ECLI:NL:TNORSHE:2026:24 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/62
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2026:24 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-08-2026 |
| Datum publicatie: | 08-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2025/62 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | De klaagster heeft een appartement gekocht en de notaris opdracht gegeven om de leveringsakte en de hypotheekakte te verzorgen. Toen bleek dat de bank van de klaagster verlangde dat zij, naast een hypotheek op het appartement, ook een overbruggingshypotheek op haar ‘oude’ woning zou vestigen, rezen er vragen bij de notaris over de beschikkingsbevoegdheid van de klaagster om die overbruggingshypotheek zelfstandig te kunnen vestigen. Volgens de notaris moest daarover eerst duidelijkheid komen.De klaagster verwijt de notaris in de kern dat hij niet heeft meegewerkt aan de hypotheekakte, waardoor ook de levering van het appartement niet kon doorgaan op de beoogde overdrachtsdatum. Daarnaast maakt de klaagster de notaris andere verwijten. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. De notaris moest laveren tussen het risico van (de wellicht onterechte) ministerieverlening en het risico van (de wellicht onterechte) dienstweigering. In zo’n situatie is het algemene uitgangspunt dat een notaris op grond van zijn eigen deskundigheid een gefundeerde afweging moet maken. De notaris heeft terecht kunnen besluiten om de hypotheekakte (en dus ook de leveringsakte) niet te passeren. |
Klachtnummer : SHE/2025/62
Datum uitspraak : 31 augustus 2026
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:
[de klaagster] (hierna: de klaagster)
wonende in [woonplaats]
gemachtigde: de heer mr. G.M. de Weerd, advocaat in Doorn
tegen
[de notaris] (hierna:de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: de heer mr. W. Knoester, advocaat in Rotterdam
1. De zaak in het kort
In 2024 heeft de klaagster een appartement gekocht en de notaris opdracht gegeven om de leveringsakte en de hypotheekakte te verzorgen. Toen bleek dat de bank van de klaagster verlangde dat zij, naast een hypotheek op het appartement, ook een overbruggingshypotheek op haar ‘oude’ woning zou vestigen, rezen er vragen bij de notaris over de beschikkingsbevoegdheid van de klaagster om die overbruggingshypotheek zelfstandig te kunnen vestigen. Volgens de notaris moest eerst duidelijk worden of de klaagster daartoe alleen bevoegd was of slechts samen met haar zoon en dochter.
De klaagster verwijt de notaris in de kern dat hij niet heeft meegewerkt aan de hypotheekakte, waardoor ook de levering van het appartement niet kon doorgaan op de beoogde overdrachtsdatum. Daarnaast verwijt de klaagster de notaris dat hij haar te laat heeft gewaarschuwd, niet adequaat heeft gecommuniceerd, geen oplossing heeft aangedragen, haar klacht en aansprakelijkstelling niet adequaat heeft opgepakt en zijn factuur niet heeft gecrediteerd.
2. Het verloop van de procedure
De beslissing van de kamer is gebaseerd op:
- de klacht (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 27 oktober 2025;
- de reactie van de notaris op de klacht (met bijlagen);
- de toelichting die partijen op hun standpunt hebben gegeven bij de mondelinge behandeling van de klacht op 8 juni 2026: die toelichting is vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling.
3. De feiten
De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klacht, worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer onder “5. De beoordeling” verder in op de feitelijke gang van zaken.
1. De klaagster was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [naam echtgenoot] (hierna: erflater). Zij hebben samen de woning aan [adresgegevens woning] (hierna: de woning) in eigendom verkregen.
2. Op [datum] 2023 is erflater overleden. Hij heeft op basis van zijn testament van 21 februari 1984 de klaagster, hun zoon de heer [naam zoon] (hierna: de zoon) en hun dochter mevrouw [naam dochter] (hierna: de dochter) als zijn enige erfgenamen achtergelaten. In zijn testament heeft erflater de ouderlijke boedelverdeling (artikel 1167 Boek 4 van het oud Burgerlijk Wetboek) opgenomen, waardoor alle goederen van zijn nalatenschap - waaronder zijn aandeel in de woning - zijn toebedeeld aan de klaagster. De zoon en de dochter hebben een niet-opeisbare vordering op de klaagster gekregen. Erflater heeft geen executeur benoemd.
3. In maart 2024 heeft de klaagster het appartement aan [adresgegevens appartement] (hierna: het appartement) gekocht van een derde (hierna: de verkoper). In de koopovereenkomst staat onder andere:
- dat de leveringsakte op 18 april 2024 zal worden gepasseerd (artikel 4);
- dat de (ver)koper een boete verschuldigd kan zijn ingeval van ingebrekestelling (artikel 14);
- een financieringsvoorbehoud tot en met 5 april 2024, met de verplichting voor de klaagster om bij een beroep op het financieringsvoorbehoud ervoor te zorgen dat de mededeling daarover uiterlijk op de eerste werkdag na 5 april 2024 door de verkoper of de verkopend makelaar moet zijn ontvangen (artikel 18).
4. Op 19 maart 2024 heeft het kantoor van de notaris de koopovereenkomst ontvangen met het verzoek om de leveringsakte te verzorgen. Op verzoek van de klaagster is het contact met het notariskantoor via de zoon gelopen.
5. Op 2 april 2024 heeft het notariskantoor de hypotheekopdracht van Obvion ontvangen. Hierin stond dat de klaagster ten behoeve van Obvion niet alleen een hypotheek op het appartement moest vestigen, maar ook een hypotheek op de woning in verband met een overbruggingskrediet.
6. Op dezelfde dag heeft notarisklerk de heer [naam notarisklerk] (hierna: de medewerker) een kadastrale inzage gedaan voor de woning. Hieruit bleek dat de woning mede op naam stond van erflater. Vervolgens heeft de medewerker het Centraal Testamentenregister geraadpleegd en informatie uit het boedelregister opgevraagd. Hieruit volgde dat erflater een testament had gemaakt, maar dat er nog geen verklaring van erfrecht was opgemaakt met betrekking tot zijn nalatenschap.
7. Op 3 april 2024 heeft de medewerker de zoon in een telefoongesprek geïnformeerd over zijn bevindingen. Aan de zoon is gevraagd of hij erflaters testament van 21 februari 1984 kon verstrekken.
8. Op 4 april 2024 heeft de zoon aan zijn accountant onder andere het volgende gevraagd:
“Op dit moment zijn we voor mijn moeder een nieuw appartement aan het kopen. Hiervoor is een overbruggingskrediet nodig. Hiervoor moet de huidige woning als onderpand gaan dienen. Uiteraard wil de notaris weten of mijn moeder dit ook zomaar mag doen en wijst ons op het testament uit 1984 (in de bijlage toegevoegd). Weet jij zo of er iets van bijzonderheden te verwachten zijn?/mag mijn moeder zelf besluiten deze woning als onderpand te laten dien?”
9. Op 5 april 2024 heeft de zoon een kopie van erflaters testament aan de medewerker gestuurd. In de begeleidende e-mail staat onder andere:
“Bedankt dat u ons wees op het testament. Op basis van eerdere informatie had ik (kennelijk ten onrechte) opgevat dat dit testament verlopen was/niet van toepassing was. Daarmee had ik dit testament in de hectische en emotionele periode rondom het overlijden van mijn vader, dan ook volledig buiten mijn aandachtsgebied geplaatst. Door uw opmerking is het testament opnieuw onder mijn aandacht gekomen en blijkt het enorm helpend met meerdere kwesties die nu actueel zijn. Dus bedankt voor uw zorgvuldig optreden.”
10. Op dezelfde dag heeft de medewerker aan de zoon geantwoord:
“lk heb het testament van uw vader ontvangen, er is sprake van een zogenaamd langstlevende testament. Dit houdt in dat alle goederen die tot de nalatenschap behoren, worden toegedeeld aan uw moeder als langstlevende echtgenote. Echter hier is wel een voorwaarde aan verbonden, namelijk dat de nalatenschap door alle kinderen aanvaardt is. Omdat geen verklaring van erfrecht is opgemaakt, is mij niet bekend hoeveel kinderen er zijn en of deze de nalatenschap hebben aanvaard. Wij zullen in dat geval een afstammelingenonderzoek moeten doen bij de gemeente. Uit dit onderzoek zal dan blijken hoeveel kinderen er zijn en dan kan vastgesteld worden of alle kinderen de nalatenschap aanvaard hebben. Probleem is de tijd, ik weet namelijk niet of de gemeente dit onderzoek vóór het passeren van de akte op 18 april aanstaande heeft afgerond. Het volgende kan een oplossing zijn. Als het goed is, is na het overlijden van uw vader aangifte erfbelasting gedaan bij de belastingdienst. Hebt u voor mij een kopie van deze ingediende aangifte ? Wellicht is deze al voldoende om te kunnen vaststellen hoeveel kinderen er zijn en of alle kinderen de nalatenschap aanvaard hebben.
Mocht u naar aanleiding van deze mail vragen hebben, verzoek ik u contact met mij op te nemen.”
11. Op 8 april 2024 heeft de zoon in een telefoongesprek aan de medewerker meegedeeld dat er nog geen aangifte erfbelasting was gedaan. Ook heeft hij de medewerker verteld dat de dochter was gebrouilleerd met hem en de klaagster en dat de dochter alleen bereikbaar was via haar advocaat.
12. In de daaropvolgende dagen hebben de zoon en de medewerker meerdere keren telefonisch contact gehad met elkaar en heeft de zoon meegedeeld erflaters nalatenschap zuiver te aanvaarden. Op 12 april 2024 heeft de medewerker aan de zoon bericht dat het vestigen van een (overbruggings)hypotheek op de woning niet mogelijk was, zolang niet duidelijk was welke keuze de dochter had gemaakt over de aanvaarding van erflaters nalatenschap. Indien de dochter erflaters nalatenschap namelijk beneficiair zou aanvaarden, zou de vereffeningsprocedure van toepassing zijn. Volgens de medewerker zou dat tot gevolg hebben dat alle erfgenamen samen vereffenaar zijn en ook alleen samen beschikkingsbevoegd zijn om een overbruggingshypotheek te vestigen op de woning.
13. Omdat niet duidelijk was welke keuze de dochter had gemaakt over de aanvaarding van erflaters nalatenschap, hebben zowel de notaris als de zoon aan (de advocaat van) de dochter gevraagd om hierover contact op te nemen. Dat heeft tot niets geleid.
14. De leveringsakte van het appartement en de hypotheekakte zijn op 18 april 2024 niet gepasseerd. Op dezelfde dag heeft de verkoper de klaagster in gebreke gesteld.
15. Op 23 april 2024 heeft de zoon namens de klaagster de aan het kantoor van de notaris gegeven opdracht om de levering van het appartement en de hypotheekakte te verzorgen, ingetrokken. Aan de medewerker is meegedeeld dat de zaak bij notaris mr. [naam andere notaris] (hierna: mr. [X]) wordt ondergebracht.
16. De notaris heeft de klaagster een factuur van € 1.000,-- gestuurd voor de verrichte werkzaamheden.
17. Op 29 april 2024 hebben de verkoper en de klaagster vastgelegd dat het appartement alsnog aan de klaagster zal worden geleverd en dat de klaagster een boete van 8% van de koopprijs (€ 32.560,--) via mr. [X] aan de verkoper zal voldoen.
18. Op 2 mei 2024 heeft mr. [X] de levering van het appartement verzorgd en de hypotheekakte gepasseerd, waarbij de klaagster een hypotheek heeft gevestigd op het appartement en een overbruggingshypotheek op de woning.
19. Op 26 juni 2024 heeft de gemachtigde van de klaagster (de medewerker van) de notaris namens de klaagster aansprakelijk gesteld voor de door de klaagster geleden schade. Volgens de klaagster was zij zelfstandig bevoegd om een overbruggingshypotheek op de woning te vestigen en had de notaris daaraan zijn medewerking moeten verlenen.
20. Op 8 juli 2024 heeft de notaris inhoudelijk gereageerd, aansprakelijkheid afgewezen en meegedeeld dat hij de kwestie bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar (hierna: de verzekeraar) heeft gemeld.
21. Op verzoek van de klaagster heeft de kantonrechter op 2 augustus 2024 de dochter (kort gezegd) een termijn van één maand gesteld om een keuze te maken over de aanvaarding van erflaters nalatenschap. In de beslissing wordt de dochter erop gewezen dat als zij binnen die termijn geen keuze maakt, zij geacht wordt de nalatenschap zuiver te hebben aanvaard.
22. Op 9 augustus 2024 heeft de gemachtigde van de klaagster aan de notaris meegedeeld dat de klaagster het niet eens is met de afwijzing van de aansprakelijkheid en dat de notaris zijn resultaatsverplichting niet is nagekomen.
23. Op 23 september 2024 heeft de notaris inhoudelijk gereageerd en onder andere geantwoord dat het onredelijk zou zijn als hij geen compensatie zou ontvangen voor de verrichte werkzaamheden. De notaris heeft aangekondigd de factuurkwestie voor te leggen aan de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) en aan de verzekeraar. Verder heeft hij bericht dat de verzekeraar op de hoogte is van zijn briefwisselingen met de gemachtigde van de klaagster.
24. Op 9 oktober 2024 heeft de gemachtigde van de klaagster een reactie gestuurd naar de notaris.
25. Op 12 november 2024 heeft de gemachtigde van de klaagster de notaris gewezen op de beslissing van de kantonrechter van 2 augustus 2024 en op het feit dat de dochter binnen de gestelde termijn geen keuze heeft gemaakt over de aanvaarding van erflaters nalatenschap. De gemachtigde van de klaagster heeft geconcludeerd dat de dochter erflaters nalatenschap op grond van de wet zuiver heeft aanvaard en dat de klaagster dus altijd beschikkingsbevoegd is geweest om de overbruggingshypotheek op de woning te vestigen. De gemachtigde van de klaagster heeft meegedeeld met de verzekeraar te willen overleggen over een door de notaris te betalen schadevergoeding.
26. De notaris heeft op dezelfde dag aangekondigd de kwestie ook aan de KNB voor te leggen en hij heeft de assurantietussenpersoon in de cc van zijn e-mail geplaatst.
27. Op 22 november 2024 heeft de notaris aan de gemachtigde van de klaagster meegedeeld welke twee vragen hij aan de KNB heeft gesteld. De notaris heeft zijn assurantietussenpersoon opnieuw in de cc van zijn e-mail geplaatst.
28. Op dezelfde dag heeft de gemachtigde van de klaagster aan de notaris bericht dat niet alle relevante vragen aan de KNB zijn gesteld en heeft hij gevraagd om de contactgegevens van de verzekeraar.
29. Op 13 december 2024 heeft de gemachtigde van de klaagster een reminder gestuurd naar de notaris.
30. Op 16 december 2024 heeft de notaris geantwoord dat:
- de assurantietussenpersoon namens hem contact heeft opgenomen met de verzekeraar;
- de verzekeraar dus volledig op de hoogte is van de kwestie;
- hij nog diezelfde week de assurantietussenpersoon en de verzekeraar zal benaderen om de zaak te bespoedigen; en
- hij de KNB heeft gerappelleerd.
De notaris heeft zijn assurantietussenpersoon wederom in de cc van zijn e-mail geplaatst.
31. Op 27 januari 2025 heeft de notaris de “onlangs” door hem ontvangen contactgegevens van de verzekeraar doorgegeven aan de gemachtigde van de klaagster. Verder heeft hij meegedeeld dat hij een “(mondelinge) reactie” van de KNB heeft ontvangen, die zijn eerder ingenomen standpunten onderbouwen.
32. De gemachtigde van de klaagster en de verzekeraar hebben geprobeerd om een minnelijke regeling te treffen, maar dat is niet gelukt.
4. De klacht
4.1. De klacht van de klaagster bevat - samengevat - de volgende klachtonderdelen.
1. De notaris heeft ten onrechte geweigerd om de leveringsakte en de hypotheekakte te passeren.
2. De notaris heeft het vermeende probleem niet tijdig onderkend, hierover niet tijdig gecommuniceerd en niet tijdig opgelost dan wel geadviseerd over een oplossing.
3. De notaris heeft niet tijdig en adequaat gereageerd op de klachten en de aansprakelijkstelling en hij heeft ten onrechte het ‘eigen schuld’-verweer gevoerd.
4. De notaris heeft, ondanks wanprestatie, geweigerd om zijn factuur te crediteren.
4.2. De notaris heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
5. De beoordeling
Is tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?
De maatstaf
5.1. De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen (artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna). De tuchtrechter toetst of:
- hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke wet- en regelgeving;
- zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.
Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken (rechts)personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).
Ook is een notaris in beginsel verplicht om authentieke akten op te maken in de gevallen waarin de wet dit aan hem opdraagt of een partij dat van hem verlangt (ministerieplicht: artikel 21 lid 1 Wna).
Wat vindt de kamer?
5.2. De kamer is van oordeel dat de notaris aan deze maatstaf heeft voldaan en legt hierna per klachtonderdeel uit waarom de kamer tot dit oordeel is gekomen.
Klachtonderdeel 1: (weigeren passeren leveringsakte en hypotheekakte)
De ministerieplicht in het algemeen
5.3. Een notaris heeft een bijzondere positie in het Nederlandse rechtssysteem. Hij is namelijk met uitsluiting van anderen bevoegd authentieke akten op te maken in de gevallen waarin de wet dit aan hem opdraagt of een partij dat van hem verlangt. Vanwege die bijzondere positie is een notaris niet alleen bevoegd, maar ook verplicht om bedoelde diensten te verlenen. Dit wordt de ministerieplicht genoemd. De reden van deze ministerieplicht is dat de dienstverlening door een notaris voor iedereen toegankelijk moet zijn. De ministerieplicht geldt niet in alle gevallen. Lid 2 van artikel 21 Wna bepaalt namelijk dat de notaris verplicht is zijn dienst te weigeren wanneer “naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem verlangd wordt, leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft”.
De ministerieplicht in deze zaak
5.4. De klaagster verwijt de notaris dat hij heeft geweigerd om de leveringsakte en de hypotheekakte te passeren. Volgens de klaagster had de notaris beide akten kunnen passeren, zonder vooraf te weten of de dochter erflaters nalatenschap beneficiair/zuiver zou aanvaarden of verwerpen. De notaris had zijn theoretische bezwaren moeten afwegen tegen de praktische belangen van de klaagster en de verkoper van het appartement. De klaagster heeft een boete verbeurd aan de verkoper, terwijl dat niet had gehoeven als de notaris had gepasseerd.
5.5. De notaris voert hiertegen het volgende aan. Toen duidelijk werd dat de klaagster een overbruggingshypotheek op de woning moest vestigen, moest de notaris onderzoeken of zij daartoe zelfstandig bevoegd was. Uit zijn onderzoek bleek dat niet kon worden uitgesloten dat de klaagster slechts samen met de zoon en de dochter over de woning kon beschikken. De notaris heeft de kwestie intern en extern besproken en extern advies gevraagd. Op basis daarvan heeft hij besloten (voorlopig) niet mee te kunnen werken aan de hypotheekakte. Een mogelijk nietig hypotheekrecht inschrijven is immers in strijd met het recht. Het gevolg was dat de leveringsakte ook niet kon worden gepasseerd. Voor de door de klaagster gestelde belangafweging was geen plaats.
5.6. De kamer stelt voorop dat de zorgplicht van een notaris meebrengt dat hij met inachtneming van de belangen van alle betrokken partijen de rechtszekerheid dient te waarborgen. Een notaris moet daarom zorgen voor een rechtsgeldige akte waarin is verwoord wat partijen bij die akte wensen. Partijen moeten er op kunnen vertrouwen dat de in een notariële akte opgenomen rechtshandeling tot stand is gekomen zonder materieel gebrek en dat de akte niet nietig of vernietigbaar is. Hiervoor moet een notaris onderzoek doen naar de bevoegdheid van partijen, naar hun bedoelingen en naar feitelijke gegevens. In dit geval leverde het onderzoek naar de bevoegdheid van de klaagster onduidelijkheid op of zij beschikkingsbevoegd was om zelfstandig een recht van hypotheek te vestigen op de woning. De onverdeelde helft van de woning behoorde namelijk tot erflaters nalatenschap en het was niet bekend of de dochter erflaters nalatenschap zuiver dan wel beneficiair zou aanvaarden of verwerpen. Aangezien de ouderlijke boedelverdeling van toepassing is op erflaters nalatenschap, zou een eventuele beneficiaire aanvaarding door de dochter betekenen dat de vereffeningsprocedure op de nalatenschap van toepassing zou zijn. Het gevolg hiervan zou zijn dat alle erfgenamen samen vereffenaar zijn en dus alleen samen beschikkingsbevoegd zijn om een overbruggingshypotheek te vestigen op de woning (artikel 4:195 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)). Een eenmaal gedane keuze om een nalatenschap (beneficiair/zuiver) te aanvaarden of te verwerpen is onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap (artikel 4:190 lid 4 BW). Of de terugwerkende kracht van een beneficiaire aanvaarding betekent dat de vereffening dan ook geacht wordt gestart te zijn vanaf het moment van overlijden van een erflater, is niet duidelijk. In de literatuur en de jurisprudentie is geen eenduidig antwoord te vinden op die vraag. Met andere woorden: de notaris wist niet of de klaagster - zonder duidelijkheid over de (aanvaardings)keuze van de dochter - beschikkingsbevoegd was om zelfstandig over het tot erflaters nalatenschap behorende aandeel in de woning te beschikken. De notaris wist ook niet of die beschikkingsbevoegdheid ingeval van een eventuele latere beneficiaire aanvaarding door de dochter met terugwerkende kracht zou ontbreken. In zo’n situatie, waarin een notaris moet laveren tussen het risico van (de wellicht onterechte) ministerieverlening en het risico van (de wellicht onterechte) dienstweigering, is het algemene uitgangspunt dat een notaris op grond van zijn eigen deskundigheid een gefundeerde afweging moet maken[1]. De kamer oordeelt dat de notaris terecht heeft kunnen besluiten om de hypotheekakte op 18 april 2024 niet te passeren. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Daarbij wijst de kamer op het volgende. De notaris:
- heeft in het kader van zijn ministerieplicht en zorgplicht een zorgvuldige afweging willen maken en daarvoor ook advies ingewonnen bij vakgenoten binnen en buiten zijn kantoor, bij de KNB, het Notarieel Bureau en prof. mr. dr. [naam professor];
- is mede op grond van die adviezen tot de conclusie gekomen dat hij zijn ministerie moest opschorten/weigeren en heeft de klaagster daarvan ook op de hoogte gesteld.
De notaris had een gegronde reden voor dienstweigering, zo lang niet duidelijk was welke (aanvaardings)keuze de dochter had gemaakt met betrekking tot erflaters nalatenschap. Het besluit van de notaris om de hypotheekakte niet te passeren, betekende dat ook de leveringsakte van het appartement niet kon worden gepasseerd op 18 april 2024. De kamer is zich ervan bewust dat hiermee de door de klaagster beoogde transacties zijn vertraagd/belemmerd. Aan de ambts- en taakuitoefening van een notaris mag echter geen afbreuk worden gedaan, omdat één of meer partijen spoed wenst/wensen bij een voorgenomen transactie.
Het enkele feit dat een andere notaris een andere afweging heeft gemaakt en de hypotheekakte en leveringsakte twee weken later alsnog heeft gepasseerd, kan niet aan de notaris worden tegengeworpen.
Klachtonderdeel 2 (niet tijdig onderkennen, communiceren, adviseren en oplossen)
5.7. De klaagster verwijt de notaris dat hij het probleem van de beschikkingsonbevoegdheid niet tijdig heeft onderkend. De notaris had zijn onderzoek naar de beschikkingsonbevoegdheid van de klaagster om alleen over de woning te kunnen beschikken meteen bij de opening van het transportdossier moeten onderzoeken. Verder heeft de notaris het probleem niet tijdig gecommuniceerd, niet tijdig opgelost en hij heeft ook niet tijdig geadviseerd over een oplossing.
5.8. De notaris voert hiertegen aan dat pas aanleiding ontstond om te onderzoeken of de klaagster zelfstandig bevoegd was om een overbruggingshypotheek op de woning te vestigen toen op 2 april 2024 uit de hypotheekopdracht van Obvion bleek dat de klaagster een overbruggingshypotheek op de woning moest vestigen. Uit de feiten volgt dat het probleem tijdig is onderkend en opgepakt en ook tijdig is gecommuniceerd met de zoon.
5.9. De kamer oordeelt dat dit klachtonderdeel ongegrond is en licht dat als volgt toe.
Op 19 maart 2024 heeft het kantoor van de notaris de koopovereenkomst ten aanzien van het appartement ontvangen met het verzoek om de leveringsakte te verzorgen. Op verzoek van de klaagster is het contact met het notariskantoor via de zoon gelopen. Op 2 april 2024 heeft het notariskantoor de hypotheekopdracht van Obvion ontvangen. De klaagster heeft niet weersproken dat de notaris er pas op dat moment mee bekend is geworden dat de klaagster niet alleen een hypotheek op het appartement moest vestigen, maar ook een overbruggingshypotheek op de woning. Anders dan de klaagster meent, ontstond dus pas op 2 april 2024 (en niet al op 19 maart 2024) aanleiding om te onderzoeken of de klaagster zelfstandig bevoegd was om een overbruggingshypotheek op de woning te vestigen. De kamer vindt dat (de medewerker van) de notaris het onderzoek vervolgens voortvarend is gestart, de uitkomst van het onderzoek tijdig heeft gedeeld met de zoon en ook al het nodige heeft gedaan om een oplossing te bereiken. Dat volgt uit de volgende gang van zaken.
- Vast staat dat de medewerker het onderzoek naar de beschikkingsbevoegdheid van de klaagster meteen op 2 april 2024 is gestart. Hij heeft een kadastrale inzage gedaan voor de woning, waaruit bleek dat de woning mede op naam stond van erflater. Vervolgens heeft de medewerker op dezelfde dag het Centraal Testamentenregister geraadpleegd en informatie uit het boedelregister opgevraagd. Hieruit volgde dat erflater een testament had gemaakt, maar dat er nog geen verklaring van erfrecht was opgemaakt met betrekking tot zijn nalatenschap.
- Op 3 april 2024 heeft de medewerker de zoon in een telefoongesprek geïnformeerd over zijn bevindingen. Aan de zoon is gevraagd of hij erflaters testament van 21 februari 1984 kon verstrekken.
- Nadat de zoon erflaters testament op 5 april 2024 had verstrekt, heeft de medewerker hem op dezelfde dag gemeld dat er het één en ander moest worden uitgezocht, omdat er nog geen verklaring van erfrecht was opgemaakt met betrekking tot erflaters nalatenschap. De medewerker heeft de zoon erop gewezen dat moest worden uitgezocht hoeveel kinderen erflater had achtergelaten en of die kinderen erflaters nalatenschap hadden aanvaard. Ook heeft de medewerker meegedeeld dat een afstammelingenonderzoek zou moeten worden gedaan bij de gemeente. De medewerker heeft de zoon gewaarschuwd dat dit onderzoek tijd zou kosten en dat hij niet wist of de gemeente het onderzoek vóór de beoogde leveringsdatum van 18 april 2024 zou hebben afgerond. Aan de zoon is daarom gevraagd of na erflaters overlijden aangifte erfbelasting is gedaan bij de belastingdienst en of de zoon in dat geval een kopie van die aangifte kon verstrekken. Een aangifte zou volgende de medewerker wellicht voldoende kunnen zijn om vast te stellen hoeveel kinderen er zijn en of alle kinderen de nalatenschap hebben aanvaard.
- Nadat de zoon de medewerker op 8 april 2024 had meegedeeld dat er nog geen aangifte erfbelasting was gedaan, de dochter was gebrouilleerd met hem en de klaagster en de dochter alleen bereikbaar was via haar advocaat, hebben de zoon en de medewerker in de daaropvolgende dagen meerdere keren telefonisch contact gehad met elkaar.
- Op 12 april 2024 heeft de medewerker aan de zoon uitgelegd dat het vestigen van een overbruggingshypotheek op de woning niet mogelijk was, zolang niet duidelijk was welke keuze de dochter had gemaakt over de aanvaarding van erflaters nalatenschap.
- De notaris heeft de dochter en haar advocaat bij herhaling geprobeerd te bereiken.
- De medewerker heeft de financieel adviseur van de klaagster geïnformeerd over het probleem en de financieel adviseur heeft dat doorgegeven aan Obvion, maar Obvion bleef vasthouden aan de eis dat een overbruggingshypotheek op de woning moest worden gevestigd.
5.10. Anders dan de klaagster meent, kan de notaris niet worden verweten dat hij haar niet heeft geadviseerd om een beroep te doen op het in de koopovereenkomst opgenomen financieringsvoorbehoud. Dat financieringsvoorbehoud gold tot en met 5 april 2024. In artikel 18.1. van de koopovereenkomst staat - kort gezegd - dat de koopovereenkomst door de klaagster kan worden ontbonden, indien zij uiterlijk op 5 april 2024 geen bindend aanbod tot een hypotheeklening van een bank heeft ontvangen. Mocht de klaagster een beroep hebben willen doen op het financieringsvoorbehoud, dan had een mededeling daarover uiterlijk op de eerste werkdag na vrijdag 5 april 2024, ofwel maandag 8 april 2024, door de verkoper of de verkopend makelaar moeten zijn ontvangen. Los van de vraag of op 5 april 2024 aan de voorwaarden zou (kunnen) zijn voldaan voor een beroep op het financieringsvoorbehoud, lag het niet op de weg van de notaris om de klaagster hierover te adviseren. Een notaris moet zich namelijk onpartijdig opstellen. Wanneer hij over een eventueel beroep op het financieringsvoorbehoud advies gaat geven, komt de onpartijdigheid in het geding, zeker wanneer hij dat doet zonder de andere partij (in dit geval: de verkoper van het appartement) hierbij te betrekken. Indien de notaris de klaagster bedoeld advies had gegeven, had hij bij de verkoper de indruk kunnen wekken aan de kant van de klaagster te staan en daarmee de schijn van partijdigheid kunnen wekken.
Klachtonderdeel 3 (niet tijdig en adequaat reageren op klachten en aansprakelijkstelling en voeren van ‘eigen schuld’-verweer)
5.11. De klaagster verwijt de notaris dat:
- hij niets heeft gezegd over een interne klachtbehandeling en het onduidelijk is of het notariskantoor een interne klachtbehandeling heeft;
- hij niet kenbaar heeft gemaakt in welke hoedanigheid (verantwoordelijke notaris of klachtenfunctionaris) hij de afwikkeling van de kwestie heeft overgenomen van de medewerker;
- zijn reacties (met name de brief van 8 juli 2024) niet passen bij een notaris;
- hij de klachten niet serieus neemt en zelfs een eigen schuld-verweer voert;
- hij de aansprakelijkstelling te laat heeft gemeld bij de verzekeraar en er niets aan heeft gedaan om de verzekeraar in beweging te krijgen.
5.12. De notaris voert hiertegen aan dat de klaagster de notaris nooit vragen heeft gesteld over een interne klachtenregeling of de hoedanigheid waarin de notaris heeft gereageerd op de klachten en de aansprakelijkstelling. De notaris heeft de klachten van de klaagster serieus genomen. Dat blijkt volgens de notaris ook uit de omvang en de inhoud van zijn brieven. Voor zover de klaagster de notaris verwijten maakt over de inhoud van zijn reacties, geeft zij geen nadere en concrete toelichting. Verder betwist de notaris dat hij de aansprakelijkstelling te laat heeft gemeld bij de verzekeraar. Dat heeft hij namelijk binnen tien dagen gedaan en op 8 juli 2024 ook meegedeeld aan de gemachtigde van de klaagster. Het is de notaris onduidelijk wat de klaagster precies verstaat onder het “in beweging krijgen” van de verzekeraar, maar voor zover de klaagster het de notaris verwijt dat hij de verzekeraar niet zover heeft gekregen om aansprakelijkheid te erkennen, miskent de klaagster enerzijds de werking van een aansprakelijkheidsverzekering en anderzijds dat de notaris zelf (ook) vindt dat hij niet aansprakelijk is.
5.13. De kamer oordeelt dat dit klachtonderdeel ongegrond is en licht dit oordeel als volgt toe.
Artikel 55 lid 2 Wna bepaalt dat bij verordening regels worden gesteld over de inrichting van een algemene klachten- en geschillenregeling voor het notariaat. Artikel 2 van de Verordening Klachten- en geschillenregeling luidt als volgt: “De notaris draagt zorg voor een kantoorklachtenregeling.” Los van de vraag of de notaris een kantoorklachtenregeling heeft zoals hiervoor bedoeld, is de kamer van oordeel dat hem in dit geval geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Uit de onder “3. De feiten” opgesomde correspondentie volgt namelijk dat de notaris de op 26 juni 2024 aan hem gemelde klachten en de aansprakelijkstelling serieus heeft genomen. Zo heeft hij zelf voortvarend en uitgebreid gereageerd op 8 juli 2024 en 23 september 2024. De kamer ziet in dit geval niet in welk belang de klaagster bij een kantoorklachtenregeling zou hebben, aangezien een klachtenfunctionaris van het notariskantoor de notaris eveneens zou hebben gevraagd een reactie op de klachten te formuleren. Datzelfde geldt voor het verwijt dat onduidelijk zou zijn in welke hoedanigheid de notaris zich met de kwestie heeft beziggehouden (notaris of klachtenfunctionaris). Bovendien is gesteld noch gebleken dat de klaagster de notaris vragen heeft gesteld over zijn hoedanigheid of over het bestaan van een kantoorklachtenregeling. Indien hierover bij klaagster onduidelijkheid bestond, had het op de weg van de klaagster gelegen om de notaris hiervan in kennis te stellen, voordat zij een klacht indiende. De klaagster is in zoverre ook voorbarig met het indienen van dit klachtonderdeel.
5.14. Verder ziet de kamer niet in waarom de notaris een tuchtrechtelijk verwijt zou kunnen worden gemaakt over de inhoud van zijn reacties. De klaagster heeft dit verwijt niet toegelicht, zodat de kamer hieraan voorbij gaat. Voor zover de notaris een eigen schuld-verweer voert, is dit tuchtrechtelijk evenmin verwijtbaar. Het staat een notaris immers vrij zich (in een civiele procedure en/of klachtprocedure) tegen een aansprakelijkstelling en/of klachten te verweren.
5.15. Ten slotte oordeelt de kamer dat de notaris de verzekeraar op tijd heeft ingeschakeld. In de brief van 8 juli 2024 heeft de notaris aan de gemachtigde van de klaagster meegedeeld dat hij de kwestie inmiddels had gemeld bij de verzekeraar. Daarna is de notaris zelf voortvarend blijven reageren op berichten van de gemachtigde van de klaagster. Op 23 september 2024 heeft de notaris aan de gemachtigde van de klaagster bericht dat de verzekeraar op de hoogte is van zijn briefwisselingen met hem. Nadat genoemde gemachtigde op 12 november 2024 had aangegeven met de verzekeraar te willen overleggen, heeft de notaris op dezelfde dag gereageerd en de assurantietussenpersoon in de cc van zijn antwoordmail gezet. De gemachtigde van de klaagster beschikte vanaf dat moment dus over het e-mailadres van de assurantietussenpersoon. In zijn e-mail van 22 november 2024 aan de gemachtigde van de klaagster heeft de notaris de assurantietussenpersoon opnieuw in de cc gezet. Nadat de gemachtigde van de klaagster diezelfde dag heeft gevraagd om de contactgegevens van de verzekeraar, heeft de notaris op 16 december 2024 geantwoord dat de assurantietussenpersoon namens hem contact heeft opgenomen met de verzekeraar, dat de verzekeraar op de hoogte is van de kwestie en dat de notaris nog diezelfde week de assurantietussenpersoon en de verzekeraar zal benaderen om de zaak te bespoedigen. Ook die e-mail is cc naar de assurantietussenpersoon gestuurd. Vervolgens heeft de notaris de ontvangen contactgegevens van de verzekeraar op 27 januari 2025 aan de gemachtigde van de klaagster doorgegeven. Ook deze termijn is, mede gelet op de feestdagenperiode, als voldoende tijdig te beschouwen.
Voor zover de klacht verder inhoudt dat de verzekeraar nadien te lang heeft gewacht met een inhoudelijke reactie op berichten van de gemachtigde van de klaagster, is de kamer van oordeel dat de reactietermijn van de verzekeraar niet aan de notaris kan worden toegerekend. Ook in zoverre valt de notaris dus geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.
Klachtonderdeel 4 (niet crediteren van factuur)
5.16. De klaagster verwijt de notaris dat hij zijn factuur, ondanks zijn ministerieweigering en ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe, niet heeft willen crediteren.
5.17. De notaris voert hiertegen aan dat de tussen hem en de klaagster gesloten overeenkomst van opdracht door de klaagster is opgezegd, maar dat hij wel recht heeft op een vergoeding voor zijn werkzaamheden. Voor zover de klaagster meent dat zij vanuit civielrechtelijk perspectief recht heeft op terugbetaling, voert de notaris aan dat een tuchtprocedure niet tot doel heeft de civielrechtelijke aansprakelijkheid van een notaris vast te stellen. Bovendien is aantoonbaar dat de notaris maar een beperkt deel van de werkelijk uitgevoerde werkzaamheden in rekening heeft gebracht. De symbolische declaratie van € 1.000,00 is ook daarom niet onredelijk.
5.18. De kamer overweegt als volgt. Indien een overeenkomst van opdracht eindigt, voordat de opdracht is voltooid, heeft de opdrachtnemer (in dit geval: de notaris) in beginsel recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon (artikel 7:411 BW).
De kamer kan een geschil over (de hoogte van) een declaratie slechts marginaal toetsen in het licht van de al eerder genoemde algemene tuchtnorm, die is neergelegd in artikel 93 lid 1 Wna. De kamer is van oordeel dat uit de overgelegde urenspecificatie niet blijkt dat er ongebruikelijke werkzaamheden zijn gedeclareerd. Ook de hoogte van de declaratie van € 1.000,-- komt de kamer niet excessief en dus niet onbetamelijk voor. Klachtonderdeel 4 zal daarom ongegrond worden verklaard.
6. De beslissing
De kamer:
verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter, mr. T. Zuidema en mr. E.J.W.M. van Egeraat, leden.
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026 door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Hoger beroep:
U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.
[1] Vergelijk gerechtshof Amsterdam 10 mei 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ5599