Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2017:22 Accountantskamer Zwolle 16/1373 en 16/1374 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2017:22
Datum uitspraak: 27-03-2017
Datum publicatie: 27-03-2017
Zaaknummer(s): 16/1373 en 16/1374 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Naleving van Standaard 4410 (oud) en van de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag als bedoeld in de VGC, en van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in de VGBA vergt dat een accountant voorafgaand aan de uitvoering van de opdracht persoonlijk contact heeft met een vertegenwoordiger van de entiteit opdat hij zich op basis van eigen waarneming een oordeel kan vormen over de bedrijfsactiviteiten van de entiteit en over de persoon of personen die de entiteit vertegenwoordigen. Naleving van deze normen vergt evenzeer dat de accountant die een opdracht zoals bedoeld in Standaard 4410 aanvaardt, aan zijn opdrachtgever duidelijk kenbaar maakt (bij voorkeur in een opdrachtbevestiging en bij voorkeur voorafgaand aan de uitvoering van de opdracht) dat hij verantwoordelijkheid draagt voor te verrichten (samenstellings-)werkzaamheden en aan welke entiteit hij is verbonden of bij welke entiteit hij werkzaam is. Met deze verplichtingen wordt ook het belang gediend dat een opdrachtgever in vrijheid moet kunnen beslissen aan welke accountant en aan welke accountant hij een opdracht verstrekt. Naleving van deze verplichtingen vergemakkelijkt het instellen van een onderzoek naar de integriteit van een client. In deze zaken hebben betrokkenen niet aan deze verplichtingen voldaan. Waarschuwing.

ACCOUNTANTSKAMER

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaken met de nummers 16/1373 en 16/1374 Wtra AK van 27 maart 2017 van

1) X1,

2) X2,

3) X3,

4) X4 B.V.,

5) X5 N.V.,

wonende/gevestigd te [plaats1],

hierna te noemen:

K L A G E R S ,

t e g e n

(1)  Y1 ,

kantoorhoudende te [plaats2],

(2)  Y2 ,

wonende/kantoorhoudende te [plaats3],

beide accountant-administratieconsulent,

hierna te noemen:

B E T R O K K E N E N .

1.         Het verloop van de procedure

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

-        het op 26 mei 2016 ingekomen klaagschrift van 24 mei 2016 met bijlagen;

-        het op 19 augustus 2016 ingekomen aanvullend klaagschrift van 18 augustus 2016 met bijlagen;

-        het op 14 september 2016 ingekomen verweerschrift van betrokkene (2) van 10 september 2016;

-        het op 18 oktober 2016 ingekomen verweerschrift van betrokkene (1) van 10 oktober 2016 met bijlagen;

-        het op 21 oktober 2016 ingekomen nadere stuk van klagers;

-        de op 24 november 2016 ingekomen nadere stukken van klagers.

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 5 december 2016 waar zijn verschenen: X1 en X3, voor zichzelf en voor klaagsters (2), (4) en (5), en betrokkenen in persoon.

1.3       Klagers en betrokkenen hebben op genoemde zitting hun standpunten doen toelichten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en toegelicht, alsmede doen antwoorden en/of geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

2.         De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1       Betrokkene (1) is sedert [datum]        als accountant-administratieconsulent ingeschreven in het ledenregister en betrokkene (2) is sedert [datum] als accountant-administratieconsulent ingeschreven in het ledenregister.

2.2       Betrokkene (1) is als enig bestuurder verbonden aan [A] Accountants B.V. te [plaats2], alwaar betrokkene (2) tot 30 september 2015 als accountant in dienstbetrekking werkzaam was.

2.3       [B] RB (hierna: [B]) was sinds 22 oktober 2010 adviseur van klagers en verzorgde in die hoedanigheid hun fiscale  aangiften, voerde hun administratie en stelde hun jaarrekeningen op. Op 3 december 2013 schrijft [B] in een e-mail aan (enkele van de) klagers (productie 3 bij het aanvullende klaagschrift) onder meer:

“De naam [B] Financieel Advies zal per 1-1-2014 inderdaad veranderen in [A] Fiscalisten & Juristen en er zal nauw worden samengewerkt met [A] Accountants. Van een overname is geen sprake, ik blijf eindverantwoordelijk en aanspreekpunt voor [A] Fiscalisten & Juristen. Ik blijf voor alle zaken jullie contactpersoon, zodat er voor jullie niets verandert. Indien gewenst kan er expertise worden ingekocht bij [A] Accountants, maar dat is in jullie huidige situatie niet nodig.”.

2.4       [A] Fiscalisten & Juristen was een maatschap waarvan [B] in persoon vennoot was en een besloten vennootschap, waarin betrokkene (1) participeerde, de andere vennoot. [B] is op 1 januari 2016 als vennoot uitgetreden uit [A] Fiscalisten & Juristen.

2.5       [A] Fiscalisten & Juristen werkte samen met [A] Accountants B.V. Zij waren beide in hetzelfde gebouw gevestigd en maakten gebruik van hetzelfde secretariaat. Een deel van de kosten van het secretariaat werden door [A] Accountants B.V. in rekening gebracht aan [A] Fiscalisten & Juristen. In verband met de verdeling van de werkzaamheden maakte het secretariaat gebruik van twee postboeken: één voor [A] Accountants B.V. en één voor [A] Fiscalisten & Juristen.

2.6       De jaarrekeningen 2013 en 2014 van klaagsters (4) en (5) zijn door [A] Accountants B.V. samengesteld. De werkzaamheden daarvoor zijn verricht door mevrouw [C], die voorheen bij [B] in dienstbetrekking was en vanaf 1 januari 2014 als assistent-accountant bij [A] Accountants B.V. in dienst was.  Zij werkte  onder verantwoordelijkheid van betrokkene (2). Bij de jaarrekeningen 2013 heeft betrokkene (1) in november/december 2014 een samenstellingsverklaring afgegeven (producties 5 en 6 bij het verweerschrift van betrokkene (1)) en bij de jaarrekeningen 2014 hebben betrokkenen (1) en (2) op 9 september 2015 een samenstellingsverklaring afgegeven (producties 11 en 12 bij het verweerschrift van betrokkene (1)).

2.7       Betrokkene (1) heeft voor 2014 voor de werkzaamheden ten behoeve van klaagsters (4) en (5) opdrachtbevestigingen gedateerd 21 mei 2015 overgelegd (producties 9 en 10), die namens [A] Accountants B.V. door betrokkene (2) en door klaagsters (4) en (5) zijn ondertekend.

2.8       De aangiften inkomstenbelasting 2013 en 2014 van klagers (1), (2) en (3) zijn door [A] Fiscalisten & Juristen in de persoon van [B] verzorgd.

2.9       Op 23 juli 2015 heeft [A] Fiscalisten & Juristen de in te dienen aangiften inkomstenbelasting 2014 van klagers (1), (2) en (3) abusievelijk onjuist geadresseerd en aan een andere klant gestuurd, die ze op 24 juli 2015 ook daadwerkelijk heeft ontvangen, terwijl op het adres van klagers (1) en (2) op 24 juli 2015 een of meer aangiften inkomstenbelasting 2014 van die betreffende klant zijn bezorgd.

2.10     [A] Accountants B.V. heeft op 10 september 2015 een factuur aan klager (1) gezonden met de omschrijving “Verzorgen aangiften inkomstenbelasting 2014” (bijlage 10 bij het klaagschrift).

3.         De klacht

3.1       Betrokkenen hebben volgens klagers gehandeld in strijd met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels.

3.2       Ten grondslag aan de door klagers ingediende klachten liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klagers gegeven toelichting en de door klagers en betrokkenen ter zitting gegeven bevestiging, de volgende verwijten zoals die in het aanvullende klaagschrift zijn opgenomen:

a. het (laten) bestaan van onduidelijkheid en schimmigheid van het gebruik van diverse samenwerkingsconstructies door elkaar heen, waardoor onduidelijk is, indien er klachten zijn, wie verantwoordelijk is en verantwoordelijkheid neemt, van het over en weer gebruik van handelsnamen en logo’s en van de afwezigheid van een toelichting op de gevolgen van deze constructies;

b. het verzenden van facturen voor werkzaamheden die betrokkenen niet hebben verricht;

c. het verkeerd verzenden van stukken met zeer privacygevoelige gegevens (2.9: aangiften inkomstenbelasting 2014) die daardoor aan derden zijn geopenbaard;

d. het aandringen op het ondertekenen van een bevestiging van een opdracht tot het samenstellen van een jaarrekening;

e. het (aandringen op het) ondertekenen van opdrachtbevestigingen tot het samenstellen van jaarrekeningen zonder dat de feitelijke werkzaamheden door de betreffende accountant zijn verricht.

3.3       Wat door of namens klagers bij de mondelinge behandeling als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde) doch als een ondersteuning van de betwisting van het gestelde in de door/namens betrokkenen gegeven weerspreking van de klacht.

4.         De gronden van de beslissing

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende.

4.1       Op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet, voor zover dit plaats had in de periode van 4 januari 2007 tot 1 januari 2014, worden getoetst aan de in die periode geldende Verordening gedragscode (AA’s) (hierna: VGC), en daarvan in dit geval het (voor alle accountants geldende) deel A en het (voor openbaar accountants geldende) deel B1, en, voor zover dit plaatshad ná 4 januari 2014, aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

4.3       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klagers is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountants tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.

klachtonderdelen 3.2.a en 3.2.d

4.4       De Accountantskamer overweegt dat betrokkenen in hun verweerschriften hebben aangevoerd en ter zitting hebben herhaald dat voor klagers kenbaar was welke  werkzaamheden werden verricht door/vanuit [A] Fiscalisten & Juristen en welke door/vanuit [A] Accountants B.V. Zij hebben immers aangiften en jaarrekeningen met samenstellingsverklaringen toegezonden gekregen, letters of representation bij die jaarrekeningen ondertekend en facturen betaald. Daaruit blijkt dat voor klagers duidelijk was dat klagers (1), (2) en (3) klant waren van [A] Fiscalisten & Juristen en klaagsters (4) en (5), wat betreft het samenstellen van de jaarrekeningen klanten van [A] Accountants B.V. Betrokkene (1) heeft in dit verband ook gewezen op de door klaagsters (4) en (5) ondertekende opdrachtbevestigingen van 21 mei 2015 voor het samenstellen van de jaarrekeningen over 2014. Klagers hebben (ook weer ter zitting) aangevoerd dat [B] hen eind 2013 heeft laten weten dat hij verantwoordelijk en aanspreekpunt zou blijven voor alle werkzaamheden (2.3) en dat zo nodig “[A] Accountants” in de arm zou worden genomen. Feitelijk is er volgens klagers na 1 januari 2014 niets veranderd ten opzichte van de gang van zaken in de voorafgaande periode. Zij hebben nooit contact gehad met [A] Accountants B.V. over de aan [B] opgedragen werkzaamheden. [B] heeft de concepten van de jaarrekeningen 2013 en 2014 aan klaagsters (4) en (5) doen toekomen. Pas op 19 november 2014 heeft [B] tijdens de bespreking van de jaarrekeningen 2013 van klaagsters (4) en (5) verzocht opdrachtbevestigingen van [A] Accountants B.V. te ondertekenen, hetgeen zij toen hebben geweigerd. Voor het samenstellen van de jaarrekeningen kan door [A] Accountants B.V. geen factuur worden gezonden, omdat [A] Fiscalisten & Juristen de contractspartner van klaagsters (4) en (5) is. Het door [A] Accountants B.V. in rekening gebrachte bedrag is niettemin betaald, omdat het spoorde met wat klagers met [B] over zijn honorarium hadden afgesproken. De door klaagsters (4) en (5) ondertekende opdrachtbevestigingen van [A] Accountants B.V. voor het samenstellen van de jaarrekeningen zijn volgens klaagsters geantedateerd op 21 mei 2015. Zij hebben die in augustus 2015 onder druk getekend, omdat [A] Fiscalisten & Juristen de jaarrekeningen 2014, die klagers nodig hadden teneinde ze te kunnen deponeren, pas ter beschikking wilde stellen na die ondertekening, aldus klagers. Betrokkene (2) heeft erkend dat [B] contactpersoon van klagers is gebleven en de jaarrekeningen 2013 en 2014 van klaagsters (4) en (5) met hen heeft besproken. Beide betrokkenen hebben ter zitting erkend dat zij klagers nooit hebben ontmoet in verband met de verrichte accountantswerkzaamheden.

4.5       Aangezien bij de jaarrekeningen 2013 en 2014 van klaagsters (4) en (5) samenstellingsverklaringen zijn afgegeven, stelt de Accountantskamer vast dat daaraan opdrachten zoals bedoeld in Standaard 4410 (oud) van de NVCOS ten grondslag liggen. In de door klaagsters (4) en (5) ondertekende opdrachtbevestigingen van [A] Accountants B.V. voor het samenstellen van de jaarrekeningen 2014 is ook met zoveel woorden vermeld dat de opdracht wordt uitgevoerd in overeenstemming met deze Standaard. Gelet op paragraaf 7 van deze Standaard moet een accountant die op grondslag daarvan werkzaamheden gaat verrichten, zich ervan overtuigen dat er tussen de opdrachtgever en hem overeenstemming bestaat over de opdrachtvoorwaarden. In die verplichting ligt besloten (en het spreekt ook voor zich) dat er aan de betreffende accountant of de entiteit waaraan hij verbonden is of waarvoor hij werkzaam is, daadwerkelijk een opdracht is verstrekt. Volgens paragraaf 11 van deze Standaard moet de accountant een globaal beeld hebben van de bedrijfsactiviteiten van de entiteit. Die kennis bezit de accountant uit hoofde van zijn ervaring met de entiteit of die verkrijgt hij door het inwinnen van inlichtingen aldus paragraaf 12 van Standaard 4410.

4.6       Gezien het vorenstaande vergt naleving van Standaard 4410 (oud) en van de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4 onder c. en e. van de VGC, en van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 2 onder d van de VGBA (zeker in een situatie als de onderhavige) dat een accountant voorafgaand aan de uitvoering van de opdracht persoonlijk contact heeft met een vertegenwoordiger van de entiteit opdat hij zich op basis van eigen waarneming een oordeel kan vormen over de bedrijfsactiviteiten van de entiteit en over de persoon of personen die de entiteit vertegenwoordigen. Naleving van Standaard 4410 en van de hiervoor vermelde fundamentele beginselen vergt evenzeer dat de accountant die een opdracht zoals bedoeld in Standaard 4410 aanvaardt, aan zijn opdrachtgever duidelijk kenbaar maakt (bij voorkeur in een opdrachtbevestiging en bij voorkeur voorafgaand aan de uitvoering van de opdracht) dat hij verantwoordelijkheid draagt voor te verrichten (samenstellings-) werkzaamheden en aan welke entiteit hij is verbonden of bij welke entiteit hij werkzaam is. Met de verplichting tot persoonlijk contact wordt ook het belang gediend dat een opdrachtgever in vrijheid moet kunnen beslissen aan welke accountant (en aan welke entiteit) hij een opdracht verstrekt. Persoonlijk contact en een opdrachtbevestiging of een ander schriftelijk stuk met de hiervoor omschreven inhoud vergemakkelijken ook naleving van de verplichting van een accountantskantoor in de zin van de NVAK-aav tot het bij aanvaarding of continuering van een opdracht, instellen van een onderzoek naar de integriteit van de cliënt.

4.7       In deze zaak staat vast dat betrokkenen voorafgaand aan en met het oog op de uitvoering van de opdrachten tot het samenstellen van de jaarrekeningen 2013 en 2014 geen persoonlijk contact met de vertegenwoordigers van klaagsters (4) en (5) hebben gehad. Onweersproken is dat klagers in verband met de uitvoering van deze opdrachten evenals voorheen alleen contacten hebben gehad met [B]. Betrokkenen hebben geen aan klagers gerichte stukken, afkomstig van [A] Fiscalisten & Juristen of van [A] Accountants B.V., overgelegd, waaruit blijkt dat zij of één van hen aan klaagsters (4) en (5) voorafgaand aan de door hen te verrichten werkzaamheden kenbaar hebben gemaakt dat zij verbonden zijn aan of werkzaam zijn bij [A] Accountants B.V. en dat zij of één van hen (in plaats van [B] of [A] Fiscalisten & Juristen) verantwoordelijk zijn/is voor te verrichten samenstellingswerkzaamheden, waarmee in elk geval ten dele voldaan had kunnen worden aan de hiervoor geformuleerde verplichtingen. Uit een en ander volgt dat betrokkene (1) die bij de jaarrekeningen 2013 en de jaarrekeningen 2014 samenstellingsverklaringen heeft afgegeven, de in 4.6 omschreven verplichtingen tot twee maal toe niet heeft nageleefd. Betrokkene (2), die alleen de samenstellingsverklaringen bij de jaarrekeningen 2014 mede heeft ondertekend, is die verplichtingen eenmalig niet nagekomen. Gezien het vorenstaande is klachtonderdeel 3.2.a. in zoverre gegrond. Dat [B] tijdens de bespreking op 19 november 2014 opdrachtbevestigingen van [A] Accountants B.V. aan klagers heeft voorgelegd, maakt niet dat de in deze vereiste duidelijkheid is geboden, nu betrokkenen niet hebben gesteld dat in die (niet door hen overgelegde) opdrachtbevestigingen wel is vermeld dat zij of één van hen verantwoordelijkheid dragen/draagt voor het samenstellen van de jaarrekeningen 2013 van klaagsters (4) en (5). Ook met het sturen van facturen door [A] Accountants B.V. is (vanzelfsprekend) niet voldaan aan de hier aan de orde zijnde verplichtingen.  

4.8       Ook het verwijt dat niet had mogen worden aangedrongen op het ondertekenen van opdrachtbevestigingen voor het samenstellen van de jaarrekeningen 2013 en 2014 treft doel omdat van de vertegenwoordigers van klaagsters (4) en (5) niet eerder kon worden verlangd die opdrachtbevestigingen te ondertekenen dan nadat betrokkene(n) persoonlijk contact met hen hadden gehad en nadat hen duidelijk was gemaakt welke accountant en welke entiteit verantwoordelijk waren voor de uitvoering van de opdrachten. Het vorenstaande brengt mee dat ook klachtonderdeel 3.2.d in zoverre gegrond is. De Accountantskamer laat daarbij in het midden of er druk op klagers is uitgeoefend om tot ondertekening over te gaan. 

4.9       Het vorenoverwogene betekent overigens niet dat werkzaamheden waarvoor een accountant duidelijk kenbaar de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen, niet door anderen dan die accountant (werkzaam bij dezelfde entiteit als die waaraan de accountant is verbonden of waarbij hij werkzaam is) feitelijk kunnen worden verricht. Daarmee is ook niets gezegd over het ontstaan van een betalingsverplichting van (één of meer) klagers jegens [A] Accountants B.V., nu het oordeel daarover aan de civiele rechter is voorbehouden. Opmerking verdient ook nog dat betrokkenen niet verweten kan worden dat [B] zich kennelijk niet heeft gehouden aan dat wat hij klagers eind 2013 heeft laten weten (2.3).  

klachtonderdeel 3.2.b

4.10     Klachtonderdeel 3.2.b ziet op de onder 2.11 vermelde factuur, waarvan betrokkene (1) ter zitting onweersproken heeft gesteld dat dit een eenmalige vergissing is geweest en dat klagers deze factuur ook niet hebben betaald. De Accountantskamer is van oordeel dat met deze weerlegging van betrokkenen klagers niet aannemelijk hebben gemaakt dat betrokkenen bij voortduring facturen hebben gestuurd, waarvoor zij geen werkzaamheden hebben verricht. Dit klachtonderdeel dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

klachtonderdeel 3.2.c

4.11     Volgens vaste jurisprudentie kan handelen zoals bedoeld in artikel 42 Wab tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn aan een accountant die de handeling in persoon heeft verricht of nagelaten of die daarvoor als direct verantwoordelijke heeft te gelden. Inzake klachtonderdeel 3.2.c staat vast dat de fiscale werkzaamheden ten behoeve van klagers door [B], dan wel onder verantwoordelijkheid van [B] vanuit [A] Fiscalisten & Juristen werden verricht. Ook de secretariaatswerkzaamheden op dat gebied werden, nu deze aan [B] althans zijn maatschap, werden doorbelast, onder zijn verantwoordelijkheid verricht. Mede omdat [B] als fiscalist via eigen tuchtrecht kan worden aangesproken, is er in casu geen grond de bestuurder en enige eindverantwoordelijke binnen de accountantspraktijk er mede tuchtrechtelijk voor verantwoordelijk te houden dat de aangiften inkomstenbelasting 2014 van klagers (1) en (2) in een onjuist geadresseerde envelop en derhalve bij de onjuiste cliënt terecht zijn gekomen. Dat betrokkene (2) nadat dit had plaatsgevonden met [B] heeft samengewerkt om tot een oplossing te komen, maakt, naar het oordeel van de Accountantskamer, niet dat de betreffende verwisseling van post, waar dit klachtonderdeel op ziet, hem, dan wel betrokkene (1) tuchtrechtelijk kan worden verweten. Dit klachtonderdeel dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

klachtonderdeel 3.2.e

4.12     Klachtonderdeel 3.2.e ziet in de kern erop dat betrokkenen geen werkzaamheden zouden hebben verricht ten behoeve van de jaarrekeningen 2014 terwijl daarvoor wel een door betrokkene (2) getekende opdrachtbevestiging is opgemaakt. De Accountantskamer is van oordeel dat klagers, tegenover de gemotiveerde betwisting van betrokkenen, niet, althans onvoldoende, aannemelijk hebben gemaakt dat betrokkenen geen werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van de betreffende jaarrekeningen. Bij een gebrek aan feitelijke grondslag vervalt derhalve de onderbouwing van dit klachtonderdeel en dient dit ongegrond te worden verklaard.

4.13     Nu de klacht (gedeeltelijk) gegrond moet worden verklaard, kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daaromtrent houdt zij rekening met de aard en de ernst van de verzuimen van de betrokkenen en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de oplegging van de maatregel van waarschuwing aan beide betrokkenen passend en geboden. Hoewel op betrokkene (1) als bestuurder van [A] Accountants B.V. een zwaardere verantwoordelijkheid rustte voor de naleving van de hier aan de orde zijnde verplichtingen dan op betrokkene (2) is alleen daarin onvoldoende reden gelegen om bij de beslissing over de maatregel onderscheid tussen betrokkenen te maken, omdat het hebben van persoonlijk contact met de vertegenwoordiger(s) van een entiteit en het duidelijkheid scheppen over de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van een opdracht in dit kader essentiële verplichtingen zijn. De Accountantskamer heeft er mede op gelet dat aan betrokkenen niet eerder een maatregel is opgelegd.

4.14      Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

5.         Beslissing

De Accountantskamer:

·       verklaart de klacht inzake de klachtonderdelen 3.2.a en 3.2.d, als hiervoor weergegeven, gegrond en voor het overige ongegrond en verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

·       legt ter zake aan betrokkenen op de maatregel van

- waarschuwing ;

·       verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

·       verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkenen het door klagers betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klagers vergoeden.

Aldus beslist door mr. M.J. van Lee, voorzitter, mr. E.W. Akkerman en mr. C.H. de Haan (rechterlijke leden) en drs. W.J. Schoonderbeek RA en J. Maan AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2017.

_________                                                                                          __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:___________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en de gronden van het beroep te bevatten.