ECLI:NL:TNORSHE:2026:25 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/64
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2026:25 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-08-2026 |
| Datum publicatie: | 08-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2025/64 |
| Onderwerp: | Registergoed, subonderwerp: Overig |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | De zaak gaat over (de financiële afwikkeling van) een door de notaris gepasseerde akte van verdeling en levering. Bij deze akte was de klaagster zelf niet betrokken, maar wel haar ex-partner en twee familieleden van hem. Volgens de klaagster is bij de totstandkoming van de akte onvoldoende rekening gehouden met haar belangen als schuldeiser van de ex-partner. De klaagster heeft de notaris daarom verzocht om inzage te verlenen in alle relevante stukken van het dossier. De notaris heeft dat geweigerd en doet daarbij een beroep op haar geheimhoudingsplicht. Volgens de klaagster is het beroep op de geheimhoudingsplicht onterecht. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. Er was geen grond voor dienstweigering en de notaris heeft met een beroep op haar geheimhoudingsplicht terecht kunnen besluiten geen stukken uit het dossier aan de klaagster te geven. |
Klachtnummer : SHE/2025/64
Datum uitspraak : 31 augustus 2026
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:
[de klaagster] (hierna: de klaagster)
wonende in [woonplaats]
tegen
[de notaris] (hierna: de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: de heer mr. V.J.N. van Oijen, advocaat in Amsterdam
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over (de financiële afwikkeling van) de door de notaris op 12 juli 2017 gepasseerde akte van verdeling en levering. Bij deze akte was de klaagster zelf niet betrokken, maar wel haar ex-partner en twee familieleden van hem. Volgens de klaagster is bij de totstandkoming van de akte onvoldoende rekening gehouden met haar belangen als schuldeiser van de ex-partner. De klaagster heeft de notaris daarom verzocht om inzage te verlenen in alle relevante stukken van het dossier. De notaris heeft dat geweigerd en doet daarbij een beroep op haar geheimhoudingsplicht. Volgens de klaagster is het beroep op de geheimhoudingsplicht onterecht.
2. Het verloop van de procedure
2.1. De beslissing van de kamer is gebaseerd op:
- de klacht (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 7 december 2025;
- de aanvullingen op de klacht (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 14 december 2025 en driemaal op 3 januari 2026 (om 00.54 uur, 00.55 uur en 14.55 uur);
- de reactie van (de gemachtigde van) de notaris op de klacht (met bijlagen);
- de toelichting die partijen op hun standpunt hebben gegeven bij de mondelinge behandeling van de klacht op 8 juni 2026: die toelichting is vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling.
2.2. De kamer heeft partijen in brieven van 1 juni 2026 op de hoogte gebracht van een wijziging in de samenstelling van de zittingscombinatie.
3. De feiten
De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klacht, worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer onder “5. De beoordeling” verder in op de feitelijke gang van zaken.
1. De klaagster heeft een affectieve relatie gehad met de heer [naam ex-partner] (hierna: de ex-partner). Uit die relatie is een kind geboren.
2. De vader van de ex-partner, de heer [naam ex-schoonvader] (hierna: de ex-schoonvader), was eigenaar van de woning aan [adresgegevens woning] (hierna: de woning).
3. Op 3 februari 2006 heeft (inmiddels oud-)notaris de heer mr. [naam oud-notaris] (hierna: de oud-notaris) een akte van levering gepasseerd. Uit die akte blijkt dat de ex-schoonvader de helft van de woning aan zijn partner, mevrouw [naam partner] (hierna: de ex-schoonmoeder), heeft overgedragen.
4. Op dezelfde dag heeft de oud-notaris ook het testament van de ex-schoonvader gepasseerd. In dat testament heeft de ex-schoonvader zijn kinderen - de ex-partner en mevrouw [naam ex-schoonvaders dochter] (hierna: de ex-schoonzus) - tot zijn enige erfgenamen benoemd. De ex-schoonvader heeft aan de ex-schoonmoeder onder andere gelegateerd de rechten van gebruik en bewoning van het aan de ex-schoonvader toekomende aandeel in de woning.
5. De ex-partner is in 2012 door de rechter veroordeeld om kinderalimentatie te betalen aan de klaagster. Hij heeft niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting voldaan. Daardoor is volgens de klaagster een betalingsachterstand ontstaan van meer dan € 42.000,--.
6. Op [datum] 2016 is de ex-schoonvader overleden. De ex-partner en de ex-schoonzus hebben zijn nalatenschap aanvaard. Tot de nalatenschap behoorde onder andere de onverdeelde helft van de woning.
7. Op 12 juli 2017 heeft de notaris de akte Afwikkeling legaat rechten van gebruik en bewoning en nadere verdeling en levering (hierna ook: de akte van verdeling en levering) gepasseerd. Uit die akte blijkt dat de ex-schoonmoeder, de ex-partner en de ex-schoonzus de rechten van gebruik en bewoning hebben geleverd aan/gevestigd ten behoeve van de ex-schoonmoeder. Verder blijkt uit die akte dat de ex-partner zijn 1/4e onverdeeld aandeel in de woning aan de ex-schoonmoeder heeft overgedragen voor € 40.000,-- en dat de ex-schoonmoeder dit bedrag via de derdengeldenrekening van de notaris heeft betaald.
8. In 2024 is de ex-schoonmoeder overleden.
9. Op 10 maart 2025 hebben de ex-schoonzus en de erfgenamen van de ex-schoonmoeder de woning overgedragen aan een derde. De betreffende akte is door een andere notaris gepasseerd.
10. Op 8 augustus 2025 heeft de klaagster onder andere het volgende laten weten aan de notaris:
“Hierbij breng ik u formeel op de hoogte dat ik sinds 2007 een opeisbare vordering heb op [de ex-partner], (…) betreffende achterstallige kinderalimentatie.
Deze vordering is vastgesteld bij rechterlijke uitspraak d.d. 9 Januari 2012, bedraagt inmiddels € 42.996,85 exclusief wettelijke rente en is aan u en/of betrokken partijen kenbaar gemaakt vóór en tijdens de periode waarin u in 2017 de akte “afwikkeling legaat rechten van gebruik en bewoning en nadere verdeling” hebt gepasseerd tussen [de ex-partner] en [de ex-schoonmoeder].
Ik ben recent, na 7 januari 2025, pas op de hoogte geraakt van de inhoud van deze rechtshandeling en heb sterke aanwijzingen dat deze mede is uitgevoerd met het oogmerk mij als schuldeiser te benadelen. Hiermee beroep ik mij op artikel 3:45 BW (actio Pauliana) en geef ik aan dat ik deze rechtshandeling vernietig voor zover deze mijn verhaalsmogelijkheden beperkt of heeft beperkt.
Daarnaast verzoek ik u op grond van de Wet op het notarisambt om:
1. Mij een volledig afschrift te verstrekken van de in 2017 gepasseerde akte, inclusief alle bijlagen (koopakte, waardebepaling, bijgevoegde verklaringen).
2. Mij te informeren over de financiële afwikkeling en betrokken partijen.
Dit schrijven geldt tevens als stuiting van verjaring van mijn vordering en aanspraken jegens betrokkenen, inclusief uw kantoor indien blijkt dat door nalatig of onzorgvuldig handelen schade is ontstaan.
Ik verzoek u binnen 14 dagen na dagtekening schriftelijk te bevestigen dat u deze brief hebt ontvangen en aan mijn verzoek zult voldoen.
Bij gebreke van tijdige en volledige reactie behoud ik mij het recht voor om uw kantoor, de betrokken erfgenamen en overige partijen hoofdelijke aansprakelijk te stellen voor de volledige schade, inclusief wettelijke rente en kosten. (…)”
11. Op 11 augustus 2025 heeft de notaris geantwoord:
“Bedankt voor uw bericht.
Op grond van de notariswet heb ik een geheimhoudingsplicht en kan ik geen documenten toesturen.
U dient zich tot de betrokkene te wenden.”
4. De klacht
4.1. Bij de mondelinge behandeling is de inhoud van de klacht met de klaagster besproken. Zij heeft bevestigd dat haar klacht in de kern op het volgende neerkomt.
1. De notaris had in 2017 niet mogen meewerken aan de akte van verdeling en levering. Het 1/4e onverdeeld aandeel van de ex-partner in de woning is namelijk tegen een te lage koopsom aan de ex-schoonmoeder toegedeeld en geleverd. Hierdoor is verhaal van de door de ex-partner aan de klaagster verschuldigde achterstallige kinderalimentatie gefrustreerd.
2. De notaris weigert om inzage te verlenen in alle relevante stukken uit het dossier met betrekking tot de akte van verdeling en levering en doet daarbij ten onrechte een beroep op haar geheimhoudingsplicht.
4.2. De notaris heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
5. De beoordeling
Kan de kamer de klacht behandelen?
5.1. Voordat de kamer een klacht inhoudelijk kan beoordelen, moet de kamer eerst beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan om de klacht te mogen behandelen (de ontvankelijkheid van de klacht). De kamer oordeelt dat de klacht ontvankelijk is. Aangezien de notaris de ontvankelijkheid van klachtonderdeel 1 ter discussie heeft gesteld, legt de kamer hieronder uit waarom ook dit klachtonderdeel ontvankelijk is.
Klachtonderdeel 1: op tijd ingediend
5.2. Een klacht kan slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop een klager kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Als de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop een klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard (artikel 99 lid 21 Wet op het notarisambt; hierna: Wna).
5.3. Volgens de notaris mag de klaagster objectief bekend worden geacht met de akte van verdeling en levering uit 2017 in datzelfde jaar, omdat de akte op 12 juli 2017 is ingeschreven in de openbare registers van het kadaster. Klachtonderdeel 1 zou daarom te laat zijn ingediend.
5.4. De kamer volgt de notaris niet in haar verweer. Na het overlijden van de ex-schoonvader in 2016 had de klaagster weliswaar het vermoeden dat de woning onderdeel zou kunnen worden van een transactie, maar meer dan een vermoeden was er niet. Van de klaagster kon daarom niet worden verlangd dat zij in de jaren daarna het kadaster regelmatig zou raadplegen om te verifiëren of er met betrekking tot de woning een akte was gepasseerd.
De klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij - nadat de ex-schoonmoeder in 2024 was overleden - ontdekte dat de woning te koop stond en dat dat voor haar aanleiding was om het kadaster te raadplegen. Op die manier kwam zij er achter dat in 2017 de akte van verdeling en levering was gepasseerd. De klaagster heeft onweersproken gesteld dat zij hiermee pas in januari 2025 bekend is geworden. De kamer is daarom van oordeel dat de klacht binnen de klachttermijn van drie jaar en dus op tijd is ingediend.
Klachtonderdeel 1: redelijk belang aanwezig
5.5. Een klager moet “enig redelijk belang” hebben bij de klacht (artikel 99 lid 1 Wna). Het begrip “enig redelijk belang” moet ruim worden opgevat. Het kan een rechtstreeks belang zijn, maar ook een indirect of afgeleid belang.
5.6. De kamer oordeelt dat de klaagster een redelijk belang heeft bij klachtonderdeel 1. De ex-partner was één van de partijen bij de akte van verdeling en levering. Hoewel de klaagster bij de akte zelf geen partij was, heeft zij als schuldeiser van de ex-partner wel een redelijk belang bij een klacht over de akte. Volgens de klaagster is namelijk sprake van een constructie waarbij zij als schuldeiser van de ex-partner is benadeeld.
Is tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?
De maatstaf
5.7. De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen (artikel 93 lid 1 Wna. De tuchtrechter toetst of:
- hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke wet- en regelgeving;
- zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.
Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken (rechts)personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).
Ook is een notaris in beginsel verplicht om authentieke akten op te maken in de gevallen waarin de wet dit aan hem opdraagt of een partij dat van hem verlangt (ministerieplicht: artikel 21 lid 1 Wna).
Bovendien is een notaris in beginsel verplicht tot geheimhouding van alle informatie waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheden als zodanig kennisneemt (geheimhoudingsplicht: artikel 22 lid 1 Wna).
5.8. De kamer is van oordeel dat de notaris aan deze maatstaf heeft voldaan en legt hierna per klachtonderdeel uit waarom de kamer tot dit oordeel is gekomen.
Klachtonderdeel 1 (akte van verdeling en levering van 12 juli 2017)
De ministerieplicht in het algemeen
5.9. Een notaris heeft een bijzondere positie in het Nederlandse rechtssysteem. Hij is namelijk met uitsluiting van anderen bevoegd authentieke akten op te maken in de gevallen waarin de wet dit aan hem opdraagt of een partij dat van hem verlangt. Vanwege die bijzondere positie is een notaris niet alleen bevoegd, maar ook verplicht om bedoelde diensten te verlenen. Dit wordt de ministerieplicht genoemd. De reden van deze ministerieplicht is dat de dienstverlening door een notaris voor iedereen toegankelijk moet zijn. De ministerieplicht geldt niet in alle gevallen. Lid 2 van artikel 21 Wna bepaalt namelijk dat de notaris verplicht is zijn dienst te weigeren wanneer “naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem verlangd wordt, leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft”.
De ministerieplicht in deze zaak
5.10. De klaagster vindt dat de notaris in 2017 niet had mogen meewerken aan de akte van verdeling en levering. Zij heeft het kantoor van de notaris in december 2016 telefonisch op de hoogte gesteld van haar vordering op haar ex-partner wegens achterstallige kinderalimentatie. Zij heeft toen meegedeeld dat die vordering moest worden voldaan bij verkoop van het 1/4e onverdeeld aandeel van de ex-partner in de woning. Volgens de klaagster is het 1/4e onverdeeld aandeel van de ex-partner in de woning tegen een te lage koopsom aan de ex-schoonmoeder toegedeeld en geleverd. De koopsom van € 40.000,-- zou niet zijn gebaseerd op een objectieve waardebepaling of markttoets. Gelet op de WOZ-waarde van de woning in die periode (ongeveer € 360.000,--) vertegenwoordigde het 1/4e aandeel volgens de klaagster een waarde van ongeveer € 90.000,--. De notaris had moeten onderkennen dat de constructie de belangen van derden, waaronder schuldeisers met een verhaalsrecht, kon benadelen. Dit geldt zeker, omdat de notaris bekend was, althans had moeten zijn, met eerdere eigendomsoverdrachten binnen hetzelfde dossier (waaronder de inkoopconstructie uit 2006) en met de daarmee samenhangende onduidelijkheden over eigendom en waarde.
In 2025 heeft een andere notaris voortgebouwd op de akte van verdeling en levering uit 2017. Hieruit blijkt dat het handelen van de notaris een duurzaam effect heeft op de verhaalspositie van de klaagster.
5.11. De notaris voert hiertegen aan dat zij mag voortbouwen op het werk van een andere notaris en van de juistheid hiervan mag uitgaan, tenzij zij aanleiding heeft om hieraan te twijfelen. De notaris had in 2017 geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de oud-notaris in 2006 iets niet goed zou hebben gedaan.
Verder voert de notaris aan dat de akte van verdeling en levering met de daarin opgenomen koopsom van € 40.000,-- de wil van de ex-partner weerspiegelt. Hij is in de met hem gewisselde (vertrouwelijke) correspondentie, in telefonische contacten en tijdens het passeren van de akte van verdeling en levering door de notaris voorgelicht over de inhoud en de gevolgen van de akte, onder andere ten aanzien van de koopsom van het 1/4e onverdeeld aandeel.
De notaris bestrijdt dat de WOZ-waarde van de woning in 2017 € 360.000,-- bedroeg en wijst op de door haar overgelegde productie 2, waaruit het jaarlijkse verloop van de WOZ-waarde vanaf peildatum 1 januari 2017 volgt. De WOZ-waarde was € 315.000,-- in 2017 en nam af naar € 304.000,-- in 2018. De klaagster gaat in haar berekeningen bovendien voorbij aan het waarde drukkend effect van het aan de ex-schoonmoeder toekomende recht van gebruik en bewoning.
De tussen de ex-schoonmoeder en de ex-partner overeengekomen koopsom van € 40.000,-- was voor de notaris in de gegeven omstandigheden voldoende plausibel. Zij was dan ook niet verplicht om een taxatie te vragen. In de akte van verdeling en levering is uitdrukkelijk vermeld: “Partijen aanvaarden de verdeling te hunnen bate of schade zodat vernietiging van deze verdeling op grond van dwaling over de waarde van een of meer van de verdeelde goederen en/of schulden is uitgesloten.
Partijen doen over en weer afstand van de bevoegdheid om vernietiging of herrekening van deze verdeling te vorderen en van hun eventuele bevoegdheid ontbinding van deze verdeling te vorderen.
Ten aanzien van het voorgaande wordt nog uitdrukkelijk geconstateerd dat partijen hebben afgezien van een taxatie van het te verdelen registergoed. Partijen aanvaarden bewust het risico van een mogelijke benadeling.
Mochten partijen of één van hen dwalen over de waarde hiervan dan is vernietiging toch uitgesloten.”
Ten slotte voert de notaris aan dat uit haar dossier niet blijkt dat de klaagster in december 2016 telefonisch melding zou hebben gemaakt van de door de ex-partner verschuldigde achterstallige kinderalimentatie. Dat is ook nooit schriftelijk door de klaagster, dan wel LBIO, gemeld aan de notaris. De klaagster heeft evenmin (conservatoir) beslag gelegd op de woning. De notaris was er dus niet mee bekend dat de klaagster een schuldeiser van de ex-partner was met een verhaalsrecht.
Kortom: de notaris had een ministerieplicht, omdat er geen grond was voor dienstweigering.
5.12. De kamer oordeelt dat klachtonderdeel 1 ongegrond is. Bij dit oordeel spelen met name de volgende drie aspecten een rol.
1) Een notaris mag bij het verrichten van zijn werkzaamheden in beginsel voortbouwen op het werk van andere notarissen en van de juistheid daarvan uitgaan, tenzij hij aanleiding heeft om hieraan te twijfelen. Door de klaagster is niet aannemelijk gemaakt dat er voor de notaris aanleiding bestond om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de akte van levering die de oud-notaris in 2006 had gepasseerd. Zij heeft met de akte van verdeling en levering in 2017 dus op die eerdere akte mogen voortbouwen.
2) Gelet op het gemotiveerde en onderbouwde verweer van de notaris heeft de kamer geen aanleiding om aan te nemen dat de koopsom van het 1/4e onverdeeld aandeel in de woning te laag was. Bovendien heeft de klaagster naar aanleiding van dit verweer ook niet weersproken dat:
- de WOZ-waarde van de woning in 2017 lager was dan zij zelf in eerste instantie stelde;
- zij geen rekening heeft gehouden met het waarde drukkend effect van de rechten van gebruik en bewoning.
3) Ten tijde van het passeren van de akte van verdeling en levering was er op geen enkele manier sprake van een concrete claim van iemand die voor de notaris kenbaar had moeten zijn. De kamer wijst daarbij op het volgende.
- De klaagster heeft, gelet op het gemotiveerde verweer van de notaris, onvoldoende aangedragen ter onderbouwing van haar stelling dat zij (het kantoor van) de notaris in december 2016 telefonisch op de hoogte heeft gebracht van haar vordering op de ex-partner. De kamer gaat daarom aan die stelling voorbij.
- Door of namens de klaagster is geen (conservatoir) beslag gelegd op het onverdeeld aandeel van de ex-partner in de woning, waaruit haar claim bleek.
Er was voor de notaris dus geen enkele aanleiding om onderzoek te doen naar de rechten van de klaagster als (mogelijke) schuldeiser van de ex-partner, laat staan om te onderzoeken of die rechten aanleiding gaven ministerie te weigeren. Met andere woorden: er was geen grond voor dienstweigering als bedoeld in artikel 21 lid 2 Wna.
Klachtonderdeel 2 (beroep op geheimhoudingsplicht)
De geheimhoudingsplicht in het algemeen
5.13. Uitgangspunt van de voor elke notaris geldende geheimhoudingsplicht is dat iedereen bij een bezoek aan de notaris erop moet kunnen en mogen vertrouwen dat wat men met een notaris heeft besproken, niet aan derden wordt geopenbaard.
Het grote belang van de geheimhoudingsplicht blijkt ook uit artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. In dat artikel staat dat het schenden van het ambts- of beroepsgeheim strafbaar is. De geheimhoudingsplicht kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden door de notaris of door de rechter worden doorbroken.
5.14. De vraag hoe ver de geheimhoudingsplicht van een notaris zich uitstrekt, wordt in beginsel door de betrokken notaris zelf beantwoord. Immers, alleen de notaris kan precies beoordelen of bepaalde gegevens onder zijn verschoningsrecht vallen.
5.15. Dit betekent niet dat een notaris helemaal niets mag verklaren over wat hij met een cliënt heeft besproken. Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële tuchtrechter) dat in zijn algemeenheid de geheimhoudingsplicht van een notaris niet geldt voor de wijze waarop een notaris te werk is gegaan. Vooral in zaken over de wilsbekwaamheid van een erflater heeft het gerechtshof bepaald dat het voor een notaris zeer wel mogelijk is om toe te lichten:
- wat de gang van zaken is geweest, die heeft geleid tot het tot stand komen van een akte;
- op welke wijze hij zich een oordeel heeft gevormd over de wilsbekwaamheid van een cliënt,
zonder zijn geheimhoudingsplicht te schenden. Hiermee zijn de grenzen van de geheimhoudingsplicht gegeven.
5.16. Het is de notaris die een beroep kan doen op zijn geheimhoudingsplicht. De tuchtrechter kan uitsluitend beoordelen of dit beroep terecht is gedaan of niet.
De geheimhoudingsplicht in deze zaak
5.17. De klaagster wil inzage in alle relevante stukken uit het dossier met betrekking tot de akte van verdeling en levering van 12 juli 2017.
5.18. De notaris heeft dat geweigerd en doet daarbij een beroep op haar geheimhoudingsplicht. Wel heeft zij in deze klachtprocedure toegelicht wat de gang van zaken is geweest rondom de totstandkoming van de akte van verdeling en levering. Naast het verweer op klachtonderdeel 1 bestaat die toelichting uit het volgende.
Volgens de notaris heeft zij in februari 2017 de opdracht ontvangen met betrekking tot de overdracht van het aandeel van de ex-partner in de woning. Op 8 februari 2017 is aan de ex-partner een brief van drie kantjes met uitleg toegezonden. In deze brief is uitvoerig ingegaan op de waardevaststelling van het door de ex-partner over te dragen aandeel. Vervolgens zijn er over de voorgenomen overdracht diverse schriftelijke en telefonische contacten met de betrokken partijen geweest, onder andere op 24 februari 2017, 22 maart 2017, 4, 5, 6, 7 en 13 april 2017.
Op 19 juni 2017 is volgens de notaris weer een uitvoerige brief met uitleg en ‘Belehrung’ naar de ex-partner gestuurd, waarin opnieuw op de waardevaststelling van het over te dragen aandeel is ingegaan. Daarop volgde op 7 juli 2017 een aangepaste concept-akte. De ex-partner heeft met die concept-akte ingestemd. Vervolgens is de akte van verdeling en levering op 12 juli 2017 gepasseerd.
5.19. De kamer overweegt als volgt. Vast staat dat de klaagster bij de akte van verdeling en levering zelf niet was betrokken. Alleen de ex-partner, de ex-schoonzus en de ex-schoonmoeder waren daarbij betrokken. Zij zijn de cliënt-opdrachtgevers geweest van de notaris. Het dossier valt voor de notaris ten opzichte van de klaagster daarom onder de geheimhoudingsplicht. De kamer oordeelt dat de notaris met een beroep op haar geheimhoudingsplicht terecht heeft kunnen besluiten geen stukken uit het dossier aan de klaagster te geven. Bij dit oordeel betrekt de kamer dat de notaris de klaagster heeft geïnformeerd dat zij de opgevraagde documenten vanwege haar geheimhoudingsplicht niet aan de klaagster kan verstrekken.
Er zijn geen uitzonderlijke omstandigheden aangevoerd die het noodzakelijk maken dat het dossier van de ex-schoonmoeder, de ex-partner en de ex-schoonzus tegenover de klaagster moet worden prijsgegeven. Klachtonderdeel 2 zal daarom ongegrond worden verklaard.
6. De beslissing
De kamer:
verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter, mr. H. van Waterschoot-van der Linden en mr. E.J.W.M. van Egeraat, leden.
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026 door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Hoger beroep:
U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.