Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TACAKN:2015:45
Datum uitspraak:
23-03-2015
Datum publicatie:
23-03-2015
Zaaknummer(s):
14/2845 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
Klacht gegrond zonder maatregel Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:
Klacht over het abrupt en zonder gegronde reden beëindigen van de opdracht tot het samenstellen van jaarrekeningen. Betrokkene treft geen tuchtrechtelijk verwijt ter zake van zijn inhoudelijke overwegingen om de opdracht te beëindigen. Wel had het fundamentele beginsel van zorgvuldigheid meegebracht dat hij eerst zijn bevindingen bij de directie van de entiteit had moeten rapporteren en die op de hoogte had moeten brengen van de daaraan door hem te verbinden conclusie. In dit geval had betrokkene kunnen volstaan met een voorafgaande waarschuwing en een korte opzegtermijn. Alles afwegend is de Accountantskamer van oordeel dat kan worden volstaan met een gegrondverklaring van het betreffende klachtonderdeel en wordt geen maatregel opgelegd.

 

 

 

 

 

ACCOUNTANTSKAMER

 

 

 

 

BESLISSINGex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants(Wtra)in de zaak met nummer14/2845Wtra AKvan23 maart 2015van

 

 

drs. X,

registeraccountant,

wonende te [plaats],

K L A G E R,

tevens gevolmachtigde voor 67 andere klagers,

 

 

t e g e n

 

 

drs. Y,

accountant-administratieconsulent,

kantoorhoudende te [plaats],

B E T R O K K E N E,

raadsvrouw: mr. L.I. Koenderman.



1.         Het verloop van de procedure

 

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

-       het op 10 november 2014 ingekomen klaagschrift van die datum met bijlagen;

-       het op 22 december 2014 ingekomen verweerschrift van 19 december 2014 met bijlagen;

-       de op 12 januari 2015 per e-mail en op 13 januari 2015 per gewone post ingekomen brief van 12 januari 2015 van klager met bijlagen, onder meer inhoudende de mededeling dat vier getuigen ter zitting zullen worden meegebracht.

 

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 26 januari 2015 waar zijn verschenen: klager in persoon, voor zichzelf en namens 67 andere klagers, zoals vermeld in bijlage 1 bij het klaagschrift, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt, en betrokkene in persoon, bijgestaan door mr. L.I. Koenderman, advocaat te Alkmaar.

 

1.3      Klager en betrokkene hebben op deze zitting hun standpunten doen toelichten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en toegelicht respectievelijk doen antwoorden en geantwoord op vragen.

 

2.         De vaststaande feiten

 

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

 

2.1       Betrokkene is als openbaar accountant-administratieconsulent verbonden aan [A] Accountants B.V. (hierna: [A]) te [plaats].

 

2.2       De activiteiten van [B] Holding B.V. (hierna: [B]) omvatten elf entiteiten; deze houden zich bezig met advies, investeren en een reisbureau ten behoeve van [land]. De directie bestaat uit de heren [C] (hierna: [C]) en [D] (hierna: [D], en hierna gezamenlijk: de directie). [C] en [D] zijn tevens via hun persoonlijke vennootschappen indirect de aandeelhouders van [B].

 

2.3       Eén van de dochtermaatschappijen van [B] is [E] B.V. (hierna [E]). [E] trad op als beherend vennoot van drie commanditaire vennootschappen, te weten te weten [F] I CV, [F] II CV en [F] III CV (hierna: de CV’s). Deze CV’s beleggen in percelen grond in [land]. De stille vennoten van de CV’s zijn de feitelijke beleggers in afwachting van de verkoop van de betreffende percelen aan projectontwikkelaars die ter plaatse een vastgoedproject willen realiseren. Een andere commanditaire vennootschap, [G] CV, belegt in een appartementencomplex te [land]; [E] is daarvan eveneens de beherend vennoot. Een rechtspersoon naar [lands] recht, te weten [H], verzorgde in [land] het management voor deze vier CV’s.

 

2.4       De accountantscontrole van de activiteiten in [land] wordt gedaan door KPMG [land]. [A] Groep Accountants & Administratieconsulenten B.V. (in de persoon van [I] AA) verzorgde tot en met boekjaar 2009 onder meer de samenstelling van de jaarrekening van de CV’s. Vanaf boekjaar 2010 is de opdracht voor de overige werkzaamheden overgenomen door [A] Groep Administratie- en Belastingadviseurs B.V. (de heer [J] RBc, hierna: [J]). Voor de samenstelling van de jaarrekening van de CV’s is sindsdien opdracht gegeven aan betrokkene.

 

2.5       Klager is voorzitter van de zogeheten Raad van Advies (hierna: RvA), een op een verzoek van de directie door enkele stille vennoten van de CV’s opgericht adviesorgaan. Dit orgaan is niet op basis van een wettelijke of statutaire bepaling in het leven geroepen.

 

2.6       In de respectieve oprichtingsovereenkomsten van de CV’s is steeds in artikel 5 ‘Vervanging Beherend Vennoot’ bepaald, voor zover relevant:

5.1   Anders dan ingevolge de toepassing van artikel 7A:1684 BW is het Beherend Vennoot niet toegestaan uit de Vennootschap uit te treden.

5.2   Deze Overeenkomst kan bij Besluit ten aanzien van de Beherend Vennoot worden opgezegd indien:

         (…)

5.3   Indien deze Overeenkomst wordt beëindigd ten aanzien van een Beherende Vennoot, (…) zullen de Vennoten bij Besluit een rechtspersoon aanwijzen ter vervanging van de Beherende Vennoot, welke vervanging zo mogelijk plaatsvindt per de datum van beëindiging van deze Overeenkomst ten aanzien van de Beherende Vennoot. De met inachtneming van het voorgaande aangewezen rechtspersoon kan tot deze Overeenkomst als beherende vennoot toetreden krachtens zijn aanwijzing als opvolgende beherende vennoot, zonder nader vereiste formaliteiten of toestemmingen.

5.4   Een Beherende Vennoot ten aanzien van wie deze Overeenkomst wordt beëindigd, zal zijn rechten ten aanzien van de goederen van de Vennootschap casu quo van die Beherende Vennoot aan de opvolgende beherende vennoot overdragen en voorts zodanige stukken tekenen en andere handelingen verrichten als noodzakelijk of wenselijk mochten zijn in verband met zijn vervanging door de opvolgende beherende vennoot.

 

2.7       In de notulen van de jaarvergaderingen van de CV’s van 18 juni 2013 is onder het kopje ‘VIII. REORGANISATIE [B] CAPITAL’ vermeld dat [B] per 1 januari 2013 haar organisatie heeft gewijzigd. In de daarop volgende opsomming is weergegeven dat [E] het management van de CV’s alsmede de formele functie van Beherend Vennoot binnen haar organisatie zal neerleggen bij [B] in plaats van [E].

 

2.8       In de jaarvergadering van de CV’s van 18 juni 2013 is door de vennoten besloten over 2013 - gelijk over de jaren 2011 en 2012 - in de vorm van een lening tegen 8% kapitaal bij te storten ‘om de wachtkosten te financieren’, als resultante van het gekozen beleid te wachten op betere tijden voor de beoogde ontwikkeling van hun grondpositie in plaats van verkoop tegen ‘dumpprijzen’. Als gevolg van dit besluit hebben de vennoten een bedrag van € 212.000,- bijgestort, waarvan een gedeelte van € 198.000 is doorgeboekt naar de hiervoor genoemde persoonlijke houdstervennootschappen van de directie.

 

2.9       [E] heeft op 2 oktober 2013 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 haar positie van beherend vennoot van de CV’s overgedragen aan [B]. Op 8 oktober 2013 is in het handelsregister ingeschreven dat [E] op 2 oktober 2013 is ontbonden en is opgehouden te bestaan wegens gebrek aan baten.

 

2.10     Medio mei 2014 is de administratie van de CV’s over het boekjaar 2013 bij [A] Groep Administratie- en Belastingadviseurs B.V. aangeleverd en is gestart met de administratieve werkzaamheden. Begin juni 2014 is mevrouw [K] (hierna: [K]) van [A] gestart met het samenstellen van de jaarrekening van de CV’s. Op

5 juni 2014 en 10 juni 2014 zijn de concept-jaarrekeningen uitgebracht.

 

2.11     Bij e-mail van 10 juni 2014 heeft [K] aan betrokkene gemeld dat zij en [J] met betrekking tot de vennootschappen van [C] en [D] een aantal transacties hebben gesignaleerd die zij niet geheel begrijpen en waarvan zij niet met zekerheid kunnen stellen of deze wel correct zijn. Nadat een bespreking tussen [K], [J] en betrokkene heeft plaatsgevonden heeft [J] op 13 juni 2014 een e-mail aan [C] en [D] gezonden, inhoudende:

Wij zijn thans bezig met de afronding van de conceptstukken 2013 van de diverse B.V.’s en C.V.’s;

Aangezien wij tegen een aantal vraagstukken oplopen ontvangen wij graag antwoord op het volgende:

1.       Graag ontvangen wij een afschrift van de capital call zoals die gedaan is in 2013 voor de bijstorting van kapitaal door de participanten.

2.       Bij de ontbinding van [B] Capital Management zijn een aantal activa overgedragen aan [B] Capital Holding B.V. Zijn van de overdracht van activa notariële stukken beschikbaar?

3.       Graag ontvangen wij een afschrift van het document ‘uitbesteding management en beheer’ gedateerd 1-1-2013.

Bovenstaande vragen zijn voor onze totale beoordeling en het opstellen van de conceptstukken van essentiële aard. Aangezien er redelijke haast is voor de conceptstukken van de drie C.V.’s zie ik de antwoorden cq. stukken graag z.s.m. tegemoet.

 

2.12     [C] heeft bij e-mail van 13 juni 2014 aan [J] toegezonden de brief met het verzoek tot bijstorting, een document met betrekking tot de ontbinding van [E] en een document betreffende de overdracht van aandelen van [H] aan [B].

 

2.13     Naar aanleiding van de e-mail van [C] en diens telefonische toelichting van diezelfde dag, heeft [J] bij e-mail van eveneens diezelfde dag nogmaals een aantal vragen aan [C] gesteld, inhoudende:

1. Er wordt in de capital call verwezen naar de notulen van de jaarvergaderingen van de fondsen op 18 juni 2013. Van deze zie ik heel graag kopieën.

2. Zijn jullie op de hoogte van de op 22 juli 2013 ingegane wet AIFMD? Ook de CV’s [F] vallen tegenwoordig onder dit toezicht. Als er na 22 juli capital calls zijn geweest, moeten jullie je melden.

3. Kapitaalsbelangen in Nederlandse entiteiten moeten op de juiste juridische wijze worden overgedragen, dit is nu niet gebeurd. Hier blijf ik toch met een issue zitten, hoe lossen we dit op?

Helaas heb ik een antwoord op bovenstaande vragen nodig voordat e.e.a. kan worden afgerond, ook de CV’s [F].

 

2.14     Bij e-mail van 14 juni 2014 heeft [C] op de vragen van [J] gereageerd, inhoudende:

In deze mail stuur ik je antwoorden op je vragen.

1)    In de bijlage de notulen van de jaarvergaderingen.

2)    We bekijken nu de effecten van de AIFM richtlijn. Sowieso is er sprake van een overgangsjaar tot en met 21 juli 2014 waarvan een beheerder gebruik kan maken. Hiermee gelden de beheersregels onmiddellijk voorafgaand aan het inwerking treden van de AIFM-richtlijn. Daar er nu tal van discussies zijn die voor ons van toepassing zijn (vrijstellingen, lichter regime etc) nemen we nu geen beslissing over de invulling.

3)    Ik weet niet of ik de ‘issue’ juist interpreteer, maar als het gaat om het overnemen van het kapitaalsbelang van de Cv’s voor 1 euro dan geldt:

A)    In de bijlage de akte van overdracht (akte afkomstig van en besproken met onze notaris)

B)    De waardering: daar de fondsen onderwater staan is er geen zicht op succesfee. De inkomsten van beherend vennoot, de beheerfee, staan gelijk aan de kosten, de management fees, de balansen van de CV’s onderschrijven dat voldoende.

Alshet gaat om het overnemen van activa van de management BV door de Holding:

A)    Dit is besproken met [L] notaris, Higher level, [M] en KVK

B)    KVK: de management BV is opgeheven maar blijft aanspreekbaar voor verplichtingen van derden

C)    De Management BV kan zonder tussenkomst van de notaris worden opgeheven

D)   “restanten” schuiven door naar de moeder

E)    Zien jullie losse eindjes?

Als er nog vragen open staan, of oplossingen gezocht moeten worden verneem ik het graag.

 

2.15     Betrokkene heeft na de e-mail van [C] van 14 juni 2014 telefonisch contact gehad met zijn ‘compliance officer’, de heer [N] van [O]. Aangezien de volgens betrokkene controversiële handelingen al enige tijd geleden hadden plaatsgevonden, zijn zij tot de conclusie gekomen dat er geen andere maatregel voorlag dan het beëindigen van de opdracht en de weigering om de samenstellingsverklaring af te geven.

 

2.16     Bij e-mail van 17 juni 2014 heeft [J] een e-mail aan [C] en [D] gezonden, inhoudende:

Alle stukken zijn beoordeeld door ons én onze accountant. Deze beoordeling heeft er toe geleid dat onze accountant echter geen handtekening zal gaan zetten op enig definitief exemplaar, vanwege integriteitsproblematiek;

De handelwijze van het bestuur van [F] I, II en III CV, specifiek op het gebied van het verzoek tot bijstorting van het kapitaal en de wijze waarop dit tot stand is gekomen, worden zowel door onze accountant als door ons kantoor in het algemeen (o.a.) als niet ethisch ervaren en is tevens in strijd met de bepalingen van de statuten van de CV’s.

Bovenstaande leidt er tevens toe dat ons kantoor haar opdracht tot dienstverlening per heden aan jullie terug geeft, wat inhoudt dat wij onze werkzaamheden per 17 juni volledig hebben neergelegd.

Aangezien het bestuur van de CV’s inmiddels is gedelegeerd aan de persoonlijke Holding’s van jullie beiden, heeft deze beëindiging van de dienstverlening derhalve ook betrekking op alle [B] B.V.’s en haar dochter maatschappijen.

Het spijt ons niet jullie niet anders te kunnen berichten.

 

2.17     Op 18 juni 2014 heeft klager naar aanleiding van de e-mail van [J] van 17 juni 2014 telefonisch contact gehad met betrokkene. Betrokkene heeft na dit gesprek op verzoek van klager nogmaals overleg gehad met zijn ‘compliance officer’. Zij zijn tot de conclusie gekomen dat ook het telefoongesprek met klager en de informatie die hij heeft gegeven, de bezwaren niet hebben weggenomen en dat de beëindiging van de opdracht dan ook gehandhaafd diende te worden. Betrokkene heeft dit bij e-mail van 19 juni 2014 aan klager, alsmede aan [C] en [D], meegedeeld.

 

2.18     Bij brief van 2 juli 2014 heeft klager aan betrokkene een brief van de RvA van 21 juni 2014 inzake [F] I, II en III CV toegezonden. In deze brief deelt klager namens de RvA mee dat het onderwerp beheerkosten over 2012 en 2013 expliciet is besproken tussen de beheerder [B] en de RvA en ook is goedgekeurd in de Vergaderingen van participanten. In de brief worden betalingsspecificaties weergegeven, waarbij wordt vermeld dat de betaalde bedragen gelijk zijn aan die over voorgaande jaren en dienen ter dekking van de beheerkosten (hoofdzakelijk kosten van arbeid, adviseurs, accountants en marketing) conform beschrijving in het prospectus. Klager deelt in zijn brief mee dat de brief is besproken tijdens de Vergaderingen van Vennoten (hierna: VvV) die zijn gehouden op 26 juni 2014. Klager vermeldt in zijn brief de uitkomsten van de vergadering:

Ik kan u helaas niet anders melden dan dat de VvV zich heeft uitgesproken in bewoordingen van verontwaardiging over uw plotsklapse laten vallen van de pen, genoemde motivering en onderbouwing. Uiteraard heb ik de VvV voorgehouden dat wij u niet kunnen verplichten om te blijven werken voor de CV’s maar dat goed fatsoen wel vergt dat tussentijdse opzegging volgens de beroepsregels niet mag zonder ernstige reden en ook dat een soepele overgang naar een andere accountant en belastingadviseur niet mag worden belemmerd.

De VvV heeft haar onverkorte vertrouwen uitgesproken in de integriteit en volledige inzet van de directie van de CV’s, de heren [C] en [D]. De VvV begrijpt heel goed dat de directie zich voelt aangetast in haar eer en goede naam. Zij heeft dan ook besloten om klachten in te dienen bij de Klachtencommissie van de NBA in Amsterdam en/of Accountantskamer in Zwolle en heeft mij gevraagd hiertoe het voortouw te nemen. Ik heb aangegeven dat ik aan u verslag zal doen zoals nu het geval is in deze brief.

Ik verzoek u dringend om mij alsnog mede te delen wat de onderbouwing is van het door u genoemde motief (integriteit) om de werkzaamheden plotsklaps en tussentijds te beëindigen zoals meegedeeld op 17 juni 2014 (E-mail van uw heer [J]).

Of, en zo ja, hoe ik vervolg zal geven van het verzoek van de VvV aan mij met betrekking tot het indienen van klachten, zal afhangen van uw reactie.

 

2.19     Bij e-mail van 30 juli 2014 heeft klager betrokkene erop gewezen dat hij nog geen reactie heeft gegeven op de brief van 2 juli 2014. Klager deelde mee dat hij, indien betrokkene niet voor 15 augustus 2014 een reactie heeft gegeven, een klacht zal indienen bij de Accountantskamer.

 

2.20     Betrokkene heeft bij brief van 14 augustus 2014 een reactie aan klager gezonden, inhoudende:

In uw aangetekende brief van 2 juli 2014 stelt u dat tussentijdse opzegging volgens de beroepsregels niet mag zonder ernstige reden. Dat is onjuist.

Tevens stelt u dat een soepel overgang naar een andere accountants en belastingadviseur niet mag worden belemmerd. Daar is ook geen sprake van.

De belangen zijn zorgvuldig afgewogen. Het teruggeven van de opdracht is primair gebaseerd op integriteitsvraagstuk omtrent het verzoek tot bijstorting van kapitaal en de wijze waarop dit tot stand is gekomen.

Wij hadden en hebben hier ethische bezwaren tegen. Als accountant diende wij hoofdzakelijk de belangen van de participanten (commanditaire vennoten). Wij worden geacht een professioneel kritische instelling te hebben. zoals u wellicht weet, was dit ook het onderwerp van een verplichte cursus voor alle accountants.

Dat u als toezichthouder geen integriteitsproblemen hiermee heeft is aan u. Dat de accountant de opdracht teruggeeft om ethische bezwaren, terwijl u die als toezichthouder niet heeft, zou vragen moeten oproepen bij de participanten. Het is desalniettemin uw taak te opereren als toezichthouder en niet als spreekbuis van de directie.

Dat u en de Vergadering van Vennoten nu uw pijlen richten op de accountant in plaats van nu een kritische houding aannemen naar het business model waar de commanditaire vennootschappen in terecht zijn gekomen is wrang, want het is juist ter bescherming van de belangen van de participanten dat wij de opdracht teruggegeven hebben. Het is wel een menselijke eigenschap om de boodschapper als zondebok te gebruiken.

 

2.21     Bij e-mail van 16 september 2014 aan betrokkene en [J] heeft klager meegedeeld in de brief van 14 augustus 2014 geen onderbouwing te lezen van het gegeven motief (integriteit) tot tussentijdse opzegging van de werkzaamheden per direct en daarom een klacht te zullen indienen bij de Accountantskamer.

 

3.         De klacht

 

3.1       Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van professioneel gedrag en integriteit.

 

3.2       Ten grondslag aan de door klager ingediende klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door klager gegeven toelichting, de volgende verwijten:

  1. betrokkene heeft abrupt, zonder onderbouwing en zonder rekening te houden met het tijdstip, te weten kort voor het definitief uitbrengen van het rapport, de opdracht tot het samenstellen van de jaarrekeningen van [F] I, II en III CV opgezegd;
  2. betrokkene is gesprekken over de opzegging van de opdracht categorisch uit de weg gegaan.

 

4.         De gronden van de beslissing

 

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

 

4.1       Wat betreft de op valreep ingediende stukken en de door partijen voorgestelde getuigen, geldt het volgende.

 

4.1.1    De Accountantskamer zal de zijdens betrokkene bij fax van 16 januari 2015 ingezonden nadere producties toelaten tot de stukken van het geding. Weliswaar zijn de stukken buiten de in het door de Accountantskamer gebruikte procesreglement neergelegde termijn van tien dagen ingediend, echter gezien de beperkte omvang van de stukken en gezien het feit dat klager ruim voor de zitting in het bezit was van deze stukken, moet klager geacht worden hierop ter zitting afdoende te hebben kunnen reageren. In hetgeen klager dienaangaande heeft aangevoerd, ziet de Accountantskamer geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

 

4.1.2    De door klager ter zitting bij de pleitnota overgelegde stukken zal de Accountantskamer buiten beschouwing laten. De Accountantskamer ziet allereerst, mede gezien de datum van de overgelegde stukken, niet in waarom deze niet reeds in een eerder stadium van de procedure zijn ingebracht. Bovendien was betrokkene door de overgelegde stukken verrast en niet in staat hierop een adequate reactie te geven. 

 

4.1.3    De Accountantskamer is voorts van oordeel dat zij na kennisneming van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting voldoende over de zaak is voorgelicht en ziet daarom geen aanleiding de door partijen voorgestelde getuigen te horen.

 

4.2       Op grond van artikel 51 Wet op de Accountant-administratieconsulenten (oud; hierna: Wet AA),en sinds 1 januari 2013 op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant-administratieconsulent bij het beroepsmatig handelen onderscheidenlijk ten aanzien van zijn beroepsuitoefening onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet AA respectievelijk Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

 

4.3       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet, voor zover dit plaats had in de periode van 17 januari 2007 tot 1 januari 2014 worden getoetst aan de in die periode geldende Verordening gedragscode (AA’s) en daarvan in dit geval het (voor alle accountants geldende) deel A en het (voor openbaar accountants geldende) deel B1, en voor zover dit plaatshad ná 1 januari 2014 aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

 

4.4      Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

 

4.5       Met betrekking tot klachtonderdeel a. dient het volgende.

 

4.5.1   De Accountantskamer stelt voorop dat het een accountant in het algemeen vrij staat in zijn zakelijke betrekkingen tegen een cliënt, al dan niet in rechte, een civielrechtelijk standpunt - daaronder te begrijpen het beëindigen van de werkzaamheden - in te nemen. Hij dient daarbij wel een zorgvuldige belangenafweging te maken tussen zijn eigen belang, te weten het opschorten/beëindigen van de werkzaamheden, en de (voor hem kenbare) belangen van die cliënt, die als gevolg van die te nemen (rechts)maatregelen (kunnen) worden geschaad.

 

4.5.2    Klager heeft ter onderbouwing van zijn klacht het volgende aangevoerd:

Betrokkene heeft zich naar de mening van klager kennelijk geen goed beeld gevormd van:

1)    Governance binnen [B],

2)    Bedragen van beheer fee zoals opgenomen in prospectus en de feitelijk gedeclareerde bedragen, specificatie van de kostensoorten die gedekt worden uit gedeclareerde bedragen, vergelijking van budget en werkelijke kosten,

3)    Besluitvorming door VvV inzake bijstortingen.

Toch heeft betrokkene gemeend dat er sprake is van niet integer handelen van beide directieleden ten opzichte van Participanten met betrekking tot gedane bijstortingen.

Klager concludeert dat er geen sprake is van niet ethisch/niet integer handelen van Directie ten opzichte van Participanten. Klager concludeert ook dat betrokkene geen onderbouwing heeft gegeven van zijn motief tot opzeggen én in het bijzonder het tijdstip van opzeggen en dat dus de relatie niet abrupt had mogen worden opgezegd in plaats van ná het uitbrengen van de rapporten 2013, om welke reden dan ook.

Betrokkene had redelijkerwijs moeten weten dat het niet uitbrengen van de definitieve rapporten tot extra grote onrust zou leiden bij participanten nadat hij op eigen verzoek goedkeuring van Directie had ontvangen om de rapporten uit te brengen en Directie op grond daarvan de VvV had uitgeschreven voor 26 juni 2014.

Dat betrokkene de opdracht toch, en ook nog tussentijds per direct heeft opgezegd wordt door klager gekwalificeerd als niet professioneel en niet integer handelen met schade als gevolg bij Directie en Participanten.

[C] en [D] zijn aangetast in eer en goede naam. Zij hebben schade geleden en vrezen vervolgschade, in reputatie en financieel. Participanten zijn gaan twijfelen over het functioneren van Directie en vrezen schade in de CV projecten.

(…).

Betrokkene heeft na bijna 10 jaren uitvoering van de opdracht tot samenstellen van de jaarrekening van onderhavige [F] CV’s en BV’s, besloten om de werkzaamheden met betrekking tot de rapporten 2013 niet af te ronden. Deze rapporten waren in concept gereed voor verzending aan Directie en Participanten, na de gebruikelijke telefonische en E-mail contacten tussen betrokkene en directieleden [C] en [D] (en door hen goedgekeurd voor definitieve opmaak). Zonder mondelinge aankondiging is per E-mail van 17-6-2014 (…) als donderslag bij heldere hemel medegedeeld dat de werkzaamheden per direct zijn neergelegd met als motief (…).

 

4.5.3    Betrokkene heeft in zijn verweerschrift uitgebreid uiteengezet op welke gronden hij en zijn ‘compliance officer’ tot de conclusie zijn gekomen dat de opdracht moest worden beëindigd. Betrokkene heeft hierbij gewezen op de onduidelijkheden omtrent de wijziging van de beherend vennoot, het niet c.q. niet volledig en in verhullende termen informeren van de beleggers over de reden van de gewenste bijstorting, het doorboeken van het overgrote deel van de bijstorting naar de persoonlijke vennootschappen van de directie en de rol van de RvA hierin. De antwoorden en nadere informatie van [C] waren naar de mening van betrokkene niet toereikend. De - volgens betrokkene - discutabele handelingen vonden plaats bijna een jaar voordat [A] en betrokkene waren gestart met hun werkzaamheden voor het samenstellen van de jaarrekeningen over 2013. Op dat moment was het niet meer mogelijk om deze handelingen te corrigeren, zodat geen andere maatregel voorlag dan het beëindigen van de opdracht en de weigering de samenstellingsverklaringen af te geven.

 

4.5.4    De Accountantskamer is - mede gelet op de aan te leggen toets als hiervoor onder 4.3 weergegeven - van oordeel dat klager, tegenover deze uitvoerige en gedocumenteerde weerspreking van de zijde van betrokkene, geen feiten heeft aangevoerd dan wel stukken heeft overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat betrokkene een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ter zake zijn inhoudelijke overwegingen om de opdracht te beëindigen en geen samenstellingsverklaringen af te geven.

 

4.5.4.1 Het lag immers op de weg van [B] om zowel betrokkene, als de participanten, tijdig te informeren over haar handelingen aangaande (de positie van beherend vennoot van) de CV’s, waarvan - zo kan worden vastgesteld - geen sprake is geweest. Daarbij geldt  dat het ingevolge artikel 5 van de oprichtingsovereenkomst noch aan [E] noch aan [B] was om [E] als beherend vennoot te vervangen. Het gegeven dat de vergaderingen van vennoten van de CV’s alsnog eind 2014 uitdrukkelijk hebben ingestemd met het per 1 januari 2013 vervangen van [E] als beherend vennoot door [B], doet daaraan niet af. Dat gegeven bevestigt veeleer de juistheid van het standpunt van betrokkene ter zake.

 

4.5.4.2 De omstandigheid dat betrokkene over het boekjaar 2012 geen soortgelijke opmerking heeft gemaakt over de bijstorting, terwijl in dat jaar ook een bijstorting heeft plaatsgevonden maakt, anders dan klager suggereert, niet dat betrokkene dit over 2013 ook zonder meer had moeten accepteren. Gezien de door betrokkene in zijn verweerschrift uitgebreid uiteen gezette bevindingen was immers over 2013 sprake van meerdere omstandigheden die hem er op dat moment toe brachten vraagtekens te plaatsen bij de bijstorting.

 

4.5.5    In voormeld verband geldt dat evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar is dat betrokkene in het kader van zijn afweging van de voor hem gebleken feitelijkheden geen overleg heeft gezocht met de zogeheten Raad van Advies. Onomstreden is immers dat die raad geen wettelijke of statutaire basis heeft. Voorts is niet gebleken dat betrokkene - al eerder dan op 18 juni 2014 - van het bestaan en de rol van die Raad van Advies op de hoogte was dan wel had moeten zijn.

 

4.5.6    Het voorgaande neemt echter niet weg dat betrokkene niet zonder voorafgaande waarschuwing de opdracht per direct had mogen beëindigen. Betrokkene had eerst zijn bevindingen bij de directie van [B] moeten verifiëren en hen op de hoogte moeten brengen van de daaraan door hem voorgenomen te verbinden conclusies. Betrokkene had hierbij moeten vermelden dat hij de opdracht zou beëindigen, indien de antwoorden van de directie niet tot andere conclusies zouden (kunnen) leiden. Door dit na te laten en de opdracht abrupt en kort voor het uitbrengen van de samenstellingsverklaringen te beëindigen, heeft betrokkene onvoldoende blijk gegeven de belangen van [B] in het oog te hebben gehouden en dienaangaande onvoldoende zorgvuldig te hebben gehandeld. Hem treft in die zin aldus een tuchtrechtelijk verwijt. Dit klachtonderdeel is daarom in zoverre gegrond. Voor het overige is het ongegrond.

 

4.6       Betrokkene heeft in zijn verweerschrift uitgebreid uiteengezet dat hij wel degelijk met klager in gesprek is gegaan over zijn besluit de opdracht te beëindigen. Klager heeft tegenover dit gemotiveerde verweer geen feiten aangevoerd dan wel stukken overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat betrokkene ter zake een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, hetgeen gelet op wat hiervoor onder 4.4 is overwogen wel op zijn weg had gelegen. Klachtonderdeel b. is daarom ongegrond.

 

4.7      Op grond van artikel 2 Wtra kan de Accountantskamer als zij een klacht (geheel of gedeeltelijk) gegrond verklaart, een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daaromtrent houdt zij rekening met de aard en de ernst van het handelen of nalaten, waarop de gegrondverklaring stoelt, en de omstandigheden, waaronder dit zich heeft voorgedaan. Betrokkene heeft door het zonder voorafgaande waarschuwing abrupt beëindigen van de opdracht gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. De Accountantskamer laat in deze zaak echter meewegen dat niet is gebleken dat [B] concreet nadeel heeft ondervonden als gevolg van het procedureel op onjuiste wijze (abrupt) beëindigen van de opdracht. Hierbij is tevens van belang dat een voorafgaande waarschuwing van betrokkene zou hebben volstaan en dat daardoor slechts sprake is van het niet hanteren van een korte opzegtermijn. De beëindiging van de opdracht was bovendien op inhoudelijke gronden een aanvaardbare beslissing. Alles overziend is de Accountantskamer van oordeel dat in deze klachtzaak kan worden volstaan met een gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel.

 

4.8       Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

 

5.         Beslissing

 

De Accountantskamer:

 

  1. verklaart de klacht wat betreft onderdeel a. gegrond, in voege als hiervoor weergegeven;

 

  1. legt ter zake aan betrokkene geen maatregel op;

 

  1. verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. W.F. Boele, voorzitter, mr. E.W. Akkerman en mr. W.M. de Vries (rechterlijke leden) en P. van de Streek AA en mr. drs. J.B. Backhuijs RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. M.H.B. Boksebeld, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2015.

 

 

 

_________                                                                                     __________

secretaris                                                                                         voorzitter

 

 

 

 

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

 

 

 

 

 

 

Ingevolge artikel 43 Wtra kunnen klager, betrokkenedan wel de Nba tegen deze uitspraak binnen 6 weken na verzending daarvan hoger beroep instellen door het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en de gronden van het beroep te bevatten.

AA

Meer informatie

Acties

Meta gegevens