ECLI:NL:TSCTS:2026:5 Tuchtcollege voor de Scheepvaart Amsterdam 2026-05 (2025.V10-THAMESBORG)
| ECLI: | ECLI:NL:TSCTS:2026:5 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2026 |
| Datum publicatie: | 03-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2026-05 (2025.V10-THAMESBORG) |
| Onderwerp: | Koopvaardij, subonderwerp: Navigatie |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Deze zaak gaat over een gronding op 6 september 2025 van het vrachtschip Thamesborg. Onderweg van Lianyungang (China) - via de Noordwestelijke doorgang (NWP) - naar Baie Comeau (Canada) is dit met carbon anodes beladen, 14 knopen varende, schip vastgelopen op een nog niet in kaart gebrachte ondiepte van 6,4 meter in de Franklin Strait, een Arctische zeestraat in Nunavut, Noord-Canada. Door de gronding raakten ruimten en tanks van het schip beschadigd en drong water binnen. Betrokkene was ten tijde van de gronding de OOW (Officer of the Watch). De inspecteur verwijt hem te hebben gehandeld in strijd met goed zeemanschap, doordat hij – varend in een gebied met ondiep water en een lage CATZOC classificatie - het risico van het bestaan van een onbekende ondiepte of obstructie voor lief heeft genomen en geen (juist) gebruik heeft gemaakt van het echolood. Wanneer men ervoor kiest om in ondiepere wateren te navigeren, met ook nog eens afwijkende en onbekende waterdiepten, is het van groot belang om de vaart aan te passen en het echolood continu te monitoren, aldus de inspecteur.Het tuchtcollege is het eens met de inspecteur en acht de tuchtklacht dan ook gegrond. Als maatregel volgt een schorsing van de vaarbevoegdheid voor de duur van drie weken waarvan twee weken voorwaardelijk. |
UITSPRAAK VAN HET TUCHTCOLLEGE VOOR DE SCHEEPVAART VAN 3 JULI 2026 (NR. 5 VAN 2026) IN DE ZAAK 2025.V10-THAMESBORG
Op het verzoek van:
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, te Den Haag,
verzoeker, gemachtigde: senior inspecteur ILT/Scheepvaart (hierna: de inspecteur),
tegen
P. D.,
betrokkene,
raadsman: mr. P.J. Hoepel.
1. De zaak in het kort
Deze zaak gaat over een gronding op 6 september 2025 van het vrachtschip Thamesborg.
Onderweg van Lianyungang (China) - via de Noordwestelijke doorgang (NWP) - naar Baie
Comeau (Canada) is dit met carbon anodes beladen, 14 knopen varende, schip vastgelopen
op een nog niet in kaart gebrachte ondiepte van 6,4 meter in de Franklin Strait, een
Arctische zeestraat in Nunavut, Noord-Canada. Door de gronding raakten ruimten en
tanks van het schip beschadigd en drong water binnen. Betrokkene was ten tijde van
de gronding de OOW (Officer of the Watch). De inspecteur verwijt hem te hebben gehandeld
in strijd met goed zeemanschap, doordat hij – varend in een gebied met ondiep water
en een lage CATZOC classificatie - het risico van het bestaan van een onbekende ondiepte
of obstructie voor lief heeft genomen en geen (juist) gebruik heeft gemaakt van het
echolood. Wanneer men ervoor kiest om in ondiepere wateren te navigeren, met ook nog
eens afwijkende en onbekende waterdiepten, is het van groot belang om de vaart aan
te passen en het echolood continu te monitoren, aldus de inspecteur.
Het tuchtcollege is het eens met de inspecteur en acht de tuchtklacht dan ook gegrond.
Als maatregel volgt een schorsing van de vaarbevoegdheid voor de duur van drie weken
waarvan twee weken voorwaardelijk.
2. Het verloop van de procedure
Bij een door het Tuchtcollege op 4 december 2025 ontvangen schriftelijk verzoek
(met 67 bijlagen) heeft de inspecteur (als gemachtigde van verzoeker) verzocht om
tuchtrechtelijke behandeling van een bezwaar tegen betrokkene als eerste stuurman
van het onder Nederlandse vlag varende schip Thamesborg.
Hierop heeft het Tuchtcollege aan betrokkene kennisgegeven van het verzoekschrift (met bijgevoegd een afschrift van het verzoekschrift met bijlagen) onder mededeling dat hij de mogelijkheid had een verweerschrift in te dienen.
Van de raadsman van betrokkene is op 4 maart 2026 een verweerschrift ontvangen.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 mei 2026 om 10.30 uur in de zittingszaal van het Tuchtcollege te Amsterdam. Voor verzoeker is de inspecteur verschenen. Hij heeft het woordgevoerd overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota.
Betrokkene heeft via een online-videoverbinding deelgenomen aan de zitting. Hij is
bijgestaan door zijn raadsman, die aanwezig was in de zittingszaal en het woord heeft
gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde spreekaantekeningen. Er is gebruik
gemaakt van de diensten van een tolk.
3. De aanleiding
Het verzoek tot tuchtrechtelijke behandeling is ingediend naar aanleiding van het
volgende ongeval:
Op 6 september 2025 om 07.42 uur boordtijd (BT) liep de Thamesborg met een snelheid van 14 knopen aan de grond op een onbekende, dat wil zeggen: een (nog) niet in kaart gebrachte, ondiepte van 6,4 meter in de Franklin Strait, Nunavut, nabij de Tasmania eilanden. Dit gebied valt onder de Canadese Arctische regio. De betrokkene was de Chief Officer tevens Officer of the Watch (OOW) tijdens de gronding. De diepgang van de Thamesborg was Tv 9,10 meter en Ta 9,60 meter. Het schip was op weg van Lianyungang (China) via de Noordwestelijke doorgang naar Baie Comeau (Canada). Door de gronding werden de volgende ruimten en tanks beschadigd en liepen vol water: boegschroefruimte, voorpiektank, DB 3, 4 en 5 BB en SB, ST 6 SB, void space 5 BB en SB en de pijptunnel. De lading bestond uit 19.124 mt Carbon anodes (koolstofblokken). Daarvan is 4.321 mt gelost om los te komen. De Thamesborg heeft ruim een maand vastgezeten op de ondiepte op ongeveer de positie:70⁰21’N – 096⁰54’W.
De Thamesborg (IMO nummer 9546459) is een Nederlands vrachtschip. Het schip is in
2013 gebouwd, is 172,28 meter lang en 21,49 meter breed en heeft een GT van 14.695.
Ten tijde van de aanvaring waren er 16 bemanningsleden aan boord. De rederij heeft
het ongeval nog diezelfde dag aan ILT gemeld.
4. Het bezwaar van de inspecteur
4.1 De inspecteur verwijt betrokkene dat hij heeft gehandeld, of nagelaten,
in strijd met de zorg die hij als een goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte
van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer (artikel
41 Wet bemanning zeeschepen).
Concreet bestaat het bezwaar uit de volgende elementen:
1. Hoewel het door hem af te leggen deel van de geplande route van de Thamesborg over ondiep water ging in een gebied met een lage CATZOC-classificatie, heeft betrokkene het risico van het bestaan van een onbekende ondiepte of obstructie op dat routedeel, voor lief genomen.
2. Betrokkene heeft geen (juist) gebruik gemaakt van het echolood. Daardoor kon de actuele waterdiepte onder het schip niet worden vastgesteld.
3. Vanwege bovenstaande elementen is de Thamesborg aan de grond gelopen.
4.2 Als voorschriften die niet zijn nageleefd noemt de inspecteur in het verzoekschrift:
- STCW code part A Chapter VIII – part 2
5. Prior to each voyage, the master of every ship shall ensure that the intended
route from the port of departure to the first port of call is planned using adequate
and appropriate charts and other nautical publications necessary for the intended
voyage, containing accurate, complete and up-to-date information regarding those navigational
limitations and hazards which are of a permanent or predictable nature and which are
relevant to the safe navigation of the ship.
6. When the route planning is verified, taking into consideration all pertinent information, the planned route shall be clearly displayed on appropriate charts and shall be continuously available to the officer in charge of the watch, who shall verify each course to be followed prior to using it during the voyage.
- STCW code part A Chapter VIII – part 3
4. the master, chief engineer officer and officer in charge of watch duties shall
maintain a proper watch, making the most effective use of the resources available,
such as information, installations/equipment and other personnel;
- STCW code part A Chapter VIII – part 4.1
13. The officer in charge of the navigational watch is the master’s representative
and is primarily responsible at all times for the safe navigation of the ship and
for complying with the International Regulations for Preventing Collisions at Sea,
1972, as amended.
36. Officers of the navigational watch shall be thoroughly familiar with the use of all electronic navigational aids carried, including their capabilities and limitations, and shall use each of these aids when appropriate and shall bear in mind that the echo-sounder is a valuable navigational aid.
- COLREG – Section 2
14. The echo-sounder is a valuable navigational aid and should be used whenever
appropriate.
- Polar code – part 1B – 10
10.2 As the chart coverage of polar waters in many areas may not currently be adequate
for coastal navigation, navigational officers should:
.1 exercise care to plan and monitor their voyage accordingly taking due account
of the information and guidance in the appropriate nautical
publications;
.2 be familiar with the status of hydrographic surveys and the availability and
quality of chart information for the areas in which they intend to operate;|
.3 be aware of potential chart datum discrepancies with GNSS positioning;
and
.4 aim to plan their route through charted areas and well clear of known shoal depths,
following established routes whenever possible.
10.3 Any deviations from the planned route should be undertaken with particular caution. For example, and when operating on the continental shelf:
.1 the echo-sounder should be working and monitored to detect any sign of unexpected
depth variation, especially when the chart is not based on a full search of the sea
floor; and
.2 independent cross-checking of positioning information (e.g. visual and radar
fixing and GNSS) should be undertaken at every opportunity. Mariners should ensure
to report to the relevant charting authority (Hydrographic Office) any information
that might contribute to improving the nautical charts and publications.
4.3 Als maatregel eist de inspecteur een ontzegging van de vaarbevoegdheid voor
een periode van zes weken.
5. Het standpunt van betrokkene
Betrokkene is het niet eens met het bezwaar van de inspecteur en evenmin met de
in het verzoekschrift geformuleerde eis.
Wat het eerste onderdeel van het bezwaar betreft stelt betrokkene dat de tweede stuurman de voyage planning had voorbereid en dat bij de berekeningen rekening was gehouden met de verschillende CATZOC’s.
Het voyage plan was door de kapitein akkoord bevonden. Gedurende de reis worden de CATZOC’s niet op de digitale kaart getoond, omdat de zeekaart dan niet goed zichtbaar is. Betrokkene behoefde tijdens de navigatie niet continue de CATZOC informatie te raadplegen en mocht ervan uitgaan dat de geplande route veilig was.
De aangegeven diepte op de zeekaart was minimaal 20,2 meter en daarmee ruim voldoende voor het schip. Met inachtneming van alle veiligheidsmarges voor CATZOC C, een extra marge voor de snelheid van het schip (squat) en een veiligheidsmarge zou er voldoende ruimte moeten zijn voor een veilige doorvaart.
Ten aanzien van het tweede onderdeel van het bezwaar heeft betrokkene verklaard dat het echolood tijdens de reis aanstond en dat er geen foutmeldingen waren opgetreden. Het alarm was niet afgegaan.
Verder is uit de kartering van de grondingslocatie naar voren gekomen dat sprake was
van een zeer steile ondiepte. De afstand tussen de 20-meter dieptelijn en de 10-meter
dieptelijn was slechts 100 meter. Met de gevaren snelheid van 14 knopen loopt het
schip dan in minder dan 15 seconden aan de grond. Bij een normaal gebruik van het
echolood had de gronding ook plaatsgevonden. Een eventueel onjuist gebruik van het
echolood heeft de gronding dus niet veroorzaakt.
6. De bewijsmiddelen
Bij de beoordeling van het door de inspecteur tegen het handelen/nalaten van betrokkene
aangevoerde bezwaar neemt het Tuchtcollege onder meer de volgende bewijsmiddelen tot
uitgangspunt:
- Het e-mailbericht van 6 september 2025 van de coördinator HSEQ
(van de rederij) aan ILT (bijlage 4 bij het verzoekschrift), waarin melding wordt gemaakt van de gronding van de Thamesborg eerder die dag in de positie: 70⁰21’N – 096⁰54’W.
- De verklaring van betrokkene ter zitting, voor zover inhoudend,
zakelijk en vertaald weergegeven:
‘Het klopt dat de Thamesborg, waarop ik de OOW was, op 6 september 2025 om 07.42 uur BT in de Franklin Strait met een snelheid van 14 knopen op (ongeveer) de locatie 70⁰21’N – 096⁰54’W op een ondiepte van 6,4 meter is gelopen.
Ik was me ervan bewust dat ik in een gebied met een CATZOC-classificatie voer en weet ook dat de C-classificatie veel minder nauwkeurigheid geeft dan de A-classificatie.’
C. Het ‘Statement of Facts’ van betrokkene van 7 september 2025 (bijlage 13 bij het verzoekschrift), voor zover inhoudend:
‘At around 7:45 ST (15:45 UTC) in the morning I was about to note the position of the changing course according our route by taking distance and bearing to the Island then suddenly I felt big impact, speed decreased immediately and heading changed sufficiently, I switched rudder to manual steering, captain came on the bridge and stop main engine to 0 pitch. Immediately we saw the water coming from the ballast vent heads on the forward and list increased to 2 degreased starboard.
Captain switched on General alarm and made PA announcement. I went down to muster station to follow Master order.’
D. Het ‘Polar Water Operating Manual’ van de rederij (bijlage 17), voor zover inhoudend:
‘6 STCW REQUIREMENTS CONCERNING POLAR AREAS
[…]
For masters and officers in charge of a navigational watch, the training must provide basic knowledge on at least the subjects given below:
[…]
4. Equipment limitations […] limitations in nautical charts and pilot descriptions. […]
17.5 ECHO-SOUNDER
In Arctic waters the echo-sounder is primarily a warning device. In poorly charted waters it is one of the navigator’s most valuable aids and shall be manned and operated continuously in dangerous waters.
[…]’
E. Een e-mailbericht van 26 september 2025 van een senior marine inspector van Transport Canada, Marine Safety & Security (bijlage 24), waarin o.a. staat: ‘Please note that after conducting a PSC Inspection on September 13 &14, 2025 at Franklin Strait in the Canadian Artic waters under the Paris MOU and the Canada Shipping Act 2001, MV Thamesborg […] has been detained. Attached are the Notice of Detention and Report of Inspection […]’
In het bijgevoegde ‘Report of inspection in accordance with the memoranda of understanding on port state control’ staat in form B nummer 6: ‘At the time of inspection, it was found that information was missing in the voyage plan.’
F. De hiervoor in 4.2 bedoelde IMO Polar Code, voor zover inhoudend:
‘Preambule
1. The International Code for Ships Operating in Polar Waters has been developed to supplement existing IMO instruments in order to increase the safety of ships’ operation and mitigate the impact on the people and environment in the remote, vulnerable and potentially harsh polar waters. [..]
3. The Code acknowledges that the polar waters impose additionally navigational demands beyond those normally encountered. In many areas, the chart coverage may not currently be adequate for coastal navigation. It is recognized even existing charts may be subject to unsurveyed and uncharted shoals.
[…]
3 Source of hazards
[…] remoteness and possible lack of accurate and complete hydrographic data and information, reduced availability of navigational aids and seamarks with increased potential for groundings. […]’
G. Het ‘Shipboard operational manual’ (hierna: SOM) van de rederij (pagina 180 onder 5.10.6 - bijlage 28), waarin in de CATZOC-tabel (category zone of confidence) bij ZOC C staat:
‘Full area search not achieved, depth anomalies may be expected.’
H. De ‘Northwest Passage (NWP) guide’ van de rederij (bijlage 53), voor zover inhoudend:
‘2. Basic NWP Information
2.3 HAZARDS
In addition to weather and ice, the region presents numerous other hazards, including
limited chart coverage, unknown shallows, uncharted areas, and unreliable soundings.’
I. Een e-mailbericht van 1 oktober 2025 van de coördinator HSEQ aan ILT (bijlage 32), voor zover inhoudend:
‘The route was created by Master. The route was plotted 2 nm from shore, over the shallow […]
[Was the Echo sounder switched on at the moment of the accident, constantly monitored, and what was the alarm setting set to?] – We assumed that echosounder was switched on. According to officers on watch, there were no any readings on echosounder because of deepwaters. As, it was mentioned in Master statement, right after grounding echosounder didn’t showed any readings. After restarting of echosounder, the reading was 3.1m. Alarm setting was 3m.’
J. Een e-mailbericht van 7 november 2025 van de coördinator HSEQ aan de inspecteur (bijlage 52), voor zover inhoudend:
‘Bij deze nog officieel antwoord de vragen over het echolood.
De bemanning is inderdaad niet zeker of het echolood aan stond ten tijde van de gronding. Na vertrek is het lood uitgezet doordat de diepte op de oceaan buiten de range van het apparaat rijkte.
Tijdens het onderzoek was de bemanning op de hoogte van de operatie en werking van
het apparaat, welke op dat moment ook naar behoren functioneerde.’
7. Het oordeel van het Tuchtcollege over de gegrondheid van het bezwaar van de
inspecteur
7.1 De gronding zelf, zoals hiervoor in punt 3 beschreven, is niet in geschil:
de (met 19.124 mt carbon anodes beladen) Thamesborg is - na een noord-west passage
(NWP) – op 6 september 2025 om 07.42 uur (BT) in de Franklin Strait met een snelheid
van 14 knopen vastgelopen op een niet in kaart gebrachte ondiepte. Deze ondiepte,
van 6,4 meter, bevond zich op ongeveer 70⁰21’N – 096⁰54’W, binnen een CATZOC C gebied.
7.2 De oorspronkelijke vaarroute (naar waypoint 59) liep niet over deze coördinaten, maar door een verder van de kust verwijderd gebied, met een hogere CATZOC classificatie (A2), waar de zeebodem en waterdiepten wel goed waren onderzocht. De kapitein van de Thamesborg had de vaarroute echter daags voor de gronding (door de 2e stuurman) meer naar de kust laten verplaatsen. Hij wilde zodoende een mogelijke blokkade van de passage naar de Baffin Bay door een vanuit het noorden naderend ijsveld voor zijn. Daartoe was ook de snelheid van de Thamesborg iets verhoogd.
7.3 Persoonlijke ongelukken hebben zich door de gronding niet voorgedaan. Wel zijn ruimtes en tanks van het schip beschadigd en vol water gelopen en heeft het ongeveer een maand geduurd voordat het schip weer loskwam.
7.4 Betrokkene was ten tijde van de gronding de OOW. Hij kwam op 6 september 2025 om omstreeks 03.50 BT op de brug. Er was een wachtoverdracht gedaan met de tweede stuurman. Daarbij waren geen bijzonderheden gemeld. Betrokkene zag dat de geplande route dicht langs een op de zeekaart vermelde waterdiepte van 20,2 meter zou gaan. Gelet op de diepgang van het schip beschouwde hij dit als veilig. Hij meent dat hem geen blaam treft. Zijns inziens mocht hij zonder meer ervan uitgaan dat bij het plannen van de vaarroute de veiligheidsvoorschriften met betrekking tot het vaargebied in acht waren genomen. Hierin heeft hij geen gelijk.
Als officier van de wacht had hij zich ervan bewust moeten zijn dat hij zich in een CATZOC C zone bevond, met een beperkte betrouwbaarheid van de hydrografische gegevens en het risico op ongevallen door onbekende ondiepten en obstakels, en had hij de snelheid van de Thamesborg daarop moeten aanpassen en ook overigens maatregelen moeten treffen om te voorkomen dat bedoeld risico zich zou verwezenlijken. Ook al was er, uitgaande van de beschikbare dieptegegevens (op de zeekaart) en de uitgevoerde berekeningen, (ruim) voldoende water onder de kiel, het ging daarbij om een theoretische benadering, die de risico’s behorend bij de CATZOC C classificatie niet uitsloot. Op die veiligheidsrisico’s wordt voldoende duidelijk gewezen in onder meer de IMO Polar Code en de voorschriften van de rederij. Onbekendheid met die voorschriften en het niet naleven ervan is in strijd met goed zeemanschap. Strijd met goed zeemanschap is er ook indien betrokkene zich niet bewust is geweest dat hij zich in een gebied met CATZOC C classificatie bevond.
Van betrokkene had mogen worden verwacht dat hij zich kritischer opstelde ten aanzien van het naleven van de veiligheidsvereisten in dit vaargebied.
Dat de vaarroute verderop ook door een CATZOC C gebied liep, betekent niet dat de risico’s die waren verbonden aan het deel van de vaarroute waar betrokkene zich ten tijde van de gronding bevond geen extra aandacht behoefden.
7.5 Die redelijkerwijs te vergen alertheid op de risico’s van afwijkende en onbekende waterdiepten/obstakels brengt mee dat gebruik moet worden gemaakt van alle daarvoor bestemde middelen om de veiligheid te waarborgen. Daarbij hoort, naast het aanpassen van de snelheid, een juist gebruik van het echolood. Aannemelijk is dat in dit geval het echolood niet op een zodanige wijze is gebruikt dat de actuele waterdiepte onder het schip effectief werd gemonitord (vgl. hiervoor 6.I en 6.J). De tegenwerping, dat bij een juist gebruik van het echolood het vastlopen van de 14 knopen varende Thamesborg op de ondiepte, gelet op de steilte ervan, niet was voorkomen, maakt het bezwaar van de inspecteur niet ongegrond, reeds niet omdat de Thamesborg met aangepaste snelheid had moeten varen. Bij een aangepaste snelheid en een juist gebruik van het echolood, waarbij de verkregen informatie over het bodemprofiel en eventuele afwijkende dieptes adequaat wordt gecontroleerd en geïnterpreteerd, vermindert de kans op een gronding door een niet bekende ondiepte aanzienlijk. Afgezien daarvan laat men dan in elk geval zien het voorkomen van het risico op een gronding serieus te nemen. Nu moet het ervoor worden gehouden dat een belangrijk hulpmiddel voor een veilige navigatie niet of onvoldoende is benut.
7.6 Het geheel overziende moet de conclusie zijn dat betrokkene onvoldoende invulling
heeft gegeven aan zijn verantwoordelijkheid als officier van de wacht voor een veilige
navigatie. Het bezwaar van de inspecteur is dan ook gegrond. Het handelen/nalaten
van betrokkene is in strijd met de zorg die hij als goed zeeman behoort te betrachten
ten opzichte van het schip, de opvarenden, het milieu en het scheepvaartverkeer. Het
niet in acht nemen van de door de inspecteur genoemde specifieke voorschriften is
eveneens voldoende gebleken.
8. De tuchtmaatregel
Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig tekortgeschoten is in zijn
verantwoordelijkheden als eerste stuurman/officier van de wacht. Zijn doen en laten
hebben geleid tot, althans bijgedragen aan, het vastlopen van het schip, met alle
gevolgen, inclusief gevaren, van dien. Voor zover hij dit nog niet voldoende onderkent,
stelt dat niet gerust; een risico op herhaling valt dan niet uit te sluiten.
Bij het bepalen van de maatregel houdt het Tuchtcollege er onder andere rekening mee, ten gunste van betrokkene, dat het gebeuren een aanzienlijke impact op hem heeft gehad. Het heeft een maand geduurd voordat het schip weer loskwam, wat voor hem en de verdere bemanning ongetwijfeld tot onzekerheid en spanningen heeft geleid.
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen en nalatigheden is een deels onvoorwaardelijk
schorsing van de vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. Deze sanctie
zou niet anders zijn uitgevallen indien met de verdediging zou moeten worden aangenomen
dat het op juiste wijze gebruiken van het echolood de gronding in dit geval (bij een
snelheid van 14 knopen) niet had voorkomen.
9. Aandachtspunt voor de praktijk
Naar aanleiding van de onderhavige gronding wordt – mede vanwege het toegenomen
gebruik van de Noordwestelijke Doorvaart (NWP) – aandacht gevraagd voor het belang
van bekendheid met (a) de CATZOC classificatie van het vaargebied en (b) de beperkingen
en onzekerheden die samenhangen met laag geclassificeerde CATZOC gebieden (C, D en
U). De betekenis van deze onzekerheden is niet voor alle vaargebieden gelijk: met
name in ondiepe en weinig bevaren gebieden kunnen afwijkingen tussen de werkelijke
situatie en de beschikbare hydrografische gegevens een aanzienlijk veiligheidsrisico
vormen. In diep water of drukbevaren gebieden is de kans dat dergelijke afwijkingen
tot een incident leiden doorgaans geringer.
10. De beslissing
Het Tuchtcollege,
- verklaart het tegen betrokkene aangevoerde bezwaar gegrond;
- legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een periode van drie (3) weken;
- bepaalt dat van deze schorsing twee (2) weken niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, die het Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
- bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat na zes weken, gerekend vanaf de dag van verzending van deze uitspraak.
Aldus gewezen door mr. J.M. van der Klooster, voorzitter, E.R. IJssel de Schepper en S.W. Postma, leden, in aanwezigheid van mr. F.S. Pietersma-Smit als secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juli 2026.
J.M. van der Klooster F.S. Pietersma-Smit
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij het College van beroep voor het bedrijfsleven, Prins Clauslaan 60, 2595 AJ Den Haag (Postbus 20021, 2500 EA Den Haag), Nederland.