ECLI:NL:TNORSHE:2015:9 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2014/85

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2015:9
Datum uitspraak: 18-05-2015
Datum publicatie: 09-06-2015
Zaaknummer(s): SHE/2014/85
Onderwerp:
  • Personen- en Familierecht
  • Personen- en Familierecht
Beslissingen:
  • Klacht niet-ontvankelijk
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen notaris in verband met advisering rond testament en berekening erfdelen ongegrond. Voor zover klager zijn klacht ter zitting heeft aangevuld, is hij daarin niet-ontvankelijk.

Klachtnummer    : SHE/2014/85

Datum uitspraak : 18 mei 2015

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van

de heer [naam klager] (hierna: klager),

wonende in [naam woonplaats],

tegen

notaris de heer mr. [naam notaris] (hierna: de notaris),

gevestigd in [naam vestigingsplaats].

1.          De procedure

1.1.       Bij brief van 13 november 2014 heeft klager een klacht geformuleerd tegen de notaris en tegen oud-notaris de heer mr. [X], voorheen gevestigd in [naam vestigingsplaats]. Deze klacht is op 17 november 2014 binnengekomen bij de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer). De klacht tegen mr. [X] is door de kamer in behandeling genomen onder nummer SHE/2014/84.

1.2.       De notaris heeft op de klacht geantwoord.

1.3.       Vervolgens zijn klager, de notaris en mr. [X] uitgenodigd voor een gesprek met

mr. S.J.G.N.M. Willard, plaatsvervangend voorzitter van de kamer. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Daarna heeft de plaatsvervangend voorzitter de behandeling van de klacht doorverwezen naar de volle kamer. 

1.4.       De kamer heeft de klacht tegen de notaris en tegen mr. [X] gecombineerd behandeld ter zitting van 20 april 2015. Klager is ter zitting verschenen en heeft de klacht toegelicht, mede aan hand van pleitaantekeningen. De notaris en mr. [X] zijn eveneens ter zitting verschenen en hebben hun standpunt uiteengezet. De klacht tegen mr. [X] zal in een afzonderlijke beslissing worden beoordeeld.

2.          De feiten

2.1.       Uit het huwelijk van de ouders van klager zijn vijf kinderen geboren. De vader van klager is in 1996 overleden. Hij had zijn gehele nalatenschap ex artikel 4:1167 van het Burgerlijk Wetboek (oud) toebedeeld aan de moeder van klager, met wie hij in gemeenschap van goederen gehuwd was geweest.  Klager en zijn twee broers en twee zussen kregen een tijdens haar leven niet opeisbare vordering op moeder ter grootte van het vaderspart. Moeder is die vadersparten altijd schuldig gebleven.

2.2.       Op [datum] 2006 heeft moeder het ouderlijk huis aan klager verkocht voor een bedrag van € 175.000,00. De juridische levering daarvan en de betaling van de koopprijs mochten worden uitgesteld totdat klager zijn boot zou hebben verkocht.

2.3.       Moeder heeft op 7 maart 2006 een testament gemaakt, waarbij zij alle eerdere uiterste wilsbeschikkingen heeft herroepen. Zij heeft haar vijf kinderen tot enig erfgenamen benoemd en bepaald dat klager gerechtigd is in 6/10e deel van haar nalatenschap. Zij heeft verder bepaald dat haar andere vier kinderen elk gerechtigd zijn in 1/10e deel van haar nalatenschap, welk deel overeenkomt met de omvang van hun legitieme portie. De notaris, die destijds als kandidaat-notaris verbonden was aan het kantoor van mr. [X], heeft het eerste gesprek met moeder gevoerd en haar geadviseerd. Klager is bij die bespreking aanwezig geweest. De akte is vervolgens verleden ten overstaan van mr. [X], die destijds nog als notaris werkzaam was.

2.4.       Aan mr. [X] is met ingang van 1 september 2010 eervol ontslag verleend. De notaris is met ingang van 1 september 2010 als notaris benoemd met als vestigingsplaats [naam vestigingsplaats].

2.5.       Moeder is overleden op [datum] 2014. Omstreeks die periode heeft klager zijn boot verkocht. Vervolgens is discussie ontstaan over de wijze van berekening van de erfdelen. Bij brief van 23 juli 2014 heeft de notaris aan klager een toelichting gegeven op (onder meer) de wijze waarop de erfdelen naar zijn mening dienen te worden berekend. Klager is het niet eens met die berekeningswijze.

2.6.       Op 29 augustus 2014 is de akte van verdeling ondertekend door alle erfgenamen. De woning is daarbij toebedeeld aan klager.

3.          De klacht

3.1.       Klager stelt in zijn klacht dat de notaris hem tijdens het gesprek dat hij voorafgaand aan het wijzigen van het testament samen met moeder heeft gevoerd, heeft meegedeeld dat hij aan de vier overige erfgenamen te zijner tijd een bedrag van viermaal € 17.500,00 (in totaal € 70.000,00) zou moeten uitbetalen. Nu de notaris het totale door klager aan de andere erfgenamen verschuldigde bedrag na het overlijden van moeder heeft berekend op € 93.952,00 verwijt hij de notaris dat de erfdelen door hem niet juist zijn berekend.

3.2.       De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. De inhoud van dat verweer zal hierna worden besproken.

4.          De beoordeling

4.1.       Op grond van artikel 93 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen. De kamer dient de handelwijze van de notaris te toetsen aan de in dat artikel omschreven tuchtnorm.

4.2.       Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat tot de te verdelen nalatenschap van moeder eveneens de nalatenschap van vader behoort. De nalatenschap van vader omvat (onder meer) de vijf nog aan de kinderen verschuldigd gebleven “vadersparten”. Deze schulden uit de nalatenschap van vader dienen te worden voldaan uit de nalatenschap van moeder. Hetgeen vervolgens resteert dient te worden verdeeld op de wijze als in het testament van moeder is omschreven.

4.3.       Klager verwijt de notaris allereerst dat hij hem tijdens het gesprek dat hij voorafgaand aan het wijzigen van het testament in 2006 met moeder en klager heeft gehad onjuist heeft geïnformeerd over het bedrag dat hij na het overlijden van moeder aan zijn broers en zusters verschuldigd zou zijn. Zoals gemeld stelt klager dat [naam notaris] hem destijds heeft verteld dat hij na het overlijden van moeder een totaalbedrag van € 70.000,00 aan de overige erfgenamen zou moeten betalen. Volgens [naam notaris] heeft hij tijdens dat gesprek, zoals te doen gebruikelijk, aan de hand van breukdelen uiteengezet op welke wijze de erfenis te zijner tijd zou moeten worden verdeeld, maar hij heeft uitdrukkelijk betwist dat hij destijds een concreet bedrag heeft genoemd dat klager verschuldigd zou zijn indien zijn moeder zou komen te overlijden. In dat verband heeft [naam notaris] erop gewezen dat het voor hem ook niet mogelijk zou zijn geweest om in een dergelijke situatie de omvang van de erfdelen exact te berekenen, omdat op dat moment niet te voorzien was wanneer moeder zou komen te overlijden en waaruit haar nalatenschap te zijner tijd zou bestaan, terwijl de verschuldigde rente over de (niet opeisbare) vadersparten tot die tijd zou blijven oplopen. Nu de kamer deze uitleg van [naaam notaris] plausibel acht en naar haar oordeel niet is komen vast te staan dat de notaris tegenover klager exacte bedragen heeft genoemd waaraan deze in de toekomst rechten zou kunnen ontlenen, zal de klacht met betrekking tot de handelwijze van de notaris in 2006 ongegrond worden verklaard.   

4.4.       Na het overlijden van moeder in 2014 heeft de notaris bij brief van 23 juli 2014 aan klager een uitgebreide toelichting gegeven op de door hem gevolgde berekeningswijze. Daarin heeft de notaris meegedeeld dat de broers en zussen van klager ermee hebben ingestemd het vaderspart te beperken tot 1/12e gedeelte van de WOZ-waarde van het ouderlijk huis in het jaar voorafgaand aan het overlijden van vader. Op basis van die waarde is het vaderspart per kind berekend op een bedrag van € 6.353,00. Dit bedrag dient volgens de notaris te worden vermeerderd met 5% enkelvoudige rente vanaf de datum van overlijden van vader tot de datum van betaling door klager en is door de notaris becijferd op € 5.644, zodat aan elk kind een vaderspart toekomt van € 11.997,00.

4.5.       De door klager betaalde koopsom voor het ouderlijk huis ten bedrage van € 175.000,00 vormt volgens de notaris (samengevat) het saldo van de nalatenschap van moeder. Uit deze nalatenschap van moeder dienen allereerst de vijf vadersparten te worden voldaan, die immers in het verleden nog niet waren uitbetaald aan de kinderen. Klager heeft (naast het recht op zijn vaderspart) recht op 6/10e deel van het resterende bedrag. De vier broers en zussen van klager hebben, naast het recht op hun vaderspart, elk recht op 1/10e deel van de nalatenschap van moeder. Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris in 2014 - afgezien van een niet in het nadeel van klager gemaakte kleine rekenfout - de juiste berekeningswijze gehanteerd bij de verdeling van de nalatenschap van de moeder van klager, zodat ook dit onderdeel van de klacht ongegrond zal worden verklaard.

4.6.       In aanvulling op de door hem geformuleerde klacht heeft klager ter zitting naar voren gebracht dat het de uitdrukkelijke wens van moeder was om alles aan hem na te laten. Nu in het testament is opgenomen dat zijn broers en zusters elk aanspraak maken op 1/10e deel van haar nalatenschap, verwijt hij de notaris dat het testament niet overeenstemt met haar wil.

4.7.       Naar aanleiding van dat verwijt overweegt de kamer dat het niet mogelijk is om een klacht in dat stadium van de procedure nog uit te breiden. Om die reden zal klager dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in deze aanvullende klacht. Opmerking verdient overigens dat de notaris naar aanleiding van de bij klager op dit punt gerezen vragen heeft verklaard dat hij moeder er destijds uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de andere kinderen in elk geval aanspraak konden maken op hun legitieme portie als zij alles aan klager zou nalaten. Omdat de familieverhoudingen zodanig waren dat verwacht werd dat te zijner tijd een beroep op de legitieme zou worden gedaan, heeft moeder er volgens de notaris uitdrukkelijk voor gekozen in haar uiterste wilsbeschikking op te nemen dat de overige kinderen elk aanspraak konden maken op 1/10e deel (gelijk aan hun legitieme portie) van haar nalatenschap. Op deze wijze heeft zij vorm gegeven aan haar wens om klager maximaal te bevoordelen, aldus de notaris. 

4.8.       Ter zitting heeft klager eveneens teruggave van het naar zijn mening teveel betaalde bedrag van € 23.952,00 “geëist”. Daargelaten dat het, zoals hiervoor gemeld, in een dergelijk laat stadium van de procedure niet meer mogelijk is de eerder geformuleerde klacht aan te vullen, voorziet de Wet op het notarisambt niet in de mogelijkheid om een notaris in het kader van een tuchtrechtelijke procedure te veroordelen tot vergoeding van de door een klager gestelde schade. Ook op dit punt zal klager dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.9.       Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.  

4.10.     Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

5.          De beslissing

De kamer voor het notariaat:

verklaart klager niet-ontvankelijk in de klacht voor zover deze betrekking heeft op

-          het verwijt dat het testament van moeder niet overeenstemt met haar wil,  

-          de eis tot betaling van de door klager gestelde schade,

verklaart de klacht verder ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.A.W. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, mr. P.M. Knaapen, rechterlijk lid, mr. M.A.M. Kessels, plaatsvervangend notarislid, mr. R.L.G.M. Steegmans, plaatsvervangend notarislid, en mr. G.A.M. van Lith, plaatsvervangend belastinglid.

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2015 door mr. H.A.W. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.E.L.A.M. de Groot-Hofstad, secretaris.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.