ECLI:NL:TNORSHE:2016:12 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2015/84

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2016:12
Datum uitspraak: 30-05-2016
Datum publicatie: 02-06-2016
Zaaknummer(s): SHE/2015/84
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de notaris dat hij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van zijn stiefmoeder toen zij in 2012 haar testament wijzigde en anderen dan klager als haar erfgenamen heeft aangewezen. Als gevolg daarvan stelt hij ernstig financieel te zijn benadeeld omdat hij voorheen wel erfgenaam was. Het meest recente (herroepen) testament van stiefmoeder dateert uit 1996. Bij tussenbeslissing is klager in de gelegenheid gesteld een afschrift/kopie over te leggen van dat testament. Niet is echter komen vast te staan dat stiefmoeder klager in 1996 als erfgenaam had aangewezen. De notaris heeft zich naar het oordeel van de kamer jegens klager dan ook terecht op zijn geheimhoudingsplicht beroepen. Bij eindbeslissing wordt de klacht ongegrond verklaard.

Klachtnummer    : SHE/2015/84 (voorheen SHE/2015/27)

Datum uitspraak : 15 februari 2016

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van:

de heer […] (hierna: klager),

wonende in [woonplaats],

tegen

notaris de heer mr. […] (hierna: de notaris),  

gevestigd in [vestigingsplaats].

1.          De procedure

1.1.       Klager heeft bij brief van 25 maart 2015 een klacht geformuleerd tegen de notaris. Deze klacht is op 26 maart 2015 binnengekomen bij de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer).

1.2.       De notaris heeft op de klacht geantwoord.

1.3.       Mr. W.M. Weerkamp, plaatsvervangend voorzitter van de kamer (hierna: de voorzitter), heeft klager en de notaris uitgenodigd om de inhoud van de klacht te bespreken. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 29 mei 2015.

1.4.       Bij beslissing van 5 juni 2015 heeft de voorzitter (samengevat) geoordeeld dat de klacht kennelijk ongegrond is.    

1.5.       Bij brief van 17 juni 2015 heeft klager verzet gedaan tegen de beslissing van de voorzitter. 

1.6.       Bij brief met bijlagen van 3 augustus 2015 heeft klager de kamer (onder meer) bericht dat zijn stiefmoeder, mevrouw […] (hierna ook: testatrice) op 20 juni 2015 is overleden. De kamer heeft deze brief met bijlagen ter informatie toegezonden aan de notaris.            

1.7.       De kamer heeft het verzet behandeld ter zitting van 17 augustus 2015. Klager en de notaris zijn, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

1.8.       Bij beslissing van 21 september 2015 heeft de kamer het verzet gegrond verklaard en bepaald dat de zaak verder in behandeling zal worden genomen.

1.9.       De verdere behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van de kamer van 16 december 2015. Klager en de notaris zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunten over en weer toegelicht. Tijdens de zitting heeft klager meegedeeld dat hij eind november 2015 een brief met bijlagen had toegezonden aan de (voorzitter van de) kamer voor het notariaat. Deze brief was op dat moment niet door de kamer ontvangen. Nadien is gebleken dat de betreffende brief weliswaar was binnengekomen bij de rechtbank Oost-Brabant, maar per abuis niet direct ter kennis van de (voorzitter van de) kamer is gebracht. Partijen zijn daarover inmiddels per brief geïnformeerd en de notaris is in de gelegenheid gesteld om alsnog schriftelijk te reageren op de aan hem toegezonden stukken.

2.          De feiten

2.1.       De ouders van klager zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest. Zij hadden over en weer een testament gemaakt, houdende een ouderlijke boedelverdeling. De moeder van klager is in 1973 overleden. De vader van klager is in het ouderlijk huis blijven wonen. Rond 1980 heeft vader een relatie gekregen met testatrice (geboren op [datum] 1928).  

2.2.      Voorafgaand aan een zware operatie heeft vader in 1982 zijn testament gewijzigd. Uit een uittreksel uit het Centraal Testamentenregister (hierna: CTR) blijkt dat ook testatrice in maart 1982 een testament heeft opgemaakt. Vader heeft destijds aan klager meegedeeld dat hij met testatrice, die geen kinderen had, had afgesproken dat zij na zijn (voor)overlijden het vruchtgebruik zou krijgen van zijn bezittingen en dat testatrice na haar overlijden op haar beurt alles aan klager en zijn broer zou nalaten. Zij is met vader gaan samenwonen in het ouderlijk huis.

2.3.      Toen de gezondheidstoestand van vader in 1993 opnieuw verslechterde, heeft hij in april van dat jaar wederom zijn testament gewijzigd. Ook testatrice heeft haar testament in april 1993 gewijzigd. In juli 1993 zijn vader en testatrice in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Vader is in december 1993 overleden. Klager en zijn broer hebben een deel van de effecten en het banksaldo van vader ontvangen en zijn voor respectievelijk 7/36e en 4/36e deel mede-eigenaar geworden van het voormalig ouderlijk huis.

2.4.      Uit het CTR blijkt dat testatrice haar testament in april 1994 en in april 1996 heeft gewijzigd. De betreffende akten zijn gepasseerd door een andere notaris.

2.5.      In 2012 heeft testatrice contact gehad met de notaris. Op 21 juni 2012 heeft de notaris een akte gepasseerd, waarbij testatrice haar testament opnieuw heeft gewijzigd. Zij was toen 83 jaar oud en heeft een nicht, een neef en haar buurman als erfgenamen aangewezen, met benoeming van de buurman tot executeur.

2.6.      Bij beslissing van 21 november 2014 is testatrice onder bewind gesteld. Zoals gemeld is zij op 20 juni 2015 overleden.

3.          De klacht

3.1.       Klager verwijt de notaris (samengevat) dat hij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de vraag of testatrice, die volgens hem destijds al aan de ziekte van Alzheimer leed, medio 2012 wilsbekwaam was om haar testament te wijzigen en of zij daarbij in vrijheid heeft gehandeld. Verder stelt klager dat de notaris partijdig is geweest door zijn medewerking te verlenen aan de wijziging van het testament ten gunste van (onder meer) de buurman, zonder daarbij de belangen van klager voor ogen te houden.     

3.2.       De notaris heeft verweer gevoerd. De inhoud van dit verweer zal hierna, voor zover relevant, aan de orde komen.

4.          De beoordeling

4.1.       Op grond van artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De kamer dient de handelwijze van de notaris te toetsen aan de in dat artikel omschreven tuchtnorm.

4.2.       Als uitgangspunt geldt dat iedere meerderjarige aan wie op grond van de wet de bekwaamheid daartoe niet is ontzegd, het recht heeft om een uiterste wil te formuleren en te laten vastleggen bij testament. Een notaris heeft de plicht zijn ministerie daaraan te verlenen en zal dus op verlangen van een cliënt moeten doen wat is vereist om de uiterste wil vast te leggen. Op een notaris rust daarbij echter de zwaarwegende zorgplicht om te onderzoeken of is voldaan aan de in de wet gestelde vereisten voor het intreden van de rechtsgevolgen die worden beoogd met de in een akte opgenomen handelingen. In dat kader moet een notaris onder meer nagaan of de cliënt in staat is zich een rechtens relevante wil te vormen in de zin van het bepaalde bij artikel 3:33 BW.

4.3.       Bij haar eerdere beslissing naar aanleiding van het verzet heeft de kamer geoordeeld dat klager er als stiefzoon en mogelijke erfgenaam van testatrice een redelijk belang bij had om ervoor te waken dat testatrice haar testament niet zou kunnen wijzigen als zij niet wilsbekwaam was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de notaris zich op zijn geheimhoudingsplicht beroepen, in welk verband hij heeft benadrukt dat hem tot op heden niet is gebleken dat klager als erfgenaam van testatrice zou moeten worden beschouwd indien zij haar testament niet op 21 juni 2012 bij hem zou hebben gewijzigd. Uit het CTR blijkt dat het meest recente testament dat testatrice daaraan voorafgaand had opgesteld dateert van 11 april 1996, welk testament is gepasseerd ten overstaan van notaris de heer mr. […], gevestigd in [vestigingsplaats].

4.4.       Klager heeft in zijn klacht weliswaar gesteld dat als gevolg van de laatste wijziging van het testament hem (en zijn broer) een erfenis van circa een half miljoen euro afhandig is gemaakt en dat testatrice twintig jaar lang niet de behoefte had gehad om haar “ere afspraak” met vader niet na te komen, maar heeft dit niet onderbouwd. Desgevraagd heeft klager ter zitting verklaard dat hij niet op de hoogte is van de inhoud van het testament uit 1996.

4.5.       Gelet op het standpunt dat de notaris ter zitting heeft ingenomen, acht de kamer het voor de verdere behandeling van de klacht van belang om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of klager in het (herroepen) testament van 11 april 1996 door testatrice als erfgenaam was aangewezen. De kamer zal klager dan ook in de gelegenheid stellen zijn stelling te onderbouwen door middel van het overleggen van een afschrift/kopie van dat testament. Met het oog daarop zal de verdere behandeling van de zaak worden aangehouden tot na te noemen tijdstip.

4.6.       Gelet op het vorenstaande zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5.          De beslissing

De kamer voor het notariaat:

stelt klager in de gelegenheid voor 1 april 2016 een afschrift/kopie over te leggen van het testament dat testatrice op 11 april 1996 heeft opgesteld ten overstaan van notaris de heer mr. […], gevestigd in [vestigingsplaats];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek, voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders,  plaatsvervangend rechterlijk lid, mr. L.J.M. Teunissen, notarislid, mr. S. Lettinga, plaatsvervangend notarislid, en mr. G.A.M. van Lith, plaatsvervangend belastinglid.

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2016 door mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek, voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Klachtnummer    : SHE/2015/84 (voorheen SHE/2015/27)

Datum uitspraak : 30 mei 2016

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van:

de heer […] (hierna: klager),

wonende in [woonplaats],

tegen

notaris de heer mr. […] (hierna: notaris X),  

gevestigd in [vestigingsplaats].

1.          De verdere procedure

1.1.       Deze beslissing wordt gegeven in vervolg op de beslissing van de kamer van 15 februari 2016. Bij die beslissing heeft de kamer klager in de gelegenheid gesteld voor 1 april 2016 een afschrift/kopie over te leggen van het testament dat wijlen mevrouw […], de stiefmoeder van klager, op 11 april 1996 heeft opgesteld ten overstaan van notaris de heer mr. […], gevestigd in […] (hierna: notaris Y). In afwachting daarvan heeft de kamer iedere verdere beslissing aangehouden. 

1.2.       Vervolgens heeft klager een brief (met bijlage) aan de kamer toegezonden, gedateerd 23 februari 2016. De kamer heeft een kopie daarvan toegezonden aan notaris X en hem in de gelegenheid gesteld op de inhoud daarvan te reageren. Hij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.  

1.3.       Nadien heeft klager een “Concretisering en onderbouwing aanklacht” betreffende de mondelinge behandeling van de klacht op 16 december 2015 aan de kamer toegezonden. Omdat zowel de schriftelijke als de mondelinge behandeling van de klacht inmiddels was gesloten, heeft de kamer dit stuk bij brief van 1 maart 2016 aan klager geretourneerd en is op de inhoud daarvan geen acht geslagen.    

1.4.       Bij e-mailbericht van 15 maart 2016 heeft klager notaris Y gevraagd (onder meer) het genoemde testament van 11 april 1996 aan hem te overhandigen. In reactie daarop heeft notaris Y klager bij e-mailbericht van 17 maart 2016 bericht dat hij zich in verband met zijn geheimhoudingsplicht niet vrij voelt aan dat verzoek te voldoen omdat het gaat om inzage in een herroepen testament en klager niet behoort tot de kring van wettelijke erfgenamen van zijn stiefmoeder.

1.5.       Op 29 maart 2016 heeft de kamer een brief (met als bijlage de genoemde e-mailberichten van 15 en 17 maart 2016) van klager ontvangen. De kamer heeft een kopie daarvan toegezonden aan notaris X en hem in de gelegenheid gesteld op de inhoud daarvan te reageren. Hij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.6.       Bij brief van 23 mei 2016 heeft de kamer klager en notaris X bericht dat uitspraak zal worden gedaan op 30 mei 2016.

2.          De verdere beoordeling

2.1.       Zoals vermeld in de eerdere beslissing van 15 februari 2016, naar de inhoud waarvan wordt verwezen, heeft klager gesteld dat hij belang heeft bij zijn klacht tegen notaris X omdat hem een erfenis afhandig is gemaakt als gevolg van de wijziging van het testament van zijn stiefmoeder ten overstaan van notaris X op 21 juni 2012. Naar aanleiding van het verweer van notaris X heeft de kamer het van belang geacht allereerst duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of klager in het eerdere (herroepen) testament door zijn stiefmoeder als erfgenaam was aangewezen.

2.2.       De kamer constateert dat klager er niet in is geslaagd een kopie/afschrift over te leggen van het betreffende testament uit 1996, terwijl hij evenmin andere informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat zijn stiefmoeder hem voorafgaand aan de wijziging van haar testament in 2012 wel als erfgenaam had aangewezen. Nu dit niet is komen vast te staan, is de kamer van oordeel dat notaris X zich tijdens de mondelinge behandeling van de klacht dan ook terecht op zijn geheimhoudingsplicht jegens klager heeft beroepen en zal de klacht ongegrond worden verklaard.

3.          De beslissing

De kamer voor het notariaat:

verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek, voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders,  plaatsvervangend rechterlijk lid, mr. L.J.M. Teunissen, notarislid, mr. S. Lettinga, plaatsvervangend notarislid, en mr. G.A.M. van Lith, plaatsvervangend belastinglid.

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2016 door mr. H.A.W. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.