Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2014:76 Accountantskamer Zwolle 14/583 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2014:76
Datum uitspraak: 13-10-2014
Datum publicatie: 13-10-2014
Zaaknummer(s): 14/583 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Tussenbeslissing
Inhoudsindicatie:   Tussenbeslissing in OM-klacht tegen de accountant die in verband met de controle van de jaarrekening 2008 van Vestia als derivatenspecialist / deskundige was ingeschakeld met de opdracht te onderzoeken of (de derivatenportefeuille van) Vestia voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van kostprijshedge accounting als bedoeld in RJ 290. Ook indien betrokkene heeft te gelden als een accountant als business kunnen aan zijn handelen geen lichtere eisen worden gesteld dan die welke gelden in verband met de controle zelf. Niet verenigbaar is dat, indien een deel van de werkzaamheden van de jaarrekeningcontrole buiten het team worden verricht door een andere, niet tot het controleteam behorende accountant, daarvoor niet dezelfde deskundigheids- en zorgvuldigheidseisen gelden als indien deze werkzaamheden binnen het controleteam zouden zijn verricht. Betrokkene heeft in zijn memo een conclusie getrokken en dit memo aan de controlerend accountant ter beschikking gesteld. Gelet op de bewoordingen van het memo en de daarin opgenomen conclusie moet daaraan het karakter en gewicht van assurance worden toegekend. Die conclusie dient dan ook te berusten op een deugdelijke grondslag, als onder meer is verwoord in paragraaf 45 van NVCOS 3000 maar ook overigens rechtstreeks voortvloeit uit de eisen van deskundigheid en zorgvuldigheid. Een en ander betekent dat betrokkene voor zijn conclusie toereikende werkzaamheden moet hebben verricht en moet hebben beschikt over voldoende geschikte assurance-informatie, alvorens zijn conclusie te trekken. Overigens mag van een assurance verlenende accountant worden verwacht dat het tegen een onderbouwde, gesubstantieerde en niet op voorhand onaannemelijke klacht over handelen of nalaten in het kader van verrichte assurance-werkzaamheden gevoerde verweer mede wordt gebaseerd op en onderbouwd met (alle van belang zijnde stukken uit) het assurance-dossier. In dit geval is van zo’n onderbouwde, gesubstantieerde en niet op voorhand onaannemelijke klacht sprake, waartegen betrokkene niet had mogen volstaan met de stelling dat het aan klager is om aannemelijk te maken dat betrokkene niet heeft beschikt over een deugdelijke grondslag voor zijn memo. Betrokkene wordt alsnog in de gelegenheid gesteld de stukken uit zijn dossier over te leggen, teneinde zijn verweer nader te adstrueren.  

ACCOUNTANTSKAMER

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaak met nummer 14/583 Wtra AK van 13 oktober 2014 van

HET OPENBAAR MINISTERIE , functioneel parket,

vertegenwoordigd door mw. mr. M.J. Dontje, officier van justitie,

K L A G E R ,

gemachtigde: drs. R.E. Dohmen RA AA,

t e g e n

drs. Y,

registeraccountant,

wonende te [plaats],

B E T R O K K E N E ,

raadsman: mr. drs. J.F. Garvelink.  

1.        Het verloop van de procedure

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

-       het op 12 maart 2014 ingekomen klaagschrift van 6 maart 2014 met bijlagen;

-       het op 26 juni 2014 ingekomen verweerschrift van 25 juni 2014 met bijlagen.

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 15 september 2014 waar zijn verschenen: namens klager mw. mr. M.J. Dontje voormeld, bijgestaan door drs. R.E. Dohmen RA AA en mw. [A], en betrokkene in persoon, bijgestaan door mr. drs. J.F. Garvelink, advocaat te Amsterdam.

1.3       Klager en betrokkene hebben op genoemde zitting hun standpunten doen toelichten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en toegelicht respectievelijk doen antwoorden en geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

2.         De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1       Betrokkene is tot medio 2011 als registeraccountant werkzaam geweest in de functie van ‘director’ op de afdeling ‘Capital Markets’ bij Deloitte Financial Advisory Services B.V. te Amsterdam (hierna Deloitte FAS).

2.2       In maart 2009 heeft de accountant die namens Deloitte Accountants B.V. belast was met de controle van de jaarrekening 2008 van woningstichting Vestia te Rotterdam (hierna: Vestia), Deloitte FAS ingeschakeld met de opdracht te onderzoeken of (de derivatenportefeuille van) Vestia voldeed aan de voorwaarden om kostprijshedge accounting als bedoeld in richtlijn 290 ‘Financiële instrumenten’ van de Raad voor de Jaarverslaggeving (hierna: RJ 290) te mogen toepassen. Vestia is een toegelaten instelling in de zin van artikel 70 Woningwet en richt zich - in essentie - op het huisvesten van mensen uit lagere inkomensgroepen.

2.3       In RJ 290, zoals die gold voor het verslagjaar 2008, is onder meer opgenomen: 

601 (…) De bepalingen voor hedge accounting hebben ten doel om de resultaten van het hedge-instrument en de afgedekte positie gelijktijdig in de winst- en verliesrekening te verwerken, om op die wijze de afdekking van een risico in de verslaggeving tot uitdrukking te brengen.

(…)

603 In overeenstemming met paragraaf 4 en 5 dient de rechtspersoon per portefeuille derivaten een keuze te maken omtrent de waardering en resultaatbepaling. Afhankelijk van deze keuze en het type hedge-accountingrelatie dient de rechtspersoon bepaalde hedge-accountingmodellen te gebruiken:

a. (…)

b. indien

1. de rechtspersoon derivaten tegen kostprijs waardeert, of indien

2. (…), dient de rechtspersoon in geval van hedge accounting alinea 633 tot en met 639 toe te passen.

c. (…)

604 Voor het toepassen van hedge accounting gelden bepaalde voorwaarden die in de volgende alinea’s uiteen worden gezet. Achtereenvolgens worden behandeld:

- toegestane hedge-instrumenten (alinea 605 tot en met 608);

- toegestane afgedekte posities (alinea 609 tot en met 612);

- de voorwaarden voor hedge accounting (alinea 613 tot en met 616);

- (…)

- de verwerkingsmodellen voor hedge accounting van derivaten die tegen kostprijs worden gewaardeerd (de kostprijshedge; alinea 633 tot en met 639);

- (…)

605 Alle derivaten kunnen als hedge-instrument worden aangewezen, met uitzondering van (per saldo) geschreven opties. (…)

606 (Per saldo) geschreven opties zijn uitgezonderd van toepassing van hedge accounting, omdat ze geen risico mitigeren. (…)

(…)

611 De afgedekte positie kan zijn:

a. (…)

b. een groep van activa, verplichtingen, bindende overeenkomsten of zeer waarschijnlijke in de toekomst verwachte transacties, onder de voorwaarde dat de groep voldoende homogeen is voor wat betreft het afgedekte risico. Dat wil zeggen dat de afzonderlijke posten in de groep het risico dat als afgedekt risico wordt aangewezen, delen, en dat voor elk afzonderlijk instrument in de groep geldt dat de verandering in de reële waarde die is toe te rekenen aan het afgedekte risico ongeveer evenredig is aan de totale verandering in de reële waarde die is toe te rekenen aan het afgedekte risico van de groep instrumenten. (…)

c. (…)

(…)

614 Indien een rechtspersoon hedge accounting toepast op basis van generieke documentatie, dient de rechtspersoon bepaalde afgedekte risico’s consistent - in de tijd en naar soort van hedgerelatie - volgens de regels van hedge accounting te verwerken, en daarmee af te wijken van de algemene regels voor de verwerking, waardering en resultaatbepaling die onder meer in paragraaf 5 zijn uiteengezet, indien aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a. de rechtspersoon beschrijft de algemene hedgestrategie en documenteert daarbij hoe de hedgerelaties passen in de doelstellingen van risicobeheer en de verwachting aangaande de effectiviteit van deze hedgerelaties (dat is de mogelijkheid van het bereiken van compensatie van aan het afgedekte risico toe te rekenen veranderingen in reële waarden of kasstromen);

b. de rechtspersoon beschrijft de in het soort hedgerelatie betrokken hedge-instrumenten en afgedekte posities die voldoen aan de voorwaarden zoals weergegeven in alinea 605 respectievelijk 609; en

c. de ineffectiviteit (dat is de mate waarin de waardeveranderingen van het hedge-instrument die van de afgedekte positie niet compenseren) dient in de winst- en verliesrekening te worden verwerkt.

Met consistente verwerking wordt bedoeld dat vanuit het beschreven beleid op eenduidige wijze kan worden vastgesteld of de rechtspersoon in een verslagperiode hedge accounting voor een hedgerelatie zal gebruiken. Dit kan worden ingevuld door in het beleid hedge accounting slechts na te streven voor bepaalde typen derivaten met een bepaalde minimum onderliggende waarde, bijvoorbeeld alle USD-hedges ten behoeve van de afdekking van toekomstige verkopen in USD, afgedekt met valuta termijntransacties die een onderliggende waarde hebben van ten minste van USD 10.000.

De hiervoor weergegeven teksten met de alineanummers 603 en 614 (behoudens de laatste alinea daarvan) zijn vetgedrukt, de teksten van de overige nummers zijn niet vetgedrukt. In RJ 100.407 is over de status van vetgedrukte tekst vermeld:

407 Indien slechts één grondslag aanvaardbaar wordt geacht of indien bepaalde grondslagen onaanvaardbaar worden geacht, zal dit worden geaccentueerd door de desbetreffende passage vetgedrukt op te nemen.

De vetgedrukte passages dienen als stellige uitspraken te worden opgevat. Ook deze stellige uitspraken hebben echter niet de status van een wettelijke bepaling en derhalve geen bindende kracht. Desalniettemin verwacht de RJ dat van deze stellige uitspraken slechts wordt afgeweken indien daarvoor goede gronden zijn.

De RJ acht deze gronden in ieder geval aanwezig wanneer met deze afwijkingen een verbetering wordt beoogd en bereikt van het inzicht dat een jaarrekening geeft.

De RJ neemt aan dat een afwijking van de stellige uitspraken niet licht tot een verbetering van dit inzicht kan leiden, tenzij de in alinea 406 genoemde specifieke omstandigheden van toepassing zijn. Dit neemt niet weg dat zowel de opstellers als de controleurs van jaarrekeningen hun eigen verantwoordelijkheid hebben.

2.4       Voor Deloitte FAS heeft betrokkene het hiervoor in 2.2 bedoelde onderzoek uitgevoerd, door hem betiteld als ‘Audit ondersteuning door FAS’. Betrokkene heeft ‘naar aanleiding van globale bestudering m.b.t. treasury en bespreking 10 maart 2009’ in een document van 12 maart 2009 onder meer opgetekend:

·       AO/IC

1. Minimaal te verwachten functiescheiding voor een Treasury omgeving lijkt aanwezig. Echter: de vraag of de verantwoordelijke directeur en/of administratie in staat inhoudelijk de posities in financiële instrumenten en daarmee gepaard gaande risico’s goed in te schatten.

2. Geen verbijzonderde riskmanagement functie die markt risico, tegenpartij risico, concentratierisico bewaakt m.b.t. posities in financiële instrumenten ingenomen door Treasurer. Gegeven de omvang van de posities in financiële instrumenten en de aard van deze financiële instrumenten zou dit wel verwacht mogen worden.

3. Treasury afdeling bestaat uit 1 persoon, zonder back-up.

4. M.b.t. de Treasury afdeling: er zijn geen schriftelijk vastgelegde procedures in het kader van continuïteit en transparantie.

·       Treasury plan/mandaat

1. Beperkt de Treasurer niet tot het afdekken/mitigeren van te onderkennen risico’s: laat ook ruimte tot speculatieve transacties.

2. Beperkt de Treasurer niet in het gebruik van typen financiële instrumenten om te hedgen.

3. Geen duidelijke/volledige set van limieten t.a.v. marktrisico, kredietrisico, concentratierisico.

·       Overig

1. Vestia heeft posities in complexe financiële instrumenten, exotics, waarvan het niet gebruikelijk is dat deze worden gebruikt om interest risico’s te hedgen en waarvan onduidelijk is waarom Vestia deze heeft gegeven haar primaire activiteiten.

2. Onduidelijk of voldoende tools/applicaties aanwezig om alle relevante risk exposures goed te meten / monitoren gegeven de omvang van de posities en de variëteit aan financiële instrumenten.

3. In Treasury rapportages opgenomen data niet helder onderbouwd.

Ondersteuning FAS

·       Beoordelen van waarderingen van de derivaten

·       Advies m.b.t. RJ 290:

o    het verwerken van financiële instrumenten in de jaarrekening (welke waarderingsgrondslag)

o    de vereiste toelichtingen in de jaarrekening

o    het eventueel toepassen van hedge accounting:

°        in hoeverre (kostprijs) hedge accounting kan worden toegepast

°        hoe (kostprijs) hedge accounting toe te passen

°        aan welke vereisten te voldoen

·       Beoordeling/advies AO/IC Treasury omgeving en riskmanagement (inclusief corporate goverance structuur)

·       Beoordeling/advies Treasury plan/mandaat

2.5       In een memo van 17 mei 2009 heeft betrokkene zijn bevindingen uit het hiervoor in 2.2. bedoelde onderzoek vastgelegd. Op 18 mei 2009 is dit memo aan het controleteam ter beschikking gesteld. In dit memo is opgenomen:

Doel memo

Dit memo is een samenvatting van onze werkzaamheden uitgevoerd en onze bevindingen met betrekking tot de toepassing van kostprijshedge accounting door Vestia in relatie tot RJ 290 Financiële Instrumenten.

Verrichte werkzaamheden

1. Vastgesteld of hedge documentatie aanwezig is en of deze in overeenstemming is met de vereisten van RJ 290.

2. Vastgesteld wat voor soort hedge accounting wordt toegepast.

3. Vastgesteld of en hoe hedge effectiviteit wordt gemeten.

4. Vastgesteld of kostprijshedge accounting op consistente wijze wordt toegepast.

5. Vastgesteld of afgedekte posities en gebruikte financiële instrumenten ter hedging passen binnen RJ 290.

6. Beoordeeld of de toekomstige verwachte kasstromen zich met een hoge mate van waarschijnlijkheid zullen voordoen.

7. Beoordeeld of en hoeverre er ‘overhedging’ plaats vindt.

8. Vastgesteld of de waardering en verwerking van de afgedekte posities en de gebruikte financiële instrumenten ter hedging in overeenstemming met RJ 290 op kostprijs worden gewaardeerd en opgenomen op de balans.

9. Collegiaal overleg met (…) ten aanzien van interpretatie van RJ 290 daar waar nodig geacht.

Bevindingen

1. Er is hedge documentatie aanwezig. Deze dient ten aanzien van enkele punten nader uit te worden gewerkt om volledig in overeenstemming te zijn met de vereisten van RJ290.

2. Vestia past kostprijshedge accounting toe waarbij de variabiliteit in kasstromen gerelateerd aan rentebetalingen met betrekking tot bestaande en nog aan te trekken leningen wordt gehedged. Hiertoe worden de leningen gegroepeerd naar (verwachte) kasstromen per jaar. Hedging geschiedt op totale (verwachte) kasstromen per jaar.

In overleg met (…), is het gebruik van ‘time-buckets’ van 1 jaar in het kader van hedging van posities met betrekking tot homogene groepen niet in strijd met RJ290 te beschouwen.

3. Hedge effectiviteit wordt per periodiek o.b.v. kritische kenmerken gemeten en in ieder geval per balansdatum.

4. Kostprijshedge accounting wordt op consistente wijze toegepast.

5. De afgedekte posities en gebruikte financiële instrumenten ter hedging (‘hedging instruments’) passen binnen RJ290.

Mbt de gebruikte hedging instruments: Vestia gebruikt financiële instrumenten waarvan de af te dekken posities l-op-l wat betreft rentepercentages worden afgedekt. Dit gaat dan om de te ontvangen interest als naar het hedging instrument wordt gekeken. Obv van een deelwaarneming is vastgesteld dat Vestia ook financiële instrumenten gebruikt waarbij de dan te betalen rente aan de tegenpartij variabel en afhankelijk van bepaalde indices in de financiële markten is. Hierbij zit er een plafond (‘cap) op waardoor de te betalen rente fluctueert tussen 0% en bijvoorbeeld maximaal 7%.

In overleg met (…) kunnen deze financiële instrumenten agv de aanwezige caps als ‘risico-reducerend’ worden beschouwd en dus voor RJ290 als hedging instruments kwalificeren.

6. Per 17 mei 2009, is op basis van de beschikbare documentatie van Vestia en intenties van Vestia, geen reden om aan te nemen dat de toekomstige verwachte kasstromen zoals opgenomen in de meerjarenbegroting van november 2008 en in de hedge effectiviteit overzichten, zich niet met een hoge mate van waarschijnlijkheid zullen voordoen.

7. Op basis van de aanwezige hedge effectiviteitsoverzichten gebaseerd op vergelijking van kritische kenmerken vindt er geen ‘overhedging’ plaats per jaareinde 2008.

8. De leningen onderliggend aan de afgedekte variabiliteit in rentebetalingen (voor zover reeds aanwezig) en hedging instrumenten worden in de balans op kostprijs gewaardeerd, conform RJ290.

Conclusie

Op basis van de verrichte werkzaamheden en onze bevindingen zijn wij van mening dat Vestia per jaareinde 2008 voldoet aan de vereisten van RJ290 om kostprijshedge accounting toe te passen.

2.6       In de jaarrekening 2008 van Vestia is onder meer opgenomen dat het resultaat € 36,1 miljoen betrof bij een eigen vermogen van € 613,5 miljoen en een balanstotaal van € 4,5 miljard en dat Vestia beschikte over een (gesaldeerde) derivatenportefeuille met een nominale waarde van € 5,4 miljard en een negatieve marktwaarde van € 762 miljoen bij een post langlopende schulden van € 3,5 miljard. De derivatenpositie is niet in de balans verwerkt maar in de toelichting uitgewerkt. In die toelichting is onder meer opgenomen dat Vestia in verband met de negatieve marktwaarde van haar derivatenportefeuille ultimo 2008 € 255 miljoen als zekerheid / in depot bij haar banken heeft moeten storten.

2.7       Op 25 mei 2009 heeft de controlerend accountant zijn goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening 2008 van Vestia.

2.8       Per twee e-mailberichten van 28 mei 2009 heeft de treasurer van Vestia vier excel-bestanden aan betrokkene en een collega (F.C.) van betrokkene gezonden. Deze bestanden zijn genaamd ‘Swap-overzicht 2008 DT’, ‘Vervalkalender 2009’, ‘Betalingen leningen 2008’ en ‘Leningen 2008’.

2.9       Per e-mailbericht van 8 juni 2009 heeft de treasurer van Vestia aan betrokkene en aan diezelfde collega (F.C.) van betrokkene informatie verstrekt over ‘de betalingen uit leningen mbt rollovers’. Die collega (F.C.) heeft per e-mailbericht van 11 juni 2009 aan de treasurer gevraagd de gegeven onderbouwing te kwantificeren, waarna de treasurer antwoordt:

‘Ik heb hier het bestand nog een keer gestuurd met daarbij een analyse. De analyse staat onderaan in het overzicht. Verder is er geen rekening gehouden met transitorische rente.’

2.10     Een andere collega (K.D.) van betrokkene heeft op 22 juni 2009 aan betrokkene een memo uitgebracht aangaande ‘derivaten Vestia’. In dat memo is als doel omschreven:

Dit memo geeft een samenvatting van de uitgevoerde werkzaamheden en de daaruit volgende bevindingen met betrekking tot een selectie van financiële instrumenten van [Vestia]. Het doel van deze werkzaamheden is het vaststellen van de risicofactoren van een selectie van zes financiële instrumenten van Vestia.

In dit memo is vervolgens een beschrijving gegeven van de karakteristieken van zes rente swaps, waarna onder het kopje “conclusies” volgt:

1. De betalingen die door Vestia worden ontvangen uit hoofde van bovengenoemde zes contracten zijn allemaal gerelateerd aan de EUR rente (typisch de 3m-Euribor of de 6m-Euribor).

2. De betalingen die door Vestia onder deze contracten moeten worden verricht zijn allemaal gedenomineerd in EUR.

3. De betalingen die door Vestia onder deze contracten moeten worden verricht zijn niet in alle gevallen enkel gerelateerd aan bewegingen in de EUR rente. Hierdoor is de marktwaarde ontwikkeling van deze contracten niet enkel afhankelijk van de EUR rente-curve, maar bijvoorbeeld ook van de USD rente curve, GBP rente curve en de CHF rente curve.

4. De betalingen die door Vestia onder deze contracten moeten worden verricht zijn in alle gevallen gemaximeerd.

5. De marktwaarde berekening zoals ontvangen van de tegenpartij van het vierde, vijfde en zesde financiële instrument kan niet middels een Bloomberg terminal worden gecontroleerd. Om de marktwaarde van het vierde, vijfde en zesde financiële instrument te berekenen is het gebruik van complexe wiskundige modellen noodzakelijk.

2.11     Aansluitend op voormeld memo van 17 mei 2009 heeft Deloitte FAS op 11 augustus 2009 een ‘rapport van bevindingen m.b.t. kostprijshedge accounting’ aan Vestia uitgebracht, waartoe op 3 juli 2009 de opdracht is verstrekt. De inhoud van dat rapport gelijkt in hoge mate op de inhoud van genoemd memo.

2.12     In een strafrechtelijk onderzoek naar de verdenking van oplichting en witwassen door de (inmiddels voormalige) treasurer van Vestia zijn door klager onder meer cliëntdossiers van Vestia bij diverse accountantskantoren en -organisaties in beslag genomen. Ook de door Deloitte FAS gevormde dossiers aangaande Vestia zijn in beslag genomen. Voorts is een groot aantal getuigen gehoord, waaronder betrokkene op 13 februari 2013 door medewerkers van de FIOD en op 8 april 2013 door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, van de rechtbank Rotterdam. Ook betrokkene’s toenmalige collega’s/medewerkers F.C. en K.D. zijn als getuigen gehoord.

3.         De klacht

3.1       Ten grondslag aan de door klager ingediende klacht ligt, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klager gegeven toelichting, het verwijt dat betrokkene op 17 mei 2009 een onvoldoende deugdelijke grondslag had voor zijn conclusie, waartoe klager heeft gesteld dat na het trekken en verspreiden van die conclusie nog substantiële werkzaamheden zijn verricht en dat het overigens discutabel is of de reikwijdte van de verrichte werkzaamheden steun biedt voor de getrokken conclusie.

3.2       Op basis daarvan heeft klager geconcludeerd dat betrokkene bij zijn werkzaamheden lichtzinnig, te weinig kritisch en daardoor laakbaar is opgetreden, en dat hij hierdoor het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in de Verordening gedragscode (RA’s) (hierna: VGC) niet adequaat heeft nageleefd.

4.         De gronden van de beslissing

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

4.1       Op grond van artikel 33 Wet RA,en sinds 1 januari 2013 op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de registeraccountant bij het beroepsmatig handelen onderscheidenlijk ten aanzien van zijn beroepsuitoefening onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet RA respectievelijk Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet, nu dit plaats had in de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2014 worden getoetst aan de in die periode geldende VGC.

4.3       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.4       Wat betreft het memo van 17 mei 2009 kan het volgende worden vastgesteld.

4.4.1    De Accountantskamer stelt voorop dat geen betekenis toekomt aan het gegeven, zoals betrokkene heeft benadrukt, dat hij niet als accountant is opgetreden en bij de uitvoering van de opdracht zijn titel van registeraccountant niet heeft gebruikt. Die omstandigheden leiden geenszins tot een conclusie dat niet van beroepsmatig handelen sprake is als bedoeld in artikel 33 Wet RA, zodat betrokkene dienaangaande tuchtrechtelijk kan worden aangesproken.

4.4.2    Voor zover in voormelde nadruk van betrokkene besloten ligt de stelling dat hij ‘slechts’ als accountant in business is opgetreden en hij ook niet verbonden is aan een accountantspraktijk, een en ander als bedoeld in de definities van de VGC, geldt het volgende.

A.        Ook indien betrokkene in zijn hiervoor bedoelde stelling zou moeten gevolgd, betekent dat aan zijn handelen in dit geval geen lichtere eisen kunnen worden gesteld dan die welke gelden in verband met de controle zelf. Uit het bepaalde in de artikelen C-320.1 en C.320.3 van de VGC, waarbij per analogie betekenis toekomt aan wat in artikel C-320.2 is bepaald en overigens ook rechtstreeks uit het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid (artikel A-100.4 sub c. VGC en nader uitgewerkt in hoofdstuk A-130 VGC), vloeit immers voort dat de door de accountant opgestelde informatie in overeenstemming moet zijn met de relevante voorschriften in de gegeven context. In dit geval zien de opdracht en de door betrokkene uitgevoerde werkzaamheden op een verslaggevingsvraag die in de controle van de jaarrekening 2008 van Vestia van materieel belang was, te weten of (de derivatenportefeuille van) Vestia voldeed aan de voorwaarden om kostprijs hedge accounting als bedoeld in richtlijn 290 ‘Financiële instrumenten’ van de Raad voor de Jaarverslaggeving te mogen toepassen. Het antwoord op die vraag was van wezenlijk belang voor de door de controlerend accountant te verschaffen zekerheid in het kader van de jaarrekeningcontrole; daarmee is niet verenigbaar dat, indien een deel van de werkzaamheden van de jaarrekeningcontrole buiten het team wordt verricht door een andere, niet tot het controleteam behorende accountant, daarvoor niet dezelfde deskundigheids- en zorgvuldigheidseisen gelden als indien deze werkzaamheden binnen het controleteam zouden zijn verricht.

B.        Overigens ligt het in dit geval, gelet op de in de VGC gegeven definities sub g., q., f. en d. van ‘assurance-opdracht’, ‘openbaar accountant’, ‘accountantspraktijk’ en ‘accountantskantoor’, veeleer in de rede betrokkene vanwege de aard van zijn werkzaamheden en zijn verbondenheid met (het controleteam van) Deloitte Accountants - voor de onderhavige opdracht - als openbaar accountant aan te merken.

4.4.3    De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene in zijn memo van 17 mei 2009 niet heeft vermeld aan de hand van welke maatstaf en/of standaard dit memo is opgesteld. Dat dit niet is geschied, neemt niet weg dat het memo een paragraaf ‘conclusie’ bevat waarin concluderende bewoordingen zijn opgenomen. Dergelijke bewoordingen kunnen naar het oordeel van de Accountantskamer niet anders worden opgevat dan als bedoeld om het vertrouwen van de beoogde gebruiker - dat is in dit geval de controlerend accountant van Vestia - te versterken in de uitkomst / de juistheid van de inhoud van het memo.

4.4.4    Het Stramien voor Assurance-opdrachten (hierna: het Stramien) bepaalt en omschrijft de elementen en doelstellingen van een assurance-opdracht en geeft aan op welke opdrachten de Controlestandaarden, de Standaarden voor Beoordelingsopdrachten en de Standaarden voor assurance-opdrachten van toepassing zijn.

In het Stramien is in paragraaf 7. bepaald:

Een “assurance-opdracht” is een opdracht waarbij een accountant een conclusie formuleert die is bedoeld om het vertrouwen van de beoogde gebruikers, niet zijnde de verantwoordelijke partij, in de uitkomst van de evaluatie van of de toetsing van het object van onderzoek ten opzichte van de criteria, te versterken.

In paragraaf 15. van het Stramien is bepaald:

Een accountant die een rapport uitbrengt over een opdracht die geen assurance-opdracht is volgens de reikwijdte van dit Stramien zal dat rapport op duidelijke wijze onderscheiden van een assurance-rapport. Om de gebruikers niet in verwarring te brengen zal in een rapport dat geen assurance-rapport is bijvoorbeeld worden vermeden:

·       de indruk te wekken dat het rapport in overeenstemming is met dit Stramien, met de Standaarden voor Beoordelingsopdrachten of met de Standaarden voor Assurance-opdrachten.

·       het ten onrechte hanteren van de woorden “zekerheid”, “controle” of “beoordeling”.

·       het opnemen van een uitspraak die redelijkerwijs ten onrechte zou kunnen worden opgevat als een conclusie die is bedoeld om het vertrouwen van de beoogde gebruikers, niet zijnde de verantwoordelijke partij, in de uitkomst van de evaluatie of de toetsing van het object van het onderzoek ten opzichte van de criteria te versterken.

4.4.5    Het onder 4.4.2 tot en met 4.4.4 overwogene leidt tot het oordeel dat betrokkene bij het opstellen van zijn memo van 17 mei 2009 had moeten aansluiten bij NVCOS 3000. Het gaat in dit geval immers om een stuk waarin betrokkene in een specifieke opdracht en in verband met de controle van een jaarrekening tot een bepaalde uitspraak komt, die de facto ten doel had het standpunt van de controle-cliënt van betrokkene’s opdrachtgever te ondersteunen/bevestigen en waarvan gezag uitgaat, enkel vanwege het feit dat een accountant tevens zijnde derivatenspecialist dit stuk op het gebied van verslaglegging van derivaten heeft opgesteld. Aan het memo moet dan ook het karakter én gewicht van assurance worden toegekend [1] . De Accountantskamer stelt in dat verband overigens nog vast dat gesteld noch gebleken is dat in dit geval in enigerlei opzicht is aangesloten dan wel is beoogd aan te sluiten bij hetgeen in paragraaf 14. van het Stramien is opgenomen aan vereisten voor een uitzondering voor uitvoering van een opdracht volgens het Stramien.

4.4.6   Het voorgaande betekent dat de in dit memo getrokken conclusie in ieder geval dient te berusten op een deugdelijke grondslag, zoals onder meer is verwoord in paragraaf 45. van NVCOS 3000, maar overigens in de gegeven omstandigheden ook rechtstreeks voortvloeit uit het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid.

4.5       Gelet op de omschrijving van de klacht en wat klager ter zake heeft aangevoerd, is met de klacht naar de Accountantskamer heeft opgevat ter discussie gesteld of betrokkene zijn werkzaamheden met een voldoende professioneel kritische instelling en met voldoende diepgang heeft verricht, een en ander tijdig heeft gedocumenteerd en aldus toereikende assurance-informatie heeft verkregen, een en ander als bedoeld in de paragrafen 33. en 45. van NVCOS 3000, en of betrokkene aldus een deugdelijke grondslag had voor de door hem in het memo van 17 mei 2009 getrokken conclusie.

4.5.1    Indien geoordeeld moet worden dat betrokkene betreffende de onderzoeksopdracht als hiervoor in overweging 2.2 niet voldoende en geschikte werkzaamheden heeft verricht en aldus moet worden vastgesteld dat betrokkene niet heeft beschikt over voldoende en geschikte assurance-informatie, volgt daaruit al dat betrokkene heeft gerapporteerd zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag kan worden vastgesteld.

4.5.2    Overigens geldt, onverlet hetgeen hiervoor in overweging 4.3 is weergegeven, dat bij een onderbouwde, gesubstantieerde en niet op voorhand onaannemelijke klacht over handelen of nalaten in het kader van verrichte assurance-werkzaamheden, van de betreffende assurance verlenende accountant mag worden gevergd - vanwege zijn deskundigheid en het gegeven dat hij/zij over de gegevens ter zake beschikt - dat het tegen die klacht gevoerde verweer mede wordt gebaseerd op en onderbouwd met (alle van belang zijnde stukken uit) het assurance-dossier. Het is aan de tuchtrechter te bepalen of en zo ja, welke sanctie moet worden verbonden aan een eventueel niet voldoen aan hetgeen hiervoor is verwoord.

4.5.3    Bij het voorgaande dient voorts te worden opgemerkt dat paragraaf 42. van NVCOS 3000 het vastleggen voorschrijft van die zaken die van betekenis zijn voor de verschaffing van assurance-informatie. Tegen die achtergrond kan, indien ten aanzien van een bepaald aspect van de opdracht wordt erkend dat documentatie van de assurance-werkzaamheden is uitgebleven dan wel het overleggen van assurance-informatie in de onderhavige tuchtprocedure is uitgebleven, naar het oordeel van de Accountantskamer doorgaans weinig betekenis worden gehecht aan een stelling van de assurance verlenende accountant dat hij/zij voor bedoeld aspect desondanks voldoende en geschikte assurance-informatie heeft verkregen.

4.6       In deze zaak heeft klager aangevoerd dat betrokkene op 17 mei 2009 geen deugdelijke grondslag had voor zijn conclusie, in welk verband klager heeft gewezen op de na die datum gewisselde e-mailberichten als bedoeld in de overwegingen 2.8 en 2.9, en op de memo van betrokkene’s collega K.D. van 22 juni 2009. Klager heeft voorts ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer overgelegd afschriften van de processen-verbaal van verhoor van betrokkene als bedoeld in overweging 2.12. In die processen-verbaal is onder meer als verklaring van betrokkene - geparafraseerd - opgenomen:

-       dat hij voor zijn indruk van de administratieve organisatie/interne beheersing van Vestia niet bij Vestia is geweest en zich alleen heeft gebaseerd op informatie van het controleteam;

-       dat hij het treasury-beleid van Vestia noch de verslagen van de treasury-commissie van Vestia niet als ‘binnen de scope van de opdracht’ heeft beschouwd ofwel niet in de uitvoering van de opdracht heeft betrokken;

-       dat hij de juistheid en volledigheid van de leningenportefeuille en de derivaten-portefeuille niet als ‘binnen de scope van de opdracht’ heeft beschouwd en mocht aannemen dat dit was vastgelegd door het controle-team; 

-       dat hij de (pre-)confirmations/contracten van de banken aangaande de derivaten-transacties niet als ‘binnen de scope van de opdracht’ heeft beschouwd;

-       dat hij de informatie verkreeg van de treasurer van Vestia en dat hij heeft aangenomen dat daarover afstemming is geweest met het controle-team;

-       dat hij de kasstroom uit de leningenportefeuille heeft afgezet tegen de kasstroom uit de derivatenportefeuille;

-       dat hij niet weet of Vestia bepaalde derivaten buiten de hedge heeft willen laten vallen en dat een onderzoek daarnaar niet onder zijn opdracht viel;

-       dat wat hij niet bekeek, door het controle-team zou moeten worden bekeken en dat het controle-team over alle stukken heeft beschikt, waarmee hij heeft gewerkt;

-       dat hij zich niet kan herinneren dat hij de geldstroom heeft onderzocht van het schrijven van opties door Vestia en het geld dat hierdoor werd ontvangen;

-       dat hij zich niet kan herinneren dat Vestia alleen maar door haar geschreven ‘swaptions’ (opties op rente-swaps) had, dat niet voor alle swaptions is bekeken of daar een ‘cap’ op zat, waardoor het risico werd beperkt maar dat daarvoor een deelwaarneming is gedaan;

-       dat hij in de vergelijking - ter bepaling van de effectiviteit van de hedge - van de hoofdsommen van de derivaten en de leningen, de swaptions niet heeft meegenomen;

-       dat hij is afgegaan op de bevestiging van Vestia omtrent het ten opzichte van de derivaten wel aanwezig zijn van voldoende leningen;

-       dat de bevindingen van collega K.D. relevant waren voor de beoordeling of kostprijshedge accounting kon worden toegepast en dat hij aanneemt dat K.D. voor 17 mei 2009 dan wel mondeling aan hem zal hebben gerapporteerd en het pas op 22 juni 2009 formeel heeft gedocumenteerd;

-       dat hij ondanks zijn kritische indruk, zoals vervat in het document van 12 maart 2009, over de AO/IB, het treasuryplan/mandaat en de door Vestia ingenomen derivatenposities, tot zijn oordeel is gekomen dat Vestia kostprijshedge accounting kon toepassen omdat hij ‘meer de diepte is ingegaan’ en ‘door de interactie met Vestia een beter beeld heeft gekregen’.

4.7       Betrokkene heeft ter afwering van het aan hem gemaakte verwijt aangevoerd dat hij alle benodigde informatie ofwel voldoende deugdelijke grondslag heeft verkregen voorafgaande aan het afgeven van zijn memo van 17 mei 2009. Ook de informatie die K.D. pas op 22 juni 2009 heeft gedocumenteerd, was hem bekend. De e-mailberichten van 28 mei, 8 juni en 11 juni 2009 met bijbehorende bestanden raakten de grondslag van het memo niet en hebben ook niets nieuws bevat. Alle informatie was al bekend; de e-mailberichten met bestanden zagen op ondergeschikte aanpassingen. Voor zover klager verwijst naar de door hem afgelegde verklaringen, als vastgelegd in voormelde processen-verbaal van verhoor, kan daaraan geen gewicht worden toegekend. Hij had zich met name niet op het verhoor bij de FIOD (inhoudelijk) voorbereid en verkeerde destijds in de veronderstelling dat dat verhoor betrekking zou hebben op het handelen van de (inmiddels voormalige) treasurer van Vestia, aldus betrokkene.

4.8       Tegen de achtergrond van wat over en weer is aangevoerd kan naar het oordeel van de Accountantskamer thans niet worden gezegd dat de klacht ongemotiveerd en niet gesubstantieerd is en evenmin dat zij op voorhand onaannemelijk moet worden geacht. Gelet op het hiervoor in overweging 4.5.2 weergegeven uitgangspunt had dan ook van betrokkene mogen worden verwacht dat hij zijn verweer tegen die klacht meer had omkleed en onderbouwd met (alle relevante stukken uit) het betreffende dossier en dat hij aldus het beeld van een slechts summier onderzoek voorafgaand aan zijn memo van 17 mei 2009, zoals dat uit de processen-verbaal van het verhoor kan worden opgemaakt, gemotiveerd had weersproken. Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene dan ook niet mogen volstaan met de stelling dat het aan klager is om aannemelijk te maken dat hij - betrokkene - niet heeft beschikt over een deugdelijke grondslag voor zijn memo.

4.9       Betrokkene heeft zijn standpunt dat noch de e-mailberichten van 28 mei, 8 en 11 juni 2009 met bijlagen noch de memo van collega K.D. van 22 juni 2009 informatie heeft bevat waarover hij niet al voor 17 mei 2009 de beschikking had, niet onderbouwd of met stukken gestaafd. Waar hij heeft aangevoerd, na zijn eerste kritische indruk per 12 maart 2009 en de bijgevolg door hem noodzakelijk geachte aandacht als weergegeven in overweging 2.4, voldoende assurance-werkzaamheden te hebben verricht en over toereikende assurance-informatie te hebben beschikt, is het niet in het geding brengen van alle relevante stukken uit zijn dossier die zijn verweer ter zake kunnen staven, in deze gegeven omstandigheden dan ook onvoldoende gerechtvaardigd. De omstandigheid dat klager zijn klacht en de daarvoor gegeven onderbouwing dienaangaande met een mate van helderheid heeft verwoord die voor verbetering vatbaar is, maakt dat niet anders. Het gegeven dat klager bedoeld dossier in beslag heeft genomen, in die zin dat aan hem een kopie van (een deel van) dat dossier is verstrekt, doet daar evenmin iets aan toe of af, al is het maar omdat klager ter zitting heeft gesteld dat tot die verstrekte stukken - in ieder geval - niet het logboek van dat elektronisch dossier heeft behoord.

4.10     Een en ander leidt thans tot de slotsom dat betrokkene alsnog in de gelegenheid wordt gesteld de stukken uit zijn (elektronisch) dossier aangaande de opdracht als bedoeld in overweging 2.2 over te leggen, ten einde zijn verweer nader te adstrueren. Onder die stukken wordt begrepen het logboek behorend bij het elektronisch dossier, terwijl van die over te leggen stukken geen deel hoeft uit te maken de inhoud van de kennelijk zeer omvangrijke Excel-bestanden. Wel dient te kunnen blijken wanneer welke Excel-bestanden ter beschikking van betrokkene en/of diens collega’s/medewerkers zijn gekomen en welke werkzaamheden dienaangaande zijn verricht.

4.11     Met het oog op dit overleggen zal de verdere behandeling van de zaak worden aangehouden en zal de tussenbeslissing worden gegeven als hierna weergegeven.

5.         Beslissing

De Accountantskamer:

  • houdt de behandeling van de zaak aan voor onbepaalde tijd ten einde betrokkene in de gelegenheid te stellen binnen vier weken na heden aan de Accountantskamer te overleggen de stukken uit het (elektronisch) dossier als hiervoor bedoeld, het logboek daaronder begrepen, waarbij het is toegestaan het samenstel van deze stukken van een korte toelichting te voorzien;
  • bepaalt dat klager mag reageren op de door betrokkene ingezonden en toegelichte stukken, binnen vier weken na ontvangst van de stukken en toelichting van de kant van betrokkene;
  • bepaalt dat betrokkene mag reageren op de hiervoor bedoelde reactie van klager;
  • bepaalt dat de zaak, tenzij naar aanleiding van de nadere wisseling van stukken anders wordt beslist, vervolgens zonder nadere mondelinge behandeling ter zitting zal worden afgedaan met de uitspraak van de beslissing op een openbare zitting ongeveer tien weken na afloop van de hiervoor bedoelde termijn;
  • houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Aldus beslist door mr. W.F. Boele, voorzitter, mr. E.W. Akkerman en mr. R.P. van Eerde (rechterlijke leden) en H. Geerlofs AA en Th.A. Verkade RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. G.A. Genee, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2014.

_________                                                                                         __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________


[1] Vergelijk noot 5 bij paragraaf 12. van het Stramien waarin expliciet is opgenomen: ‘Iedere vorm van dienstverlening die voldoet aan de definitie van een assurance-opdracht is geen adviesopdracht maar een assurance-opdracht.’