Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2016:29 Accountantskamer Zwolle 15/1928 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2016:29
Datum uitspraak: 11-04-2016
Datum publicatie: 11-04-2016
Zaaknummer(s): 15/1928 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht gegrond met berisping
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:   Gezien de bevindingen bij een door betrokkene zelf ingesteld onderzoek (aanzienlijke aantallen contante ontvangsten en uitbetalingen; geen functiescheiding en geen kasadministratie) bij een beleggingsmaatschappij, had betrokkene nimmer mogen overgaan tot het samenstellen van de jaarrekeningen van die beleggingsmaatschappij over een aantal jaren en had hij zijn opdracht daartoe moeten teruggeven. Verder vormden de contante ontvangsten en uitbetalingen een indicatie voor een melding op grond van de Wwft. Betrokkene heeft die melding niet gedaan en  daarvoor geen goede reden aangevoerd. Ingeval een accountant met een samenstellingsopdracht gelden leent van een client moet hij afdoende waarborgen treffen om de bedreigingen die uit dat lenen voortvloeien voor de naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

ACCOUNTANTSKAMER

 

 

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaak met nummer 15/1928 Wtra AK van 11 april 2016 van

mr. J.A. WAGENAAR , in zijn hoedanigheid van curator

in het faillissement van X B.V. te [plaats1],

kantoorhoudende te Roermond,

K L A G E R ,

t e g e n

mr. drs. Y FB ,

registeraccountant,

kantoorhoudende te [plaats2],

B E T R O K K E N E ,

advocaten: mr. S.A.G. Hoogeveen en mr. S.P. Kamerbeek.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

-        het op 7 september 2015 ingekomen klaagschrift van 4 september 2015, met bijlagen;

-        het op 17 november 2015 ingekomen verweerschrift van gelijke datum, met bijlagen;

-        een op 21 januari 2016 ingekomen brief van klager van 19 januari 2016, met als bijlage een nadere productie bij het klaagschrift.

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 25 januari 2015 waar zijn verschenen ‑ aan de zijde van klager ‑ mr. J.A. Wagenaar in persoon, en ‑ aan de zijde van betrokkene ‑ mr. drs. Y RA FB in persoon, tot bijstand vergezeld van mr. S.A.G. Hoogeveen en mr. S.P. Kamerbeek, beiden advocaat te Amsterdam.

1.3       Klager en betrokkene hebben op deze zitting ‑ onder overlegging van pleitaantekeningen ‑ hun standpunten doen toelichten en/of toegelicht en geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

2.         De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1       Klager is bij vonnis van [datum] van de rechtbank Limburg benoemd tot curator in het faillissement van X B.V. te [plaats1] (hierna: [X]); in deze hoedanigheid heeft hij de onderhavige tuchtklacht ingediend.

2.2       Betrokkene staat sedert [datum] als registeraccountant ingeschreven in het register van het NIVRA (thans: van de Nba), laatstelijk als openbaar accountant. Hij is verbonden aan het kantoor [A] Accountants (voorheen [B] Accountants genaamd; hierna: [A]) te [plaats2]. Hij heeft ten aanzien van de boekjaren 2005 tot en met 2011 de opdracht tot het samenstellen van de jaarrekening van [X] uitgevoerd.

2.3       [X] was een beleggingsmaatschappij in onroerend goed met als enig (indirect) aandeelhouder en bestuurder [C] (hierna: [C]), die op 4 oktober 2012 is overleden. [X] had naast [C] geen andere medewerkers.

2.4       [C] was daarnaast oprichter en bestuurder van [D] B.V. (hierna: [D]). Hij had ook de dagelijkse leiding over dit assurantiekantoor. Sinds een groot aantal jaren is [D] tevens agent van [bank1] (een onderdeel van [bank2] N.V.). [X] was een afzonderlijke vennootschap, maar opereerde vanuit het kantoor van [D].

2.5       Aan de Autoriteit Financiële Markten (AFM) is in 2006 in verband met het voornemen om ook gelden van beleggers uit Duitsland aan te trekken, de vraag voorgelegd of voor de beleggingsactiviteiten een vergunning benodigd was, met als conclusie dat dit niet het geval was, omdat de inleg volgens het voorgenomen beleid minimaal € 50.000 was en het totaal aantal beleggers onder de 100 bleef. Mr. [E], advocaat te [plaats3] (hierna: [E]), die door [C] was ingeschakeld voor juridisch advies, heeft vervolgens een conceptcontract ontwikkeld dat [C] kon gebruiken als model om overeenkomsten te sluiten met beleggers (een dividendovereenkomst geheten).

2.6       Omdat [bank1] te kennen gaf dat zij het niet wenselijk vond dat de beleggingsactiviteiten via de rekeningen van [bank1] liepen, heeft [C] betrokkene ‑ die inmiddels de samenstellingsopdracht voor de jaarrekening van [X] had aanvaard ‑ verzocht of de investeerders in [X] hun gelden konden storten op een rekening van het kantoor van betrokkene, [A]. In overleg is besloten tot een aparte rekening binnen [A] (hierna: de rekening bij [A]), van waaruit de ontvangen gelden werden doorbetaald aan een separate rekening van [X]. 

2.7       Omdat betrokkene onvoldoende gegevens verkreeg om de jaarrekening van [X] over de boekjaren 2006, 2007, 2008 en 2009 samen te stellen, heeft [X] over deze jaren slechts voorlopige jaarstukken ter publicatie gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.

2.8       In januari 2010 bleek dat een dividendovereenkomst was geprint op briefpapier van [bank1] en dat daarin het depositogarantiestelsel van toepassing was verklaard. [C] werd ontboden bij [bank1] en vroeg betrokkene hem te vergezellen als financieel adviseur. Deze bespreking vond plaats op 19 januari 2010. [C] gaf daarin een verklaring voor het voorval en deed [bank1] de toezegging het bestuur van [D] over te dragen aan zijn zoon.

2.9       Betrokkene kreeg van [bank1] de opdracht te onderzoeken of er meer dividendovereenkomsten op briefpapier van [bank1] waren opgesteld. Hij heeft daarop de administratie van [X] ten kantore van [X] onderzocht. In totaal werden 14 aldus opgestelde dividendovereenkomsten gevonden. Op 8 daarvan was [bank1] als contractspartner vermeld en niet [X]. Op 29 januari 2010 heeft betrokkene aan [bank1] gerapporteerd over zijn onderzoek. Voorts heeft betrokkene te kennen gegeven dat hij het juist achtte dat het incident werd gemeld bij de AFM, waarop [E] op 1 mei 2010 namens [X] een melding heeft gedaan bij de AFM.

2.10     Naar aanleiding van deze melding heeft de AFM op 18 oktober 2010 een onderzoek gedaan ten kantore van [X]/[D]. Daarbij is de gehele administratie van [X] aan de AFM verstrekt. Op 20 oktober 2010 heeft de AFM om nadere informatie gevraagd.

2.11     Betrokkene heeft bij [C] dezelfde informatie als die welke was gedeeld met de AFM opgevraagd, teneinde die als basis te laten dienen voor afronding van de voorlopige jaarrekeningen van [X] over de boekjaren 2007 tot en met 2009. Betrokkene heeft vervolgens die informatie beoordeeld en vastgelegd in zijn dossier:

“Gebleken is dat er verschillen waren met de posities in de financiële administraties door de jaren heen. Ook bleek dat er contracten waren die in contanten waren volgestort en dat dividenden soms contant werden uitbetaald.”

2.12     Daarop heeft betrokkene op basis van de door [X] verstrekte informatie een beleggerssubadministratie vervaardigd, waarin de stortingen, de opnamen en de dividendbetalingen werden verwerkt, en een onderscheid werd gemaakt tussen mutaties per bank en mutaties per kas. Wat betreft de mutaties per kas werd gebruik gemaakt van de kwitanties die waren opgeborgen bij de beleggingscontracten. Op die wijze werden de balansposities voor de desbetreffende jaren herleid en opnieuw berekend.

2.13     Op grond van deze nieuwe informatie heeft betrokkene de jaarrekeningen over de boekjaren 2007 tot en met 2009 opgemaakt, die daarna zijn vastgesteld en gedeponeerd. Deze jaarstukken zijn tevens verzonden aan de AFM onder vermelding van het feit dat zij te laat waren vastgesteld. Vanaf november 2011 is geen gebruik meer gemaakt van de rekening bij [A] bedoeld onder 2.6.

2.14     Parallel aan het onderzoek van de AFM heeft ook DNB - naar aanleiding van meldingen van [X] zelf - een onderzoek ingesteld, dat op 28 juli 2011 leidde tot de conclusie dat [X] niet in strijd handelt of heeft gehandeld met het verbod van artikel 3.5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, en dat van het geven van een aanwijzing derhalve geen sprake kan zijn.

2.15     Na ontvangst van de conclusies van de AFM en DNB heeft betrokkene geoordeeld dat hij zijn samenstellingsopdracht voor het boekjaar 2010 kon continueren. Hij heeft daarop - op basis van de door [X] verstrekte informatie - de jaarrekening 2010 samengesteld, die vanwege ziekte van [C] pas is vastgesteld op 25 juni 2012.

2.16     Na het overlijden van [C] op [datum] heeft diens familie (de twee zonen en de echtgenote) betrokkene gevraagd de samenstellingsopdracht te continueren voor het boekjaar 2011. Betrokkene heeft die opdracht aanvaard en uitgevoerd. Ten behoeve van het samenstellen van deze jaarrekening heeft betrokkene informatie gekregen van [F] (de nieuwe bestuurder van [X]; hierna: [F]) en van een zoon van [C]. De jaarrekening is uiteindelijk vastgesteld door [X] op 29 januari 2013. Door betrokkene werd afgesproken met [F] en de zoon van [C] dat opnieuw een uitgebreid onderzoek zou plaatsvinden naar de beleggersadministratie om de mutaties in kaart te brengen in de periode kort voor het overlijden van [C].

2.17     [F] heeft daarop de kantoorlocaties doorzocht en daarbij contracten gevonden die niemand (anders dan [C]) ooit had gezien, die niet tot een zichtbare geldstroom hadden geleid en waarvan onduidelijk is of en, zo ja, hoe de inleg plaatsvond, en waarvoor deze is gebruikt.

2.18     Nadat de geconstateerde feiten waren gemeld aan de AFM en DNB, heeft betrokkene per brief van 11 december 2013 zijn opdracht aan [X] teruggegeven.

3.         De klacht

3.1       Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

3.2       Ten grondslag aan de door klager ingediende klacht liggen, zoals betrokkene blijkens diens verweerschrift heeft begrepen en ook de Accountantskamer uit het klaagschrift en de daarop door klager gegeven toelichting heeft begrepen, de verwijten

1)       dat betrokkene:

a)     niet eerder een onderzoek heeft ingesteld naar de beleggersadministratie van [X];

b)     het gebruik van een rekening van [A] als ontvangstadres voor de gelden van [X] heeft toegestaan;

c)     een onjuiste brief heeft geschreven aan [G] (hierna: [G]);

d)     een lening is overeengekomen met [X];

2)     dat betrokkene niet zelfstandig een melding op grond van de Wet ongebruikelijke transacties (Wet MOT) heeft gedaan, terwijl daartoe wel aanleiding was;

3)     dat betrokkene de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NV COS) 240/250 niet heeft toegepast, ondanks dat er aanwijzingen bestonden voor fraude en/of onwettig handelen bij [X].

3.3       Door klager is bij de mondelinge behandeling verklaard dat hij, in verband met de zesjaarstermijn in artikel 22 Wtra, zijn klacht beperkt tot de periode ingaande januari 2010.

4.         De gronden van de beslissing

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

4.1       Op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet, nu dit plaats had in de periode van 1 januari 2007 tot 4 januari 2014, worden getoetst aan de in die periode geldende Verordening gedragscode (RA’s) (hierna: VGC) en daarvan in dit geval het (voor alle accountants geldende) deel A en het (voor openbaar accountants geldende) deel B1.

4.3       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.4.1    Ten aanzien van de klachtonderdelen onder 1. b) en d) over het gebruik van een rekening van [A] als ontvangstadres voor de gelden van [X], respectievelijk het door betrokkene met [X] overeenkomen van een lening, is door klager gesteld dat een en ander in het algemeen niet behoorlijk is en niet getuigt van de vereiste professioneel-kritische instelling. Van de zijde van betrokkene is onder verwijzing naar omstandigheden die hij heeft afgewogen en vastgelegd in zijn dossier, betoogd dat het handelen van betrokkene te dezen geen strijd met enige gedrags- en/of beroepsregel oplevert.

4.4.2    Hoezeer de Accountantskamer ook bedenkingen heeft bij het aangaan van een geldlening door een accountant bij een cliënt en bij het door een accountant ter beschikking stellen van een rekening aan een cliënt voor het regelmatig (door)storten van door cliënten van die cliënt ingelegde gelden, er is geen rechtsregel (en dus ook geen gedrags- en/of beroepsregel) aan te wijzen, waarbij het een of het ander categorisch is verboden. Niettemin moet het aangaan van een lening bij een cliënt worden aangemerkt als een bedreiging van niet te verwaarlozen betekenis voor de naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit zoals bedoeld in artikel A-100.4 onder b. van de VGC, dat onder meer inhoudt dat een accountant niet toelaat dat zijn professioneel of zakelijk oordeel wordt aangetast door ongepaste beïnvloeding door een derde. Het openen van een derdengeldrekening voor het storten van gelden door investeerders in [X] kan een bedreiging vormen voor de naleving van het fundamentele beginsel van integriteit of dat van professioneel gedrag zoals bedoeld in artikel A-100.4 onder a. en e. van de VGC.

4.4.3    Voor de onderhavige lening geldt dat deze schriftelijk is vastgelegd op 16 augustus 2010, dat ze een hoofdsom van € 70.000 behelst, een looptijd heeft van tien jaar en geen verplichting tot aflossing bevat en dat over de lening een rente van 6,75% op jaarbasis is verschuldigd. Als zekerheid voor de terugbetaling van het geleende bedrag wordt een pandrecht gevestigd op de klantenportefeuille van (toen nog) [B] Accountants. Betrokkene heeft in zijn dossier vastgelegd dat het een zakelijke lening is, dat hij de lening nodig heeft in verband met een echtscheiding, dat hij het bedrag ook van een familielid had kunnen lenen, maar dat “om verschillende redenen” niet wil, dat lenen bij een bank die hij had benaderd, “wat tijd” in beslag zou nemen, dat het een lening onder “zakelijke condities” betreft, dat zijn kantoor qua omzet op jaarbasis niet afhankelijk is van [X], dat hij zo nodig met een (als waarborg afgesproken) lening van een familielid de lening van [X] direct kan aflossen, dat zijn kantoor een goede debiteur is en dus voldoende zekerheid kan bieden, dat “de naam van het kantoor bij niemand in beeld komt” en tot slot dat er slechts een louter zakelijke relatie tussen hem en [X] bestaat. Verder heeft hij nog opgetekend dat: “De jaarstukken (…) op kantoor door verschillende mensen samengesteld worden, hetgeen borgt dat mijn lening net zo wordt behandeld als de andere.” Met betrekking tot het openen van een derdengeldrekening als ontvangstadres voor stortingen door investeerders in [X] heeft hij overwogen dat hij daardoor “extra controle” kon uitoefenen.

4.4.4    Gelet op de afspraken met [X] over de lening en op wat betrokkene omtrent de lening in zijn dossier heeft vastgelegd, zijn er afdoende waarborgen (getroffen) om te voorkomen dat zijn professioneel of zakelijk oordeel wordt aangetast door ongepaste beïnvloeding door zijn cliënt.  Daarmee is  de bedreiging voor de naleving door  betrokkene van het fundamentele beginsel van objectiviteit teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau. Daaruit volgt dat er geen grond is om te oordelen dat betrokkene met het aangaan van die lening een gedrags- of beroepsregel heeft geschonden.

4.4.5    Gezien hetgeen hierna in rechtsoverweging 4.6.2 zal worden geoordeeld had betrokkene tegelijk met het teruggeven van zijn opdracht (en dus al ver vóór november 2011) een einde moeten maken aan het ter beschikking stellen van de derdengeldrekening van [A] voor het regelmatig (door)storten van door cliënten van [X] ingelegde gelden. Daaruit volgt dat klachtonderdeel 1 b) in zoverre gegrond is.

4.5.1    Met betrekking tot het klachtonderdeel onder 1 c) over het schrijven van een onjuiste brief aan [G], is door klager aangevoerd dat betrokkene per brief van 1 november 2011 namens zowel [X] als [C] in privé genoemde [G] heeft gesommeerd tot betaling van een bedrag ad € 2.578.271,25, terwijl noch in de administratie van [X], noch uit de door betrokkene voor [C] verzorgde IB-aangiftes blijkt van een dergelijke (gezamenlijke) vordering van de beide entiteiten.

4.5.2    Van de zijde van betrokkene is hiertegen ingebracht dat de inhoud van de brief niet onjuist is en dat klager er ten onrechte aan voorbij gaat dat de brief tevens is verzonden uit naam van [C] en geen rekening houdt met de in de brief zelf beschreven cessies, zodat de stellingen van klager op dit onderdeel derhalve feitelijk onjuist zijn, waar nog bij komt dat betrokkene op verzoek van [X] en [C] de vordering in de betreffende brief uiteraard zo ruim mogelijk heeft omschreven, hetgeen geenszins ongebruikelijk is, terwijl betrokkene ook geen oordeel heeft geuit over de juridische haalbaarheid van de verschillende gestelde vorderingen.

4.5.3    Tegenover deze weerspreking ervan van de zijde van betrokkene, heeft klager de onjuistheid van de (inhoud van de) onderhavige brief niet aannemelijk gemaakt, hetgeen ‑ gelet op het hiervoor bij 4.3 overwogene ‑ wel op zijn weg had gelegen, zodat klachtonderdeel 1 c) feitelijke grondslag ontbeert, en ongegrond  moet worden verklaard.

4.6       Met betrekking tot de overige klachtonderdelen overweegt de Accountantskamer het volgende.

4.6.1    Volgens bijlage 7A bij het klaagschrift heeft betrokkene op 2 juli 2008 een samenstellingsverklaring afgegeven bij de jaarrekening 2007 van [X] en volgens bijlage 8A op 3 augustus 2010 een samenstellingsverklaring bij de jaarrekening 2008. Bijlage 7B is een gecorrigeerde jaarrekening 2007 met een samenstellingsverklaring die ongewijzigd is gedateerd op 2 juli 2008, maar die, afgaande op het feitenrelaas van betrokkene, vermoedelijk in november 2010 is verstrekt. Daarop wijst ook bijlage 8B, de gecorrigeerde jaarrekening 2008, waarbij op 12 november 2010 een samenstellingsverklaring is verstrekt. Hieronder is een overzicht van de meest in het oog springende correcties opgenomen.

31-12-2008

31-12-2007

31-12-2006

euro

euro

euro

Jaarrekening, oorspronkelijk

Kas

0

0

0

Door beleggers ingelegde gelden

5.996.135

5.862.506

4.793.177

Eigen vermogen

-79.076

-148.459

-147.359

Jaarekening, gecorrigeerd

Kas

646.205

765.926

1.057.667

Door beleggers ingelegde gelden

6.355.357

5.942.391

5.036.667

Eigen vermogen

876.312

857.288

827.800

Opmerking verdient dat de post “door beleggers ingelegde gelden” als zodanig niet in de jaarrekeningen voorkomt. In de jaarrekeningen is de omschrijving “vastgoedfondsbeleggingen” gehanteerd, maar uit de toelichting daarop blijkt dat het om de door beleggers ingelegde gelden gaat.

4.6.2    Ter zitting van de Accountantskamer heeft betrokkene verklaard dat de correcties (voornamelijk) voortkomen uit een reconstructie van de beleggersadministratie en de kastransacties aan de hand van destijds alsnog te voorschijn gekomen dividendovereenkomsten en kaskwitanties. Deze reconstructie is volgens betrokkene in of rond oktober 2010 uitgevoerd. Betrokkene heeft in bijlage 5 bij het verweerschrift opstellingen verstrekt die een weergave zijn van de uitgevoerde reconstructie. Die opstellingen heeft hij aangeduid als de beleggerssubadministratie. Op vragen naar aanleiding daarvan heeft betrokkene geantwoord dat door [X] zelf geen primaire beleggersadministratie werd bijgehouden en dat een kasregistratie ontbrak. Uit bijlage 5 bij het verweerschrift blijkt dat een aanzienlijk aantal ontvangsten van beleggers en betalingen voor aflossing en “dividenden” aan beleggers in contant geld plaatsvonden. Het ging om bedragen die varieerden van enige duizenden tot enkele honderdduizenden euro’s. De Accountantskamer stelt vast dat er na het opduiken in januari 2010 van dividendovereenkomsten op briefpapier van [bank1], waarvan sommige met die bank als contractspartner, in of rond oktober 2010 opnieuw serieuze aanwijzingen waren voor fraude of onwettig handelen door [X], een beleggingsmaatschappij die als kernactiviteit had het aantrekken van middelen van (Duitse) particuliere beleggers ter financiering van vastgoedbeleggingen. De ernst en omvang van zijn bevindingen bij de reconstructie, in het bijzonder het omvangrijke kasverkeer, hadden betrokkene aanleiding moeten geven om overeenkomstig paragraaf 14 van NV COS 4410 nader onderzoek te verrichten. Dit nader onderzoek had onder meer een beoordeling en toetsing moeten inhouden van de interne beheersing van de entiteit (zie paragraaf 13 NV COS 4410). Zou dat onderzoek zijn uitgevoerd, dan zou betrokkene hebben vastgesteld dat de interne beheersing zeer belangrijke lacunes vertoonde. Alleen al het ontbreken van enige functiescheiding, alsmede het ontbreken van een primaire beleggersadministratie en een kasadministratie zouden betrokkene tot de conclusie hebben moeten brengen dat op geen enkele wijze kon worden vastgesteld dat de reconstructie een volledig beeld gaf van de transacties met beleggers. Door het ontbreken van een kasadministratie konden de herleide kassaldi op de diverse balansdata immers niet worden geverifieerd met het destijds feitelijk aanwezige kasgeld en/of met een primaire registratie van kasmutaties. Als gevolg daarvan was de volledigheid van de reconstructie geheel afhankelijk van de door de leiding van [X] alsnog overhandigde kwitanties en andere documenten. De ernst van de bevindingen bij de reconstructie in oktober/november 2010 had betrokkene ertoe moeten brengen om de opdracht tot het samenstellen van de jaarrekeningen van [X] toen terug te geven, omdat dat samenstellen van de jaarrekeningen niet met de van een accountant verlangde zorgvuldigheid kon plaatsvinden. Door niettemin (kennelijk op basis van ook daarna door betrokkene zelf gevoerde beleggerssubadministratie) wel over te gaan tot het samenstellen van de jaarrekeningen over 2007 en volgende jaren, en daarbij samenstellingsverklaringen af te geven, heeft betrokkene gehandeld in strijd met het bepaalde in paragraaf 16 van NVCOS 4410 en met NVCOS 240 en 250 en in het verlengde daarvan ook in strijd met het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ als bedoeld in artikel A-100.4 onder c. en nader uitgewerkt in hoofdstuk A-130 van de VGC. Gezien het vorenstaande is klachtonderdeel 3) gegrond. Klager heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat betrokkene eerder dan hij feitelijk heeft gedaan een onderzoek had moeten instellen naar de beleggersadministratie van [X]. Daaruit volgt dat klachtonderdeel 1 a) ongegrond is.

4.6.3    De in rechtsoverweging 4.6.2 bedoelde reconstructie heeft, zoals hiervoor al vastgesteld, omvangrijke kastransacties aan het licht gebracht, die eerder niet bekend waren. Het spreekt vanzelf dat die kastransacties (in ieder geval) een (subjectieve) indicatie gaven voor een melding in het kader van de toen geldende Wet witwassen en financiering van terrorisme (Wwft), waarvan de Wet MOT één van de voorlopers is. Betrokkene heeft geen melding gedaan en ter onderbouwing daarvan blijkens zijn verweerschrift op 15 november 2010 in het accountantsdossier genoteerd:

“Aangaande de verplichtingen in het kader van de WWFT hebben wij interviews gedaan bij [C] en het baliepersoneel van [bank1]. Wij hebben de opzet en het bestaan van de procedures rondom de ontvangsten van contant geld besproken en het bestaan ervan vastgesteld. De meldingen in het kader van de WWFT worden door het baliepersoneel verzorgd ongeacht of het stortingen voor [bank1] dan wel [X] betreft. (…).

De Accountantskamer onderschrijft niet het in het verweerschrift ingenomen standpunt van betrokkene dat hij niet zelf gehouden was tot een melding op grond van de Wwft omdat dit melden gebeurde door medewerkers van [D]. In de eerste plaats niet omdat de Wwft op elke instelling in de zin van die wet een verplichting tot melden legt. Betrokkene heeft in zijn dossier nog verwezen naar de Richtsnoeren voor de interpretatie van de Wwft voor belastingadviseurs en accountants van 15 november 2008, maar die verwijzing is op die plek en in het verweerschrift niet onderbouwd. Naar het oordeel van de Accountantskamer kan aan deze richtsnoeren niet worden ontleend dat een accountant van een melding kan afzien in een situatie zoals de onderhavige. Daarbij komt nog dat betrokkene geen enkel bewijs voor het uitvoeren van de hier vermelde procedures door [D] heeft overgelegd. Betrokkene heeft in zijn dossier ook niet vermeld wanneer die procedures zijn uitgevoerd. Desgevraagd heeft betrokkene niet kunnen verklaren over welke documentatie hij in zijn dossier beschikt om de uitvoering van die procedures aan te tonen. Bovendien is ongeloofwaardig dat [D] Wwft-meldingen zou doen over transacties die niet over haar boeken zijn gelopen, en waarvan geen kasregistratie aanwezig was. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat de vermelde procedures niet zijn uitgevoerd. Al het vorenstaande geldt ook voor het melden van het opduiken van 14 dividendovereenkomsten op briefpapier van [bank1], welk opduiken ook kan worden aangemerkt als een subjectieve meldingsindicator. Betrokkene heeft zich aldus niet gehouden aan de voor hem relevante wet- en regelgeving en daardoor gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel ‘professioneel gedrag’ als bedoeld in artikel A-100.4 onder e. van de VGC. Klachtonderdeel 2 moet daarom eveneens gegrond worden verklaard.

4.7       Nu de klacht (gedeeltelijk) gegrond moet worden verklaard, kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daaromtrent houdt zij rekening met de aard en de ernst van de verzuimen van betrokkene en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van berisping passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer in aanmerking genomen dat ‑ naar betrokkene wist ‑ beleggers betrekkelijk grote bedragen aan [X] hadden toevertrouwd, terwijl daarvan geen behoorlijke administratie werd bijgehouden en betrokkene daarom zonder diepgaander onderzoek in 2010 nimmer tot de afgifte van samenstellingsverklaringen bij de jaarrekeningen 2007 tot en met 2010 van [X] had mogen komen. Anderzijds is meegewogen dat betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

4.8        Op grond van al het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

5.         Beslissing

De Accountantskamer:

·       verklaart de klacht in onderdeel 1 b), onderdeel 2) en in onderdeel 3) gegrond;

·       verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

·       legt ter zake aan betrokkene de maatregel van berisping op;

·       verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba, na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

·       verstaat dat betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra het door klager betaalde griffierecht van € 70,-- (zeventig euro) aan klager vergoedt.

Aldus beslist door mr. M.J. van Lee, voorzitter, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. C.H. de Haan (rechterlijke leden), S.L.J. Graafsma RA en P. Mansvelder RA (accountantsleden), in aanwezigheid van W. Welmers, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 11 april 2016.

_________                                                                                          __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en de gronden van het beroep te bevatten.