ECLI:NL:TNORSHE:2016:25 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/10
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2016:25 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-04-2016 |
| Datum publicatie: | 17-05-2016 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2016/10 |
| Onderwerp: | Overig |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Wrakingsverzoek: verzoeker wraakt de voorzitter van de wrakingskamer te Den Haag. |
Klachtnummer : SHE/2016/10
Datum uitspraak: 18 april 2016
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ‘s-HERTOGENBOSCH
Wrakingskamer
De wrakingskamer neemt de volgende beslissing naar aanleiding van het verzoek tot wraking ingevolge artikel 100 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) in de procedure tot behandeling van de klacht van:
mr. […] ,
wonende te […],
klager,
tegen
kandidaat-notaris mr. [A], kandidaat- notaris mr. [B], notaris mr. [C] en notaris mr. [D] ,
allen gevestigd te […],
advocaat: mr. P. Wanders,
strekkende tot wraking van:
de heer mr. [X] ,
in zijn hoedanigheid van voorzitter van de wrakingskamer van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag.
1. De procedure
1.1 Op 14 oktober 2015 heeft ter zitting van de kamer van het notariaat te Den Haag (hierna: de kamer Den Haag) de mondelinge behandeling plaatsgevonden van klachten die mr. [klager] (hierna: [klager]) heeft ingediend tegen bovengenoemde (kandidaat)-notarissen. Bij de mondelinge behandeling heeft mr. [Y] (hierna: mr. [Y]) als voorzitter gefungeerd.
1.2 Bij mail van 1 november 2015 heeft [klager] een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. [Y]. De behandeling van dit wrakingsverzoek is bepaald op een zitting van (de wrakingskamer van) de kamer Den Haag van 13 januari 2016. [klager] is bij aangetekend schrijven opgeroepen voor deze zitting.
1.3 Bij mail van 21 december 2015 heeft [klager] een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van de wrakingskamer van de kamer Den Haag, mr. [X] (hierna: [X]). Dit verzoek heeft [klager] herhaald in een mail van 4 januari 2016.
1.4 De president van het Gerechtshof Amsterdam heeft bij beslissing van 2 februari 2016 de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de wrakingskamer) belast met de behandeling van het wrakingsverzoek van [klager] tegen mr. [X] omdat hij het aannemelijk acht dat binnen de kamer Den Haag geen (plaatsvervangend) voorzitter beschikbaar is die het wrakingsverzoek kan behandelen.
1.5 Mr. [X] heeft bij brief van 23 februari 2016 aan de wrakingskamer laten weten niet te berusten in de wraking.
1.6 [Klager] heeft bij ongedateerde brief, bij de wrakingskamer ingekomen op 18 maart 2016, drie bijlagen nagezonden, namelijk een mail van 23 februari 2016 van [klager] gericht aan de klachten coördinator van de rechtbank Den Haag, een brief van 12 februari 2016 van de president van de rechtbank gericht aan [klager] en een mail van 17 december 2015 van […] van het secretariaat van de kamer Den Haag gericht aan [klager].
1.7 Op 30 maart 2016 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. [Klager] is in persoon verschenen. Mr. [X] is met bericht van verhindering niet verschenen. [klager] heeft zijn standpunt toegelicht, mede aan de hand van pleitnotities. Tijdens de behandeling bleek dat [klager] niet bekend was met genoemde brief van 23 februari 2016 van mr. [X]. Aan [klager] is terstond alsnog een kopie van deze brief verstrekt.
[klager] heeft, na een korte leespauze, de wrakingskamer verzocht mr. [X] op te roepen voor een volgende zitting om de inhoud van zijn brief van 23 februari 2016 te verduidelijken.
Tijdens de behandeling bleek ook dat mr. [X] geen kennis heeft kunnen nemen van de hiervoor onder 1.6 genoemde ongedateerde brief met bijlagen van [klager].
De wrakingskamer heeft [klager] laten weten zich te zullen beraden over het door [klager] gedane verzoek om mr. [X] op te roepen en over de vraag of mr. [X] nog in de gelegenheid zou moeten worden gesteld te reageren op de inhoud van de onder 1.6 genoemde ongedateerde brief met bijlagen van [klager].
1.8 Na de behandeling is het onderzoek gesloten en is bepaald dat op 18 april 2016 uitspraak zal worden gedaan. Daarbij is de toezegging aan [klager] gedaan dat de uitspraak zowel per aangetekende post als per mail naar [klager] zal worden toegezonden.
1.9 Nadien is er nog correspondentie naar de wrakingskamer toegezonden. De wrakingskamer zal op de inhoud van deze stukken geen acht slaan omdat deze te laat, namelijk na sluiting van het onderzoek, zijn ingekomen.
2. De feiten
2.1. [Klager] is bij aangetekende brief van 23 november 2015 opgeroepen voor de zitting van
13 januari 2016. [Klager] heeft bij mail van 12 december 2015, onder verwijzing naar een eerdere mondelinge behandeling waarbij hij dit verzoek al eens had gedaan, de kamer Den Haag verzocht stukken niet aangetekend aan hem toe te zenden omdat hij het er niet mee eens is dat zijn identiteitsbewijs gescand wordt indien hij de aangetekende post afhaalt bij het afhaalcentrum. Hij verzoekt de kamer Den Haag in dit bericht de aangetekende brief nogmaals per gewone post aan hem toe te zenden en heeft daarbij de vraag gesteld wat de grondslag is voor de bevoegdheid van het scannen van identiteitsbewijzen op afhaalcentra.
2.2. Bij e-mail van 17 december 2015 heeft [klager] hierop volgende reactie ontvangen:
“Geachte heer [klager],
Dit is een vraag die buiten onze competentie valt.
Met vriendelijke groet,
[…]
kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (…)” .
2.3. In reactie op dit bericht heeft [klager] bij mail van 21 december 2015 een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van de wrakingskamer, mr. [X]. Dit verzoek heeft [klager] herhaald in zijn mail van 4 januari 2016.
3. De standpunten
3.1. Ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek voert [klager] in zijn mail van 21 december 2015 het volgende aan:
“Tussen 12 en 20 december 2015 heeft naar ik vermoed de Voorzitter van de Wrakingskamer geweigerd, weer naar ik vermoed, de Aangetekende brief met oproeping voor de zitting inzake mr [Y] op een zodanige wijze naar mij te zenden dat ik zonder mijn ID te hoeven laten scannen, kennis kon krijgen van de inhoud. Ik verzocht zaterdag 12 december uitdrukkelijk om niet aangetekend verzenden/nazenden!
Dit is kinderachtig onbetamelijk, vooringenomen gedrag. In het bijzonder daar dit scannen van ID’s met BSN nummers door ZZPers en supermarkten een jong fenomeen is vanwege E commerce. Geen wettelijke basis! De Rechtbank was hiermee niet eens bekend.
Ik wens daarom deze persoon te wraken. Een cascadewraking dus wegens bijzondere omstandigheden.
Ik verwijs naar alle correspondentie tussen 12 december 2015 en heden welke ik u verzoek aan de wrakingskamer ter beschikking te stellen, in het bijzonder dus de email namens de Voorzitter van 17 december 2015. Ik verzoek u contact op te nemen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over dit scannen” .
3.2. Mr. [X] heeft laten weten dat hij voor de indiening van het wrakingsverzoek geen enkele inhoudelijke bemoeienis met de zaak gehad heeft en niet te berusten in de wraking.
4. De beoordeling
4.1. Vooropgesteld wordt dat ook de voorzitter van een wrakingskamer ingevolge het bepaalde in artikel 100 Wna in verbinding met artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De wrakingskamer heeft daarom te onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door [klager] zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden.
Uitgangspunt daarbij is dat de voorzitter van de wrakingskamer moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat deze voorzitter jegens [klager] een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij [klager] dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.2 Het wrakingsverzoek tegen mr. [X] is, zo blijkt uit de mail van 21 december 2015
enkel gebaseerd op het vermoeden dat mr. [X] in zijn hoedanigheid van voorzitter van
de wrakingskamer enigerlei bemoeienis heeft gehad met de wijze waarop [klager] is
opgeroepen voor de behandeling van zijn wrakingsverzoek gericht tegen mr. [Y]. Daargelaten
de vraag of een dergelijk veronderstelde bemoeienis aanleiding zou kunnen geven tot
een succesvol verzoek tot wraking, is van een dergelijke bemoeienis in het geheel
niet gebleken. Gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt bestaat er voor de wrakingskamer
geen aanleiding gehoor te geven aan een door [klager] verzochte oproeping van mr.
[X] voor een nieuwe zitting om nader uitleg te geven over zijn reactie. Dit verzoek
zal de wrakingskamer daarom niet honoreren.
4.3 De wrakingskamer stelt verder vast dat uit de onder 1.6 genoemde ongedateerde brief met bijlagen in het geheel niet blijkt van enigerlei betrokkenheid van mr. [X] zodat niet valt in te zien op welke wijze de inhoud daarvan relevant kan zijn voor de beoordeling van dit verzoek. Daarmee is er voor de wrakingskamer geen reden mr. [X] alsnog te vragen op deze nagezonden, maar door hem voor de zitting niet ontvangen stukken, te reageren.
4.4 In zijn brief van 30 maart 2016 en ook tijdens de behandeling heeft [klager] ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek een nieuwe stelling geponeerd, namelijk dat mr. [Y] onomstotelijk op de stoel van wrakingsvoorzitter mr. [X] is gaan zitten en zich als “getuige” in deze kwestie heeft geuit.
4.5 De wrakingskamer stelt vast dat [klager] kennelijk de onderscheiden procedures die hij heeft opgestart door elkaar haalt. Immers per mail van 17 december 2015 heeft [klager] een klacht ingediend bij de president van de rechtbank Den Haag over de handelwijze van mr. [Y]. Het is volstrekt logisch dat de president, alvorens een beslissing op deze klacht te nemen, eerst mr. [Y] als beklaagde de gelegenheid biedt zijn standpunt naar voren te brengen. De stelling van [klager] is daarom onbegrijpelijk.
4.6 De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking daarom ongegrond verklaren.
4.7 De wrakingskamer constateert dat [klager] repeterende wrakingsverzoeken indient (eerst tegen de voorzitter in de (bodem)procedure en daarna tegen de voorzitter van de wrakingskamer naar aanleiding van een door hem opgeworpen wrakingsincident in die bodemprocedure). Daarnaast dient hij een klacht in tegen diezelfde voorzitter in de bodemprocedure bij de president van de rechtbank Den Haag om vervolgens het verloop van die klachtprocedure weer in te brengen in de onderhavige procedure en dat met de stelling dat mr. [Y] in de wrakingsprocedure een (ongeoorloofde) getuigenverklaring heeft afgelegd.
De wrakingskamer leidt hieruit af dat [klager] tracht het proces in zijn zaak te verstoren door misbruik te maken van het recht op wraking. De wrakingskamer is bij uitstek de kamer die een dergelijk misbruik van de bevoegdheid om te wraken een halt dient toe te roepen. Aan elk geding moet eenmaal een einde komen. De wrakingskamer zal daarom - op grond van artikel 100 Wna juncto artikel 515 lid 4 Sv - bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van [klager] niet in behandeling wordt genomen.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat:
wijst het verzoek tot wraking van mr. [X] af.
bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. T. Zuidema, plaatsvervangend voorzitter, mr. H.G. Robers, rechterlijk lid, mr. J.L.G.M. Mertens, notaris lid, mr. J.A.P. Dings, plaatsvervangend notaris lid, en
mr. R.J.M.G. Oostveen, plaatsvervangend belasting lid.
Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2016 door mr. T. Zuidema, plaatsvervangend
voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Vliet als secretaris.