Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2020:46 Accountantskamer Zwolle 19/2048 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2020:46
Datum uitspraak: 20-07-2020
Datum publicatie: 20-07-2020
Zaaknummer(s): 19/2048 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht gegrond met waarschuwing
  • Klacht ongegrond
  • Klacht niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht over verrichte werkzaamheden in het kader van de loonadministratie van een klant en over het niet verschaffen van duidelijkheid over de facturen. Klacht deels niet-ontvankelijk, voor zover deze betrekking heeft op gedragingen die hebben plaatsgevonden voor 1 januari 2016. Klacht, voor deze betreft gedragingen van na 31 december 2015, deels gegrond, deels ongegrond. Strijd met fundamentele beginselen van integriteit en vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Oplegging maatregel van waarschuwing. De Accountantskamer is van oordeel dat door het niet betalen van toeslaguren aan werknemers door de klant sprake was van een situatie waarbij betrokkene in verband kon worden gebracht met het niet-integere handelen van de klant. Op grond van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de VGBA lag het op de weg van betrokkene om een maatregel te nemen gericht op het beëindigen van dit niet-integere handelen. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene, door ondanks het achterwege blijven van verbeteringen gedurende langere tijd werkzaamheden te blijven verrichten voor de klant c.q. door onder zijn verantwoordelijkheid werkzame medewerkers deze werkzaamheden te laten blijven verrichten, heeft gedoogd dat voorschriften met betrekking tot de loonbetaling niet werden nageleefd. Betrokkene had onder deze omstandigheden eerder moeten besluiten om de opdracht voor het verrichten van diverse werkzaamheden terug te geven. Indien, zoals bij deze opdracht, gefactureerd wordt op uurbasis, dient ter beantwoording van de vraag hoe het honorarium van de accountant is bepaald op verzoek van de cliënt inzichtelijk te worden gemaakt wie wanneer werkzaamheden heeft verricht. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene door ondanks een daartoe strekkend verzoek van klager geen inzicht te verschaffen in hoe het honorarium voor de door hem en/of onder zijn verantwoordelijkheid verrichte werkzaamheden is bepaald, gehandeld heeft in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.    

ACCOUNTANTSKAMER

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaken met nummer  19/2048 Wtra AK van 20 juli 2020 van

X ,

wonende te [plaats1],

K L A G E R ,

gemachtigde: mr. [A],

t e g e n

Y ,

accountant-administratieconsulent,

kantoorhoudende te [plaats2],

B E T R O K K E N E.

 

1.          Het verloop van de procedure

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de aan partijen bekende stukken van het dossier in deze zaak, waaronder:

-       het op 8 november 2019 ingekomen klaagschrift van 5 november 2019 met bijlagen;

-       het schrijven van klager van 5 januari 2020;

-       het op 21 februari 2020 ingekomen verweerschrift van 19 februari 2020.

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld op de openbare zitting van 5 juni 2020. Klager heeft middels Skype deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door [A]. Betrokkene is eveneens verschenen, vergezeld van [B].

1.3       Klager en betrokkene hebben op deze zitting hun standpunten toegelicht (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

2.          De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde op de zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1       Betrokkene is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de Nba. Betrokkene is werkzaam bij [accountantskantoor] (hierna: [accountantskantoor]) te [plaats2].

2.2       Klager was bestuurder van [BV1] (hierna: [BV1]), een uitzendbureau ten behoeve van de tuinbouw. [BV1] hield zich bezig met de werving en levering van (vooral Poolse) werknemers aan inlenende tuindersbedrijven.

2.3       Op 26 november 2010 heeft betrokkene een opdracht aanvaard voor het samenstellen van de jaarrekening 2009 van [BV1]. Betrokkene heeft deze werkzaamheden ook in de daarop volgende jaren verricht. Vanuit [accountantskantoor] werden, onder verantwoordelijkheid van betrokkene, ook andere werkzaamheden, waaronder het verzorgen van de loonadministratie en fiscale werkzaamheden, verricht ten behoeve van [BV1]. [C] was als relatiebeheerder bij [accountantskantoor] voor klager het directe aanspreekpunt bij [accountantskantoor]. [B] was als hoofd salarisadministratie van [accountantskantoor] ook betrokken bij het verrichten van werkzaamheden voor [BV1].

2.4       Uit de stukken blijkt dat in 2015 en in 2016 controles bij [BV1] zijn uitgevoerd door de Inspectie SZW, de Belastingdienst en de Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU), een door werkgevers- en werknemersorganisaties in de uitzendbranche opgerichte stichting die toezicht houdt op de naleving van CAO-bepalingen binnen de uitzendbranche. Door de Inspectie SZW is een overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: Wet minimumloon) geconstateerd. De controle door de Inspectie SZW heeft op 16 april 2015 plaatsgevonden op het kantoor van [accountantskantoor]. Op 31 juli 2015 is [C] door de Inspectie SZW gehoord als getuige. Hij heeft toen, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

Ik heb telefonisch contact met [X]. Of hij komt langs als hij facturen of bankafschriften komt langsbrengen. Ik krijg de salarissen die uitbetaald zijn via de email toegestuurd. De laatste maanden hebben wij gevraagd om zowel uren als salarissen aan ons te overleggen. Dat deed [X] in het verleden niet. We kregen toen alleen het uitbetaalde netto salaris via de email door, maar niet het aantal uren. We boekten de bedragen in die [X] had doorgegeven. Een bedrag van € 1450,00 kwam bij ons overeen met 40 uur werk per week. Dat heeft hij destijds een keer doorgegeven. Wij hebben aangenomen dat dat altijd 40 uur was. Als er een keer minder geld werd uitbetaald, dan rekenden wij dat om. Er werd dus gebruik gemaakt van een omrekenfactor. Die berekening hebben wij dus gemaakt zonder dat wij de daadwerkelijk gewerkte uren wisten. Wij kregen altijd netto uitbetaalde bedragen door, die zijn door ons omgezet naar brutolonen.

(……….)

We krijgen 1x per maand de loongegevens aangeleverd van [X]. De facturen krijgen we voor [BV1] ééns per maand van [bedrijf1] eens per kwartaal. Dat heeft te maken met de BTW-aangifte. Het heeft geen speciale reden waarom de een per maand en de andere per kwartaal de aangifte moet doen. Ons kantoor controleert niet elke keer als we gegevens aangeleverd krijgen of alle uren op de urenbriefjes hetzelfde zijn als de uren die op alle facturen staan. Wij krijgen namelijk ook geen urenbriefjes door. Bij de jaarrekening proberen we weleens e.e.a. te bekijken en gegevens te vergelijken qua gewerkte  en gefactureerde uren i.c.m. uitbetalingen e.d., maar het blijft lastig omdat er dus losse projecten zijn waar we geen inzicht in hebben.

Op 9 juli 2015 is [B] als getuige gehoord door de Inspectie SZW. Hij heeft ondermeer het volgende verklaard:

Dit kantoor verzorgt de administratie voor de uitzendbureaus [bedrijf1] en [BV1] in [plaats1].

(………)

[BV1] en [bedrijf1] houden zelf de facturen bij. Wij ontvangen van hen bankafschriften en in- en verkoopfacturen. Die verwerken wij.

(………)

Wij ontvangen geen betaalbewijzen. We ontvangen wel bankafschriften. Op die bankafschriften staan ook loonuitbetalingen. Ik denk dat het grootste gedeelte per bank betaald wordt, maar sommigen ook niet. Voor ons is dat ook niet relevant. We kijken daar ook niet naar. Voor ons is belangrijk dat we weten hoeveel uren er gewerkt zijn in een bepaalde maand door werknemers en wat het bedrag is dat de eigenaar heeft uitbetaald aan de werknemers. Deze gegevens verwerken wij voor een goede afdracht voor loonbelasting en dergelijke. Wij bruteren de uitbetaalde nettobedragen die de eigenaar heeft gedaan.

(……..)

[Bedrijf1] en [BV1] bepalen het loon zelf. Dat spreken ze zelf af met de mensen. Dat gaat buiten ons om. Ik weet dat het bedrijf ook ziektekosten regelt en betaalt. Hoe dat precies zit weet ik niet. Daar weet [voornaam1] [= [C]; toevoeging Accountanskamer] meer van. Verder weet ik niet of er nog andere inhoudingen worden gedaan. Ik heb u al eerder uitleg gegeven over de verdeling van het loon van de werknemers van [BV1] en [bedrijf1]. Het is een all in loon. Het loon bestaat dus uit een aantal componenten. Er zit loon in, vakantiebijslag en vergoeding vakantiedagen.

(…….)

Ik weet niet of wij de belastingvrije voet berekenen. Dat ligt bij de beslaglegger. Ik weet niet hoe het precies zit met de financiële verwerking. Ik krijg alleen te horen wat er uitbetaald is, hoe het met de rest zit en hoe er is uitbetaald, dat weet ik verder niet.

(…….)

Toen wij de gegevens kregen van de eigenaar heb ik een steekproef genomen over de uren die op de facturen vermeld staan. Het was voor mij de eerste keer dat ik urenbriefjes zag van [BV1]/[bedrijf1]. Die krijgen wij normaal gesproken nooit. De steekproeven die ik genomen heb klopten in ieder geval. Ik heb wel van [C] gehoord dat er nog weleens geschoven zou worden met uren om het salaris op een gelijk niveau te houden per maand. Soms gaan ze naar Polen en hebben ze geen inkomsten. Om dat te voorkomen worden de uren verspreid over de andere maand. Maar hoe dat precies zit, dat zou u [C] moeten vragen.

Verder is door de Belastingdienst in het kantoor van [accountantskantoor] onderzoek verricht naar de aangiften over de jaren 2012 tot en met 2015. Er heeft een naheffing plaatsgevonden en er zijn boetes opgelegd aan [BV1].

2.5       Voorts heeft SNCU op 14 november 2016 [BV1] aangeschreven in verband met de naleving van de cao voor uitzendkrachten. [BV1] bleek niet te zijn aangemeld bij het pensioenfonds voor uitzendkrachten en bij het fonds voor de glastuinbouw, waardoor geen premies waren opgenomen in de loonadministratie. Voor [BV1] heeft dit tot een nabetalingsverplichting van ruim € 70.000 geleid. [BV1] is in verband hiermee op 16 mei 2019 gedagvaard door SNCU.

2.6       Op 27 maart 2018 heeft [B], namens [accountantskantoor], de opdracht voor het verrichten van diverse werkzaamheden, teruggegeven. Na de be ë indiging van de werkzaamheden is [accountantskantoor] een procedure begonnen tegen [BV1] in verband met de betaling van openstaande facturen. Bij verstekvonnis van de rechtbank [plaats3], van [datum], zijn [BV1] en klager veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 24.105,17, vermeerderd met wettelijke rente, plus proceskosten.

2.7       Op [datum] is [BV1] failliet verklaard. In paragraaf 1.5 van het faillissementsverslag is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

De oorzaak van het faillissement zou volgens de bestuurder liggen in een onjuiste wijze van administratievoering door de voormalig accountant waardoor [BV1] werd geconfronteerd met (naheffings)aanslagen vanuit de Belastingdienst en het pensioenfonds. [BV1] was niet in staat om deze bedragen te voldoen. Een en ander zal nader worden onderzocht.

2.8       Klager wijt het faillissement van [BV1] aan [accountantskantoor] en aan betrokkene.

3.          De klacht

3.1.       Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

3.2.       Ten grondslag aan de klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klager gegeven toelichting, het volgende verwijt:

a.         de onder verantwoordelijkheid van betrokkene verrichte werkzaamheden in het           kader van loondministratie [BV1]  zijn niet op zorgvuldige en vakbewame wijze verricht en betrokkene is tekortgeschoten in zijn verplichting om klager tijdens de     controles door de Inspectie SZW, Belastingdienst en SNCU te informeren en te             begeleiden;

b.         betrokkene heeft de opdracht op 27 maart 2018 zonder redelijke opzegtermijn   teruggegeven;

c.         betrokkene is tekortgeschoten in zijn zorgplicht ten opzichte van [BV1] en klager;

d.         betrokkene is tekortgeschoten in het verschaffen van duidelijkheid over de onder zijn verantwoordelijkheid verrichte werkzaamheden en over de in verband

            daarmee opgestelde facturen.

3.3.       Wat door/namens klager bij de mondelinge behandeling als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen  (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde) maar - voor zover het daartoe kan dienen - als ondersteuning van de betwisting van het gestelde in de door/namens betrokkene gegeven weerspreking van de klacht.

4.          De gronden van de beslissing

Over de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

4.1.       Op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

4.2.1    De Accountantskamer beoordeelt ambtshalve of de klacht ontvankelijk is.

4.2.2    Hierbij geldt dat met ingang van 1 januari 2019 een klachttermijn van tien jaar na het moment van de verweten gedraging geldt. De klacht is binnen deze termijn ingediend. Op grond van de overgangswetgeving wordt een klacht echter niet in behandeling genomen als de oude klachttermijn (die drie of zes jaar was) al vóór 1 januari 2019 was verstreken. Wat betreft de zesjaarstermijn moet worden beoordeeld of de verweten gedraging van betrokkene plaatsvond vóór 1 januari 2013. Ten aanzien van de driejaarstermijn moet worden beoordeeld of klager vóór 1 januari 2016 zodanige feiten heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat hij daarop een vermoeden van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten kon baseren. Daarbij is niet vereist dat een klager volledig op de hoogte is van de regelgeving voor accountants waarmee het handelen of nalaten (mogelijk) in strijd is.

4.2.3    Vast staat dat de Inspectie SZW in 2015 op het kantoor van [accountantskantoor] een onderzoek heeft verricht naar de administratie van [BV1]. In verband met de controle door de Inspectie SZW is op 16 april 2015 contact opgenomen met klager. Vervolgens zijn [B] en [C] op respectievelijk 9 juli 2015 en 31 juli 2015 als getuigen gehoord. De Accountantskamer is van oordeel dat klager gezien het onderzoek dat al in 2015 bij [accountantskantoor] plaatsvond naar de administratie van [BV1], redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat mogelijk sprake was van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dat hij wellicht nog niet precies wist wat er aan de hand was, doet er niet aan af dat de feiten die hij vóór 1 januari 2016 had kunnen constateren zodanig concreet waren dat hij hier redelijkerwijs een dergelijk vermoeden op had kunnen baseren.

4.2.4    De Accountantskamer is daarom van oordeel dat de driejaarstermijn in de weg staat aan de beoordeling van de klacht, voor zover deze betrekking heeft op gedragingen in de periode vóór 1 januari 2016.

4.2.5    De klacht is dan ook, voor zover deze betrekking heeft op gedragingen in de periode voorafgaand aan 1 januari 2016, niet-ontvankelijk.

4.2.6    Voor zover geklaagd is over gedragingen in de periode na 31 december 2015 is de klacht wel ontvankelijk.

4.3       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet, nu dit plaatshad ná 4 januari 2014, worden getoetst aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

4.4       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.5.1    De Accountantskamer stelt vast dat de verwijten die klager in het klaagschrift en in de onderdelen A en B van het aanvullende klaagschrift van 5 januari 2020 aan betrokkene maakt er in de kern op neerkomen dat vanuit [accountantskantoor] verrichte werkzaamheden in het kader van loonadministratie [BV1], waarvoor betrokkene vaktechnisch verantwoordelijk is, niet op zorgvuldige en vakbewame wijze zijn verricht en dat betrokkene tekort is geschoten in zijn verplichting om klager tijdens de controles door de Inspectie SZW, Belastingdienst en SNCU te informeren en te begeleiden, als omschreven in onderdeel 3.2, onderdeel a, van deze beslissing.

4.5.2    Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene vaktechnisch verantwoordelijk was voor de werkzaamheden die anderen binnen [accountantskantoor] voor [BV1] verrichten. De Accountantskamer onderschrijft deze opvatting en wijst er op dat artikel 14 van de VGBA bepaalt dat de accountant ervoor zorgt dat degene die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden uitvoert ten behoeve van een professionele dienst, hiervoor adequaat is toegerust en dat er toereikende begeleiding van, toezicht op en beoordeling van deze werkzaamheden plaatsvindt.

4.5.3    Klager heeft zijn klacht over de vanuit [accountantskantoor] verrichte werkzaamheden in het kader van de loonadministratie van [BV1] toegespitst op wat naar aanleiding van de controles door de Inspectie SZW, de Belastingdienst en SNCU is gebleken.

4.5.4    Uit het boeterapport van de Inspectie SZW blijkt dat de vastgestelde overtredingen van de Wet minimumloon hebben plaatsgevonden in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 31 maart 2015. Zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen, is de klacht voor zover deze betrekking heeft op gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2016 niet-ontvankelijk. Aan de tuchtrechtelijke beoordeling of betrokkene, dan wel een bij [accountantskantoor] werkzaam persoon voor wie betrokkene vaktechnisch verantwoordelijk was, zijn werkzaamheden voor wat betreft de toepassing van de Wet minimumloon bij werknemers van [BV1] op vakbekwame en zorgvuldige wijze heeft toegepast komt de Accountantskamer dan ook niet toe.

4.5.5    De door de Belastingdienst vastgestelde overtreding, waarvoor naheffingen zijn opgelegd, had betrekking op privégebruik van een aan een werknemer ter beschikking gestelde auto zonder dat een fiscale bijtelling had plaatsgevonden. Door [BV1] was geen kilometerregistratie bijgehouden en evenmin was geregistreerd wie wanneer in welke auto had gereden. In het door betrokkene bij het verweerschrift gevoegde “Bespreekverslag Jaarrapport 2015”  staat vermeld dat er tot 20 november 2016 geen kilometerregistratie aanwezig is zoals door [accountantskantoor] in de voorgaande jaren nadrukkelijk is geadviseerd. Vanaf 20 november 2016 wordt deze kilometerregistratie wel bijgehouden. Klager heeft deze passage niet weersproken. Hieruit blijkt naar het oordeel van de Accountantskamer dat [accountantskantoor] klager op de fiscale aspecten van het privégebruik van een bedrijfsauto heeft gewezen. In zoverre kan de klacht hierover dan ook niet slagen.

4.5.6    De door SNCU geconstateerde overtreding had in de kern betrekking op de door [BV1] gehanteerde uurtarieven en de uitbetaling van toeslaguren. Op verzoek van Poolse werknemers van [BV1] werden uren die de werknemers tijdens hun verblijf in Nederland werkten gecompenseerd met de tijd die zij in Polen doorbrachten, waardoor werknemers iedere maand een gelijk bedrag aan loon ontvingen. Het gebruik van deze ‘tijd voor tijd’- methode was op zichzelf genomen toegestaan in de tuinbouw. Door [BV1] werden de netto per werknemer uitbetaalde loonbedragen aan [accountantskantoor] doorgegeven waarna dit werd teruggerekend naar bruto bedragen. Echter, niet werd doorgegeven welke uren precies door de werknemers waren gewerkt waardoor niet kon worden vastgesteld of gewerkt was op uren waarvoor een toeslag gold. Gebleken is dat werknemers minder loon hebben ontvangen dan waar zij recht op hadden.

4.5.7    De Accountantskamer is van oordeel dat door het niet betalen van toeslaguren aan werknemers door [BV1] sprake was van een situatie waarbij betrokkene in verband kon worden gebracht met het niet-integere handelen van [BV1]. Op grond van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de VGBA lag het op de weg van betrokkene om een maatregel te nemen gericht op het be ë indigen van dit niet-integere handelen. Zoals door betrokkene is toegelicht, is [BV1] er door onder verantwoordelijkheid van betrokkene werkzame medewerkers van [accountantskantoor] meermaals gedurende een periode van minstens één jaar op gewezen dat meer gegevens moesten worden aangeleverd over de daadwerkelijk gewerkte uren van werknemers van [BV1]. Er was echter geen sprake van verbetering aan de kant van [BV1] en na te betalen bedragen werden niet nabetaald. Desondanks is [accountantskantoor] tot maart 2018 werkzaamheden in het kader van de loondministratie blijven verrichten voor [BV1].  De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene, door ondanks het achterwege blijven van verbeteringen gedurende langere tijd werkzaamheden te blijven verrichten voor [BV1] c.q. door onder zijn verantwoordelijkheid werkzame medewerkers deze werkzaamheden te laten blijven verrichten, heeft gedoogd dat voorschriften met betrekking tot de loonbetaling door [BV1] niet werden nageleefd. Betrokkene had onder deze omstandigheden eerder dan eerst in maart 2018 moeten besluiten om de opdracht voor het verrichten van diverse werkzaamheden terug te geven. Het valt betrokkene te verwijten dat hij dit niet eerder heeft gedaan.

4.5.8    Klachtonderdeel a is dan ook gegrond.

4.6.1    Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt d e Accountantskamer dat een accountant, ook indien sprake is van een deugdelijke reden voor de beëindiging van werkzaamheden en voor het teruggeven van een opdracht, hierbij de fundamentele beginselen in acht dient te nemen. De vraag die de Accountantskamer vervolgens dient te beantwoorden is of betrokkene door de wijze waarop hij zijn werkzaamheden voor [BV1] heeft beëindigd, heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

4.6.2    De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene onder de gegeven omstandigheden zijn opdracht zonder opzegtermijn mocht teruggeven. Van betrokkene kon niet worden verlangd dat hij zijn werkzaamheden bleef voortzetten terwijl [BV1] ondanks herhaald aandringen vanuit [accountantskantoor] nalatig bleef met het aanleveren van gegevens over de daadwerkelijk door werknemers gewerkte uren. Hierbij komt dat [BV1] er sinds 23 februari 2018 herhaaldelijk op was gewezen dat betrokkene zijn werkzaamheden zou be ë indigen indien de gevraagde gegevens niet alsnog zouden worden aangeleverd. [BV1] heeft voldoende tijd gehad om daarop te anticiperen. Dat [BV1] voldoende tijd heeft gehad om een andere accountant te vinden, blijkt ook uit het feit dat [BV1] binnen één week na be ëindiging van de werkzaamheden door betrokkene een andere accountant had gevonden die bereid was om de werkzaamheden voor [BV1] over te nemen. Betrokkene heeft bovendien contact gehad met de nieuwe accountant van [BV1] in verband met de over te nemen werkzaamheden. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat betrokkene bij de be ë indiging van zijn werkzaamheden voor [BV1] gehandeld heeft in strijd met enig fundamenteel beginsel.

4.6.3    Klachtonderdeel b is dan ook ongegrond.

4.7.1    De Accountantskamer stelt vast dat klachtonderdeel c door klager niet concreet is onderbouwd. Het had wel op de weg van klager gelegen om dit te doen. Niet gebleken is dat betrokkene is tekortgeschoten in zijn zorgplicht ten opzichte van [BV1] en klager.

4.7.2    Klachtonderdeel c is dan ook ongegrond.

4.8.1    Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de Accountantskamer dat uit de door partijen overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat prijsafspraken gemaakt zijn voor de door [accountantskantoor] ten behoeve van [BV1] te verrichten werkzaamheden in het kader van de loonadministratie. Gebleken is dat gefactureerd is op uurbasis, op basis van nacalculatie. Klager heeft op 11 juli 2018 verzocht om een urenverantwoording voor de vanuit [accountantskantoor] verrichte werkzaamheden voor [BV1]. Hierop heeft [C] bij e-mail van 2 augustus 2018 voor zover hier van belang het volgende geantwoord:

Naar aanleiding van uw verzoek van 11 juli 2018 om een specificatie van de urenverantwoording te ontvangen betreffende onze werkzaamheden vanaf 2016 het volgende;

In 2016 is aan [BV1] gefactureerd een bedrag exclusief omzetbelasting van € 33.848, in 2017 een bedrag van € 27.674 en in het 1e kwartaal van 2018 een bedrag van € 8.600.

Deze aan u gefactureerde bedragen zijn gebaseerd op uren x tarief. De gehanteerde uurtarieven hangen af van de kwalificaties van de medewerkers. Zo is het uurtarief van een assistent accountant € 80 exclusief omzetbelasting en het uurtarief van een relatiebeheerder ± € 130. Het gemiddelde uurtarief ligt dus op € 105. Dit betekent dat het aantal bestede uren voor 2016 uitkomt op 322 uur, voor 2017 op 263 uur en voor 2018 op 57 uur.

Naar aanleiding van deze e-mail heeft klager op 6 augustus 2018 aan [C] bericht dat dit niet de urenverantwoording is waar hij om gevraagd had. Bij deze e-mail heeft hij verzocht om deze zo snel mogelijk alsnog aan hem te doen toekomen.

Niet gebleken is dat de gevraagde urenverantwoording alsnog aan klager verstrekt is.

4.8.2    De Accountanskamer is van oordeel dat het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid met zich brengt dat een accountant in staat en bereid moet zijn om inzicht te verschaffen in hoe het honorarium voor de door hem en/of onder zijn verantwoordelijkheid verrichte werkzaamheden is bepaald. Indien, zoals bij deze opdracht, gefactureerd wordt op uurbasis, dient ter beantwoording van de vraag hoe het honorarium van de accountant is bepaald op verzoek van de cli ë nt inzichtelijk te worden gemaakt wie wanneer werkzaamheden heeft verricht. Een zeer algemene toelichting, zoals gegeven in de e-mail van [C] van 2 augustus 2018, volstaat in dit verband niet.

4.8.3    Het gegeven dat de vordering van betrokkene door de kantonrechter van de rechtbank [plaats3] is toegewezen, betekent niet dat betrokkene voldoende inzicht heeft verschaft in hoe zijn honorarium is bepaald. Het vonnis van de kantonrechter van [datum] is immers een verstekvonnis. Aan de toewijzing van de vordering ligt dan ook geen inhoudelijk rechterlijk oordeel over de vordering ten grondslag, behalve dat deze de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt. Ook overigens doet dit vonnis niet af aan de op betrokkene rustende verplichting om desgevraagd inzicht te verschaffen in hoe zijn honorarium is bepaald.

4.8.4    De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene door ondanks een daartoe strekkend verzoek van klager geen inzicht te verschaffen in hoe het honorarium voor de door hem en/of onder zijn verantwoordelijkheid verrichte werkzaamheden is bepaald, gehandeld heeft in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

4.8.5    Klachtonderdeel d is dan ook gegrond.

4.9       Nu de klacht (gedeeltelijk) gegrond zal worden verklaard, kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daarover houdt zij rekening met de aard en de ernst van het verzuim van de betrokkene en de omstandigheden waaronder dit zich heeft voorgedaan. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat betrokkene tekortgeschoten is in het waarborgen dat hij niet in verband wordt gebracht met niet-integer handelen van derden en dat hij onvoldoende gewaarborgd heeft dat onder zijn verantwoordelijkheid werkende medewerkers inzicht verschaften in hoe het honorarium voor de onder zijn verantwoordelijkheid verrichte diensten is bepaald. Daardoor heeft betrokkene gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Anderzijds is meegewogen dat betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld en dat betrokkene niet zelf is tekortgeschoten, maar dat hij is tekortgeschoten in het waarborgen dat onder zijn (vaktechnische) verantwoordelijkheid werkzame medewerkers in overeenstemming met de voor betrokkene geldende fundamentele beginselen handelen.

4.10     Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

5.          Beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht, voor zover deze betrekking heeft op de periode vóór 1 januari 2016, niet-ontvankelijk;
  • verklaart de klachtonderdelen a en d gegrond als hiervoor omschreven;

·       verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

·       legt ter zake aan betrokkene op de maatregel van

- waarschuwing ;

·       verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

·       verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klager betaalde griffierecht ten bedrage van € 70 (zeventig euro) aan klager vergoedt.

Aldus beslist door mr. A.A.J. Lemain, voorzitter, mr. G. van Rijssen en

mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper (rechterlijke leden) en drs. W.J. Schoonderbeek RA en A.M.H. Homminga AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2020.

_________                                                                                          __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en te zijn ondertekend.