ECLI:NL:TNORSHE:2026:28 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2026/41
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2026:28 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-09-2026 |
| Datum publicatie: | 19-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2026/41 |
| Onderwerp: | Registergoed, subonderwerp: leveringsakte |
| Beslissingen: | Verzet ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over notaris over zijn handelwijze in 2016 is bij voorzittersbeslissing direct afgewezen wegens verstrijken van de klachttermijn. Klaagster stelt dat zij vanaf 2016 lange tijd kwetsbaar en afhankelijk was en dat zij pas recent na langdurige en intensieve begeleiding daadwerkelijk inzicht heeft gekregen in de situatie waarin zij toen verkeerde en de context van de gestelde handelwijze van de notaris. Kamer oordeelt dat de voorzitter terecht heeft overwogen dat de wettelijke klachttermijn niet in strijd is met het recht op toegang tot de rechter en dat deze niet buiten toepassing kan worden gelaten op grond van een belangenafweging. Mede gelet op de ratio van de klachttermijn is de kamer van oordeel dat de klachttermijn niet pas is gaan lopen toen klaagster – die bij het passeren van de betreffende akte aanwezig is geweest – zich realiseerde dat de notaris mogelijk een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Verzet tegen voorzittersbeslissing ongegrond. |
Klachtnummer : SHE/2026/41 (eerder SHE/2026/24)
Datum uitspraak : 24 september 2026
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer) op het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer (hierna: de voorzitter) van 11 mei 2026 op de klacht van:
mevrouw [naam] (hierna: de klaagster)
wonende in [woonplaats]
gemachtigde: de heer [naam]
tegen
notaris de heer mr. [naam] (hierna: de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: mevrouw mr. L.H. Rammeloo, advocaat in Amsterdam
1. De procedure
1.1. De voorzitter heeft de klacht in zijn beslissing van 11 mei 2026 direct afgewezen op grond van artikel 99 lid 11 Wet op het notarisambt (Wna). In die beslissing is het verloop van de procedure weergegeven tot aan de datum van die beslissing. De kamer verwijst naar wat daar is vermeld.
1.2. Op 12 mei 2026 heeft de klaagster per e-mail met bijlagen verzet ingesteld (bezwaar gemaakt) tegen die afwijzende beslissing van de voorzitter. In aanvulling op dit verzet heeft de gemachtigde van de klaagster in een e-mail van 15 mei 2026 van 16:45 uur en in een bijlage bij een latere e-mail van die dag van 17:11 uur aanvullende informatie gestuurd. Deze e-mails zijn aan het dossier toegevoegd.
1.3. De gemachtigde van de notaris heeft op 19 augustus 2026 in een e-mail aan de kamer (en in cc aan de gemachtigde van de klaagster) gereageerd op de inhoud van twee bijlagen die aan het verzetschrift zijn gehecht. Diezelfde dag heeft de gemachtigde van de notaris de kamer laten weten dat zij en de notaris niet bij de mondelinge behandeling van het verzet aanwezig zullen zijn.
1.4. De gemachtigde van de klaagster heeft in een e-mail van 19 augustus 2026 (samengevat) gevraagd of die inhoudelijke reactie van de notaris aan het dossier wordt toegevoegd en zo ja, of hij daar voor de zitting dan nog schriftelijk op mag reageren.
1.5. Namens de voorzitter van de zittingscombinatie is aan de gemachtigden van de klaagster en de notaris in een e-mail van 20 augustus 2026 bericht dat de inhoudelijke reactie van de notaris aan het dossier wordt toegevoegd, dat de klaagster haar standpunt bij de mondelinge behandeling van het verzet kan toelichten en dat daarbij gebruik kan worden gemaakt van spreekaantekeningen die aan het dossier worden toegevoegd.
1.6. De gemachtigde van de klaagster heeft bij de mondelinge behandeling van het verzet op 31 augustus 2026 het standpunt van de klaagster toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. Die toelichting is vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling.
2. De feiten
De klacht gaat over de gang van zaken bij de levering van een appartement door de klaagster.
Voor de beoordeling van het verzet vindt de kamer de volgende feiten van belang.
2.1. De klaagster is eigenaar geweest van een appartement. In verband met de
aankoop van dat appartement heeft haar grootvader de heer [naam] (hierna: grootvader)
op 15 juli 2014 een bedrag van € 100.000,00 aan haar geschonken.
2.2. De klaagster heeft het appartement begin 2016 verkocht. De klaagster was toen 19 jaar oud en zij was op 16 november 2015 in gemeenschap van goederen getrouwd met een man (hierna: de man) die zij sinds enkele maanden kende. De verkoopopbrengst bedroeg ruim € 315.000,00.
2.3. De kopers hebben het kantoor van de notaris opdracht gegeven om de levering van het appartement te verzorgen. De notaris is in februari en maart 2016 betrokken geweest bij de voorbereiding daarvan.
2.4. Op 25 februari 2016 heeft een advocaat die voor grootvader optrad met de notaris gebeld omdat de rechtbank op die dag een verzoek van grootvader had behandeld om beslag te leggen ten laste van de klaagster. Deze advocaat heeft de notaris toen laten weten dat grootvader en de klaagster bij die behandeling een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten en de advocaat heeft het proces-verbaal met de gemaakte afspraken diezelfde middag aan de notaris gemaild.
2.5. Naar aanleiding van signalen heeft de notaris de klaagster uitgenodigd voor een gesprek op zijn kantoor. Hij heeft haar op 11 maart 2016 in het bijzijn van een collega gesproken om na te gaan of zij het appartement uit vrije wil en zonder druk van de man verkocht. De man is niet bij dit gesprek aanwezig geweest. In de aantekeningen die van het gesprek zijn gemaakt is vermeld dat de klaagster meerdere malen heeft verklaard dat zij uit vrije wil handelde en dat zij het appartement niet onder druk van de man had verkocht. Er is toen ook een kopie gemaakt van de bankpas van het rekeningnummer waar de verkoopopbrengst volgens de klaagster naar moest worden overgemaakt. Op deze bankpas was de naam van de klaagster vermeld.
2.6. Op 17 maart 2016 heeft een kantoorgenoot van de notaris, notaris de heer mr. [X], de akte van levering van het appartement gepasseerd. De klaagster is persoonlijk bij het passeren van de akte aanwezig geweest. De volgende dag heeft notaris [X] opdracht gegeven om de verkoopopbrengst over te maken van de derdengeldenrekening van het notariskantoor naar het rekeningnummer dat was vermeld op de bankpas die de klaagster bij het gesprek aan de notaris had gegeven.
2.7. Kort daarna heeft de man de verkoopopbrengst overgemaakt naar andere rekeningen waar de klaagster niet over kon beschikken. Door de levering van het appartement had de klaagster zelf geen woonruimte meer. In 2016 heeft zij bij de politie aangifte gedaan tegen de man wegens diefstal en bedrog.
2.8. Op 21 augustus 2018 heeft een advocaat de notaris gemaild dat hij namens de klaagster optrad en dat zij recent van de man was gescheiden. Volgens de advocaat van de klaagster was zij slachtoffer geworden van een loverboy, die “onlangs” te zien was in een uitzending van Opgelicht?! en die schaamteloos misbruik had gemaakt van haar gevoelens voor hem. Haar advocaat heeft in die e-mail onder meer gewezen op twee schenkingen die grootvader aan de klaagster had gedaan, op de levering van het appartement en op de afspraken die in 2016 met grootvader waren gemaakt over de schenking uit 2014. De advocaat van de klaagster heeft de notaris gevraagd te reageren op een aantal concrete vragen over de levering van het appartement en de uitbetaling van de verkoopopbrengst. De notaris heeft deze vragen op 6 september 2018 per e-mail beantwoord.
2.9. Op 1 december 2025 heeft de gemachtigde van de klaagster een klacht tegen de notaris ingediend bij het kantoor van de notaris. Op 24 januari 2026 heeft de notaris in overleg met zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar schriftelijk op die klacht gereageerd. Zoals vermeld, is deze tuchtklacht op 27 januari 2026 ingediend bij de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag.
3. De klacht
3.1. In de kern verwijt de klaagster de notaris dat hij:
- de rechterlijk vastgelegde vaststellingsovereenkomst heeft genegeerd;
- een onjuiste en te ruime uitleg heeft gegeven aan zijn ministerieplicht;
- haar als zeer jonge en psychisch kwetsbare cliënt onvoldoende bescherming heeft geboden;
- had kunnen voorzien dat de man misbruik zou maken van de verkoopopbrengst;
- zijn verantwoordelijkheid heeft afgeschoven door te stellen dat uitsluitend beslaglegging bescherming had kunnen bieden;
- geen zelfreflectie heeft getoond.
4. De beoordeling
Is het verzet ontvankelijk?
4.1. Als de voorzitter beslist dat een klacht wordt afgewezen, kan degene die de klacht heeft ingediend daar binnen veertien dagen na de dag van verzending van die beslissing verzet tegen instellen (artikel 99 lid 15 Wna). Het verzet is binnen die termijn ingesteld, zodat het verzet ontvankelijk is en dus kan worden beoordeeld.
Is het verzet gegrond?
4.2. De kamer moet beoordelen of het verzet gegrond of ongegrond is. Als de kamer van oordeel is dat de afwijzende beslissing van de voorzitter op goede gronden is gegeven, wordt het verzet ongegrond verklaard. Als de kamer oordeelt dat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter (gedeeltelijk) gegrond is, vervalt de beslissing van de voorzitter (in zoverre) en neemt de kamer de klacht of het klachtonderdeel waar het over gaat overeenkomstig artikel 99 lid 20 Wna in verdere behandeling.
Wat vond de voorzitter?
4.3. De voorzitter heeft de klacht direct afgewezen omdat de wettelijke klachttermijn
als bedoeld in artikel 99 lid 21 Wna naar zijn oordeel al was verstreken toen de klacht
werd ingediend. De voorzitter heeft dit oordeel (samengevat) gebaseerd op het feit
dat de klaagster op 17 maart 2016 – zij was toen meerderjarig en beschikkingsbevoegd
– persoonlijk aanwezig is geweest bij het passeren van de akte van levering. Daarom
is de voorzitter ervan uitgegaan dat de klaagster er vanaf dat moment van op de hoogte
was – of redelijkerwijs van op de hoogte had kunnen zijn – dat haar appartement was
geleverd en dat de volledige verkoopopbrengst zou worden overgemaakt naar haar rekeningnummer.
De voorzitter heeft om die reden geoordeeld dat de wettelijke klachttermijn van drie
jaar is gaan lopen op 18 maart 2016 (een dag na het passeren van de akte) en dat de
klaagster vanaf dat moment ook bekend was met de gevolgen van de handelwijze die zij
de notaris nu verwijt. Omdat de klacht pas bijna tien jaar later (op 27 januari 2026)
is ingediend, heeft de voorzitter geoordeeld dat de klacht vanwege dat tijdsverloop
kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarom is hij niet toegekomen aan een inhoudelijke
beoordeling van de klacht.
Waarom is de klaagster het daar niet mee eens?
4.4. Hoewel het appartement in 2016 is geleverd en de verkoopopbrengst toen ook is uitbetaald, stelt de klaagster dat de aard en omvang van de schade die zij heeft geleden en de mogelijke tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het handelen van de notaris pas recent daadwerkelijk inzichtelijk zijn geworden nadat zij door langdurige begeleiding en afstand tot haar toenmalige situatie in staat is geraakt haar rechtspositie te begrijpen. De klaagster heeft (samengevat) naar voren gebracht dat zij gedurende lange tijd in een kwetsbare en afhankelijke positie heeft verkeerd en dat pas in latere jaren aan haar volledig duidelijk is geworden:
- welke gevolgen het handelen van de notaris daadwerkelijk heeft gehad;
- hoe de gelden uiteindelijk zijn verdwenen;
- in welke bredere context de gebeurtenissen moeten worden geplaatst.
Volgens de klaagster gaat het niet alleen om later juridisch inzicht, maar om het later kenbaar worden van de daadwerkelijke aard, gevolgen en context van het handelen en nalaten van de notaris. Omdat het notarieel tuchtrecht mede het algemeen belang dient van een zorgvuldig functionerend notariaat, is een strikte toepassing van de klachttermijn volgens de klaagster niet zonder meer passend. Wanneer sprake is van ernstige vragen over de invulling van de notariële zorgplicht, behoort een inhoudelijke beoordeling van een klacht voorop te staan, aldus de klaagster.
Wat vindt de kamer?
4.5. De kamer is van oordeel dat de voorzitter de klacht terecht heeft afgewezen omdat de klaagster te lang heeft gewacht met de indiening van deze klacht over het handelen en/of nalaten van de notaris in 2016. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard. Hierna legt de kamer uit waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
4.6. Een klacht moet binnen de wettelijke klachttermijn worden ingediend. Volgens artikel 99 lid 21 Wna heeft iemand die een klacht wil indienen daar drie jaar de tijd voor vanaf de dag na het moment dat hij/zij feitelijk op de hoogte is – of redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn – van het handelen of nalaten van een notaris dat mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Als een klacht pas na die drie jaar wordt ingediend, kan deze niet meer inhoudelijk worden beoordeeld en wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Op deze regel kan alleen een uitzondering worden gemaakt als de gevolgen van het handelen of nalaten van een notaris redelijkerwijs pas na die drie jaar bekend zijn geworden. Dan heeft een klager vanaf dat moment nog een jaar de tijd om alsnog een klacht in te dienen.
4.7. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de vervaltermijn van drie jaar in de Wna is opgenomen ten behoeve van de rechtszekerheid van het notariaat. Een notaris moet er na verloop van een bepaalde termijn van uit kunnen gaan dat een betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen hem/haar in te dienen en een notaris moet ook niet tot in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk kunnen worden vastgesteld. De voorzitter heeft in zijn beslissing terecht naar deze wetsgeschiedenis verwezen.
Ook heeft de voorzitter terecht overwogen dat de wettelijke klachttermijn van drie
jaar niet in strijd is met het recht op toegang tot de rechter dat in verschillende
verdragsbepalingen is vastgelegd, en dat deze klachttermijn niet buiten toepassing
kan worden gelaten op grond van een belangenafweging.
De kamer is dan ook van oordeel dat de voorzitter terecht heeft overwogen dat de
wettelijke klachttermijn strikt moet worden toegepast.
4.8. Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam ( de hoogste notariële tuchtrechter) dat de feitelijke (objectieve) kennis van een klager van het handelen of nalaten van een notaris bepalend is voor de aanvang van de klachttermijn en niet de persoonlijke (subjectieve) kennis dat dit handelen of nalaten mogelijk tuchtrechtelijk onjuist zou kunnen zijn. De omstandigheid dat – zoals de klaagster stelt – “het daadwerkelijke besef (…) van de aard en omvang van de schade en van de rol van de notaris daarbij” pas recent is ontstaan, leidt er daarom niet toe dat de klachttermijn pas is gaan lopen op het moment dat de klaagster zich realiseerde dat de notaris mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld.[1]
4.9. Het staat vast dat de klaagster op 11 maart 2016 – voorafgaand aan de levering – een persoonlijk gesprek heeft gehad met de notaris en dat zij op 17 maart 2016 persoonlijk aanwezig is geweest bij het passeren van de akte van levering. Zij was toen meerderjarig en beschikkingsbevoegd. Daarom gaat de kamer ervan uit dat de klaagster er vanaf het moment dat de akte van levering was gepasseerd van op de hoogte was – of redelijkerwijs van op de hoogte had kunnen zijn – dat haar appartement was geleverd en dat de volledige verkoopopbrengst zou worden overgemaakt naar het rekeningnummer dat stond vermeld op het pasje dat zij aan de notaris had overhandigd. Vanaf dat moment was zij dus ook bekend met de gevolgen van de handelwijze die zij de notaris nu verwijt, namelijk het leveren van de woning en het storten van de verkoopopbrengst op haar rekening. De kamer kan niet vaststellen of zij toen al wist of behoorde te weten dat de man daarna het bedrag van haar rekening zou (kunnen) halen. Opmerking verdient daarbij dat de gemachtigde van de klaagster bij de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de klaagster er destijds ook mee bekend was dat de man de verkoopopbrengst na de levering zo spoedig mogelijk heeft overgeboekt naar andere rekeningen waar de klaagster niet over kon beschikken. Uiterlijk dat moment – dus al zeer kort na de levering – was klaagster dus bekend met de gevolgen van het handelen van de notaris en de handelwijze die zij de notaris nu verwijt. Ondanks de nare persoonlijke omstandigheden waar de klaagster mede als gevolg van de verkoop van het appartement in terecht is gekomen, is de kamer van oordeel dat de voorzitter terecht heeft geoordeeld dat de klachttermijn van drie jaar in de gegeven omstandigheden op 18 maart 2016 (een dag na het passeren van de akte) of zeer kort daarna is gaan lopen. De uitspraken van het gerechtshof Amsterdam die de gemachtigde van de klaagster bij de mondelinge behandeling heeft genoemd, geven geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Nu de klacht niet eerder dan op 27 januari 2026 – bijna tien jaar nadat de notaris betrokken was bij de voorbereiding van de levering – is ingediend, is de kamer van oordeel dat de klacht gelet op de ratio van de klachttermijn door dit tijdsverloop kennelijk niet-ontvankelijk is en dus niet meer inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5. De beslissing
De kamer:
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, voorzitter, en mr. W.F.J. Aalderink en mr. M.A. Rosenbrand-Biesheuvel, leden.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026 door mr. J.H.L.M. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Ter informatie: Op grond van artikel 99 lid 19 Wet op het notarisambt staat tegen de beslissing van de kamer tot niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring van het verzet geen rechtsmiddel open.
[1] Vergelijk Gerechtshof Amsterdam 27 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:354
Klachtnummer : SHE/2026/24
Datum uitspraak : 11 mei 2026
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter (hierna: de voorzitter) van de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch naar aanleiding van de klacht van:
mevrouw [naam] (hierna: de klaagster)
wonende in [woonplaats]
gemachtigde: de heer [naam]
tegen
notaris de heer mr. [naam] (hierna: de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: mevrouw mr. L.H. Rammeloo, advocaat in Amsterdam
1. Het verloop van de procedure
Dit verloopt blijkt uit:
- de klacht (met bijlagen) die op 27 januari 2026 is ontvangen door de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag;
- de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 4 maart 2026 waarbij de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de kamer) is belast met de behandeling van de klacht;
- de e-mail (met bijlage) van de gemachtigde van de klaagster aan de kamer van 8 april 2026;
- de e-mail van de gemachtigde van de klaagster aan de kamer van 9 april 2026;
- de e-mail van de kamer aan de gemachtigde van de notaris en de gemachtigde van de klaagster waarbij de e-mailberichten van 8 (met bijlagen) en 9 april 2026 zijn doorgestuurd;
- de e-mailberichten van de gemachtigde van de klaagster aan de kamer en aan de gemachtigde van de notaris van 10 (met bijlagen) en 13 april 2026;
- het verweerschrift (met bijlagen).
2. De feiten
De klacht gaat over de gang van zaken bij de levering van een appartement. Voor de beoordeling van de klacht vindt de voorzitter de volgende feiten van belang.
2.1. De klaagster is eigenaar geweest van een appartement dat zij begin 2016 heeft verkocht. Zij was toen 19 jaar oud en kort daarvoor in gemeenschap van goederen getrouwd. De notaris is in februari en maart 2016 betrokken geweest bij de voorbereiding van de levering van het appartement. De verkoopopbrengst daarvan bedroeg ruim € 315.000,00.
2.2. Op 25 februari 2016 heeft mevrouw mr. A. Volker, advocaat van de heer [naam] (de grootvader van de klaagster, hierna: de grootvader), de notaris gemaild. De advocaat heeft laten weten dat op die dag naar aanleiding van een beslagrekest van de grootvader bij de voorzieningenrechter een vaststellingsovereenkomst was gesloten tussen de grootvader enerzijds en de klaagster en haar (toenmalige) echtgenoot (hierna: de man) anderzijds. Afgesproken was dat van de verkoopopbrengst een bedrag van € 100.000,00 – dat de grootvader in 2014 onder voorwaarden aan de klaagster had geschonken – zou worden “gesepareerd” op de derdengeldenrekening van de notaris of op de derdengeldenrekening van de advocaat en dat de klaagster dat bedrag moest gebruiken voor de aankoop van een nieuwe woning.
2.3. Diezelfde dag heeft de notaris de advocaat van de grootvader per e-mail (samengevat) laten weten waarom het hem niet vrijstond om het bedrag van € 100.000,00 in depot te houden op zijn derdengeldenrekening of over te maken naar de derdengeldenrekening van de advocaat en dat hij dus niet kon meewerken aan de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. De notaris heeft de advocaat daarbij laten weten dat zij wel beslag zou kunnen leggen op het appartement of onder de klaagster.
2.4. Op 9 maart 2016 heeft de moeder van de klaagster met het kantoor van de notaris gebeld en haar zorgen geuit omdat de klaagster door de man werd afgeschermd van haar familie, waarvan de politie op de hoogte was gesteld.
2.5. Naar aanleiding van deze signalen heeft de notaris de klaagster uitgenodigd voor een gesprek op zijn kantoor. Hij heeft haar op 11 maart 2016 gesproken om na te gaan of zij het appartement uit vrije wil en zonder druk van de man verkocht. De man was niet bij dit gesprek aanwezig. De klaagster heeft toen meerdere malen bevestigd dat zij de levering wilde laten doorgaan. Bij het gesprek is een kopie gemaakt van de bankpas met het rekeningnummer waar de verkoopopbrengst naar moest worden overgemaakt. Deze rekening stond alleen op naam van de klaagster.
2.6. Op 17 maart 2016 heeft een kantoorgenoot van de notaris, notaris de heer mr. [X], de akte van levering van het appartement gepasseerd. De klaagster is daar persoonlijk bij aanwezig geweest. De volgende dag heeft notaris [X] opdracht gegeven om de verkoopopbrengst van de derdengeldenrekening van het notariskantoor over te maken naar de bankrekening van de klaagster.
2.7. Kort daarna heeft de man de verkoopopbrengst overgemaakt naar andere rekeningen waar de klaagster niet over kon beschikken.
2.8. Op 21 augustus 2018 heeft advocaat de heer mr. W.J.G. Schröder de notaris gemaild dat hij namens de klaagster optrad en dat zij recent was gescheiden. Volgens haar advocaat was de klaagster slachtoffer geworden van een loverboy, die schaamteloos misbruik had gemaakt van haar gevoelens voor hem. Haar advocaat heeft vragen gesteld over de levering van het appartement en de uitbetaling van de verkoopopbrengst. De notaris heeft deze vragen op 6 september 2018 per e-mail beantwoord.
2.9. De klaagster heeft in de loop van de jaren langdurige psychische begeleiding gehad. Deze is begin 2026 beëindigd.
3. De klacht
3.1. In de kern verwijt de klaagster de notaris dat hij:
- de rechterlijk vastgelegde vaststellingsovereenkomst heeft genegeerd;
- een onjuiste en te ruime uitleg heeft gegeven aan zijn ministerieplicht;
- haar onvoldoende bescherming heeft geboden;
- had kunnen voorzien dat de man misbruik zou maken van de verkoopopbrengst;
- zijn verantwoordelijkheid heeft afgeschoven door te stellen dat uitsluitend beslaglegging bescherming had kunnen bieden;
- geen zelfreflectie heeft getoond.
4. De beoordeling
Toepassingsgebied tuchtrecht
4.1. Volgens artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) vallen notarissen onder het notariële tuchtrecht.
4.2. Als de voorzitter na een kort onderzoek vindt dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, kan hij de klacht volgens artikel 99 lid 11 Wna direct afwijzen.
Wat vindt de voorzitter?
4.3. De voorzitter vindt dat te lang is gewacht met het indienen van een klacht over de (gestelde) handelwijze van de notaris in 2016. Een klacht moet binnen de wettelijke klachttermijn worden ingediend. De voorzitter moet zelf (ambtshalve) beoordelen of een klacht op tijd is ingediend, ook als een notaris zich niet op de klachttermijn beroept.
4.4. Volgens artikel 99 lid 21 Wna heeft iemand die een klacht wil indienen daar drie jaar de tijd voor vanaf de dag na het moment dat hij/zij feitelijk op de hoogte is – of redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn – van het handelen of nalaten van een notaris dat mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Als een klacht pas na die drie jaar wordt ingediend, kan deze niet meer inhoudelijk worden beoordeeld en wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Op deze regel kan alleen een uitzondering worden gemaakt als de gevolgen van het handelen of nalaten van een notaris redelijkerwijs pas na die drie jaar bekend zijn geworden. Dan heeft een klager vanaf dat moment nog een jaar de tijd om alsnog een klacht in te dienen.
4.5. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de vervaltermijn van drie jaar in de Wna is opgenomen ten behoeve van de rechtszekerheid van het notariaat. De Minister heeft dit motief destijds als volgt verwoord:
“Ook ik acht het gewenst dat de periode gedurende welke klachten tegen notarissen kunnen worden ingediend, beperkt wordt. De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen.” [1]
4.6. In het verleden is bij de tuchtrechter aangevoerd dat artikel 99 lid 21 Wna in strijd is met het recht op toegang tot de rechter. Toen is onder meer een beroep gedaan op de artikelen 6 en 13 Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.Het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële tuchtrechter, hierna: het gerechtshof) heeft geoordeeld dat het hiervoor door de minister genoemde doel legitiem is, dat de termijn van drie jaar proportioneel is en dat die termijn het recht op toegang tot de tuchtrechter niet in de kern aantast. Van strijd met de genoemde verdragsbepalingen is volgens het gerechtshof geen sprake.[2] Het gerechtshof heeft later ook geoordeeld dat artikel 99 lid 21 Wna niet buiten toepassing kan worden gelaten op grond van een belangenafweging.[3]
4.7. Hieruit volgt dat de wettelijke klachttermijn strikt moet worden toegepast. Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof dat de feitelijke (objectieve) kennis van een klager van het handelen of nalaten van een notaris bepalend is voor de aanvang van de klachttermijn en niet de persoonlijke (subjectieve) kennis dat dit handelen of nalaten mogelijk tuchtrechtelijk onjuist zou kunnen zijn. De omstandigheid dat - zoals klaagster stelt - “het daadwerkelijke besef (…) van de aard en omvang van de schade en van de rol van de notaris daarbij” pas recent is ontstaan, heeft daarom geen invloed op de aanvang van de klachttermijn.[4]
4.8. Het staat vast dat de klaagster op 11 maart 2016 een persoonlijk gesprek heeft gehad met de notaris en dat zij op 17 maart 2016 persoonlijk aanwezig is geweest bij het passeren van de akte van levering. Zij was toen meerderjarig en beschikkingsbevoegd. Daarom gaat de voorzitter ervan uit dat de klaagster er vanaf het moment dat de akte van levering was gepasseerd van op de hoogte was – of redelijkerwijs van op de hoogte had kunnen zijn – dat haar appartement was geleverd en dat de volledige verkoopopbrengst was overgemaakt naar haar rekeningnummer. Vanaf dat moment was zij dus ook bekend met de gevolgen van de handelwijze die zij de notaris nu verwijt. Daaruit volgt dat de klachttermijn van drie jaar op 18 maart 2016 (een dag na het passeren van de akte) is gaan lopen. De klacht is echter niet eerder dan op 27 januari 2026 ingediend: bijna tien jaar nadat de notaris betrokken was bij de voorbereiding van de levering. De klachttermijn was toen al lang verstreken. De voorzitter vindt daarom dat de klacht vanwege het tijdsverloop kennelijk niet-ontvankelijk is zodat deze niet meer inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5. De beslissing
De voorzitter:
wijst de klacht direct af.
Deze beslissing is op 11 mei 2026 gegeven door mr. T. Zuidema, voorzitter.
Tegen deze beslissing van de voorzitter tot afwijzing van de klacht kan de klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk verzet doen bij deze kamer voor het notariaat (Postadres: Postbus 70584, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch). De klager moet gemotiveerd aangeven met welke overweging(en) van de voorzitter hij/zij zich niet kan verenigen.
Hij/zij kan daarbij vragen over het verzet te worden gehoord (artikel 99, lid 15, Wna).
De voorzitter die de beslissing heeft gegeven waartegen verzet is gedaan, maakt geen deel uit van de kamer die beslist op het verzet.
[1] Kamerstukken II, 1996-1997, 23 706, nr. 12, p. 46-47
[2] Gerechtshof Amsterdam 19 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1231
[3] Gerechtshof Amsterdam 22 september 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2405
[4] Vergelijk Gerechtshof Amsterdam 27 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:354