden: mr. H.E. van Berckel-Dekker en mr. [B] te Eindhoven

1.            De procedure

1.1.        De voorzitter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-        het klaagschrift met bijlagen

-        het verweerschrift met bijlagen

2.            De beoordeling

2.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klaagster verwijt betrokkene het volgende:

a. betrokkene heeft de volledige correspondentie, adviesdossiers en administratie van klaagster aan de FIOD verstrekt;

b. betrokkene heeft meegewerkt aan een gedelegeerd rechter-commissaris-verhoor, terwijl hij niet was ontheven van zijn geheimhoudingsplicht.

2.2.       Betrokkene is werkzaam voor [accountantskantoor1] ([accountantskantoor1]). [Accountantskantoor1] deed sinds 2011 de salarisadministratie van (onder meer) klaagster, stelde de jaarrekening samen, verzorgde de aangifte vennootschapsbelasting en verrichtte overige opdrachten.

2.3.       Omdat de administratie van (onder meer) klaagster niet op orde was, heeft in de eerste jaren veel afstemming en correctie plaatsgevonden. Klaagster had hierin geen vertrouwen, waarna de gemachtigde van klaagster de hele administratie vanaf 2002 opnieuw heeft ingevoerd in het pakket Exact. Hierna bleek dat de administraties niet overeenkwamen. Klaagster had hierbij veel vragen, die door betrokkene en andere medewerkers van [accountantskantoor1] kosteloos werden beantwoord. Klaagster bleef zoveel vragen stellen dat [accountantskantoor1] klaagster uitnodigde voor een gesprek. [Accountantskantoor1] stelde voor de klantrelatie te beëindigen of alle werkzaamheden alsnog in rekening te brengen.

2.4.       Klaagster diende een klacht in bij de NBA. In 2017 diende klaagster een klacht in bij de Accountantskamer. Deze klacht is ongegrond verklaard. Klaagster heeft hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Het CBb heeft het hoger beroep deels gegrond verklaard, de uitspraak van de Accountantskamer in zoverre vernietigd, en de betreffende klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep is voor het overige ongegrond verklaard. In 2020 heeft klaagster opnieuw een klacht ingediend bij de Accountantskamer. Deze is deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard.

2.5.       In 2013 heeft de belastingdienst  een boekenonderzoek aangekondigd bij aan klaagster gelieerde entiteiten. Dit leidde er toe dat de FIOD op 26 januari 2015 een onaangekondigd bezoek bracht aan het kantoor van betrokkene, waar zij werden ontvangen door [C] en [D]. Bij dit bezoek heeft de FIOD een vordering verstrekking historische gegevens, gedateerd 12 januari 2015, gericht aan [accountantskantoor1], overhandigd. De Officier van Justitie heeft van [accountantskantoor1] gevorderd: de fysieke en digitale administratie, accountants- en adviesdossiers, overige (intern) gehanteerde adviesdossiers, fysieke klantcorrespondentie, uitdraaien uit “brievenboek verzonden” van de fysieke klantcorrespondentie, al het mailverkeer en alle overige digitale correspondentie van [BV1] ([BV1]) en [stichting1] ([stichting1]) over de periode 1 januari 2010 tot en met 2011.

2.6.       [C] en [D] hebben hierover overleg gevoerd met betrokkene en de afdeling Juridische zaken (JZ). JZ heeft hen laten weten dat [accountantskantoor1] wettelijk verplicht was aan de vordering te voldoen. De fysieke administratie was al geretourneerd en kon dus niet worden overhandigd en veel overige gegevens moesten worden uitgezocht. Uiteindelijk is na overleg met JZ besloten alvast de auditfiles van [BV1] en [stichting1] over 2010 en 2011 onder protest te verstrekken. Hiervan is een memo opgesteld, die door de FIOD, [C] en betrokkene is ondertekend.

De medewerkers van de FIOD hebben betrokkene vragen gesteld over de gezondheidstoestand van de vader van de gemachtigde van klaagster. Op de vraag of betrokkene hierover wilde verklaren in een getuigenverhoor heeft [C] geantwoord dat dit alleen mogelijk is als daarvoor een schriftelijk verzoek zou worden ingediend. Van het bezoek is door de FIOD een proces-verbaal opgemaakt.

Later heeft betrokkene de FIOD (op advies van JZ) laten weten dat het gevraagde mailverkeer en alle overige digitale correspondentie van [BV1] en [stichting1] moest worden gevorderd bij [holding1] omdat dit archief voor het lokale kantoor niet toegankelijk is.

2.7.       Op 28 januari 2015 heeft een medewerker van de FIOD betrokkene per mail uitgenodigd voor een getuigenverhoor. Betrokkene heeft hieraan geen medewerking verleend omdat dit niet paste binnen de voor hem geldende geheimhoudingsplicht.

Op 26 februari 2015 heeft de FIOD de overige gevorderde stukken bij [accountantskantoor1] opgehaald. De stukken zijn onder protest verstrekt. Ook dit is vastgelegd in een ondertekend memo.

2.8.       Op 8 september 2016 is betrokkene door de rechter-commissaris opgeroepen om te worden gehoord in de strafzaak tegen de vader van gemachtigde van klaagster. Op 13 oktober 2016 is betrokkene gehoord in aanwezigheid van zijn gemachtigden.

2.9.       De voorzitter van de Accountantskamer overweegt als volgt.

Klachtonderdeel a: betrokkene heeft de volledige correspondentie, adviesdossiers en administratie van klaagster aan de FIOD verstrekt.

2.10.     Volgens klaagster heeft betrokkene daarmee gehandeld in strijd met de algemene voorwaarden van [accountantskantoor1], de fundamentele beginselen van integriteit, professionaliteit en vertrouwelijkheid en enkele bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Betrokkene heeft zich verweerd door te stellen dat de vordering niet aan hem, maar aan [accountantskantoor1] was gericht. Dat [accountantskantoor1] hieraan heeft voldaan kan hem niet tuchtrechtelijk worden aangerekend.

Verder heeft betrokkene uiteen gezet dat het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (Sv), en dat het niet voldoen aan zo’n vordering een misdrijf oplevert. In situaties als deze is de uitzondering van artikel 16, aanhef en onder a, van de VGBA van toepassing. Betrokkene heeft steeds ruggespraak gehouden met JZ en er zijn niet meer stukken verstrekt dan gevraagd.

2.11.     De voorzitter stelt vast dat de vordering gericht is geweest aan [accountantskantoor1]. Het waren echter betrokkene en [C] die uitvoering hebben gegeven aan deze vordering; beiden hebben de memo’s waarin wordt bevestigd dat de gevorderde stukken (onder protest) zijn verstrekt, ondertekend. In zoverre treft het verweer van betrokkene geen doel.

Het betoog van betrokkene dat hij verplicht was aan de vordering te voldoen, snijdt echter wel hout.

Er is met de vordering ex artikel 126 nd Sv in ieder geval sprake van een openbaarmaking die door de wet wordt gevorderd, zodat de uitzonderingsbepaling in artikel 16, aanhef en onder a, van de VGBA aan de orde is. Betrokkene heeft het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid dan ook niet geschonden.

2.12.     Klaagster heeft verder betoogd dat betrokkene meer stukken aan de FIOD heeft overgelegd dan was gevraagd. Klaagster leidt dit af uit het door [C] en de FIOD ondertekende formulier waarop staat: “Zie vordering 126nd WvSv dd. 12 januari 2015. Het betreft onder meer administratie van [BV1] en [stichting1]”.

Aan de FIOD zijn op 26 januari 2015 de auditfiles 2010 en 2011 van [BV1] en [stichting1] overgelegd. Dat staat op de door [accountantskantoor1] opgestelde memo. Op 26 februari 2015 zijn blijkens het memo van [accountantskantoor1] van die datum de resterende gevorderde stukken verstrekt: “318 bestanden in 39 mappen”. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat er meer stukken zijn overhandigd dan gevraagd. Uit de door haar benadrukte zinsnede “onder meer” kan dit in elk geval niet worden opgemaakt.

De door klaagster aangehaalde bepalingen van de Awb zijn in deze context niet van toepassing. Er is immers geen sprake van een geschil waarbij een bestuursorgaan betrokken is.

Hieruit volgt dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel b: betrokkene heeft meegewerkt aan een gedelegeerd rechter-commissaris-verhoor, terwijl hij niet was ontheven van zijn geheimhoudingsplicht.

2.13.     Volgens klaagster was betrokkene niet van zijn geheimhoudingsplicht ontheven. Er was geen enkele wettelijke verplichting op basis waarvan betrokkene verplicht was aan het verhoor mee te werken nu de verplichting als bedoeld in artikel 213 Sv alleen geldt bij een verhoor door de rechter-commissaris en niet bij een gedelegeerd verhoor door de FIOD. Klaagster verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad waaruit volgt dat de positie van de raadsman bij een verhoor door de rechter-commissaris anders is dan bij een gedelegeerd getuigenverhoor.

Betrokkene bestrijdt dit en stelt dat uit de artikelen 201, 213 en 221 Sv voortvloeit dat hij wel verplicht was aan dit verhoor mee te werken. Daarbij maakt het niet uit of het om een gedelegeerd verhoor gaat of niet. Het meewerken aan een dergelijk verhoor leidt niet tot schending van de geheimhoudingsplicht jegens de klant. De uitspraak van de Hoge Raad is niet openbaar en wordt daarom door betrokkene bij gebrek aan wetenschap betwist.  Omdat betrokkene niet met de opdrachtgever mocht spreken over het verhoor, kon hij hem niet vragen om ontheffing van de geheimhouding. Tot slot stelt betrokkene dat hij steeds heeft gehandeld conform de adviezen van JZ.

2.14.     In de brief van 8 september 2016 (zie r.o. 2.8) is betrokkene meegedeeld dat de rechter-commissaris betrokkene als getuige dient te horen in de strafzaak tegen de vader van de gemachtigde van klaagster. Hierin staat verder: “De FIOD zal het verhoor namens de rechter-commissaris afnemen. U zult dan ook binnenkort door de FIOD worden opgeroepen voor verhoor.

U bent als getuige verplicht te verschijnen . Uw werkgever is bij de wet verplicht u bijzonder verlof te verlenen. Uw reiskosten zullen in beginsel door justitie worden vergoed .”

Betrokkene heeft vervolgens advies gevraagd bij JZ, die hem liet weten dat hij verplicht was de vragen naar zijn wetenschap te beantwoorden, dit conform het beleid binnen [accountantskantoor1].

De voorzitter van de Accountantskamer overweegt dat eerder genoemde brief van de rechter-commissaris aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Betrokkene was verplicht aan dit verhoor mee te werken, ook al was het gedelegeerd aan de FIOD. Ook ten aanzien daarvan geldt, gelet op artikel 221 Sv, dat betrokkene tot het verstrekken van inlichtingen verplicht was ex artikel 16, aanhef en onder a, van de VGBA. Volgens vaste rechtspraak, zoals overwogen in de uitspraak van de Hoge Raad van 25 oktober 1983 [1] , komt het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv niet aan registeraccountants toe. Het ligt niet voor de hand te veronderstellen dat dit voor een accountant-administratieconsulent anders is.

Daar komt bij dat betrokkene in het hele contact met de FIOD steeds zorgvuldig heeft gehandeld. Hij heeft JZ  geraadpleegd en hun adviezen  opgevolgd. Onder deze omstandigheden kan niet met succes worden gesteld dat betrokkene tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.  

2.15.     De klacht zal daarom kennelijk ongegrond worden verklaard. 

3.            De beslissing

De voorzitter van de Accountantskamer:

  • verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2021.

_________                                                                                                           __________

secretaris                                                                                                             voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________


[1] ECLI:NL:PHR:1983:AG4685