ECLI:NL:TNORSHE:2026:20 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/65
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2026:20 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-07-2026 |
| Datum publicatie: | 10-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2025/65 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Klacht gegrond met waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | De ouders van de klaagster hebben hun (levens)testamenten gewijzigd. De kandidaat-notaris heeft deze (levens)testamenten gepasseerd. De klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat hij:1) onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de wilsbekwaamheid en onafhankelijke wilsvorming van de ouders;2) haar niet wil uitleggen op welke manier hij de wilsbekwaamheid van de ouders heeft beoordeeld. Volgens de klaagster beroept de kandidaat-notaris zich daarbij ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht.De kamer heeft klachtonderdeel 1 ongegrond verklaard en klachtonderdeel 2 gegrond. De kandidaat-notaris heeft de vragen van de klaagster over de gang van zaken rondom de totstandkoming van de (levens)testamenten van de ouders en over de wijze waarop hij zich een oordeel heeft gevormd over de wilsbekwaamheid van de ouders, niet beantwoord. Daarmee heeft de kandidaat-notaris de klaagster, die een redelijk belang heeft bij de beantwoording van die vragen, gedwongen deze klacht in te dienen om hem tot spreken te bewegen. Aan de kandidaat-notaris wordt een waarschuwing opgelegd. |
Klachtnummer : SHE/2025/65
Datum uitspraak : 6 juli 2026
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:
[de klaagster] (hierna: de klaagster)
wonende in [woonplaats]
gemachtigde: de heer mr. J. van Zinnicq Bergmann, advocaat in ‘s-Hertogenbosch
tegen
[de kandidaat-notaris] (hierna:de kandidaat-notaris)
werkzaam in [plaatsnaam]
gemachtigden: de heer mr. R. Bosman en de heer mr. M.X. van der Steeg, advocaten in Rotterdam
1. De zaak in het kort
De ouders van de klaagster hebben op 21 oktober 2024 hun (levens)testamenten gewijzigd. In de gewijzigde testamenten hebben de ouders aan de zus van de klaagster een geldbedrag gelegateerd van € 165.000,-- bij overlijden van de langstlevende ouder. In de gewijzigde levenstestamenten hebben de ouders de zus benoemd tot gevolmachtigde. De kandidaat-notaris heeft deze (levens)testamenten gepasseerd. De klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de wilsbekwaamheid en onafhankelijke wilsvorming van de ouders. Ook verwijt zij de kandidaat-notaris dat hij haar niet wil uitleggen op welke manier hij de wilsbekwaamheid van de ouders heeft beoordeeld. Volgens de klaagster beroept de kandidaat-notaris zich daarbij ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht.
2. Het verloop van de procedure
De beslissing van de kamer is gebaseerd op:
- de klacht (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 10 december 2025;
- de reactie van de kandidaat-notaris op de klacht;
- de e-mail (met bijlagen) van 28 april 2026 van de gemachtigde van de klaagster, waarin hij aankondigt dat hij de klaagster zal bijstaan tijdens de mondelinge behandeling;
- de toelichting die partijen op hun standpunt hebben gegeven tijdens de mondelinge behandeling van de klacht op 4 mei 2026: die toelichting is vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling.
3. De feiten
De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klacht, worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer onder “5. De Beoordeling” verder in op de feitelijke gang van zaken.
1. In 2018 hebben de ouders van de klaagster testamenten en levenstestamenten gemaakt. Die (levens)testamenten zijn gepasseerd door notaris mr. [naam notaris] (hierna: de notaris).
2. Op 26 september 2024 heeft de notaris een gesprek gehad met de ouders over het wijzigen van hun (levens)testamenten.
3. Op 21 oktober 2024 heeft de klaagster (het kantoor van) de kandidaat-notaris per mail en telefonisch gewaarschuwd dat haar ouders wilsonbekwaam zijn. De klaagster heeft aan de kandidaat-notaris meegedeeld dat haar ouders voor deze wijziging eerder bij een andere notaris zijn geweest en dat die notaris als voorwaarde stelde dat de vader eerst een cognitieve test zou doen.
4. Op dezelfde dag heeft de kandidaat-notaris, als waarnemer van de notaris, de testamenten en levenstestamenten van de ouders gewijzigd. In de gewijzigde testamenten is een geldlegaat van € 165.000,-- toegekend aan de zus van de klaagster bij overlijden van de langstlevende ouder. In de gewijzigde levenstestamenten is de zus als eerste gevolmachtigde aangewezen en de klaagster als tweede (reserve) gevolmachtigde.
5. Op 8 oktober 2025 heeft de klaagster aan de kandidaat-notaris gevraagd op welke manier hij de wilsbekwaamheid van de ouders heeft onderzocht bij de totstandkoming van de levenstestamenten. Verder heeft de klaagster de volgende vragen gesteld:
“Ook wil ik weten, of een via-arts heeft ingeschakeld en zo neen waarom niet.
Verder verzoek ik u mij te laten weten of:
1. het initiatief voor het verzoek tot dienstverlening van een ander dan mijn ouders afkomstig was;
2. een ander dan mijn ouders aanwezig was of wilde zijn bij de bespreking;
3. mijn ouders niets wilden zeggen zonder de aanwezigheid van een ander;
4. een ander dan mijn ouders de instructies voor de kernbepalingen van de akte heeft gegeven of wilde geven;
5. mijn ouders weinig of niets tijdens het gesprek hebben gezegd of gevraagd;
6. de non-verbale communicatie van mijn ouders er op duidde dat zij niet vrijuit durfden te praten of iets anders zeiden dan wat zij werkelijk wilden;
7. U mijn ouders ook afzonderlijk heeft gesproken over hun levenstestamenten en de inhoud ervan.”
6. Op 15 oktober 2025 heeft de kandidaat-notaris geantwoord:
“Omwille van mijn notariële geheimhouding kan en mag ik u geen nadere informatie verstrekken omtrent de wilsbekwaamheid van uw ouders.
Ik kan u wel mededelen dat het gegeven dat uw ouders op 21 oktober 2024 ieder een akte hebben getekend, aangeeft dat ik hen op dat moment wilsbekwaam achtte om de akte (zijnde het levenstestament) te ondertekenen.”
7. Op dezelfde dag heeft de klaagster de kandidaat-notaris laten weten dat zij geen genoegen neemt met zijn reactie en dat zij alsnog een antwoord wenst op de door haar gestelde vragen.
8. Op 21 oktober 2025 heeft de klaagster de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) gevraagd om te bemiddelen.
9. Op 22 oktober 2025 heeft de KNB laten weten geen mogelijkheid tot bemiddeling te zien.
4. De klacht
4.1. De klacht bestaat - samengevat - uit de volgende twee onderdelen.
1. De kandidaat-notaris heeft bij de totstandkoming van de (levens)testamenten op 21 oktober 2024 onvoldoende onderzoek gedaan naar de wilsbekwaamheid en onafhankelijke wilsvorming van de ouders van de klaagster.
2. De kandidaat-notaris heeft geweigerd om toe te lichten op welke wijze de (levens)testamenten tot stand zijn gekomen en doet daarbij ten onrechte een beroep op zijn geheimhoudingsplicht.
4.2. De kandidaat-notaris heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
5. De beoordeling
Kan de kamer de klacht behandelen?
5.1. Voordat de kamer een klacht inhoudelijk kan beoordelen, moet de kamer eerst beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan om de klacht te mogen behandelen (de ontvankelijkheid van de klacht).
Zo moet een klager “enig redelijk belang” hebben bij de klacht (artikel 99 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna)).
5.2. Het begrip “enig redelijk belang” moet ruim worden opgevat. Het kan een rechtstreeks belang zijn, maar ook een indirect of afgeleid belang.
Testamenten: de klaagster heeft een redelijk belang
5.3. Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële tuchtrechter, hierna: het hof) dat klagers een redelijk belang hebben bij een klacht over een testament als zij erfgenamen bij versterf zijn[1]. Hun belang bij een testament vloeit daar uit voort.
5.4. Een versterferfgenaam is iemand die op grond van de wet de erfgenaam is van een overleden persoon als de overleden persoon in een testament niet (een) andere erfgena(a)m(en) heeft benoemd. Vast staat dat de klaagster een versterferfgenaam is van haar ouders. De klaagster heeft daarom een redelijk belang bij haar klacht over de testamenten. Dat de ouders nog in leven zijn en hun testamenten in theorie nog kunnen wijzigen, maakt dit niet anders. De klacht ziet immers op de wijze van totstandkoming van de testamenten en niet op de inhoud daarvan[2].
Voor zover de klacht betrekking heeft op de testamenten, is de klacht dus ontvankelijk.
Levenstestamenten: de klaagster heeft een redelijk belang
5.5. Het hof heeft bepaald dat op de vraag wanneer klagers een redelijk belang hebben bij een klacht over een levenstestament, geen algemeen antwoord is te geven, omdat dat afhangt van de feiten en omstandigheden van het geval. Dat belang is er in elk geval wel als de klager optreedt als ‘levensexecuteur’ of gevolmachtigde in een levenstestament[3].
5.6. De kandidaat-notaris heeft niet weersproken dat de klaagster in de eerdere levenstestamenten van de ouders uit 2018 is benoemd tot gevolmachtigde. In de nieuwe levenstestamenten is de klaagster - in afwijking van de oude levenstestamenten - als reserve gevolmachtigde ná de zus benoemd. Daarmee is het redelijk belang bij de klacht over de nieuwe levenstestamenten gegeven.
Bovendien stelt de klaagster dat de zus haar (op basis van de nieuwe levenstestamenten) als gevolmachtigde van de ouders belaagt met onterechte vorderingen. De klaagster heeft ook daarom een redelijk belang bij haar klacht over de levenstestamenten.
Conclusie
5.7. De klacht is ontvankelijk, dus de kamer kan de klacht inhoudelijk beoordelen.
Is tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?
De maatstaf
5.8. De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen (artikel 93 lid 1 Wna). De tuchtrechter toetst of:
- hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke wet- en regelgeving;
- zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.
Zo moet een (kandidaat-)notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken (rechts)personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).
Bovendien is een (kandidaat-)notaris in beginsel verplicht tot geheimhouding van alle informatie waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheden als zodanig kennisneemt (artikel 22 lid 1 Wna).
Wat vindt de kamer?
5.9. De kamer oordeelt ten aanzien van klachtonderdeel 1 dat de handelwijze van de kandidaat-notaris voldoet aan de genoemde maatstaf. Ten aanzien van klachtonderdeel 2 oordeelt de kamer dat de handelwijze van de kandidaat-notaris niet voldoet aan de genoemde maatstaf. Hierna legt de kamer per klachtonderdeel uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Klachtonderdeel 1 (onvoldoende onderzoek naar wilsbekwaamheid en onafhankelijke wilsvorming)
5.10. De klaagster heeft naar voren gebracht dat er verschillende indicatoren aanwezig waren, die voor de kandidaat-notaris aanleiding hadden moeten vormen om in 2024 nader onderzoek te (laten) doen (door een arts) naar de wilsbekwaamheid van de ouders. De kandidaat-notaris heeft dit nagelaten. Ook heeft de kandidaat-notaris onvoldoende gewaarborgd dat de ouders hun wil op onafhankelijke wijze - zonder beïnvloeding van derden - aan de kandidaat-notaris hebben kunnen overbrengen. De klaagster wijst op de volgende indicatoren/omstandigheden.
- Op de dag van passeren hadden de ouders een hoge leeftijd: vader was 89 jaar en moeder 85 jaar.
- Op de dag van passeren heeft de klaagster (het kantoor van) de kandidaat-notaris zowel telefonisch als per mail gewaarschuwd dat de ouders niet wilsbekwaam zijn. De klaagster heeft meegedeeld dat haar ouders eerder bij een andere notaris zijn geweest en dat die notaris als voorwaarde stelde dat de vader eerst een cognitieve test zou doen.
- Op de dag van passeren had de moeder al jaren alzheimer en vertoonde de vader tekenen van dementie.
- In de gewijzigde (levens)testamenten wordt één van de twee dochters - namelijk de zus - bevoordeeld. Zij wordt benoemd tot eerste gevolmachtigde en aan haar wordt een geldlegaat toegekend van € 165.000,-- bij overlijden van de langstlevende ouder. Gelet op deze wijzigingen is duidelijk dat de zus de inhoud van de gewijzigde (levens)testamenten heeft bepaald. Zij heeft de ouders ervan weten te overtuigen dat de klaagster nog geld aan hen is verschuldigd en dat heeft geleid tot de gewijzigde (levens)testamenten.
Het gevolg van de verwijtbare handelwijze van de kandidaat-notaris is dat de zus (op basis van de levenstestamenten) als gevolmachtigde van de ouders de klaagster belaagt met onterechte vorderingen.
5.11. De kandidaat-notaris weerspreekt dat de wilsonbekwaamheid en onafhankelijke wilsvorming van de ouders onvoldoende zijn onderzocht en geeft de volgende toelichting.
- In september 2024 hebben de ouders contact opgenomen met de notaris. Zij woonden toen zelfstandig in een appartement in [woonplaats].
- Op 26 september 2024 was de eerste bespreking tussen de notaris en de ouders. De ouders zijn zelf vanuit hun woonplaats naar het notariskantoor in [plaatsnaam] gekomen. Er waren geen anderen bij.
- De ouders hebben voorafgaand aan het gesprek een document aan de notaris gegeven waarin hun gewenste aanpassingen duidelijk stonden vermeld (het wijzigen van de gevolmachtigde in de levenstestamenten en een wijzing in de verdeling van het vermogen bij overlijden). De notaris heeft met de ouders besproken waarom zij op eigen initiatief en zonder begeleiding waren gekomen om hun (levens)testamenten aan te passen. Ook heeft hij gecontroleerd of het meegebrachte document door de ouders is opgesteld. De ouders hebben desgevraagd toegelicht welke redenen zij hadden om de (levens)testamenten te wijzigen. De ouders zijn uitvoerig ingegaan op de verstandhouding met de klaagster en de zus. Zij gaven duidelijk en overtuigend hun wensen aan. Zij maakten, gelet op hun leeftijd, zowel fysiek als mentaal een fitte en heldere indruk op de notaris. Voor de notaris waren er geen aanwijzingen dat de ouders verminderd wilsbekwaam zouden zijn. De notaris heeft aantekeningen gemaakt van de bespreking.
- De notaris heeft een passeerafspraak ingepland bij de kandidaat-notaris voor 21 oktober 2024. De agenda van de notaris was namelijk vol en het was niet wenselijk om het passeren onnodig uit te stellen, gelet op de hoge leeftijd van de ouders. Vóór de passeerafspraak zijn concepten van de (levens)testamenten naar de ouders gestuurd.
- Op de dag van passeren heeft de klaagster zowel telefonisch als per e-mail contact opgenomen met de kandidaat-notaris. De notaris en de kandidaat-notaris hebben dit intern besproken en afgesproken dat de kandidaat-notaris extra waakzaam zou zijn.
- Naar aanleiding hiervan heeft de kandidaat-notaris tijdens de passeerafspraak het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening (hierna: het Stappenplan) doorlopen, hoewel er voor (de notaris en) de kandidaat-notaris geen enkele aanwijzing/indicator was om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van de ouders. De door de ouders gewenste wijzigingen waren in de gegeven omstandigheden logisch en weloverwogen. De wijzigingen waren niet ingewikkeld. De kandidaat-notaris heeft - net als de notaris al eerder had gedaan - vastgesteld dat de ouders de gevolgen van de wijzigingen begrepen. De kandidaat-notaris heeft aantekeningen gemaakt van de toetsing aan het Stappenplan.
- De notaris en de kandidaat-notaris zijn samen tot de conclusie gekomen dat zij gehouden waren om hun ministerieplicht te vervullen.
Verder voert de kandidaat-notaris aan dat een onderbouwing van de door de klaagster gestelde alzheimer/dementie ontbreekt en dat die ziekte niet zonder meer met zich brengt dat iemand (op elk moment) wilsonbekwaam is.
5.12. Het is niet aan de kamer als tuchtrechter om te beoordelen of de ouders in 2024 al dan niet wilsbekwaam waren, maar of de kandidaat-notaris voldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de ouders. Bij deze beoordeling stelt de kamer voorop dat als uitgangspunt geldt dat iedereen aan wie op grond van de wet de bekwaamheid daartoe niet is ontzegd een testament kan maken. Een (kandidaat-)notaris moet daaraan in de meeste gevallen zijn ministerie (medewerking) verlenen en moet op verlangen van een testateur (degene die een testament maakt) doen wat is vereist om vast te leggen wat er moet gebeuren als de testateur overlijdt. Zoals bij elke akte moet de (kandidaat-)notaris de wilsbekwaamheid van de betrokkene beoordelen. Volgens vaste jurisprudentie van het hof moet bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van een cliënt primair worden uitgegaan van de eigen waarneming van de notaris, aan wie daarbij beoordelingsruimte toekomt. Pas bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid moet er verder onderzoek worden gedaan. Het Stappenplan biedt hiervoor een handreiking.
5.13. In het Stappenplan staan indicatoren vermeld die aanleiding kunnen zijn voor een nadere beoordeling van de wilsbekwaamheid. Als een (kandidaat-)notaris - ook al heeft hij kennis van het bestaan van één of meer indicatoren - geen aanleiding hoeft te hebben om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van een cliënt, hoeft hij het Stappenplan niet te volgen. Van belang hierbij is onder meer de indruk die een cliënt in een gesprek maakt. Ook als achteraf uit een rapport van een deskundige of getuigenverklaringen valt af te leiden dat een cliënt op het moment van een bespreking of het passeren van de akte (mogelijk) niet als wilsbekwaam kon worden aangemerkt, betekent dit nog niet zonder meer dat dit ook aan de (kandidaat-)notaris duidelijk had moeten zijn geweest. Of dit zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval[4].
5.14. Verder is het een kernverantwoordelijkheid van een (kandidaat-)notaris om ervoor te zorgen dat een testateur zijn of haar eigen keuzes maakt, zonder beïnvloeding. Een (kandidaat-)notaris moet dan ook alles doen wat nodig is om zeker te weten dat een testateur bij het vormen en uiten van zijn of haar wil niet op ongewenste wijze wordt beïnvloed door (de aanwezigheid van) een derde. Een (kandidaat-)notaris heeft de vrijheid om te bepalen op welke manier hij uitvoering geeft aan deze verantwoordelijkheid.
5.15. De kandidaat-notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid verklaard over de totstandkoming van de (levens)testamenten van de ouders in 2024 (overweging 5.11.). De kamer heeft geen aanleiding om aan de juistheid van dit relaas te twijfelen. De kamer oordeelt dat de kandidaat-notaris daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de gegeven situatie voldoende alert is geweest op de wilsbekwaamheid en onafhankelijke wilsvorming van de ouders en dat hij op de waarneming van de notaris en zijn eigen waarneming heeft mogen vertrouwen.
Bij dit oordeel betrekt de kamer het volgende.
- De kandidaat-notaris was er in 2024 niet van op de hoogte dat de ouders, zoals de klaagster stelt, aan dementie/alzheimer leden. In deze klachtprocedure is niet komen vast te staan dat de kandidaat-notaris van deze indicatoren kennis had kunnen of moeten dragen. Deze achteraf verkregen kennis speelt bij de beoordeling of de kandidaat-notaris een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken dan ook geen rol.
- De notaris en de kandidaat-notaris hebben met hun handelwijze voldoende gewaarborgd dat de ouders hun wil op onafhankelijke wijze aan hen hebben kunnen overbrengen.
- De kandidaat-notaris heeft verklaard dat de ouders hun wensen duidelijk en overtuigend hebben verteld en dat zowel de notaris als hij geen aanleiding heeft gezien om verder onderzoek te doen naar de wilsbekwaamheid van de ouders.
- De kandidaat-notaris heeft verklaard dat de door de ouders gewenste wijzigingen van de (levens)testamenten niet complex waren, logisch en verklaarbaar.
5.16. De kamer realiseert zich dat de klaagster een andere waarneming van de ouders heeft gehad. In deze tuchtrechtelijke procedure draait het echter om het contact tussen de notaris en de ouders tijdens de eerste bespreking en het contact tussen de kandidaat-notaris en de ouders tijdens de passeerafspraak op 21 oktober 2024. Het gaat hier om de waarnemingen tijdens die momenten. De kamer ziet, zoals gezegd, geen aanleiding om de waarnemingen van de (kandidaat-)notaris in twijfel te trekken.
5.17. De kamer zal klachtonderdeel 1 daarom ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel 2 (onterecht beroep op geheimhoudingsplicht)
De geheimhoudingsplicht in het algemeen
5.18. De kamer zal eerst stilstaan bij de in 5.8. genoemde geheimhoudingsplicht van de (kandidaat-) notaris als vertrouwenspersoon. Uitgangspunt is dat iedereen bij een bezoek aan de (kandidaat-)notaris erop moet kunnen en mogen vertrouwen dat wat men met een (kandidaat-)notaris heeft besproken, niet aan derden wordt geopenbaard.
Het grote belang van de geheimhoudingsplicht blijkt ook uit artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. In dat artikel staat dat het schenden van het ambts- of beroepsgeheim strafbaar is. De geheimhoudingsplicht kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden door de (kandidaat-)notaris of door de rechter worden doorbroken.
5.19. De vraag hoe ver de geheimhoudingsplicht van een (kandidaat-)notaris zich uitstrekt, wordt in beginsel door de betrokken notaris zelf beantwoord. Immers, alleen de (kandidaat-)notaris kan precies beoordelen of bepaalde gegevens onder zijn verschoningsrecht vallen.
5.20. Dit betekent niet dat een (kandidaat-)notaris helemaal niets mag verklaren over wat hij met een cliënt heeft besproken. Het is vaste rechtspraak van het hof dat in zijn algemeenheid de geheimhoudingsplicht van een (kandidaat-)notaris niet geldt voor de wijze waarop een (kandidaat-) notaris te werk is gegaan. Vooral in zaken over de wilsbekwaamheid van een erflater heeft het hof bepaald dat het voor een (kandidaat-)notaris zeer wel mogelijk is om toe te lichten:
- wat de gang van zaken is geweest, die heeft geleid tot het tot stand komen van een akte;
- op welke wijze hij zich een oordeel heeft gevormd over de wilsbekwaamheid van een cliënt,
zonder zijn geheimhoudingsplicht te schenden. Hiermee zijn de grenzen van de geheimhoudingsplicht gegeven.
Deze regel geldt niet alleen voor de (kandidaat-)notaris tegen wie een tuchtklacht is ingediend, maar ook voor de (kandidaat-)notaris aan wie door iemand die daarbij een redelijk belang heeft, vragen worden gesteld over de gang van zaken rond het tot stand komen van een akte. Zou dit anders zijn, dan zou een persoon die het bedoelde redelijke belang heeft, gedwongen zijn een klacht in te dienen om de (kandidaat-)notaris tot spreken te bewegen. Het is aan de (kandidaat-)notaris om zich - als hij dat nodig vindt - te beroepen op zijn geheimhoudingsplicht en - zo dat nodig en mogelijk is - uit te leggen dat zijn geheimhoudingsplicht hem belet de gestelde vragen te beantwoorden[5].
5.21. Het is de (kandidaat-)notaris die een beroep kan doen op zijn geheimhoudingsplicht. De tuchtrechter kan uitsluitend beoordelen of dit beroep terecht is gedaan of niet.
De geheimhoudingsplicht in deze zaak
5.22. De klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat hij met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht weigert om informatie te verstrekken over de gang van zaken bij het opmaken en passeren van de (levens)testamenten van de ouders. Op 8 oktober 2025 heeft de klaagster bij de kandidaat-notaris informatie opgevraagd over de totstandkoming van de (levens)testamenten van de ouders. Zo wil de klaagster onder andere weten wie het initiatief tot dienstverlening heeft genomen, of er anderen aanwezig waren bij de bespreking met de ouders, op welke manier de wilsbekwaamheid van de ouders is onderzocht en of er een VIA-arts is ingeschakeld. Nadat de kandidaat-notaris met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht aan de klaagster liet weten hierover geen mededelingen te doen, heeft de klaagster op 15 oktober 2025 aan de kandidaat-notaris geantwoord dat zij het daar niet mee eens was.
5.23. De kandidaat-notaris heeft in deze klachtprocedure (bij antwoord en tijdens de mondelinge behandeling) voor het eerst antwoord gegeven op de door de klaagster gestelde vragen.
5.24. De kamer overweegt als volgt. Het is de vraag of en in hoeverre de kandidaat-notaris zich jegens de klaagster, de dochter van de ouders (zijn eigen cliënten), zou kunnen beroepen op geheimhouding. De kandidaat-notaris heeft niet weersproken dat de vragen die hem op 8 oktober 2025 door de klaagster zijn gesteld, (grotendeels) gaan over de gang van zaken rond de totstandkoming van de (levens)testamenten. De kandidaat-notaris had - gelet op de in 5.20. benoemde vaste rechtspraak - uitleg moeten geven over de gang van zaken rondom het opstellen en passeren van de (levens)testamenten, meer in het bijzonder over hoe hij de wilsbekwaamheid en onafhankelijke wilsvorming van de ouders heeft beoordeeld. Indien de kandidaat-notaris meende dat bepaalde zaken tóch onder zijn geheimhoudingsplicht vielen, had hij daarover in zijn correspondentie met de klaagster uitleg moeten geven, hetgeen de kandidaat-notaris heeft nagelaten.
Tijdens de mondelinge behandeling is namens de kandidaat-notaris aangevoerd dat met de tweede alinea in zijn mail van 15 oktober 2025 antwoord is gegeven op de door de klaagster gestelde vragen:
“Ik kan u wel mededelen dat het gegeven dat uw ouders op 21 oktober 2024 ieder een akte hebben getekend, aangeeft dat ik hen op dat moment wilsbekwaam achtte om de akte (zijnde het levenstestament) te ondertekenen.”
Hier gaat de kamer niet in mee. In deze alinea heeft de kandidaat-notaris namelijk alleen meegedeeld dat hij de ouders wilsbekwaam achtte, maar heeft hij geen enkele mededeling gedaan over de manier waarop hij tot dat oordeel is gekomen en over de gang van zaken die heeft geleid tot het tot stand komen van de (levens)testamenten. Ook nadat de klaagster kenbaar had gemaakt dat zij het niet eens was met het door de kandidaat-notaris gedane beroep op de geheimhoudingsplicht, heeft de kandidaat-notaris - zonder enige uitleg daarover - geen mededelingen aan de klaagster gedaan. De kamer vindt dit handelen onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel 2 zal daarom gegrond worden verklaard.
Conclusie en maatregel
5.25. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat klachtonderdeel 2 gegrond zal worden verklaard. Als een klacht (gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, kan de kamer afhankelijk van de ernst en aard van het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen of nalaten een tuchtmaatregel opleggen. De kamer is om de volgende redenen van oordeel dat daar aanleiding voor is. De kandidaat-notaris heeft de vragen van de klaagster over de gang van zaken rondom de totstandkoming van de (levens)testamenten van de ouders en over de wijze waarop hij zich een oordeel heeft gevormd over de wilsbekwaamheid van de ouders, niet beantwoord. Daarmee heeft de kandidaat-notaris de klaagster, die een redelijk belang heeft bij de beantwoording van die vragen, gedwongen deze klacht in te dienen om hem tot spreken te bewegen. Deze handelwijze is in strijd met de zorgvuldigheid, één van de kernwaarden van het notariële ambt. In het voordeel van de kandidaat-notaris weegt mee dat hij een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft. Alles afwegende is de kamer van oordeel dat kan worden volstaan met het opleggen van een waarschuwing.
Proceskosten
Terugbetaling griffierecht
5.26. Omdat de kamer de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart, moet de kandidaat-notaris op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door de klaagster betaalde griffierecht van € 50,00 aan haar vergoeden.
Kostenveroordeling ten behoeve van de klaagster
5.27. De kamer zal de kandidaat-notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder a Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 veroordelen in de volgende kosten:
- de kosten die de klaagster in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken: deze kosten zijn vastgesteld op een bedrag van € 50,00;
- de kosten van de klaagster in verband met rechtsbijstand die door een derde beroepsmatig is verleend: deze kosten zijn vastgesteld op een punt voor het bijwonen van de zitting, waarbij de kamer de waarde van dat punt vaststelt op een bedrag van € 525,00 met een wegingsfactor 1.
5.28. De kandidaat-notaris moet het griffierecht en de hiervoor genoemde kosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan de klaagster betalen. De klaagster moet daarvoor tijdig haar rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan de kandidaat-notaris.
Kostenveroordeling ten behoeve van de kamer
5.29. Verder ziet de kamer aanleiding om de kandidaat-notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder b Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 2.000,00 met een wegingsfactor 1.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven om een andere wegingsfactor te hanteren. De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald. De kandidaat-notaris zal hiervoor een nota ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) in Utrecht.
6. De beslissing
De kamer:
6.1. verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond;
6.2. verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;
6.3. legt aan de kandidaat-notaris de tuchtmaatregel van waarschuwing op;
6.4. veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling aan de klaagster van een bedrag van:
- € 50,00 in verband met het genoemde griffierecht;
- € 50,00 in verband met de genoemde kosten van de klaagster;
- € 525,00 in verband met de genoemde kosten van rechtsbijstand van de klaagster,
en bepaalt dat het totaalbedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.28. is omschreven;
6.5. veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling aan de kamer van een bedrag van € 2.000,00 in verband met de genoemde kosten van behandeling van de zaak en bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.29. is omschreven.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.T.M. Luijks, voorzitter, mr. A.G.M.H. Bennenbroek en mr. Y.M.R. van der Voort, leden.
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026 door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Hoger beroep:
U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.
[1] Zie beslissing hof 13 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:320.
[2] Zie beslissing deze kamer 20 december 2021, ECLI:NL:TNORSHE:2021:34, bevestigd door het hof op 15 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3250.
[3] Zie beslissing hof 13 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:320.
[4] Zie beslissing hof 30 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:199.
[5] Zie beslissing hof 28 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1164.