Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2017:28 Accountantskamer Zwolle 16/2274 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2017:28
Datum uitspraak: 14-04-2017
Datum publicatie: 14-04-2017
Zaaknummer(s): 16/2274 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie:   Waardering van onderneming door huisaccountant van de onderneming in kader van echtscheidingsprocedure aandeelhouders/bestuurders. Ten onrechte geen afzonderlijke opdracht(bevestiging), geen waarborgen tegen bedreiging objectiviteit als bedoeld in artikel A-100.4 sub b VGC respectievelijk artikel 11 VGBA bij belangentegenstelling tussen aandeelhouders, ondeugdelijke grondslag voor waardering.  Betrokkene is zich niet van een bedreiging bewust geweest en heeft geen waarborgen/maatregelen heeft getroffen, zelfs niet toen hem duidelijk geworden moest zijn dat klaagster het volstrekt niet eens was met zijn waardebepaling en het conflict tussen de echtelieden/aandeelhouders escaleerde. Betrokkene heeft de aandelen in het economisch verkeer gewaardeerd op basis van de intrinsieke waarde-methode en geschat op een bedrag van € 60.000,--, zonder uitleg te geven over de door hem gehanteerde (ongebruikelijke) waarderingsmethode. Een latere waardering door een andere accountant volgens de APV-methode kwam uit op een economische waarde van tussen € 700.000 en € 1.300.000. Berisping.

ACCOUNTANTSKAMER

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaak met nummer 16/2274 Wtra AK van 14 april 2017 van

X ,

wonende te [plaats1],

K L A A G S T E R ,

raadsman: mr. A.H.P. van Hulten

t e g e n

Y ,

accountant-administratieconsulent,

kantoorhoudende te [plaats2],

B E T R O K K E N E ,

raadsman: mr. E. Hermsen.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

-        het op 19 september 2016 ingekomen klaagschrift van 16 september 2016 met bijlagen;

-        het op 14 oktober 2016 ingekomen verweerschrift van 13 oktober 2016;

-        de op 14 november 2016 ingekomen brief van 11 november 2016 van de raadsman van betrokkene met bijlage;

-        de op 1 december 2016 (tevens per fax op 30 november 2016) ingekomen brief van de raadsman van klaagster met bijlage.

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van

2 december 2016  waar zijn verschenen: klaagster, bijgestaan door mr. A.H.P. van Hulten voornoemd, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, en betrokkene, bijgestaan door

mr. E. Hermsen, advocaat te Son en Breugel.

1.3       Klaagster en betrokkene hebben op genoemde zitting hun standpunten doen toelichten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en toegelicht, alsmede doen antwoorden en/of geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

2.         De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1   Klaagster is op 15 maart 1990, onder het maken van huwelijkse voorwaarden,  getrouwd met de heer [A] (hierna: [A]). Op 31 maart 2000 hebben zij de gezamenlijke activiteiten die tot dan toe werden gevoerd onder de vennootschap onder firma V.O.F. [B] en het vermogen van deze vennootschap onder firma ingebracht in de besloten vennootschap [C] Beheer B.V. (hierna: [C] Beheer). [C] Beheer houdt zich bezig met bronbemaling, aardwarmtesystemen en het aanleggen en controleren van brandweerputten. Klaagster hield 39,78 % van de aandelen in [C] Beheer. [A] hield de resterende aandelen. In de periode van 31 maart 2000 tot 6 mei 2013 waren klaagster en [A] beiden statutair bestuurder van [C] Beheer.

2.2       Betrokkene staat sinds [datum] als openbaar accountant-administratieconsulent ingeschreven in het register van (thans) de Nba en is werkzaam bij het kantoor [D] Accountants en Belastingadviseurs te [plaats2]. Vanaf het moment dat de activiteiten en het vermogen van de vennootschap onder firma in [C] Beheer zijn ingebracht, is betrokkene de huisaccountant van deze laatste vennootschap. Hij verricht ook de samenstellingswerkzaamheden voor de jaarrekening.

2.3       In april 2012 besloten klaagster en [A] van elkaar te scheiden. [A] heeft betrokkene daarvan in de loop van 2012 op de hoogte gesteld.

2.4       Klaagster is begin mei 2013 ontslagen als statutair bestuurder. Daarna was enkel [A] nog bestuurder van [C] Beheer.

2.5       De door klaagster en [A] gehouden aandelen vielen in een tijdens het huwelijke ontstane eenvoudige gemeenschap. Medio 2013 is aan betrokkene verzocht om een voorlopige waardebepaling van de aandelen in de vennootschap op te maken. [Y] heeft vervolgens de waarde van de aandelen in het economisch verkeer per

31 december 2012 op basis van de intrinsieke waardemethode en rekening houdend met stille reserves, goodwill en de meer- en minderwaarde van de activa en passiva geschat op een bedrag van € 60.000,--.

2.6       Klaagster heeft daarna de heer [E] RA, werkzaam bij Accountantskantoor [F] B.V. te [plaats3] (hierna: [E]) om een second opinion verzocht. [E] heeft op 19 september 2013 een voorlopig tussentijds verslag van zijn bevindingen, met daarin verschillende open vragen, afgegeven. Bij brief van 21 oktober 2013 heeft betrokkene op dit verslag gereageerd. Vervolgens heeft herhaaldelijk overleg plaatsgevonden tussen [E] en betrokkene.

2.7       In een brief van 5 februari 2014 van betrokkene aan de raadsman van klaagster staat dat de waarde van de aandelen in [C] Beheer bij toepassing van de intrinsieke waarde methode per 31 december 2012 afgerond € 60.000,00 bedraagt en, rekening houdend met een belastingclaim in de inkomstenbelasting (in verband met de geruisloze doorschuiving), voor de verdeling uitkomt op een bedrag van € 51.618,00.

2.8       [E] heeft op 18 juli 2014 de aandelen volgens de Discounted Cash Flow methode gewaardeerd op een bedrag van ongeveer 1,3 miljoen euro.

2.9       In een brief van 23 oktober 2014 van de raadsman van [A] aan de raadsvrouw van klaagster (productie 8 bij klaagschrift) staat onder meer het volgende: 

“(…)

Inzake de waardering van de aandelen in [C] Beheer B.V. heeft de heer

[Y] in bijgesloten brief zijn visie ontvouwd en tegelijkertijd de visie van uw cliëntes adviseur, de heer [E], zoals te lezen in diens brief van 18 juli 2014 van kanttekeningen voorzien*.

De heer [Y] verwerpt het waardeoordeel van de heer [E], omdat het oordeel niet op feiten berust. Hoewel de heer [E] zelf stelt dat het voor een deugdelijke waardering van de onderneming cruciaal is om overleg te voeren met de directie, heeft hij noch aan die directie, noch aan de heer [Y] vragen gesteld of bij hen informaties ingewonnen.

Cliënt wenst dat de heer [Y] zeer spoedig in overleg kan treden met de heer [E] om hem te informeren over de feiten en gegevens die nodig zijn voor een deugdelijke waardering. Voorts kunnen beide accountants in dat overleg proberen om tot een eensluidende waarde indicatie te komen.

(…)”

In de bij die brief gevoegde brief van 20 oktober 2014 van betrokkene aan (de directie van) [C] Beheer, geschreven in reactie op de brief van 18 juli 2014 van [E], staat onder meer het volgende (productie 7 bij klaagschrift):

Waarderingsmethode volgens afspraak

In het overleg, van 24 januari 2013, is, bij ons op kantoor in samenspraak met de heren [G], [E] en [H], bepaald de peildatum van de waardering van de aandelen van [C] Beheer B.V. op 31 december 2012 te stellen. Met name omdat de toekomst zeer moeilijk te prognosticeren is ingevolge de sector en de specifieke situatie waarin de onderneming verkeert, hebben wij gekozen voor de intrinsieke waarde methode. Verder hadden wij ook de beschikking over recente taxatierapporten voor onroerend goed en materiele vaste activa. Met deze informatie zijn de activa en passiva tegen waarde economisch verkeer bepaald, is een goodwill berekening gemaakt en is de onderwaardering van de pensioenverplichting vastgesteld. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in een waarde indicatie van € 60.000 zoals ons kantoor dat heeft opgesteld en bevestigd in onze brief van 4 februari 2014.

Liquidatiewaarde

De heer [E] stelt nadrukkelijk dat het gaat om een waarde indicatie en niet om een objectieve waardebepaling. Wegens gebrek aan toekomstgerichte informatie wordt nu gesteund op resultaten die in dit verleden zijn gerealiseerd. Echter de onderneming verkeert op dit moment in een zodanige situatie dat niet meer terug gevallen kan worden op het verleden maar de dag van morgen is bepalend of je volgende dag kunt overleven. Op dit moment is het zo dat de onderneming bij bijzonder beheer is ondergebracht van de huisbankier. (…)

Conclusie

In eerste instantie heeft waardering plaatsgevonden volgens de intrinsieke waarde methode en hieruit kwam een waarde van € 60.000. Door de heer [E] werd gesteld dat uitgegaan diende te worden van bepaling van economische waarde op basis van de DCF methode waarbij de toekomstige vrije geldstromen bepalend zijn. Zonder onderzoek gedaan te hebben naar toekomstgerichte informatie op basis van resultaatverwachtingen, te verrekenen verliezen, investeringen en geen overleg te plegen met de directie is de waarde indicatie van de heer [E] onbruikbaar. Daarnaast wordt uitgegaan van uitlatingen door [voornaam1] die geplaatst moeten worden in een andere tijd en bovenal in een andere situatie. De economische waarde is namelijk subjectief en wordt bepaald door de situatie en positie waarin men handelt.

Op basis van de economische waarde berekening die voortvloeit uit de DCF methode met de APV variant genereert de onderneming onvoldoende waarde voor eigen vermogensverschaffers en komt de waarde uit op € 1. Door gebruik te maken van deze DCF-methode is getracht een vergelijk te maken met de opzet van [E], echter in onze opzet is in detail getreden met betrekking tot de resultaatverwachtingen, te verrekenen verliezen, vaststelling van de vermogenskostenvoet en de noodzakelijke investeringen en benaderd deze economische waardebepaling de situatie per 31 december 2012. (…)”

2.10     De heer [I] RA (hierna: [I]) heeft gesprekken gevoerd met [E] en [Y] en de beide waardebepalingen van [Y] en [E] tegen elkaar afgezet. In zijn eindrapportage van 26 januari 2015 heeft [I] op basis van de APV-methode geconcludeerd dat de economische waarde van de aandelen tussen € 700.000 en € 1.300.000 ligt.

2.11     In een e-mailbericht van 18 mei 2015 van betrokkene aan [I] (productie 12 bij klaagschrift) staat onder meer het volgende:

“(…) De advieskosten en proceskosten opgenomen in Grondboorbedrijf [A] BV zijn niet aan [Y] of [J] gerelateerde advieskosten. Zie hiervoor de specificatie van de grootboekrekeningen uit de jaren 2014 en 2013. De proceskosten betreffend de kosten van [K] inzake procedure [L].

De advieskosten met betrekking tot  [M] Beheer BV een factuur van 11 maart 2013 betreft een opzet van de vermogensverdeling van de BV en kan als 100% zakelijke kosten worden aangemerkt. De advieskosten in 2014 betreft een factuur van 18 november 2014 het opstellen van de huurovereenkomst en is ook als zakelijke kosten aan te merken. Zie hiervoor bijgaande kopie facturen.

Daarna zijn al onze advieskosten via [C] Beheer BV gegaan waarvan u al eerder een specificatie heeft gekregen.

Ten slotte kan ik u mededelen dat ik morgenvroeg om 11 uur een afspraak heb met [voornaam2] om de investeringen door te nemen. (…)”

2.12     Klaagster heeft haar aandelen in [C] Beheer inmiddels verkocht en via een STAK-constructie overgedragen aan haar kinderen.

3.         De klacht

3.1       Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

3.2       Ten grondslag aan de door klaagster ingediende klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klaagster gegeven toelichting, de volgende verwijten:

a. Betrokkene heeft het fundamentele beginsel van objectiviteit geschonden door:

- niet alleen voor [C] Beheer maar ook voor een van haar aandeelhouders ([A]) werkzaamheden te (blijven) verrichten zonder dit kenbaar te maken aan en instemming te vragen van klaagster en evenmin een andere maatregel te nemen om ervoor te zorgen dat hij zich aan de fundamentele beginselen hield, terwijl zowel klaagster als [A] aandeelhouder waren, zichtbare andere belangen hadden en onmiskenbaar verwikkeld waren in een conflict over de ontvlechting van hun onderneming;

- de bedreiging, zijn beoordeling daarvan, de toepaste maatregel(en) en zijn conclusie niet vast te leggen;

- zijn opdracht bij de waardebepaling van de onderneming en de positie c.q. hoedanigheid waarin hij ten opzichte van de onderneming en de waardering van de aandelen verkeert niet schriftelijk vast te leggen, althans klaagster hiervan niet in kennis te stellen;

-  een groot aantal werkzaamheden ten behoeve van [A] privé aan [C] Beheer te factureren.

b. Betrokkene heeft bij de waardebepaling van de aandelen in [C] Beheer zijn werkzaamheden niet naar behoren verricht, waardoor de werkzaamheden een deugdelijke grondslag ontberen.

3.3       Wat door/namens klaagster bij de mondelinge behandeling als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen  (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde) doch als een ondersteuning van de betwisting van het gestelde in de door/namens betrokkene gegeven weerspreking van de klacht.

4.         De gronden van de beslissing

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

4.1       Op grond van artikel 51 Wet op de Accountants-administratieconsulenten (oud, hierna: Wet AA),en sinds 1 januari 2013 op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant-administratieconsulent bij het beroepsmatig handelen onderscheidenlijk ten aanzien van zijn beroepsuitoefening onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet AA respectievelijk Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet, voor zover dit plaats had in de periode van 17 januari 2007 tot 4 januari 2014 worden getoetst aan de in die periode geldende Verordening gedragscode (AA’s) en daarvan in dit geval het (voor alle accountants geldende) deel A en het (voor openbaar accountants geldende) deel B1, en voor zover dit plaatshad ná 4 januari 2014 aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

4.3       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klaagster is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.4       Klaagster heeft ter onderbouwing van klachtonderdeel 3.2. sub a. onder meer het navolgende aangevoerd. Bij aanvang van de echtscheidingsprocedure waren de werkzaamheden van betrokkene beperkt tot het afgeven van de samenstellingsverklaring bij de jaarrekening en advisering van het bestuur van [C] Beheer. Betrokkene kreeg toen nog opdrachten van klaagster en [A] tezamen en stelde beide aandeelhouders gerust door aan te geven dat hij hun beider belangen zou bewaken. Er was toen nog geen sprake van een (schijn van) belangenstelling. Dit werd eind 2013/begin 2014 anders toen betrokkene door (de raadsman van) [A] in het conflict tussen de gewezen echtelieden werd betrokken. Begin 2014 ging betrokkene vervolgens naast [C] Beheer ook [A] bijstaan. Dit volgt onder meer uit de hiervoor onder 2.7 vermelde brief van 5 februari 2014 van betrokkene aan de raadsman van [A] en de onder 2.9 vermelde brief van 23 oktober 2014, met bijlage, van de raadsman van [A] aan de raadsvrouwe van klaagster. Ten slotte blijkt uit het hiervoor onder 2.11 vermelde e-mailbericht van betrokkene aan [I] van 18 mei 2015, waarin staat dat al de advieskosten via [C] Beheer zijn gegaan, dat betrokkene een groot aantal werkzaamheden ten behoeve van [A] privé aan [C] Beheer heeft gefactureerd, aldus klaagster.

4.5       Betrokkene heeft betwist dat hij ook voor [A] privéwerkzaamheden heeft verricht en dat sprake was van de door klaagster gestelde bedreiging van de objectiviteit. Betrokkene heeft gesteld uitsluitend accountant en adviseur van [C] Beheer te zijn geweest en uitsluitend aan deze vennootschap te hebben gefactureerd. Ook de globale waardebepaling van de aandelen is volgens betrokkene op verzoek van deze vennootschap gedaan.

4.6       Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft klaagster onvoldoende onderbouwd en is daardoor niet aannemelijk geworden dat betrokkene ook [A] privé als adviseur heeft bijgestaan en die werkzaamheden vervolgens aan [C] Beheer heeft gefactureerd. Uit de door klaagster genoemde brieven en het feit dat de brieven van februari en oktober 2014 aan de raadsman van [A] respectievelijk [C] Beheer en niet daarnaast ook aan klaagster zijn gezonden, volgt dit niet zonder meer, ook niet indien in aanmerking wordt genomen dat betrokkene de in de brief van 20 oktober 2014 neergelegde aanpassing van de waardebepaling zonder overleg met klaagster heeft vastgesteld. Dit laat echter onverlet dat, anders dan betrokkene meent, er wel degelijk sprake was van een bedreiging van de objectiviteit als bedoeld in artikel A-100.4 sub b VGC respectievelijk artikel 11 VGBA. Betrokkene diende de waarde van de aandelen immers (globaal) te bepalen in het kader van de (voorgenomen) echtscheiding van klaagster en [A], zodat niet gezegd kan worden dat het, zoals betrokkene stelt, feitelijk een verlengstuk van de opdracht tot het samenstellen van de jaarrekening over 2012 betreft. Betrokkene had reeds in 2013 zich ervan bewust moeten zijn dat klaagster en [A] tegengestelde belangen hadden, nu [A] de meerderheid van de aandelen hield en de waarde van deze aandelen in echtscheidingsprocedure in de verrekening betrokken zou worden. Daarbij komt dat [A] vanaf mei 2013 de enige bestuurder van [C] Beheer en voor betrokkene de enige contactpersoon bij de vennootschap was. Betrokkene had dan ook waarborgen/maatregelen moeten nemen ertoe leidend dat de bedreiging van de objectiviteit werd weggenomen of tot een aanvaardbaar niveau werd teruggebracht (artikel A-100.5 VGC) respectievelijk dat hij zich aan het fundamentele beginsel van objectiviteit hield (artikel 21 lid 1 VGBA). Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene zich niet van de bedreiging bewust is geweest en geen waarborgen/maatregelen heeft getroffen, zelfs niet toen hem eind 2013 duidelijk geworden moest zijn dat klaagster het volstrekt niet eens was met zijn waardebepaling van de aandelen en dat het conflict tussen de (gewezen) echtelieden begin 2014 begon te escaleren. Een waarborg had kunnen zijn de schriftelijke vastlegging van de opdracht en de positie van betrokkene te opzichte van de te waarderen onderneming. Daarbij merkt de Accountantskamer op dat betrokkene, indien de opdracht als transactiegerelateerde dienst moet worden aangemerkt, op grond van NV COS 5500 N daartoe ook gehouden was. Klachtonderdeel 3.2 sub a is dan ook gegrond.

4.7       Ten aanzien van klachtonderdeel 3.2 sub b wordt het volgende overwogen.

De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene in zijn brieven van 5 februari en 20 oktober 2014 geen uitgangspunten of methoden heeft vermeld op grond waarvan de waardebepaling is vastgesteld. Nu in het kader van de ontbinding van het huwelijk van de aandeelhouders van [C] Beheer om een (globale) waardebepaling van de onderneming was verzocht, en betrokkene er niet op voorhand vanuit kon gaan dat klaagster en [A] buiten rechte overeenstemming zouden bereiken over de afwikkeling van de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden, diende betrokkene ermee rekening te houden dat zijn rapport in een gerechtelijke procedure zou worden overgelegd, zodat dit rapport een deugdelijke grondslag moest hebben, zoals voortvloeit uit het fundamentele beginsel van deskundigheid/vakbekwaamheid en zorgvuldigheid (artikel A-100.4 sub c VGC respectievelijk artikel 2 sub d VGBA). Betrokkene stelt onder verwijzing naar zijn brief van 20 oktober 2014 dat tijdens een bespreking op 24 januari 2013 met onder meer [E] is afgesproken om de aandelen volgens de intrinsieke methode te waarderen. Betrokkene heeft echter nagelaten deze afspraak vast te leggen. Klaagster heeft gemotiveerd betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. In dat verband heeft zij een brief overgelegd van [E], waarin [E] schrijft dat hij niet aanwezig is geweest bij de bespreking op 24 januari 2013 en heeft zij, onbestreden door  betrokkene, aangevoerd dat ook [I] bestrijdt dat tijdens de bespreking een dergelijke afspraak is gemaakt. Evenmin heeft hij vastgelegd dat, en zo ja welke, alternatieve methoden zijn besproken. Daarnaast bevat het rapport slechts een (zeer) summiere onderbouwing van de door hem geschatte waarde en heeft betrokkene erkend dat hij de waarde van de voorraden niet heeft onderzocht, maar dat hij is uitgegaan van de door [A] opgegeven waarde. Gelet op de door hem in aanmerking genomen waarde van de voorraden

(€ 32.860) in verhouding tot de door hem berekende waarde van de aandelen (€ 60.000) had van betrokkene verwacht mogen worden dat hij de waarde van de voorraden zou onderzoeken. De Accountantskamer neemt bij hetgeen hiervoor is overwogen nog in aanmerking dat het betrokkene bekend was dat bij onderhandelingen over de verkoop van de aandelen aan een derde in 2010 een mogelijke koopsom van € 2.500.000 aan de orde was. Het is de Accountantskamer niet gebleken dat het enorme verschil tussen deze mogelijke koopsom en de in 2013 door hem berekende waarde ertoe heeft geleid dat betrokkene zich ervan heeft vergewist dat zijn berekening was gebaseerd op juiste uitgangspunten en evenmin dat betrokkene zich, ofschoon daar alle reden toe was, rekenschap heeft gegeven van de oorzaken van dit verschil. De conclusie is dan ook dat de rapportage van betrokkene een deugdelijke grondslag ontbeert, zodat ook klachtonderdeel 3.2 sub b gegrond is.

4.8 Nu de klacht gegrond moet worden verklaard, kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daaromtrent houdt zij rekening met de aard en de ernst van het verzuim van de betrokkene en de omstandigheden waaronder dit zich heeft voorgedaan. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van berisping passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat aan betrokkene eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd (Accountantskamer 20 juli 2012, 12/192 Wtra AK). Anderzijds is meegewogen dat niet aannemelijk is geworden dat klaagster door het handelen en/of nalaten van betrokkene schade heeft geleden of dat de civiele rechter op het verkeerde been is gezet.

4.9        Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

5.         Beslissing

De Accountantskamer:

·       verklaart de klacht gegrond;

·       legt ter zake aan betrokkene op de maatregel van berisping ;

·       verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

·       verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagster vergoedt.

Aldus beslist door mr. E.F. Smeele, voorzitter, mr. H. de Hek en mr. drs. M. Stempher (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en H. Geerlofs AA (accountantsleden), in aanwezigheid van W. Welmers, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2017.

_________                                                                                        __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en de gronden van het beroep te bevatten.