ECLI:NL:TNORSHE:2026:22 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2026/05

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2026:22
Datum uitspraak: 22-07-2026
Datum publicatie: 30-07-2026
Zaaknummer(s): SHE/2026/05
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Optreden als boedelnotaris bij verstoorde familieverhoudingen, terwijl de executeur een medewerker van het notariskantoor is. Om schijn van belangenverstrengeling/partijdigheid te voorkomen, doet een notaris er goed aan erop bedacht te zijn dat het vragen kan oproepen als hij/zij als boedelnotaris optreedt in een zaak waar hij/zij nauwer bij betrokken is dan gebruikelijk: dat kan ten koste gaan van het vertrouwen dat rechtzoekenden in het notariaat moeten kunnen stellen en daarom kan het aanbeveling verdienen om zo’n opdracht door te verwijzen naar een notaris van een ander kantoor. Ministerieplicht. Rol boedelnotaris in het algemeen. Klacht ongegrond.

Klachtnummer    : SHE/2026/05
Datum uitspraak : 22 juli 2026

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:

mevrouw [naam] (hierna: de klaagster)
wonende in [woonplaats]

tegen

notaris mevrouw mr. [naam] (hierna:de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: de heer mr. P. Kramer, advocaat in Amsterdam

1.         De zaak in het kort

De zaak gaat over de betrokkenheid van de notaris bij de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van de klaagster (hierna: vader). De klaagster en haar broer en zus zijn geboren uit het eerste huwelijk van vader. Vader is hertrouwd en heeft met zijn tweede echtgenote een zoon gekregen. De verhouding tussen de klaagster en vader en zijn tweede echtgenote is ernstig verstoord geraakt. De tweede echtgenote is in dienst van het kantoor waar de notaris werkt. Bij testament had vader zijn tweede echtgenote benoemd als executeur van zijn nalatenschap. Zij heeft de notaris opdracht gegeven om een verklaring van erfrecht op te stellen en als boedelnotaris op te treden. De notaris heeft deze opdracht aanvaard en de klaagster daarover geïnformeerd. Daarna heeft de klaagster de notaris meerdere malen laten weten dat zij er door de verstoorde familieverhouding en het feit dat de tweede echtgenote/executeur werknemer is van het notariskantoor geen vertrouwen in heeft dat de notaris de nalatenschap transparant en met voldoende oog voor alle erfgenamen zal afwikkelen. Om die reden heeft de notaris haar werkzaamheden als boedelnotaris beëindigd nadat zij de verklaring van erfrecht had afgegeven.

2.          Het verloop van de procedure

De beslissing van de kamer is gebaseerd op:

  • de klacht (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 23 januari 2026;
  • de schriftelijke reactie (met bijlagen) van de notaris op de klacht;
  • de e-mail (met bijlage), die de klaagster op 8 juni 2026 aan de kamer heeft gestuurd;
  • de toelichting die partijen op hun standpunt hebben gegeven bij de mondelinge behandeling van de klacht op 8 juni 2026: die toelichting is vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling.

3.          De feiten

De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klacht, worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer onder 5 (De beoordeling) verder in op de feitelijke gang van zaken.

3.1.      De klaagster en haar broer en zus zijn geboren uit het eerste huwelijk van vader. Dat huwelijk is ontbonden. Vader heeft in 2000 een zoon gekregen met zijn nieuwe partner. Zij zijn in 2004 met elkaar getrouwd. De relatie tussen de klaagster en haar broer enerzijds en vader en de nieuwe partner (hierna: de tweede echtgenote) anderzijds is ernstig verstoord geraakt.

3.2.      De tweede echtgenote is sinds 2002 in dienst van het notariskantoor waar de notaris toen ook al werkte. Tegenwoordig werkt de tweede echtgenote op de afdeling office management. Tussen de notaris en de tweede echtgenote bestaat een gezagsverhouding. Bij ziekte heeft de notaris de tweede echtgenote weleens thuis bezocht. Vader heeft zijn testament ook weleens bij de notaris gewijzigd.

3.3.      Op 19 september 2019 heeft vader – die toen 72 was – zijn testament opnieuw gewijzigd bij de notaris. Na een fietsongeluk in de zomer van 2022 is de gezondheid van vader verslechterd. 

3.4.      Vader is op 13 juli 2025 overleden. Bij testament had hij de tweede echtgenote voor 6/10e deel en zijn vier
kinderen ieder voor 1/10e deel tot erfgenaam benoemd en bepaald dat de wettelijke verdeling van toepassing is. Daardoor is de tweede echtgenote van rechtswege eigenaar geworden van alle goederen van de nalatenschap en moet zij alle schulden daarvan voor haar rekening nemen. Vader heeft de tweede echtgenote bij testament benoemd tot executeur en zij heeft deze benoeming aanvaard. Als executeur heeft de tweede echtgenote de notaris opdracht gegeven om een verklaring van erfrecht op te stellen en als boedelnotaris op te treden bij de afwikkeling van de nalatenschap.

3.5.      In een brief van 12 augustus 2025 heeft een medewerker van de notaris de klaagster laten weten dat was gevraagd om een verklaring van erfrecht af te geven. Het testament van vader is als bijlage meegestuurd en in die brief is meegedeeld dat de klaagster voor 1/10e deel erfgenaam is en dat de tweede echtgenote haar benoeming als executeur had aanvaard. Daarbij is vermeld dat een executeur de taak heeft de eventuele schulden van de nalatenschap – die een positief saldo lijkt te hebben – te betalen en de nalatenschap klaar te maken voor verdeling. Verder is onder meer informatie gegeven over de gevolgen van de wettelijke verdeling en de mogelijkheid tot aanvaarding/verwerping van de nalatenschap, waarbij is verwezen naar de bijgevoegde informatiekaart over het wel of niet accepteren van een erfenis en de bijgevoegde in te vullen “verklaring nalatenschap”. Daarover is vermeld:

“Na ontvangst van alle ondertekende verklaringen nalatenschap, kan ik aan [de tweede echtgenote] een  verklaring van erfrecht afgeven. Een verklaring van erfrecht is een verklaring afgegeven door een notaris waarin wordt vermeld wie er is overleden, wie de erfgenamen zijn en wie namens de erfgenamen mag optreden.”

3.6.      De klaagster en haar broer zijn op 14 augustus 2025 naar het notariskantoor gegaan, waar zij een kort gesprek hebben gehad met een andere notaris. De broer heeft de nalatenschap toen beneficiair aanvaard en ook hun zus heeft beneficiair aanvaard. De tweede echtgenote en haar zoon hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

3.7.      In een brief van 29 augustus 2025 heeft de klaagster de notaris samengevat laten weten dat zij het moeilijk vindt om het testament van vader te aanvaarden. Volgens de klaagster was vader in 2019 kwetsbaar door gezondheidsproblemen, was hij mogelijk niet wilsbekwaam en werd hij beïnvloed door de tweede echtgenote. De klaagster heeft in die brief onder meer vermeld:

“Gelet op de voorgeschiedenis en de keuze voor een bij uw kantoor werkzame executeur bestaat er onvoldoende vertrouwen dat de nalatenschap transparant en met oog voor alle erfgenamen wordt afgewikkeld.”

De klaagster heeft in die brief ook gevraagd om een gedetailleerde boedelbeschrijving en informatie over de financiële situatie van vader in de voorgaande zeven jaren.

3.8.      De notaris heeft op 25 september 2025 per mail gereageerd op dit bericht van de klaagster, waarbij zij heeft laten weten dat zij het verzoek om afgifte van een boedelbeschrijving en financiële informatie heeft doorgeleid aan de tweede echtgenote omdat het de taak van de executeur is om een boedelbeschrijving op te stellen en aan de erfgenamen alle door hen gewenste inlichtingen te geven. De notaris heeft vermeld dat de tweede echtgenote heeft toegezegd op dat verzoek van de klaagster te reageren. Verder heeft de notaris de klaagster uitvoerig geïnformeerd over de feitelijke gang van zaken rond de totstandkoming van het testament van vader en heeft zij uitgelegd waarom zij vond dat vader wilsbekwaam was toen hij zijn testament wijzigde en hoe zij heeft gewaarborgd dat hij zijn wil vrij en onafhankelijk kon vormen en uiten. De notaris heeft de klaagster ook geïnformeerd over de termijn waarbinnen zij een keuze kan maken voor aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, nu haar broer deze beneficiair had aanvaard.

3.9.      Op 25 september 2025 heeft de tweede echtgenote aan alle vier de kinderen een mail gestuurd, waarin zij de stand van zaken rond de afwikkeling van de nalatenschap heeft toegelicht. Zij heeft onder meer een boedelbeschrijving meegestuurd met diverse onderliggende financiële stukken en een handgeschreven brief van vader – gedateerd 8 juni 2021 – waarin hij heeft toegelicht waarom hij in zijn testament bepaalde keuzes had gemaakt.

3.10.     In een brief van 10 oktober 2025 heeft de klaagster de notaris onder meer laten weten dat zij de erfstelling in het testament verwerpt omdat zij:

“zich niet kan verenigen met de inhoud, die naar haar oordeel leidt tot een situatie van feitelijke benadeling en nóg belangrijker waarvan de zuiverheid van de totstandkoming ter discussie gesteld kan worden op grond van twijfel over wilsbekwaamheid, beïnvloeding door een medewerker (directiesecretaris) van uw kantoor die belanghebbende en mede-erfgenaam is en daarmee een twijfel over de onafhankelijkheid die hoort de totstandkoming van een laatste wilsbeschikking en de uitvoering daarvan.”

De klaagster heeft meegedeeld dat zij wel aanspraak maakt op haar legitieme portie en dat zij wil dat de omvang van de nalatenschap, inclusief de volledige boedelbeschrijving, wordt getoetst door een onafhankelijke taxateur met daarin een onderbouwde berekening van de legitimaire massa. Verder heeft zij onder meer vermeld dat:

“sprake is van ernstige schijn van belangenverstrengeling in de totstandkoming en afwikkeling van dit testament. Het feit dat [langstlevende partner/familielid] direct betrokken is bij uw kantoor en dat onvoldoende afstand en zorgvuldigheid in acht is genomen, tast de onafhankelijkheid en partijdigheid van de notaris aan.”

3.11.     De notaris heeft in een mail van 27 oktober 2025 gereageerd op de (herhaalde) verwijten die de klaagster haar heeft gemaakt, onder meer in verband met de totstandkoming van het testament van vader. De notaris heeft vermeld dat zij uit de reactie van de klaagster begrijpt dat haar mail van 25 september 2025 de klaagster er niet van heeft kunnen overtuigen dat zij haar werkzaamheden in het kader van het testament op zorgvuldige wijze en onpartijdig en onafhankelijk heeft uitgevoerd, maar dat zij de klaagster in verband met haar geheimhoudingsplicht helaas niet meer informatie kan geven dan zij al heeft gedaan. Naar aanleiding van het verzoek om de omvang van de nalatenschap te laten toetsen door een onafhankelijke taxateur, heeft de notaris de klaagster laten weten:

“Zoals ik in mijn brief van 25 september 2025 ook heb uitgelegd, dient u zich voor dit soort zaken tot de executeur te wenden. Ik zal uw verzoek in ieder geval overbrengen aan de executeur, zoals ik dat ook – in uw belang – de vorige keer heb gedaan.”

3.12.     In een brief van 9 november 2025 heeft de klaagster haar bezwaren tegen de betrokkenheid van de notaris nader toegelicht. Zij heeft de notaris onder meer het volgende laten weten:

“Het meest wezenlijke punt betreft de onafhankelijkheid van uw kantoor, gelet op de positie van [de tweede echtgenote] als executeur. Zij is immers werkzaam binnen uw organisatie, waardoor sprake is van een directe collegiale relatie tussen u beiden. Deze omstandigheid roept op zijn minst de schijn van belangenverstrengeling op.

(…)

In deze nalatenschap ben ik legitimaris en tevens stiefdochter van de executeur, [de tweede echtgenote]. Zij is, zoals bekend, werkzaam binnen uw eigen kantoor. Daarmee bestaat een evidente afhankelijkheidsrelatie, waarin ik als legitimaris aangewezen ben op uw professionele onafhankelijkheid en uw actieve zorgplicht als notaris.

Juist in zo’n constellatie mag van de notaris worden verwacht dat zij niet slechts formeel toeziet op de juiste

uitvoering van taken, maar ook feitelijk waakt over de machtsbalans tussen betrokkenen. Die verplichting volgt rechtstreeks uit de artikelen 17 en 43 van de Wet op het notarisambt en de Gedragsregels van de KNB: de notaris dient onafhankelijk, onpartijdig en transparant te handelen, en ervoor te zorgen dat iedere partij gelijke toegang heeft tot informatie en begeleiding.

In uw eerdere brief schrijft u dat u mijn verzoeken ‘heeft doorgegeven aan de executeur’. Daarmee positioneert u zichzelf feitelijk als doorgeefluik, terwijl juist van u als notaris verwacht mag worden dat u toeziet op de correcte, volledige en tijdige informatieverstrekking. U behoort niet slechts berichten over te brengen, maar actief te bewaken dat de wettelijk gerechtigde partij, in dit geval de legitimaris, daadwerkelijk krijgt waar zij recht op heeft. De notaris is geen doorgeefluik, maar een onafhankelijke waarborg.

(…)

Hoe voorkomt u dat collegiale loyaliteit, kantoorbelangen of persoonlijke nabijheid de kritische toetsing van haar handelen belemmeren? En hoe gaat u er concreet op toezien dat ik, als legitimaris, daadwerkelijk alle informatie ontvang waar ik recht op heb?”

3.13.     De notaris heeft in een mail van 27 november 2025 als volgt op het laatste bericht van de klaagster gereageerd:

“Zoals in mijn eerdere berichten al is aangegeven, ben ik van mening dat mijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid nimmer in het gedrang is gekomen en ik mijn werkzaamheden naar eer en geweten heb kunnen verrichten.

Wat uw opmerking betreft over mijn huisbezoek. Dat had niets van doen met de toestand van uw vader, maar met het feit dat [de tweede echtgenote] was geopereerd en langer uitviel. Een ziekenbezoek behoort dan in onze organisatie tot de normale gang van zaken.

Wat betreft uw opmerking over mijn positie als boedelnotaris en het fungeren als ‘doorgeefluik’ merk ik het volgende op. Als notaris beschik ik uiteraard niet over de financiële gegevens van (overleden) cliënten. Daarvoor ben ik afhankelijk - in dit geval - van de executeur. Ik heb uw verzoek doorgeleid en geconstateerd dat aan dat verzoek is voldaan, aangezien ik een afschrift van de aan u overlegde stukken heb ontvangen.

Naar aanleiding van uw laatste bericht kan ik u informeren dat de met u over uw vragen en bezwaren gevoerde correspondentie buiten het kantoorsysteem is gehouden en dat de inhoud daarvan niet met medewerkers is gedeeld, in het bijzonder niet met [de tweede echtgenote]. Een uitzondering hierbij geldt voor de medewerker(s) waaraan u zelf rechtstreeks berichten hebt gezonden of overhandigd. Overigens is ook de inhoud daarvan niet met [de tweede echtgenote] gedeeld.

Verder geldt dat het hier qua afwikkeling om een eenvoudige boedel gaat. Er was bij aanvang van mijn werkzaamheden geen aanleiding om te veronderstellen dat ik de boedel niet zou kunnen afwikkelen. Nog steeds meen ik dat op zorgvuldige wijze te kunnen doen, maar ik begrijp uit de door u gevoerde correspondentie dat uw gevoel van wantrouwen zal aanhouden zolang ik bij de afwikkeling van de boedel betrokken blijf en ik dit gevoel niet kan wegnemen. Ik heb daarom besloten om enkel nog de verklaring van erfrecht af te geven (dat betreft namelijk een rechtskundig oordeel op grond van feiten) en vervolgens mijn werkzaamheden neer te leggen.

Voor de zekerheid merk ik op dat ik voornoemd besluit niet heb genomen omdat ik toch zou menen dat ik onvoldoende onpartijdig of onafhankelijk heb opgetreden. Ik heb dit besluit genomen vanwege het belang dat alle betrokkenen hebben bij een voortvarende en voor iedereen acceptabele wijze van afwikkeling van de boedel.

Uw verzoek om een berekening van de legitimaire massa heb ik doorgeleid naar [de tweede echtgenote]. [De tweede echtgenote] heeft toegezegd daarop te zullen reageren.

Ik heb voorts [de tweede echtgenote] geadviseerd om de resterende werkzaamheden door een andere notaris te laten verrichten. Die notaris kan dan ook berekening van de vorderingen van de kinderen begeleiden en de berekening daarvan en van de legitimaire massa controleren.

Tot slot merk ik op dat ik de boedelkosten nog niet heb gedeclareerd, aangezien de verklaring van erfrecht nog niet is afgegeven. Zodra dat wel is gedaan zal ik mijn (enige en tevens laatste) declaratie aan de executeur ([de tweede echtgenote]) sturen. Daarbij benadruk ik dat alle kosten die zien op de klachten jegens mijn persoon vanzelfsprekend niet als boedelkosten worden aangemerkt, en dus ook niet in rekening worden gebracht.”

3.14.     Op 5 december 2025 heeft de notaris de verklaring van erfrecht afgegeven.

4.          De klacht

4.1.      Samengevat verwijt de klaagster de notaris dat zij bij de afwikkeling van de nalatenschap van vader:

1. heeft nagelaten om onafhankelijk, zorgvuldig, deskundig en betrouwbaar te handelen en dat zij geen waarborg heeft ingebouwd ter bescherming van de objectiviteit en onafhankelijkheid;

2. defensief heeft gecommuniceerd;

3. zonder motivering haar werkzaamheden heeft neergelegd.

4.2.      Bij de mondelinge behandeling heeft de klaagster ook gesteld dat de notaris de opdracht nooit in behandeling had mogen nemen. De notaris heeft bezwaar gemaakt tegen die uitbreiding van de klacht. De kamer overweegt dat uit artikel 9 van het Reglement omtrent de werkwijze van de kamers voor het notariaat volgt dat het niet is toegestaan om een klacht uit te breiden nadat deze is ingediend. Daarom wordt dat nieuwe verwijt hierna niet beoordeeld.

5.          De beoordeling

Is tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?

De maatstaf

5.1.      De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar dat volgens artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna) behoort te doen. De tuchtrechter toetst:

  • of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere wetten en regelgeving;
  • of zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.

Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle (rechts)personen die bij de rechtshandeling betrokken zijn op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).

5.2.      De kamer is van oordeel dat de notaris aan deze maatstaf heeft voldaan en legt hierna uit waarom zij tot dit oordeel is gekomen.

De beoordeling van de verwijten

5.3.      De verwijten die de klaagster de notaris maakt, hangen nauw met elkaar samen. Daarom worden deze ook samen beoordeeld. De kamer vindt het volgende van belang.

5.4.      Het is duidelijk dat de klaagster er door de langdurig en ernstig verstoorde verhouding met de tweede echtgenote geen vertrouwen in heeft dat zij de nalatenschap van vader als executeur transparant en eerlijk – ook met oog voor de belangen van de kinderen uit het eerste huwelijk van vader – zal afwikkelen. Omdat de tweede echtgenote en de notaris allebei al meer dan twintig jaar op het notariskantoor werken, is het invoelbaar dat het bij de klaagster vragen heeft opgeroepen toen bleek dat de tweede echtgenote juist aan de notaris opdracht had gegeven om een verklaring van erfrecht op te stellen en als boedelnotaris op te treden. Bovendien heeft de klaagster al in haar eerste brief aan de notaris laten weten dat zij betwijfelt of het testament uit 2019 daadwerkelijk de laatste wil van vader bevat; zo heeft zij ter discussie gesteld of de notaris voldoende zorgvuldig is geweest bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van vader en of hij bij de totstandkoming van het testament niet is beïnvloed door de tweede echtgenote. De kamer gaat er daarom van uit dat de klaagster er van meet af aan weinig tot geen vertrouwen in heeft gehad dat de notaris zich niet zou laten beïnvloeden door de tweede echtgenote. Bij de mondelinge behandeling heeft de klaagster verklaard dat de notaris door haar betrokkenheid bij de nalatenschap “onderdeel is geworden van het gevecht van de stiefmoeder tegen de kinderen uit het eerste huwelijk”. De notaris kreeg dan ook te maken met een diepgeworteld wantrouwen.

5.5.      Bij de beoordeling van de verwijten stelt de kamer voorop dat vader de tweede echtgenote als executeur had benoemd, dat zij deze benoeming heeft aanvaard en dat zij als executeur bevoegd is om een boedelnotaris aan te wijzen. Een notaris is in beginsel verplicht (de zogeheten ministerieplicht) om de werkzaamheden te verrichten die een partij van hem/haar verlangt. Wanneer naar de redelijke overtuiging of het vermoeden van een notaris werkzaamheden worden verlangd die leiden tot strijd met het recht of de openbare orde of wanneer medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben, moet een notaris dienst weigeren. Van zulke omstandigheden is hier geen sprake. Een notaris moet ook dienst weigeren als er een andere gegronde reden voor weigering is. Het feit dat een notaris voorziet dat hij/zij te maken krijgt met een emotioneel beladen conflict tussen bijvoorbeeld erfgenamen of ex-echtgenoten, vormt geen gegronde reden om dienst te weigeren. Een notaris kan een verzoek van een partij om bepaalde werkzaamheden te verrichten wel doorverwijzen naar een kantoorgenoot of naar een ander notariskantoor (zie artikel 21 Wna).  

5.6.      De notaris heeft bij de mondelinge behandeling verklaard dat zij zich vooraf heeft afgevraagd of zij de gevraagde werkzaamheden met de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid zou kunnen uitvoeren of dat zij het verzoek van de tweede echtgenote beter naar een ander notariskantoor kon doorverwijzen. Zij heeft toen een professionele afweging gemaakt, waarbij zij onder meer heeft meegewogen dat zij regelmatig te maken heeft met conflicten in samengestelde gezinnen en dat het dagelijkse praktijk is dat zij als notaris onpartijdig en onafhankelijk optreedt. Zij is toen tot de overtuiging gekomen dat zij als boedelnotaris de belangen van alle erfgenamen van vader kon bewaken en dat zij de opdracht van de tweede echtgenote naar behoren kon uitvoeren. Daarbij heeft de notaris ook meegewogen dat de rol van een boedelnotaris beperkt is als er een executeur is benoemd. Bij de mondelinge behandeling heeft de notaris overigens verklaard dat zij toen niet heeft ingeschat dat de klaagster daar zo wantrouwend tegenover zou staan. Mede in verband met de ministerieplicht is de kamer van oordeel dat de notaris in de gegeven omstandigheden een voldoende zorgvuldige afweging heeft gemaakt toen zij de opdracht aanvaardde.

5.7.      Daarbij overweegt de kamer dat een notaris er goed aan doet om erop bedacht te zijn dat het bij degenen die betrokken zijn bij de afwikkeling van een nalatenschap vragen kan oproepen als een notaris als boedelnotaris optreedt in een zaak waar hij/zij nauwer bij betrokken is dan gebruikelijk. Dat geldt bijvoorbeeld in een zaak als deze, waarin er een jarenlange band bestaat met een medewerker van het notariskantoor terwijl de notaris ermee bekend is dat de familieverhoudingen tussen de medewerker en de naasten van de overledene ernstig zijn verstoord. Hoewel een notaris zich vanuit zijn/haar professionaliteit goed in staat acht om die werkzaamheden met de vereiste onpartijdigheid en onafhankelijkheid te verrichten, kan dit bij de betrokkenen toch de schijn van belangenverstrengeling of partijdigheid opwekken en dat kan ten koste gaan van het vertrouwen dat rechtzoekenden in het notariaat moeten kunnen stellen. Met het oog op dit vertrouwen kan het aanbeveling verdienen om zo’n opdracht door te verwijzen naar een notaris van een ander kantoor.

5.8.      Uit de stellingen van de klaagster begrijpt de kamer dat zij meer van een boedelnotaris had verwacht en vooral ook dat een boedelnotaris streng zou controleren of de (financiële) informatie die de executeur zou aanleveren juist en volledig is. Volgens de klaagster heeft de notaris ten onrechte alleen maar als “doorgeefluik” gefungeerd. De kamer vindt dit verwijt echter niet terecht. Het is correct dat de notaris de klaagster erop heeft gewezen dat op grond van het testament van vader de tweede echtgenote als executeur belast is met de afwikkeling van zijn nalatenschap. Zoals de notaris ook in haar mail aan de klaagster van 25 september 2025 heeft vermeld, is het (onder meer) de taak van de executeur om een boedelbeschrijving op te stellen en moet een executeur de erfgenamen alle inlichtingen geven die zij over de uitoefening van die taak willen ontvangen. Het is dan ook juist dat de notaris de verzoeken van de klaagster om een boedelbeschrijving op te stellen, financiële informatie te verstrekken en de omvang van de nalatenschap te laten toetsen door een onafhankelijke taxateur heeft doorgeleid aan de tweede echtgenote. In verband met dat laatste verzoek merkt de kamer op dat een boedelnotaris in beginsel mag afgaan op de juistheid van de informatie die een executeur aanlevert over de omvang en waarde van een nalatenschap. Een boedelnotaris heeft op dat punt geen zelfstandige onderzoeksplicht, maar bevindt zich in een afhankelijke positie van de executeur (zie Gerechtshof Amsterdam 10 januari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:41). Zijn er echter concrete aanwijzingen dat de opgave van de executeur ten aanzien van de omvang en/of waarde van de nalatenschap niet juist of volledig is, dan zal een boedelnotaris daar wel onderzoek naar moeten (laten) doen. Vast staat dat de klaagster het verzoek om een onafhankelijke taxateur in te schakelen heeft gedaan nadat zij de boedelbeschrijving en de achterliggende (financiële) informatie van de executeur had ontvangen. Kennelijk wilde zij door de gevraagde taxatie haar belangen als legitimaris veiligstellen. Nu de klaagster niet aan de notaris kenbaar heeft gemaakt dat zij concrete aanwijzingen had dat de opgave van de executeur niet juist en/of volledig was, hoefde de (boedel)notaris geen verder onderzoek te verrichten.

5.9.      Omdat een boedelnotaris geen wettelijk omschreven takenpakket heeft en de klaagster is teleurgesteld in haar verwachtingen over de rol van een boedelnotaris vindt de kamer het van belang om daar in het algemeen nog het volgende over op te merken. Een boedelnotaris moet onder meer de belangen van alle erfgenamen voor ogen houden en heeft bij de afwikkeling van de nalatenschap een neutrale, inventariserende en uitvoerende rol. De betrokken executeur is echter richtinggevend voor de (keuzes die gemaakt worden voor wat betreft de) afwikkeling van de nalatenschap. Een boedelnotaris kan niet zelfstandig beslissingen nemen en voert slechts uit wat de executeur (afhankelijk van de aan hem/haar toegekende bevoegdheden) en/of de erfgenamen gezamenlijk en in unanimiteit over het afwikkelen van een nalatenschap beslist/beslissen. Als zij het over (een onderdeel van) de afwikkeling niet eens zijn of als geen overeenstemming kan worden bereikt met bijvoorbeeld legatarissen of legitimarissen, dan heeft een boedelnotaris niet de mogelijkheid om knopen door te hakken en zijn/haar visie op te leggen en is het aan de betrokken partijen om het oordeel van de rechter te vragen.

5.10.     Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat de klaagster en de notaris – die amper vier maanden bij de nalatenschap betrokken is geweest – alleen schriftelijk contact met elkaar hebben gehad. De kamer vindt dat de notaris telkens voldoende zorgvuldig en volledig (zo nodig zelfs onder verwijzing naar relevante tuchtrechtelijke jurisprudentie) op de vragen van de klaagster heeft gereageerd. In haar eerste twee mailberichten heeft de notaris onder meer uitleg gegeven over haar handelwijze, zowel ten aanzien van de beoordeling van de wilsbekwaamheid en de vrije wilsvorming van vader, als over de taken van de executeur. Daarbij heeft de notaris geprobeerd het wantrouwen van de klaagster weg te nemen. In haar derde brief heeft de klaagster de notaris laten weten dat zij uitsluitend schriftelijk wenste te communiceren en heeft zij haar eerder geuite bezwaren in verband met de gestelde (schijn van) belangenverstrengeling door de collegiale relatie met de tweede echtgenote herhaald. De kamer vindt het begrijpelijk dat de notaris toen tot de conclusie is gekomen dat zij het wantrouwen van de klaagster niet zou kunnen wegnemen en dat het vereiste vertrouwen ontbrak om in de gegeven omstandigheden nog langer boedelnotaris te blijven.   

5.11.     In haar derde mail (hiervoor geciteerd bij 3.13.) heeft de notaris uitgelegd dat zij haar werkzaamheden door dat aanhoudende wantrouwen zou beëindigen zodra zij de verklaring van erfrecht kon afgeven. Zij heeft haar werkzaamheden dan ook niet zonder motivering neergelegd, zoals de klaagster stelt, en de kamer vindt dat de notaris in de gegeven omstandigheden ook niet (te) defensief heeft gecommuniceerd. Gelet op de uitleg die de notaris daarbij heeft gegeven, vindt de kamer het ook te rechtvaardigen dat zij haar correspondentie met de klaagster buiten het dossier heeft gehouden om te voorkomen dat de tweede echtgenote daar kennis van zou kunnen nemen.

5.12.     Al met al is de kamer dan ook van oordeel dat de notaris niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarom is de klacht ongegrond.

6.          De beslissing

De kamer:

6.1.      verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter, en mr. T. Zuidema en mr. E.J.W.M. van Egeraat, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026 door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep:
 

U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.