Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2021:23 Accountantskamer Zwolle 20/1548 en 20/1549 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2021:23
Datum uitspraak: 15-03-2021
Datum publicatie: 15-03-2021
Zaaknummer(s): 20/1548 en 20/1549 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klagers waren lid van een amateur voetbalvereniging. Eén van hen was de laatste paar jaar lid van de kascontrolecommissie. De ander is door het bestuur geschorst en later is zijn lidmaatschap opgezegd.  Betrokkenen zijn voorzitter respectievelijk penningmeester van de vereniging geweest.  Klagers hebben overleg gehad met betrokkenen over de financiële verantwoording van- en de gang van zaken binnen  de vereniging. Klagers vinden dat betrokkenen (als leden van het bestuur) hun accountantstitel hebben misbruikt,  hun geheimhoudingsplicht hebben geschaad, eigen belangen hebben laten prevaleren, valsheid in geschrifte hebben gepleegd, niet zijn opgetreden tegen lasteraars en niet vakbekwaam en integer hebben gehandeld. De klachtonderdelen zijn ongegrond omdat ze feitelijke grondslag missen, niet juist zijn of niet aannemelijk gemaakt zijn.

ACCOUNTANTS KAMER

 

UITSPRAAK van 15 maart 2021 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 13 augustus 2020 ontvangen klacht met nummers 20/1548 Wtra AK en 20/1549 Wtra AK van

X1 AA

en

X2

beiden wonende [plaats1]

K L A G E R S

t e g e n

Y1

registeraccountant

en

DRS. Y2

registeraccountant

beiden wonende te [plaats1]

B E T R O K K E N EN

gemachtigde: mr. A.H. van Engelen RA

1.             De procedure

1.1.         De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-          het klaagschrift met bijlagen

-          het verweerschrift met bijlagen

-          de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.         De klacht is behandeld op de openbare zitting van 30 november 2020. Klagers (hierna ook: [X1] of [X2]) zijn verschenen. Betrokkenen (hierna ook: [Y1] of [Y2]) en hun gemachtigde zijn ook verschenen.  

2.             De feiten

2.1.         [Y1] is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de NBA en [Y2] sinds [datum]. [Y1] was in de periode 2010 tot en met 2019 voorzitter en [Y2] was in de periode 2011 tot en met 2020 penningmeester van de amateur voetbalvereniging [A] (hierna: de vereniging). Het bestuur van de vereniging bestaat uit vijf leden.

2.2.        [X1] en [X2] waren lid van de vereniging. [X2] was in de seizoenen 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018 lid van de kascontrolecommissie. 

2.3.        Per e-mail van 27 november 2017 heeft [Y2] de kolommenbalans 2016/2017 en de begroting 2017 aan (onder meer) [X2] gestuurd. Daarop heeft [X2] hem per e-mail van 27 november 2017 laten weten de stukken net als het jaar daarvoor laat te hebben ontvangen waardoor er weinig ruimte voor bestudering was. Hij heeft daarin ook de vraag aan [Y2] gesteld of het werk van de kascontrolecommissie als formaliteit wordt gezien. [Y2] heeft hem per omgaande laten weten zijn opmerkingen terecht te vinden.

2.4.        Per e-mail van 5 december 2017 heeft [X2] [Y2] verzocht de conceptjaarrekening voor de algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van 8 december 2017 in te willen zien, waarna [Y2] hem per e-mail van 5 december 2017  heeft laten weten deze de dag erna naar [X2] te sturen. Op 7 december 2017 heeft hij [X2] de aangepaste kolommenbalans gestuurd.

2.5.        Per e-mail van 6 juli 2018 heeft [X2] aan [Y2] laten weten meer werk te willen maken van de kascontrole. Per e-mail van 23 augustus 2018 heeft hij [Y2] verzocht om de conceptbegroting 2018/2019 en de eerste conceptcijfers 2017/2018 aan hem toe te sturen. Tevens heeft hij aan [Y2] een lijst toegestuurd van 30 vragen en attentiepunten ten behoeve van kascontrole.

2.6.        Per e-mail van 24 augustus 2018 heeft [Y2] aan [X2] laten weten het daarop volgende weekend aan de cijfers te werken zodat de lijst op de dinsdag erna (28 augustus 2018) met [X2] kan worden besproken. Per e-mail van 28 augustus 2018 heeft [X2] de vergadering die ’s avonds zou plaatsvinden afgezegd, omdat hij niet de toegezegde stukken van [Y2] had ontvangen. Dat heeft hij als minachting van de kascontrolecommissie en de leden van de vereniging gekwalificeerd. Daarop heeft [Y2] hem per e-mail van 28 augustus 2018 laten weten niet op die manier te willen werken en zijn functie van penningmeester neer te leggen.

2.7.        Per e-mail van 18 september 2018 heeft [Y1] [X1] uitgenodigd voor een gesprek, omdat [X1] in een notitie aan het bestuur zijn zorgen had geuit over de werkwijze van [Y2]. Per e-mail van 20 september 2018 heeft hij [X1] laten weten [X2] daartoe (ook) uitgenodigd te hebben, maar dat [X2] dat pas wilde na een schriftelijke reactie van het bestuur op de notitie van [X1]. [Y1] heeft [X1] in dat bericht laten weten dat deze situatie eerder vraagt om overleg dan om formele schriftelijke uiteenzettingen.

2.8.        Omdat hij hem niet telefonisch kon bereiken heeft [Y1] per e-mail van 1 oktober 2018 gereageerd op een bericht van [X2]. In dat bericht heeft [X2] laten weten dat hij niet op een gesprek zou komen waarvoor hij door [Y1] was uitgenodigd. [Y1] heeft [X2] laten weten niet in te gaan op de eis dat eerst schriftelijk gereageerd moest worden.

2.9.        Bij brief van 17 oktober 2018 heeft het bestuur van de vereniging [X1] op grond van artikel 30 van het Huishoudelijk Reglement een schorsing van een jaar opgelegd. Bij brief van 20 november 2018 heeft het bestuur op grond van artikel 6.1 sub c respectievelijk 6.3 van de statuten het lidmaatschap van [X1] met onmiddellijke ingang opgezegd. Beide brieven zijn ondertekend door [Y1].

2.10.      De advocaat van [X1] en het bestuur hebben hierover gecorrespondeerd bij brieven van 6 en 13 december 2018 en van 2 januari 2019. De advocaat van [X1] heeft zich bij brief van 7 maart 2019 gericht tot de ALV in verband met de opzegging van het lidmaatschap. [Y1] heeft de advocaat bij brief van 26 maart 2019 laten weten dat de ALV op 25 maart 2019 heeft ingestemd met het opzeggingsbesluit van het bestuur.

3.             De klacht

3.1.         Betrokkenen hebben volgens klagers gehandeld in strijd met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels. Klagers verwijten hun specifiek het volgende:

1.       [Y1] en [Y2] hebben in de ALV van 8 december 2017 getracht om [X2] te bewegen om de vergadering voor te stellen de financiële verantwoording 2016-2017 goed te keuren, terwijl nog niet was gecontroleerd of de saldibalans daarin correct was over­genomen.

2.       De controle over 2016-2017 heeft niet plaatsgevonden en [Y2] heeft die controle gedwarsboomd. Hij is daarbij impliciet gesteund door [Y1]. [Y2] heeft bescheiden achtergehouden en gebruik gemaakt van de onervarenheid van [X2] die er alleen voorstond. In het jaar 2015-2016 is vrijwel ook niet gecontroleerd omdat de conceptverantwoording pas een week voor de ALV ter beschikking kwam.

3.       [Y1] en [Y2] hebben categorisch geweigerd om door [X2] schriftelijk gestelde vragen over de controle van het boekjaar 2017-2018 te beantwoorden. Zij hebben hun RA-titel misbruikt en [Y2] komt voortdurend afspraken en toezeggingen niet na.

4.       [Y1] en [Y2] hebben gelekt uit een door [X1] opgestelde strikt vertrouwelijke notitie van 18 september 2018 aan het bestuur van de vereniging inzake minachting jegens [X2], en zij hebben hun geheimhoudingplicht geschaad.

5.       [Y1] en [Y2] hebben kritiek van [X1] uitgelegd als beledigingen. Zij hebben zich voor de onwettige schorsing van [X1] gebaseerd op een Huishoudelijk Reglement van de vereniging dat er waarschijnlijk niet is. Ze hebben daarmee hun eigen belangen laten prevaleren.

6.       [Y1] en [Y2] hebben valsheid in geschrift gepleegd door de schorsing van [X1] op het (hoogstwaarschijnlijk) niet bestaande Huishoudelijk Reglement te baseren.

7.       [Y1] en [Y2] willen niet gecontroleerd worden. Dat blijkt uit het feit dat [X2] tijdens de ALV van 5 november 2018 op hun voorstel uit de kascontrolecommissie is gezet.

8.       [Y1] en [Y2] moet zwaar worden aangerekend dat het beëindigen van het lidmaatschap van [X1] onwettig was en zij hebben wet- en regelgeving genegeerd om de ledenvergaderingen te kunnen orkestreren en manipuleren. Zij hebben nooit benoemd waardoor zij zich beledigd voelen en hebben nooit weerlegd dat het royement van [X1] als lid onwettig was. De uitnodigingen voor de ALV’s van 5 november 2018 en 10 december 2018 waren in strijd met de statuten, omdat er niet in was vermeld dat het om het lidmaatschap van [X1] ging.

9.       [Y1] en [Y2] hebben laster en smaad uitgestort over [X1] en aangezet tot een hetze tegen [X1] door het verstrekken van nepinformatie aan de leden van de ‘[B]’.

10.   [Y1] en [Y2] hebben de controle van de jaarrekening 2016/2017 tegengewerkt. De jaarrekening 2016-2017 bestaat uit slechts twee velletjes. De saldibalans 2016-2017 is onoverzichtelijk en een cijferbrei. Beide geven te weinig informatie en roepen alleen maar vragen op. Een initiële cijfervergelijking noopte tot een uitvoerige controle van de afwijkingen.

11.   [Y1] en [Y2] hebben zelf gelekt uit vertrouwelijke gegevens die in de notitie van [X1] aan het bestuur van 18 september 2018 staan, maar verwijten [X1] desondanks  - in de brief van het bestuur aan hem van 20 november 2018 - dat hij vertrouwelijke loongegevens met een aantal leden heeft gedeeld.

12.   [Y1] en [Y2] hebben tijdens de ALV van 25 maart 2019 niet corrigerend opgetreden tegen leugens en lasteraars aangaande [X1], maar hebben die impliciet geïnitieerd.

13.   [Y1] heeft immoreel gehandeld door vertrouwelijke gegevens die [C] aangaan in de openbaarheid te brengen. [Y1] heeft voor hem en later voor de curator in het faillissement van de [bank1] gewerkt.

14.   [Y1] en [Y2] zijn niet vakbekwaam en niet integer.

4.             De beoordeling

4.1.         Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Daarbij is het in beginsel aan klagers om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountants tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.

4.2.        Volgens vaste jurisprudentie geldt dat een accountant voor zijn (beroepsmatig) handelen tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor zover hij een handeling in persoon heeft verricht of nagelaten of voor de gestelde tekortkomingen (persoonlijk) rechtstreekse, vaktechnische verantwoordelijkheid heeft gehad. De klachtonderdelen zien op de wijze waarop betrokkenen als bestuurders van de vereniging zijn opgetreden. Op de vervulling van hun taak als leden van het bestuur van de vereniging, zoals in de klachtonderdelen aan de orde gesteld, is geen specifiek nader voorschrift of standaard als bedoeld in artikel 24 en 25 van de VGBA van toepassing. Het is daarom aan de Accountantskamer om te bezien of betrokkenen hun taak hebben vervuld met inachtneming van de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels.

4.3.         De Accountantskamer stelt vast dat sommige klachtonderdelen betrekking hebben op besluiten van het voltallige bestuur en dus niet alleen op het handelen en nalaten van betrokkenen, zoals bijvoorbeeld het besluit van het bestuur [X1] als lid te schorsen. Voor zover de klacht betrekking heeft op besluiten van het voltallige bestuur en betrokkenen met die besluiten hebben ingestemd, begrijpt de Accountantskamer dat de klacht betrekking heeft op de medewerking van betrokkenen aan de totstandkoming van die besluiten.

Klachtonderdeel 1: [Y1] en [Y2] hebben in de ALV van 8 december 2017 getracht om [X2] te bewegen om de vergadering voor te stellen de financiële verantwoording 2016-2017 goed te keuren, terwijl nog niet was gecontroleerd of de saldibalans daarin correct was over­genomen.

4.4.        De Accountantskamer overweegt dat uit de notulen van de ALV van 8 december 2017 blijkt, dat de kascontrolecommissie de tijdens deze vergadering uitgereikte verkorte vorm van de cijferopstelling niet had gecontroleerd en dat zij om die reden geen voorstel tot déchargeverlening kon doen. Daarop heeft het bestuur meegedeeld te zullen nadenken op welke wijze de décharge op een later tijdstip zou kunnen worden verleend. [X1] heeft daarna voorgesteld het bestuur décharge te verlenen, welk voorstel door de ALV is aanvaard. De notulen van deze ALV zijn goedgekeurd in de ALV van 10 december 2018.

Hieruit volgt dat het klachtonderdeel feitelijke grondslag mist.

Klachtonderdeel 2: De controle over 2016-2017 heeft niet plaatsgevonden en [Y2] heeft die controle gedwarsboomd. Hij is daarbij impliciet gesteund door [Y1]. [Y2] heeft bescheiden achtergehouden en gebruik gemaakt van de onervarenheid van [X2] die er alleen voorstond. In het jaar 2015-2016 is vrijwel ook niet gecontroleerd omdat de conceptverantwoording pas een week voor de ALV ter beschikking kwam.

4.5.        De Accountantskamer overweegt dat uit de notulen van de ALV van 8 december 2017 ook blijkt, dat de kascontrolecommissie controlewerkzaamheden heeft verricht. Dat [Y2] die controle heeft gedwarsboomd en dat hij bescheiden heeft achtergehouden is niet aannemelijk gemaakt.

Uit de notulen van de ALV van 9 december 2016 inzake de financiële verantwoording 2015-2016 blijkt, dat [X2] complimenten heeft uitgedeeld aan [Y2] ‘voor het samenstellen van de jaarrekening en voor het financieel zeer goed verlopen seizoen’. De notulen van deze ALV zijn goedgekeurd op 8 december 2017.

Vast staat dat ook [D] in 2016 en 2017 lid van de kascontrolecommissie was, zodat [X2] er niet alleen voorstond.

Ook dit klachtonderdeel mist feitelijke grondslag.

Klachtonderdeel 3: [Y1] en [Y2] hebben categorisch geweigerd om door [X2] schriftelijk gestelde vragen over de controle van het boekjaar 2017-2018 te beantwoorden. Zij hebben hun RA-titel misbruikt en [Y2] komt voortdurend afspraken en toezeggingen niet na.

4.6.        De Accountantskamer overweegt dat uit e-mailwisseling in de periode september -oktober 2018 tussen [X1], [X2] en [Y1] blijkt, dat laatstgenoemde graag met eerstgenoemden in gesprek wilde over het conflict tussen [X2] en [Y2]. Dat sprake was van een serieus conflict blijkt (ook) uit de omstandigheid dat het derde lid van de kascontrolecommissie[E], zich op 29 augustus 2018 uit deze commissie had teruggetrokken vanwege de toonzetting van een e-mail van [X2] aan [Y2]. De intentie van [Y1] was het conflict te bespreken waarbij dan meteen de diepgang van de jaarlijkse controle aan de orde kon komen aan de hand van de lijst van vragen en attentiepunten die [X2] op 23 augustus 2018 aan [Y2] had toegezonden. Daar kwam bij dat [X1] door [X2] was benoemd tot adviseur van de kascommissie, zonder dat [E] en het bestuur daarvan wisten.

4.7.        Op grond van het vorenstaande was er naar het oordeel van de Accountantskamer alle reden dat de bij het conflict betrokken personen en [Y1] met elkaar in gesprek zouden gaan. Uit de e-mailwisseling tussen [X1] en [Y1] van 18 en 19 september 2018 begrijpt de Accountantskamer dat [X1] echter eerst een schriftelijke reactie van het bestuur eiste naar aanleiding van zijn notitie van 18 september 2018 over ‘onder meer de wijze waarop de penningmeester meent te kunnen omgaan met de Kascommissie en met name [voornaam][X2].’ Daarnaast, zo begrijpt de Accountantskamer, eiste [X1] dat het bestuur ook eerst schriftelijk zou reageren op de eerdergenoemde lijst van vragen en attentiepunten van [X2]. De Accountantskamer is van oordeel dat [Y1] en [Y2] niet verplicht waren eerst schriftelijk te reageren.

De stelling dat de RA-titel door betrokkenen is misbruikt, is niet aannemelijk gemaakt. Het gebruik van deze titel wijst er eerder op, dat betrokkenen zich als accountant toetsbaar hebben willen opstellen.

4.8.        Wat betreft het verwijt dat [Y2] voortdurend zijn afspraken niet nakomt overweegt de Accountantskamer het volgende. [Y2] diende de financiële bescheiden en gegevens die de kascontrolecommissie nodig had om haar taak te kunnen vervullen uiteraard tijdig naar (onder meer) [X2] toe te sturen, dan wel tijdig te melden indien dat niet lukte bijvoorbeeld vanwege de perikelen binnen de vereniging die in 2017, volgens zijn verklaring ter zitting, zijn aandacht hebben opgeëist. [X2] heeft, niet onbegrijpelijk, op 27 november 2017 bij [Y2] geklaagd over de late toezending van de financiële stukken, omdat de ALV stond gepland voor 8 december 2017. [Y2] heeft deze klacht van [X2] als juist erkend. De kolommenbalans is pas daags voor de ALV aan [X2] toegestuurd.

4.9.        Op 12 juli 2018 heeft [Y2] aan (onder meer) [X2] geschreven de conceptbegroting voor ‘de volgende bijeenkomst’ gereed te hebben evenals de conceptcijfers. In zijn e-mail van 23 augustus 2018 heeft [X2] aan [Y2] gevraagd de conceptbegroting 2018/2019 en conceptcijfers 2017/2018 ‘deze week’ toe te sturen. Daarbij heeft [X2] gerefereerd aan zijn lijst van (30) vragen en attentiepunten. De bijeenkomst zou plaatsvinden op 28 augustus 2018, maar [X2] heeft zich daarvoor per e-mail van dezelfde datum afgemeld omdat hij de stukken weer niet op tijd van [Y2] had ontvangen. [X2] heeft dit uitgelegd als ‘minachting naar de kascommissie toe’. Daarmee was het conflict tussen beiden geboren, omdat [Y2] in reactie daarop heeft geschreven zijn functie als penningmeester te zullen neerleggen. Als verklaring voor de beweerdelijke nalatigheid heeft [Y2] op 28 augustus 2018 aan [X2] geschreven een ‘concept’ te hebben maar ‘een aantal belangrijke posten nog niet (te hebben) ontvangen (afrekening van de energie).’ Het conflict is in de loop van september 2018 verder geëscaleerd met de notitie van [X1] van 18 september 2018 en de weigering om een gesprek aan te gaan voordat het bestuur op deze notitie en de lijst met vragen en attentiepunten schriftelijk had gereageerd.

4.10.      Nu de ALV in december 2018 zou plaatsvinden, de voor de kascontrolecommissie noodzakelijke stukken eind augustus 2018 vrijwel gereed waren, [Y2] aan [X2] heeft uitgelegd om welke - begrijpelijke - reden de concept financiële verantwoording nog niet helemaal gereed was en klagers geen recht hadden op eerst een schriftelijk antwoord van het bestuur, mist de klacht dat [Y2] voortdurend afspraken heeft geschonden feitelijke grondslag. Ten aanzien van 2017 is het verwijt van klagers wel te begrijpen, maar van een voortdurende nalatigheid aan de kant van [Y2] zoals dit klachtonderdeel luidt, is geen sprake omdat ten aanzien van 2018 de feiten en omstandigheden anders liggen. Voorstelbaar is dat de voor de controle door de commissie noodzakelijk stukken tijdig voor de ALV van 8 december 2018 beschikbaar zouden zijn gesteld als klagers het hun aangeboden gesprek zonder voorwaarde vooraf waren aangegaan.

Klachtonderdeel 4: [Y1] en [Y2] hebben gelekt uit een door [X1] opgestelde strikt vertrouwelijke notitie van 18 september 2018 aan het bestuur van de vereniging inzake minachting jegens [X2], en zij hebben hun geheimhoudingplicht geschaad.

Klachtonderdeel 9: [Y1] en [Y2] hebben laster en smaad uitgestort over [X1] en aangezet tot een hetze tegen [X1] door het verstrekken van nepinformatie aan de leden van de ‘[B]’.

Klachtonderdeel 11: [Y1] en [Y2] hebben gelekt uit vertrouwelijke gegevens die in de notitie van [X1] aan het bestuur van 18 september 2018 staan, maar verwijten [X1] desondanks  - in de brief van het bestuur aan hem van 20 november 2018 - dat hij vertrouwelijke loongegevens met een aantal leden heeft gedeeld.

4.11.      De Accountantskamer bespreekt deze klachtonderdelen vanwege hun onderlinge samenhang gezamenlijk.

Volgens klagers hebben betrokkenen de notitie van [X1] van 18 september 2018, die hij strikt vertrouwelijk heeft genoemd, gedeeld met leden van de ‘[B]’, een club van oud voetballers van de vereniging. [X1] heeft dat op 27 oktober 2018 vastgesteld doordat sommige leden van de vereniging zich jegens hem opeens terughoudend en afwerend gedroegen.

4.12.      De klachtonderdelen zijn ongegrond, omdat klagers het verwijt, gegeven het verweer van betrokkenen dat zij de vertrouwelijkheid van de notitie niet hebben geschonden, niet aannemelijk hebben gemaakt. Het enkele feit dat sommige leden zich jegens [X1] anders zouden hebben gedragen dan zij voorheen deden, bewijst op zichzelf niet dat het door [X1] geconstateerde afwijkende gedrag is veroorzaakt doordat derden van deze notitie of delen eruit kennis hebben genomen en dat betrokkenen daarvoor verantwoordelijk zijn. Het beweerdelijk afwijkende gedrag kan ook een andere oorzaak hebben.

4.13.      Betrokkenen hebben bestreden dat zij nepinformatie over [X1] hebben verspreid en hebben aangezet tot een hetze tegen hem. Het klachtonderdeel dat hierop betrekking heeft, heeft gegeven de verwijzing door klagers naar de paragrafen 10 en 11 van bijlage 1 van het klaagschrift geen zelfstandige betekenis. In die paragrafen gaat het over het beweerdelijk afwijkende gedrag van sommige leden jegens [X1] op 27 oktober 2018 dat hiervoor al is besproken.

4.14.      Klachtonderdeel 11 is in wezen een verweer (in de zin van de-pot-verwijt-de-ketel) tegen het verwijt van het bestuur in de brief aan [X1] van 20 november 2018 inzake het toesturen aan leden van loongegevens van werknemers van de vereniging. Het klachtonderdeel mist daarom zelfstandige betekenis.

Klachtonderdeel 5: [Y1] en [Y2] hebben kritiek van [X1] uitgelegd als beledigingen. Zij hebben zich voor de onwettige schorsing van [X1] gebaseerd op een Huishoudelijk Reglement van de vereniging dat er waarschijnlijk niet is. Ze hebben daarmee hun eigen belangen laten prevaleren.

Klachtonderdeel 6: [Y1] en [Y2] hebben valsheid in geschrift gepleegd door de schorsing van [X1] op het (hoogstwaarschijnlijk) niet bestaande Huishoudelijk Reglement te baseren.

[Y1] en [Y2] hebben valsheid in geschrift gepleegd door de schorsing van [X1] op het (hoogstwaarschijnlijk) niet bestaande Huishoudelijk Reglement te baseren.

Klachtonderdeel 8: [Y1] en [Y2] moet zwaar worden aangerekend dat het beëindigen van het lidmaatschap van [X1] onwettig was en zij hebben wet- en regelgeving genegeerd om de ledenvergaderingen te kunnen orkestreren en manipuleren. Zij hebben nooit benoemd waardoor zij zich beledigd voelen en hebben nooit weerlegd dat het royement van [X1] als lid onwettig was. De uitnodigingen voor de ALV’s van 5 november 2018 en 10 december 2018 waren in strijd met de statuten, omdat er niet in was vermeld dat het om het lidmaatschap van [X1] ging.

4.15.      De Accountantskamer bespreekt deze klachtonderdelen vanwege de onderlinge samenhang gezamenlijk. Ze zijn alle ongegrond. De persoonlijke ervaringen en gevoelens van een accountant zijn niet aan het tuchtrecht onderworpen. Het Huishoudelijk Reglement bestaat al jaren. Dat blijkt uit de notulen van de extra ALV van 1 februari 2008 waarin een wijziging van dit reglement akkoord is bevonden. Artikel 30 van het reglement kent aan het bestuur de bevoegdheid toe een lid voor maximaal een jaar wegens wangedrag te schorsen. De statuten kennen die mogelijkheid. Daarom is ook niet gebleken dat betrokkenen een persoonlijk verwijt treft.

De schorsing van [X1] als lid heeft bij brief van 17 oktober 2018 plaatsgevonden en is vervolgens door de ALV van 5 november 2018 op grond van artikel 30 verlengd. Het bestuur heeft op 20 november 2018 besloten het lidmaatschap van [X1] op te zeggen.

Het beroep van [X1] hiertegen is tijdens de ALV van 25 maart 2019 verworpen. Het verwijt dat betrokkenen de leden hebben gemanipuleerd is niet aannemelijk gemaakt. Dat betrokkenen gehouden waren de naam van [X1] in de uitnodigingen voor de ALV’s te vermelden, is niet onderbouwd. Uit het oogpunt van privacy heeft het bestuur dat niet gedaan.

Klachtonderdeel 7: [Y1] en [Y2] willen niet gecontroleerd worden. Dat blijkt uit het feit dat [X2] tijdens de ALV van 5 november 2018 op hun voorstel uit de kascontrolecommissie is gezet .

4.16.      Uit de notulen van de ALV van 5 november 2018 volgt, dat de ALV de kascontrolecommissie heeft vernieuwd en dus nieuwe leden van die commissie heeft benoemd. Daar hoorde [X2] niet bij. Uit die notulen volgt ook dat het bestuur aan de ALV had voorgesteld naast [X2] twee nieuwe leden van die commissie te benoemen. De ALV is daarin niet meegegaan. Het verwijt mist dus feitelijke grondslag.

Klachtonderdeel 10: [Y1] en [Y2] hebben de controle van de jaarrekening 2016/2017 tegengewerkt. De jaarrekening 2016-2017 bestaat uit slechts twee velletjes. De saldibalans 2016-2017 is onoverzichtelijke cijferbrei. Beide geven te weinig informatie en roepen alleen maar vragen op. Een initiële cijfervergelijking noopte tot een uitvoerige controle van de afwijkingen .

4.17.      Betrokkenen hebben ook dit klachtonderdeel betwist. Zij hebben erop gewezen dat het bestuur jaarlijks, overeenkomstig de statuten, op de ALV verantwoording aflegt om­trent het financieel beleid door middel van een financieel verslag. De door de ALV be­noemde kascontrolecommissie controleert deze verantwoording, alsmede de onderliggende toelichtingen en specificaties. De inrichting van het financieel verslag is wat betreft format en opzet al jaren gelijk. Op de ALV verstrekt de penningmeester een toelichting. Deze gang van zaken heeft al vele jaren de goedkeuring van zowel de kascontrolecommissie als de ALV. Het financieel verslag heeft niet de pretentie een jaarrekening te zijn. Betrokkenen betwisten de beweerdelijke tegenwerking en wijzen erop dat klagers niet aangeven op welke wijze dat zou zijn gedaan. [X2] heeft blijkens de notulen van de ALV van 9 december 2016 de penningmeester gecomplimenteerd voor het samenstellen van het financieel verslag. De kascontrolecommissie heeft op 10 december 2018 de ALV geadviseerd het financieel verslag over het jaar 2017-2018 goed te keuren.

4.18.      De Accountantskamer is van oordeel dat klagers, in het licht van het deels met stukken onderbouwde verweer van betrokkenen, hun verwijten niet aannemelijk hebben gemaakt. Dat betrokkenen niet schriftelijk wilden reageren op de lijst van vragen en attentiepunten vormt geen bewijs van de gestelde tegenwerking, omdat betrokkenen niet verplicht waren op deze lijst te reageren alvorens met klagers (ook) daarover in gesprek te gaan.

Klachtonderdeel 12: [Y1] en [Y2] hebben tijdens de ALV van 25 maart 2019 niet corrigerend opgetreden tegen leugens en lasteraars aangaande [X1], maar hebben die impliciet geïnitieerd .

4.19.      Uit het verweer van betrokkenen en de overgelegde stukken blijkt, dat de vergadering van 25 maart 2019 door een onafhankelijk voorzitter is geleid, omdat [Y1] partij was in het conflict met [X1] en het daarom niet wenselijk was dat hij die vergadering zou leiden. De notulen van deze vergadering zijn in de ALV van 9 december 2019 goedgekeurd. Uit niets blijkt dat het verwijt van klagers juist is.

Klachtonderdeel 13: [Y1] heeft immoreel gehandeld door vertrouwelijke gegevens die [C] aangaan in de openbaarheid te brengen. [Y1] heeft voor hem en later voor de curator in het faillissement van de [bank1] gewerkt.

4.20.      De Accountantskamer stelt vast dat dit klachtonderdeel is opgebouwd uit een aantal losse stellingen over de werkzaamheden van [Y1] voor de in oktober 2009 failliet verklaarde [bank1] en zijn werkzaamheden voor de curator en uit berichten die zijn ontleend aan NOS Nieuws, Vrij Nederland, De Volkskrant, Quote, Follow the Money, en LinkedIN. Betrokkenen hebben het waarheidsgehalte van de berichten en de interpretatie ervan door klagers betwist. Daargelaten de vraag of dit klachtonderdeel vanwege het tijdverloop wel ontvankelijk is, stelt de Accountantskamer vast dat klagers het klachtonderdeel onvoldoende hebben onderbouwd en toegelicht en daarom ongegrond is.

Klachtonderdeel 14: [Y1] en [Y2] zijn niet vakbekwaam en niet integer.

4.21.      De Accountantskamer stelt vast dat dit klachtonderdeel naast de klachtonderdelen 1 t/m 13 geen zelfstandige betekenis heeft, omdat het een conclusie van klagers is aangaande het handelen en nalaten van betrokkenen. Nu uit de bespreking van de 13 klachtonderdelen volgt dat geen daarvan gegrond is, is ook deze conclusie van klagers ongegrond.

4.22.      De klacht zal gelet op vorenstaande op alle onderdelen ongegrond worden verklaard.

5.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.D.R.M. Boumans (rechterlijke lid) en drs. W.J. Schoonderbeek RA (accountantslid), in aanwezigheid van mr. G.A. Genee, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2021.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.