ECLI:NL:TNORSHE:2015:8 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2014/84
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2015:8 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-05-2015 |
| Datum publicatie: | 09-06-2015 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2014/84 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen oud-notaris in verband met advisering rond testament, mede in verband met diens verantwoordelijkheid voor de handelwijze van de destijds op zijn kantoor werkzame kandidaat-notaris. Nu de (identieke) klacht tegen deze kandidaat-notaris bij afzonderlijke beslissing ongegrond is verklaard, wordt ook de klacht tegen de oud-notaris ongegrond verklaard. Voor zover klager zijn klacht ter zitting heeft aangevuld, is hij daarin niet-ontvankelijk. |
Klachtnummer : SHE/2014/84
Datum uitspraak : 18 mei 2015
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van
de heer [naam klager] (hierna: klager),
wonende in [naam woonplaats],
tegen
oud-notaris de heer mr. [naam oud-notaris] (hierna: de oud-notaris),
voorheen gevestigd in [naam vestigingsplaats],
wonende in [naam woonplaats].
1. De procedure
1.1. Bij brief van 13 november 2014 heeft klager een klacht geformuleerd tegen de oud-notaris en tegen notaris de heer mr. [Y], gevestigd in [naam vestigingsplaats]. Deze klacht is op 17 november 2014 binnengekomen bij de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer). De klacht tegen mr. [Y] is door de kamer in behandeling genomen onder nummer SHE/2014/85.
1.2. De oud-notaris heeft op de klacht geantwoord.
1.3. Vervolgens zijn klager, de oud-notaris en mr. [Y] uitgenodigd voor een gesprek met
mr. S.J.G.N.M. Willard, plaatsvervangend voorzitter van de kamer. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Daarna heeft de plaatsvervangend voorzitter de behandeling van de klacht doorverwezen naar de volle kamer.
1.4. De kamer heeft de klacht tegen de oud-notaris en tegen mr. [Y] gecombineerd behandeld ter zitting van 20 april 2015. Klager is ter zitting verschenen en heeft de klacht toegelicht, mede aan de hand van pleitaantekeningen. De oud-notaris en mr. [Y] zijn eveneens ter zitting verschenen en hebben hun standpunt uiteengezet. De klacht tegen mr. [Y] zal in een afzonderlijke beslissing worden beoordeeld.
2. De feiten
2.1. Uit het huwelijk van de ouders van klager zijn vijf kinderen geboren. De vader van klager is in 1996 overleden. Hij had zijn gehele nalatenschap ex artikel 4:1167 van het Burgerlijk Wetboek (oud) toebedeeld aan de moeder van klager, met wie hij in gemeenschap van goederen gehuwd was geweest. Klager en zijn twee broers en twee zussen kregen een tijdens haar leven niet opeisbare vordering op moeder ter grootte van het vaderspart. Moeder is die vadersparten altijd schuldig gebleven.
2.2. Op [datum] 2006 heeft moeder het ouderlijk huis aan klager verkocht voor een bedrag van € 175.000,00. De juridische levering daarvan en de betaling van de koopprijs mochten worden uitgesteld totdat klager zijn boot zou hebben verkocht.
2.3. Moeder heeft op 7 maart 2006 een testament gemaakt, waarbij zij alle eerdere uiterste wilsbeschikkingen heeft herroepen. Zij heeft haar vijf kinderen tot enig erfgenamen benoemd en bepaald dat klager gerechtigd is in 6/10e deel van haar nalatenschap. Zij heeft verder bepaald dat haar andere vier kinderen elk gerechtigd zijn in 1/10e deel van haar nalatenschap, welk deel overeenkomt met de omvang van hun legitieme portie. Mr. [Y], die destijds als kandidaat-notaris verbonden was aan het kantoor van de oud-notaris, heeft het eerste gesprek met moeder gevoerd en haar geadviseerd. Klager is bij die bespreking aanwezig geweest. De akte is vervolgens verleden ten overstaan van de oud-notaris, die destijds nog als notaris werkzaam was.
2.4. Aan de oud-notaris is met ingang van 1 september 2010 eervol ontslag verleend. Per die datum is mr. [Y] tot notaris benoemd met als vestigingsplaats [naam vestigingsplaats].
2.5. Moeder is overleden op [datum] 2014. Nadien is discussie ontstaan over de wijze van berekening van de erfdelen.
3. De klacht
3.1. Klager stelt in zijn klacht dat mr. [Y] hem tijdens het gesprek dat hij voorafgaand aan het wijzigen van het testament samen met moeder heeft gehad, heeft meegedeeld dat hij aan de vier overige erfgenamen te zijner tijd een bedrag van viermaal € 17.500,00 (in totaal € 70.000,00) zou moeten uitbetalen. Nu mr. [Y] het totale door klager aan de erfgenamen verschuldigde bedrag na het overlijden van moeder heeft berekend op € 93.952,00, verwijt hij hem dat hij de erfdelen niet juist heeft berekend. Klager is van mening dat de oud-notaris verantwoordelijk is voor de wijze waarop mr. [Y], die ten tijde van het eerste gesprek met moeder als kandidaat-notaris aan zijn kantoor verbonden was, hem heeft geïnformeerd.
3.2. De oud-notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. De inhoud van dat verweer zal hierna worden besproken.
4. De beoordeling
4.1. Op grond van artikel 93 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen. Ook indien een notaris niet meer als zodanig werkzaam is, blijft hij aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten gedurende de tijd dat hij als notaris werkzaam was. De kamer dient de handelwijze van de oud-notaris te toetsen aan de in dat artikel omschreven tuchtnorm.
4.2. Nu de oud-notaris sinds 1 september 2010 niet meer als zodanig werkzaam is, kan de klacht enkel betrekking hebben op diens handelwijze tot die datum. Voor zover de klacht betrekking heeft op de wijze waarop mr. [Y] de erfdelen heeft berekend ná het overlijden van moeder in maart 2014, is klager dan ook niet-ontvankelijk in zijn klacht tegen de oud-notaris.
4.3. Vervolgens is de vraag aan de orde of aan de oud-notaris een verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop mr. [Y] in 2006 klager en diens moeder heeft geadviseerd. Zoals gemeld zijn de (inhoudelijk identieke) klachten tegen de oud-notaris en mr. [Y] door de kamer gecombineerd behandeld. Bij beslissing van 18 mei 2015 heeft de kamer de door klager tegen mr. [Y] ingediende klacht met betrekking tot diens advisering in 2006 ongegrond verklaard (verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.3. van die beslissing, bekend onder kenmerk SHE/2014/85). Daaruit volgt dat de klacht tegen de oud-notaris op dit onderdeel eveneens ongegrond is.
4.4. Ter zitting heeft klager, in aanvulling op de door hem geformuleerde klacht, naar voren gebracht dat het de uitdrukkelijke wens van moeder was om alles aan hem na te laten. Nu in het testament is opgenomen dat zijn broers en zussen elk aanspraak maken op 1/10e deel van haar nalatenschap, verwijt hij de oud-notaris dat het testament niet overeenstemt met haar wil.
4.5. Naar aanleiding van dat verwijt overweegt de kamer dat het niet mogelijk is om een klacht in dat stadium van de procedure nog uit te breiden. Om die reden zal klager dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in deze aanvullende klacht. Opmerking verdient overigens dat mr. [Y] naar aanleiding van de bij klager op dit punt gerezen vragen heeft verklaard dat hij moeder er destijds uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de andere kinderen in elk geval aanspraak konden maken op hun legitieme portie als zij alles aan klager zou nalaten. Omdat de familieverhoudingen zodanig waren dat verwacht werd dat te zijner tijd een beroep op de legitieme zou worden gedaan, heeft moeder er volgens mr. [Y] en de oud-notaris uitdrukkelijk voor gekozen in haar uiterste wilsbeschikking op te nemen dat de overige kinderen elk aanspraak konden maken op 1/10e deel (gelijk aan hun legitieme portie) van haar nalatenschap. Op deze wijze heeft zij vorm gegeven aan haar wens om klager maximaal te bevoordelen, aldus mr. [Y] en de oud-notaris.
4.6. Ter zitting heeft klager eveneens teruggave van het naar zijn mening teveel betaalde bedrag van € 23.952,00 “geëist”. Daargelaten dat het, zoals hiervoor gemeld, in een dergelijk stadium van de procedure niet meer mogelijk is de eerder geformuleerde klacht aan te vullen, voorziet de Wet op het notarisambt niet in de mogelijkheid om een (oud-)notaris in het kader van een tuchtrechtelijke procedure te veroordelen tot vergoeding van de door een klager gestelde schade. Ook op dit punt zal klager dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.7. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
4.8. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat:
verklaart klager niet ontvankelijk in de klacht voor zover deze betrekking heeft op
- de handelwijze van de oud-notaris na 1 september 2010,
- het verwijt dat het testament van moeder niet overeenstemt met haar wil,
- de eis tot betaling van de door klager gestelde schade,
verklaart de klacht verder ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.A.W. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, mr. P.M. Knaapen, rechterlijk lid, mr. M.A.M. Kessels, plaatsvervangend notarislid, mr. R.L.G.M. Steegmans, plaatsvervangend notarislid, en mr. G.A.M. van Lith, plaatsvervangend belastinglid.
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2015 door mr. H.A.W. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.E.L.A.M. de Groot-Hofstad, secretaris.
Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.