ECLI:NL:TNORSHE:2026:23 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2026/32

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2026:23
Datum uitspraak: 31-08-2026
Datum publicatie: 08-09-2026
Zaaknummer(s): SHE/2026/32
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Overig
Beslissingen: Klacht gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Notaris passeert levenstestament voor de vader van klager. Daarin is bepaald dat klager en zijn zus (die al jarenlang gebrouilleerd zijn) alleen samen bevoegd zijn om vader te vertegenwoordigen. Klager heeft redelijk belang bij klacht. Klacht over beoordeling van wilsbekwaamheid vader ongegrond. Klacht over onterecht beroep op geheimhoudingsplicht gegrond. Gelet op vaste rechtspraak van het hof oordeelt de kamer dat de notaris naar aanleiding van de vragen van klager uitleg had moeten geven over de gang van zaken rond de totstandkoming en het passeren van het levenstestament. Dit geldt niet alleen voor een notaris tegen wie een tuchtklacht is ingediend, maar ook voor een notaris aan wie – zoals in deze zaak – door iemand die daarbij een redelijk belang heeft vragen worden gesteld over de gang van zaken rond het tot stand komen van een akte.

Klachtnummer    : SHE/2026/32
Datum uitspraak : 31 augustus 2026

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:


de heer [naam] (hierna: de klager)
wonende in [woonplaats]

tegen

notaris de heer mr. [naam] (hierna:de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: mevrouw mr. M.J.T.M. Verstegen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand

1.         De zaak in het kort

De zaak gaat over het levenstestament dat de vader van de klager bij de notaris heeft gemaakt. Daarin is bepaald dat de klager en zijn zus vader alleen samen kunnen vertegenwoordigen, terwijl zij door onenigheid al meer dan tien jaar geen contact met elkaar hebben. De klager verwijt de notaris dat hij niet voldoende zorgvuldig heeft gecontroleerd of vader dit zelf echt zo wilde regelen. Omdat de notaris geen antwoord heeft gegeven op vragen die de klager hem over de totstandkoming van het levenstestament heeft gesteld, verwijt hij de notaris ook dat hij zich ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht beroept.

2.          Het verloop van de procedure

De beslissing van de kamer is gebaseerd op:

  • de klacht (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 23 maart 2026;
  • de reactie van de notaris op de klacht;
     
  • de toelichting die partijen op hun standpunt hebben gegeven bij de mondelinge behandeling van de klacht op 6 juli 2026: die toelichting is vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling.

3.          De feiten

De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klacht, worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer hierna onder 5 (De beoordeling) verder in op de feitelijke gang van zaken.

3.1.      De klager heeft een zus (hierna: de zus). Sinds het overlijden van hun moeder in 2008 heeft de klager hun vader ondersteund bij zijn administratie en bankzaken en zo nodig ook bij medische en organisatorische kwesties. Op een gegeven moment hebben de klager en de zus onenigheid gekregen over de behartiging van de belangen van vader. Dit heeft ertoe geleid dat zij al ruim tien jaar geen contact meer met elkaar hebben.

3.2.      Op 4 februari 2026 heeft vader bij de notaris een levenstestament gemaakt. Vader heeft de zus en de klager met ingang van die datum benoemd tot zijn vertegenwoordigers, die ten gevolge van deze benoeming volledig bevoegd zijn om over zijn vermogen te beschikken. Daarbij heeft vader onder meer bepaald:

2.2. (…) De vertegenwoordigers kunnen hun taken als vertegenwoordiger alleen samen uitoefenen, maar zij kunnen elkaar wel (beperkte of algemene) ondervolmacht verlenen.”

3.3.      De klager is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het levenstestament en hij wist eerst ook niet dat vader dit had gemaakt. Nadat vader het levenstestament aan hem had laten zien, heeft de klager de notaris op 7 maart 2026 gemaild. Hij heeft de notaris onder meer laten weten dat de verhouding met de zus al zo lang verstoord is en dat hij zich daarom afvraagt of de vastgelegde gezamenlijke vertegenwoordigingsbevoegdheid in de praktijk werkbaar is. Omdat de klager wilde begrijpen hoe de onafhankelijkheid, wilsbekwaamheid en zorgvuldigheid in het proces van totstandkoming zijn gewaarborgd, heeft hij onder meer de volgende vragen aan de notaris gesteld:

“1. Heeft er voorafgaand aan het passeren van het levenstestament een persoonlijk gesprek plaatsgevonden tussen u en mijn vader, zonder aanwezigheid van derden? Aangezien het initiatief voor het opstellen van het levenstestament naar mijn begrip vanuit mijn zus is gekomen, zou ik graag willen begrijpen op welke wijze in dit geval is geborgd dat mijn vader zijn wensen volledig zelfstandig en zonder beïnvloeding van derden met u heeft kunnen bespreken. Heeft er een gesprek plaatsgevonden waarin mijn vader alleen met u of met een medewerker van uw kantoor heeft gesproken over zijn wensen en de inhoud van het levenstestament?

2. Op welke wijze wordt door u vastgesteld dat iemand de inhoud, praktische uitvoerbaarheid en gevolgen van een levenstestament daadwerkelijk begrijpt?

3. Welke stappen worden normaal gesproken genomen om eventuele beïnvloeding door derden te voorkomen wanneer een familielid het initiatief tot een dergelijk document neemt?

4. Is er tijdens het opstellen van het levenstestament expliciet met mijn vader gesproken over de onderlinge relatie tussen de twee benoemde vertegenwoordigers en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan voor de praktische uitvoerbaarheid van het document?”

3.4.      Een juriste/notarisklerk van het kantoor (hierna: de notarisklerk) heeft in een e-mail van 16 maart 2026 onder meer als volgt op het bericht van de klager gereageerd:

“Doordat een notaris (en medewerkers van een notariskantoor) zich hebben te houden aan het beroepsgeheim kan ik u helaas geen diep inhoudelijke reactie geven.

Voor wat betreft het levenstestament van uw vader kan ik aan u bevestigen dat er conform de (wettelijke) regels, zoals het controleren van de wilsbekwaamheid en de wil van uw vader, vanuit ons notariskantoor gehandeld is, zowel tijdens de bespreking als bij de afspraak voor het ondertekenen van het levenstestament. Ten tijde van het bespreken van de inhoud van het levenstestament én het ondertekenen van het levenstestament is geconcludeerd dat uw vader wilsbekwaam was.

De inhoud van het levenstestament is zorgvuldig met uw vader besproken en tijdens de afspraak voor het ondertekenen van het levenstestament nogmaals met hem doorgenomen. Tevens wordt een akte enkel door een notaris ondertekend als de notaris ervan overtuigd is dat de persoon begrijpt wat de inhoud en de gevolgen van de akte zijn.”

3.5.      Diezelfde dag heeft de klager de notarisklerk gemaild en opnieuw enkele concrete vragen gesteld, die zij op 19 maart 2026 per e-mail heeft beantwoord. Het gaat onder meer om de volgende vragen (hierna schuin weergegeven) en antwoorden:

  • “Of voorafgaand aan het passeren van de akte een persoonlijk gesprek tussen de notaris en mijn vader heeft plaatsgevonden zonder aanwezigheid van derden;

Hier mag ik helaas geen antwoord op geven vanwege het beroepsgeheim waaraan notarissen en medewerk(st)ers van notarissenkantoren aan gehouden zijn.

  • Op welke wijze is vastgesteld dat mijn vader de inhoud en de gevolgen van het levenstestament volledig kon overzien;

De inhoud van de bespreking mag ik, vanwege het beroepsgeheim, niet met u delen. Zoals reeds eerder aangegeven is de inhoud van het levenstestament zowel tijdens de bespreking als tijdens de afspraak voor het ondertekenen van de akte met uw vader doorgenomen en zijn eventuele belangrijke gevolgen voortvloeiende uit de akte met uw vader besproken.

  • Of bij deze beoordeling gebruik is gemaakt van het binnen de notariële beroepsgroep gehanteerde stappenplan voor de beoordeling van de wilsbekwaamheid;

De wilsbekwaamheid van uw vader is op meerdere momenten gecontroleerd (tijdens de bespreking en tijdens de afspraak voor het ondertekenen van de akte), zoals dit door een notaris dan wel medewerk(st)er van een notariskantoor gedaan dient te worden.”

3.6.      De klager heeft deze klacht op 23 maart 2026 ingediend.

4.          De klacht

4.1.      De kamer heeft de klacht zo begrepen dat de klager de notaris samengevat verwijt dat hij:

1. bij de totstandkoming van het levenstestament onvoldoende zorgvuldig is geweest bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid en de vrije wilsvorming van vader;

2. naar aanleiding van de vragen van de klager over de totstandkoming van het levenstestament ten onrechte een beroep op zijn geheimhoudingsplicht heeft gedaan.

5.          De beoordeling

Kan de kamer de klacht behandelen?

5.1.      De kamer moet eerst beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan om de klacht te kunnen  behandelen (de ontvankelijkheid van de klacht). Eén van die voorwaarden is dat een klager “enig redelijk belang” moet hebben bij de klacht. Dat staat in artikel 99 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna). Het begrip “enig redelijk belang” moet ruim worden opgevat: het kan een rechtstreeks belang zijn, maar ook een indirect of afgeleid belang en het belang kan onder meer volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of betrekking hebben op handhaving van de beroepsnormen en beroepsregels voor het notariaat.

5.2.      Volgens de notaris kan de klager niet als belanghebbende worden aangemerkt omdat hij geen partij was bij de totstandkoming van het levenstestament. De kamer is echter van oordeel dat de klager wel als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat in het levenstestament is bepaald dat hij vader alleen sámen met de zus kan vertegenwoordigen.

Conclusie:

5.3.      De klacht is ontvankelijk, dus de kamer kan de klacht inhoudelijk beoordelen.  

Is tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?

De maatstaf

5.4.      De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar volgens artikel 93 lid 1 Wna behoort te doen. De tuchtrechter toetst of:

  • hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere wetten en regelgeving;
  • zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.

Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle (rechts)personen die bij de rechtshandeling betrokken zijn op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).

Wat vindt de kamer?

5.5.      De kamer vindt dat de notaris ten aanzien van klachtonderdeel 1 aan de genoemde maatstaf heeft voldaan. Ten aanzien van klachtonderdeel 2 vindt de kamer dat de notaris daaraan niet heeft voldaan. Hierna legt de kamer per klachtonderdeel uit waarom zij tot dit oordeel is gekomen.

Klachtonderdeel 1: beoordeling wilsbekwaamheid en vrije wilsvorming

5.6.      De klager vraagt zich af of de notaris bij de totstandkoming van het levenstestament voldoende zorgvuldig is geweest bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van vader en of hij voldoende heeft gewaarborgd dat vader zijn wil onafhankelijk – zonder beïnvloeding van derden – aan de notaris heeft kunnen overbrengen.

5.7.      Bij de beoordeling van die vraag is uitgangspunt dat iedereen die handelingsbekwaam is (niet onder curatele is gesteld) een (levens)testament kan maken. Als iemand een levenstestament wil maken, moet een notaris in beginsel zijn ministerie (dienst) verlenen en doen wat vereist is om de wensen van iemand (hierna: de cliënt) vast te leggen in een akte. Zoals bij elke akte moet een notaris daarbij de wilsbekwaamheid van de cliënt beoordelen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële tuchtrechter, hierna: het hof) moet bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid primair worden uitgegaan van de eigen waarneming van een notaris, onder meer op basis van de indruk die de cliënt in een gesprek maakt en de wijze waarop deze zich presenteert. Een notaris heeft daarbij een redelijke beoordelingsvrijheid. Pas bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid van de cliënt is verder onderzoek aangewezen. Het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid van de Koninklijke Notariële Beroepsvereniging (hierna: het Stappenplan) geeft hiervoor een handreiking. In het Stappenplan zijn indicatoren genoemd die aanleiding kunnen zijn voor een nadere beoordeling van de wilsbekwaamheid. Als een notaris – ook al is hij/zij bekend met het bestaan van één of meer indicatoren – geen aanleiding hoeft te hebben om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van een cliënt, hoeft het Stappenplan niet te worden gevolgd. Ook als achteraf uit een rapport van een deskundige of uit verklaringen van getuigen valt af te leiden dat een cliënt op het moment van een bespreking of het passeren van de akte (mogelijk) niet als wilsbekwaam kon worden aangemerkt, betekent dit nog niet zonder meer dat dit ook aan een notaris duidelijk had moeten zijn geweest. Of dit zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval.[1] Het gaat in een tuchtzaak als deze overigens niet om de vraag of vader op het moment van het passeren van het levenstestament wilsbekwaam was, maar of de notaris daaraan in de gegeven omstandigheden moest twijfelen.

5.8.      Verder is het een kernverantwoordelijkheid van een notaris om ervoor te waken dat iemand die een (levens)testament maakt daarbij zijn of haar éigen keuzes maakt.[2] Een notaris moet daarom alles doen wat nodig is om zich ervan te verzekeren dat iemand die een levenstestament wil maken bij het vormen en uiten van zijn/haar wil niet op ongewenste wijze is of wordt beïnvloed door (de aanwezigheid van) een derde. Een notaris heeft de vrijheid om te bepalen op welke wijze deze verplichting wordt uitgevoerd. Volgens het hof voldoet een notaris in beginsel aan deze verplichting als op enig moment bij de voorbereiding of het passeren van het levenstestament de relevante aspecten daarvan met de cliënt afzonderlijk – dus zonder aanwezigheid van derden – worden besproken. Als een notaris daar niet voor kiest, mag worden verwacht dat deze keuze en de daarbij gemaakte afwegingen achteraf (als daarover vragen rijzen) kunnen worden verantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.

5.9.      Bij de mondelinge behandeling heeft de notaris in reactie op vragen van de kamer (alsnog) informatie gegeven over de gang van zaken bij de totstandkoming van het levenstestament. Samengevat heeft de notaris daarover het volgende verklaard:

  • vader was geen cliënt van het notariskantoor;
  • de zus heeft contact opgenomen met het notariskantoor om een afspraak te maken voor een gesprek over het levenstestament;
  • op 9 december 2025 hebben vader en de zus hebben een eerste gesprek gehad met de notarisklerk: “na de koffie” is de zus naar de wachtkamer gegaan en heeft de notarisklerk onder vier ogen met vader besproken wat hij in het levenstestament wilde regelen;
  • de notarisklerk heeft in haar gespreksaantekeningen vermeld dat de klager de bankzaken voor vader regelde;
  • de notarisklerk heeft daarna een conceptlevenstestament opgesteld, dat ter beoordeling per post aan vader is gestuurd;
  • op 4 februari 2026 hebben de zus en vader een gesprek gehad met de notaris: “na de koffie” is de zus naar de wachtkamer gegaan en heeft de notaris onder vier ogen met vader gesproken over de inhoud van het conceptlevenstestament, dat de notaris daarna (ongewijzigd) heeft gepasseerd.

5.10.     De notaris heeft in zijn verweerschrift gesteld dat vader expliciet heeft gevraagd om de klager en de zus samen als zijn vertegenwoordigers aan te wijzen en dat met onmiddellijke ingang te doen om zoveel mogelijk te voorkomen dat bewind, curatele of mentorschap nodig zou zijn. Bij de mondelinge behandeling heeft de notaris verklaard dat vader heel helder was en dat hij zelf heeft verteld wat hij wilde regelen. Dat hij in het levenstestament heeft bepaald dat de klager en de zus hun taken als vertegenwoordiger alleen samen kunnen uitoefenen, is volgens de notaris het gevolg van de gesprekken die de notarisklerk en hijzelf met vader hebben gehad. Daarbij merkt de kamer op dat de notaris tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het handelen en nalaten van de betrokken notarisklerk, die zelf niet onder het notariële tuchtrecht valt. De notaris heeft verklaard dat zowel de notarisklerk als hijzelf heeft gevraagd naar de onderlinge relatie tussen de kinderen, maar dat deze volgens vader geen probleem vormde om het zo te regelen. Als vader had verteld dat de klager en de zus zwaar gebrouilleerd waren, zou hij dat anders hebben gedaan, aldus de notaris.

5.11.     De klager heeft naar voren gebracht dat vader – die op dat moment 85 jaar oud was – eigenlijk niet wist wat hij had ondertekend, dat begrippen als een volmacht en bewindvoering hem niets zeiden, dat hij zich de gang van zaken rond de totstandkoming van het levenstestament en bijvoorbeeld of hij de notaris alleen had gesproken niet goed kon herinneren en dat “het” van hem niet had gehoeven.

5.12.     Het is begrijpelijk dat deze reactie van vader bij de klager vragen heeft opgeroepen over de totstandkoming van het levenstestament, zeker omdat dit pas kort daarvoor tot stand was gekomen en de notaris bovendien niet bereid bleek om deze vragen te beantwoorden. De kamer heeft echter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring die de notaris inmiddels heeft afgelegd over de gang van zaken. Daarom gaat de kamer ervan uit dat de zus inderdaad het initiatief heeft genomen voor het opmaken van het levenstestament en dat zij bij het begin van de gesprekken van vader met de notarisklerk en de notaris aanwezig is geweest, maar dat de notarisklerk en de notaris vervolgens in deze gesprekken – waar de nodige (bedenk)tijd tussen heeft gezeten – onder vier ogen met vader hebben gesproken over zijn wensen voordat het levenstestament werd gepasseerd. Omdat vader bij die gesprekken kennelijk heeft gezegd dat hij zijn béide kinderen als zijn gezamenlijke gevolmachtigden wilde benoemen, terwijl hij toen niet (duidelijk) kenbaar heeft gemaakt dat de relatie tussen hen al jarenlang ernstig was verstoord, vindt de kamer het niet verwijtbaar dat de notarisklerk en/of de notaris op dat moment niet verder heeft/hebben doorgevraagd naar de onderlinge verstandhouding tussen de kinderen. Dat vader aan de klager heeft verteld dat hij zich de gang van zaken niet meer (goed) kan herinneren en dat hij eigenlijk niet (goed) weet wat er in het levenstestament staat, vindt de kamer onvoldoende om aan te nemen dat de notarisklerk en de notaris bij de gesprekken en het uiteindelijke passeren van de akte in de gegeven omstandigheden onvoldoende alert zijn geweest op de wilsbekwaamheid van vader. Daarbij weegt de kamer mee dat  aan de notaris een redelijke beoordelingsvrijheid toekomt, terwijl de kamer vindt dat de klager geen voldoende gemotiveerde stellingen heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Nu de notarisklerk en de notaris bovendien allebei onder vier ogen met vader hebben gesproken over de inhoud van het levenstestament voordat dit werd gepasseerd, is de kamer van oordeel dat in de gegeven omstandigheden voldoende is gewaarborgd dat vader zijn wil vrij en onafhankelijk kon uiten. Daarom is klachtonderdeel 1 ongegrond.

Klachtonderdeel 2: beroep op geheimhoudingsplicht

5.13.     De klager verwijt de notaris dat hij naar aanleiding van zijn vragen over de totstandkoming van het levenstestament ten onrechte een beroep op zijn geheimhoudingsplicht heeft gedaan.

5.14.     De notaris stelt echter dat hij en zijn medewerkers zich terecht op deze geheimhoudingsplicht hebben beroepen.

De geheimhoudingsplicht in het algemeen

5.15.     Een notaris is in beginsel verplicht tot geheimhouding van alle informatie waarvan hij in verband met zijn werkzaamheden als notaris kennis neemt (artikel 22 lid 1 Wna). Iemand die een notaris raadpleegt voor juridische bijstand of advies, moet erop kunnen vertrouwen dat wat aan de notaris wordt toevertrouwt, niet openbaar wordt gemaakt. Het grote belang van de geheimhoudings-plicht blijkt ook uit artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. In dat artikel staat dat het schenden van het beroepsgeheim strafbaar is. De geheimhoudingsplicht kan alleen in uitzonderlijke gevallen door een notaris of door een rechter worden doorbroken. De vraag hoe ver de geheimhoudingsplicht van een notaris zich uitstrekt, wordt in beginsel door de betrokken notaris zelf beantwoord. Immers, alleen de betrokken notaris kan precies beoordelen of bepaalde gegevens onder zijn verschoningsrecht vallen.

5.16.     Dit betekent niet dat een notaris helemaal niets mag verklaren over zijn contact met een cliënt. Het is vaste rechtspraak van het hof dat in zijn algemeenheid de geheimhoudingsplicht van een notaris niet geldt voor de wijze waarop een notaris te werk is gegaan. Het hof heeft geoordeeld dat het voor een notaris goed mogelijk is om zonder schending van zijn geheimhoudingsplicht informatie te geven over:
-           de gang van zaken die heeft geleid tot de totstandkoming van een akte;
-           de wijze waarop hij zich een oordeel heeft gevormd over de wilsbekwaamheid van een cliënt. Deze regel geldt niet alleen voor een notaris tegen wie een tuchtklacht is ingediend, maar ook voor een notaris aan wie – zoals in deze zaak – door iemand die daarbij een redelijk belang heeft vragen worden gesteld over de gang van zaken rond het tot stand komen van een akte. Zou dit anders zijn, dan zou iemand die zo’n redelijk belang heeft, gedwongen zijn een klacht in te dienen om een notaris tot spreken te bewegen. Het is aan de notaris om zich, als hij dat nodig acht, te beroepen op zijn geheimhoudingsplicht en als dat nodig en mogelijk is uit te leggen dat zijn geheimhoudingsplicht hem belet de gestelde vragen te beantwoorden.[3]

De geheimhoudingsplicht in deze zaak

5.17.     Zoals onder de feiten is vermeld, heeft de klager op 7 maart 2026 en 16 maart 2026 concrete vragen gesteld over de gang van zaken bij de totstandkoming van het levenstestament. Zo wilde de klager onder meer weten:

  • of vader voorafgaand aan het passeren van de akte een persoonlijk gesprek met de notaris en/of een medewerker had gehad over zijn wensen voor het levenstestament;
  • of daar derden bij aanwezig waren geweest;
  • op welke wijze is vastgesteld dat vader de inhoud en de gevolgen van het levenstestament kon overzien;
  • of daarbij gebruik is gemaakt van het Stappenplan;
  • op welke wijze is gewaarborgd dat vader zijn wensen volledig zelfstandig en zonder beïnvloeding van derden heeft kunnen bespreken;
  • of expliciet met vader is gesproken over de onderlinge relatie tussen de benoemde vertegenwoordigers omdat zij alleen gezamenlijk kunnen optreden.

5.18.     Uit de hiervoor onder 3.4. en 3.5 geciteerde reactie op deze vragen blijkt dat deze niet inhoudelijk zijn beantwoord wegens een beroep op de geheimhoudingsplicht. De notaris heeft deze vragen ook niet in het verweerschrift beantwoord. Daarin is juist gesteld dat het niet alleen gerechtvaardigd, maar zelfs verplicht was om te weigeren de vragen van de klager te beantwoorden. Pas bij de mondelinge behandeling heeft de notaris de vragen beantwoord die de kamer over de totstandkoming van het testament aan hem heeft gesteld: deze vragen komen in de kern overeen met de vragen van de klager.

5.19.     Gelet op de onder 5.16. genoemde vaste rechtspraak van het hof is de kamer van oordeel dat de notaris naar aanleiding van de vragen van de klager uitleg had moeten geven over de gang van zaken rond de totstandkoming en het passeren van het levenstestament. Zo had van de notaris verwacht mogen worden dat hij de klager had geïnformeerd over wie het initiatief tot dienstverlening had genomen en wanneer dat was gebeurd, wanneer gesprekken hadden plaatsgevonden en wie daarbij (al dan niet gedeeltelijk) aanwezig waren geweest, wanneer een concept is toegezonden en aan welk (mail)adres dat is gestuurd, wie op dat concept heeft gereageerd en bijvoorbeeld ook aan wie de factuur is gestuurd en wie deze heeft voldaan. Bovendien had het op de weg van de notaris gelegen om uit te leggen hoe hij de wilsbekwaamheid en de onafhankelijke wilsvorming van vader concreet heeft beoordeeld en/of waarom hij ervan overtuigd was dat de regeling in het levenstestament daadwerkelijk overeenstemde met de wil van vader en dat vader de gevolgen daarvan kon overzien. De algemene mededeling dat er conform de (wettelijke) regels was gehandeld en dat een akte alleen door een notaris wordt ondertekend als deze ervan overtuigd is dat de betrokkene begrijpt wat de inhoud en de gevolgen van de akte zijn, is dus niet voldoende. Als de notaris van mening was dat zijn geheimhoudingsplicht hem belette om (bepaal)de vragen te beantwoorden, dan had het op zijn weg gelegen om – meer concreet dan is gedaan – aan de klager uit te leggen waarom hij dat vond. De kamer is dan ook van oordeel dat de notaris ten onrechte een beroep op zijn geheimhoudingsplicht heeft gedaan. Daarom is klachtonderdeel 2 gegrond.

Conclusie en maatregel

5.20.     Als een klacht (gedeeltelijk) gegrond is, kan de kamer afhankelijk van de ernst en aard van het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen of nalaten een tuchtmaatregel opleggen. De kamer is om de volgende redenen van oordeel dat daar aanleiding voor is. Van een notaris mag worden verwacht dat hij zich bewust is van de omvang van zijn geheimhoudingsplicht. De notaris heeft de vragen van de klager over de gang van zaken rond de totstandkoming van het levenstestament en de wijze waarop hij zich een oordeel heeft gevormd over de wilsbekwaamheid en vrije wilsvorming van vader in strijd met de al jarenlang bestendige lijn die volgt uit de vaste rechtspraak van de hoogste notariële tuchtrechter niet (voldoende) beantwoord. Daardoor heeft de klager, die een redelijk belang heeft bij de beantwoording van die vragen, zich genoodzaakt gezien om deze tuchtklacht in te dienen om de gevraagde informatie alsnog van de notaris te krijgen. Deze handelwijze is in strijd met de zorgvuldigheid die van de notaris had mogen worden verwacht. Omdat zorgvuldigheid één van de kernwaarden is van het notariële ambt, rekent de kamer dit de notaris aan. In het voordeel van de notaris weegt mee dat hij een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft. Alles afwegende is de kamer van oordeel dat kan worden volstaan met het opleggen van de tuchtmaatregel van een waarschuwing.

Proceskosten

Terugbetaling griffierecht

5.21.     Omdat de kamer de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet de notaris op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door de klager betaalde griffierecht van € 50,00 aan hem vergoeden.

Kostenveroordeling ten behoeve van de klager

5.22.     De kamer zal de notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder a Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 veroordelen in de kosten die de klager in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken: deze kosten zijn vastgesteld op een bedrag van € 50,00.

5.23.     De notaris moet het griffierecht en de hiervoor genoemde kosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan de klager betalen. De klager moet daarvoor tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan de notaris.

Kostenveroordeling ten behoeve van de kamer

5.24.     Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder b Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 2.000,00 met een wegingsfactor 1. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven om een andere wegingsfactor te hanteren. De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald. De notaris zal hiervoor een nota ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) in Utrecht.

6.          De beslissing

De kamer:

6.1.      verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond;

6.2.      verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;

6.3.      legt aan de notaris de tuchtmaatregel van een waarschuwing op;

6.4.      veroordeelt de notaris tot betaling aan de klager van een bedrag van:

  • € 50,00 in verband met het genoemde griffierecht;
  • € 50,00 in verband met de genoemde kosten van de klager

en bepaalt dat het totaalbedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.23. is omschreven;

6.5.      veroordeelt de notaris tot betaling aan de kamer van een bedrag van € 2.000,00 in verband met de genoemde kosten van behandeling van de zaak en bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.24. is omschreven.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter, mr. H. van Waterschoot-van der Linden en mr. H.M.A. Albicher, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026 door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep:

U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.

[1] Zie beslissing Gerechtshof Amsterdam 23 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1067

[2] Zie beslissing Gerechtshof Amsterdam 1 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2704

[3] Zie beslissing Gerechtshof Amsterdam 28 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1164