ECLI:NL:TNORSHE:2015:5 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2014/68
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2015:5 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-04-2015 |
| Datum publicatie: | 30-04-2015 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2014/68 |
| Onderwerp: | Registergoed |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | De oud-notaris heeft in 2005 een hypotheekakte gepasseerd, waarbij de zoon van klaagster als hypotheekgever een recht van eerste hypotheek heeft gevestigd op zijn bedrijfspand en waarbij de woning van klaagster is belast met een recht van tweede hypotheek. In 2007 heeft de oud-notaris een akte statutenwijziging gepasseerd, als gevolg waarvan het bedrijfspand en de hypothecaire geldlening zijn ingebracht in een onderneming die de zoon samen met zijn zakenpartner heeft opgericht. Pas nadat de samenwerking tussen hen is verbroken, verneemt klaagster dit van de zoon. Klaagster verwijt de oud-notaris dat hij haar niet heeft geïnformeerd over de statutenwijziging. Naar het oordeel van de kamer is klaagster als gevolg van de statutenwijziging niet meer risico gaan lopen dan waartoe zij zich in 2005 had verbonden. Mede in verband met zijn geheimhoudingsplicht stond het de notaris bovendien niet vrij klaagster te informeren over de rechtsgevolgen van de opdracht die aan hem was verstrekt tot het verlenen van zijn diensten bij de inbreng van de onderneming van de zoon. Klacht ongegrond. |
Klachtnummer : SHE/2014/68
Datum uitspraak : 20 april 2015
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van
mevrouw [naam] (hierna: klaagster),
wonende in [woonplaats],
tegen
oud-notaris de heer mr. [naam] (hierna: de oud-notaris),
voorheen gevestigd in [vestigingsplaats],
wonende in [woonplaats].
1. De procedure
1.1. Klaagster heeft bij brief van 23 augustus 2014 een klacht geformuleerd tegen de oud-notaris. Deze klacht is op 26 augustus 2014 binnengekomen bij de kamer voor het notariaat in het ressort ’s‑Hertogenbosch (hierna: de kamer). Op verzoek van de kamer heeft klaagster aanvullende informatie verstrekt. Deze informatie is ontvangen op 11 september en 10 oktober 2014.
1.2. De oud-notaris heeft op de klacht geantwoord. Naar aanleiding daarvan heeft de kamer hem om verduidelijking van een deel van zijn antwoord gevraagd. Klaagster heeft bij brief van 9 januari 2015 gereageerd op het antwoord. De oud-notaris heeft bij brief van 23 januari 2015 geantwoord op het verzoek van de kamer.
1.3. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft de behandeling van de klacht verwezen naar de volle kamer.
1.4. De kamer heeft de klacht behandeld op 16 februari 2015. Klaagster en de oud-notaris zijn ter zitting verschenen. Zij hebben hun standpunt over en weer toegelicht, mede aan de hand van pleitaantekeningen.
2. De feiten
2.1. Bij akte van 20 juli 2005 heeft de oud-notaris een hypotheekakte gepasseerd. Daarbij hebben de zoon van klaagster en klaagster als hypotheekgevers ten behoeve van AMEV Praktijkvoorziening N.V. (samengevat) een recht van hypotheek gevestigd op twee onderpanden. Aan de schuldeiseres is een recht van eerste hypotheek verstrekt op de praktijkruimte van de zoon, die werkzaam is als [beroep zoon]. De woning van klaagster is belast met een recht van tweede hypotheek.
2.2. Ten overstaan van de oud-notaris is op 17 augustus 2007 voorts een akte van oprichting verleden, waarbij de zoon van klaagster, handelend in zijn hoedanigheid van directeur van [naam] Holding B.V., en zijn zakenpartner, handelend in zijn hoedanigheid van directeur van [naam zakenpartner] Holding B.V., een besloten vennootschap hebben opgericht, te weten [naam] Onroerend Goed B.V.
2.3. Vervolgens heeft de oud-notaris op 31 december 2007 een akte houdende statutenwijziging gepasseerd waarbij de zoon en zijn zakenpartner in hun hoedanigheid van directeuren van hun hiervoor genoemde besloten vennootschappen en in hun hoedanigheid van directeuren van [naam] Onroerend Goed B.V. de statuten hebben gewijzigd en opnieuw vastgesteld en ter gelegenheid waarvan extra aandelen zijn uitgegeven. Zij zijn overeengekomen dat zij de door hen genomen aandelen volstorten door inbreng in [naam] Onroerend Goed B.V. van de gehele door de zakenpartner gedreven onderneming [naam] en van de gehele door de zoon gedreven onderneming [naam]. Tot de activa van deze onderneming van de zoon behoorde onder andere de praktijkruimte en tot de passiva van gemelde onderneming behoorde onder andere de hypothecaire geldlening ten behoeve van Amev.
2.4. De oud-notaris is met ingang van 1 januari 2012 uit het ambt getreden.
2.5. Inmiddels is de samenwerking tussen de zoon en zijn zakenpartner verbroken.
3. De klacht
3.1. Klaagster verwijt de oud-notaris dat hij haar niet heeft geïnformeerd over het feit dat de onderneming van de zoon, waarvan de praktijkruimte deel uitmaakte, is ingebracht in [naam] Onroerend Goed B.V. Zij is van mening dat de notaris daartoe gehouden was omdat hij in 2005 de hiervoor in rechtsoverweging 2.1. omschreven hypotheekakte had gepasseerd, zodat hij zich had moeten realiseren dat zij er belang bij had om over deze inbreng te worden geïnformeerd. Klaagster stelt dat het risico dat zij door de schuldeiseres zal worden aangesproken als gevolg van die inbreng is vergroot.
3.2. De oud-notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. De inhoud van dit verweer zal hierna worden besproken.
4. De beoordeling
4.1. Op grond van artikel 93 van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. Notarissen die niet meer als zodanig werkzaam zijn, blijven aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van hun handelen of nalaten gedurende de tijd dat zij nog als zodanig werkzaam waren. De kamer dient te beoordelen of de handelwijze van de oud-notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit wetsartikel oplevert.
4.2. Allereerst is de vraag aan de orde of klaagster ontvankelijk is in haar klacht. Een klacht kan namelijk slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van de notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen (artikel 99, lid 15, Wna). Hoewel de betreffende akten al in 2007 zijn gepasseerd, is niet gebleken dat klaagster eerder dan begin 2014 door haar zoon is geïnformeerd over de verbreking van het samenwerkingsverband met zijn zakenpartner en de daaruit voortvloeiende zakelijke perikelen. Daarvan uitgaande is de kamer dan ook van oordeel dat de klacht tijdig is ingediend, zodat klaagster daarin ontvankelijk is.
4.3. Vervolgens is de vraag aan de orde of de oud-notaris klaagster eind 2007 had moeten informeren over de op handen zijnde inbreng van de onderneming van de zoon, nu deze tot gevolg had dat de zoon de activa van deze onderneming inbracht in [naam] Onroerend Goed B.V. onder de gehoudenheid van deze vennootschap om de passiva van gemelde onderneming, waaronder begrepen de hypothecaire geldlening ten behoeve van Amev, voor haar rekening te nemen. Bij de beoordeling van die vraag wordt vooropgesteld dat klaagster blijkens de hypotheekakte door middel van het vestigen van een recht van tweede hypotheek op haar woning zekerheid heeft verschaft:
“voor de betaling van al hetgeen de schuldeiseres blijkens haar administratie van hem, schuldenaar, afzonderlijk en/of tezamen te vorderen heeft of te eniger tijd te vorderen zal hebben uit hoofde van verstrekte of alsnog te verstrekken leningen, tegenwoordige of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken (andere) hoofde ook”.
4.4. Sinds 2005 staat zij met haar woning dus borg voor zowel de op dat moment bestaande als de toekomstige schulden van de zoon. Het stond de zoon dus vrij nadien andere verplichtingen aan te gaan. Klaagster is daardoor niet meer risico gaan lopen dan waartoe zij zich in 2005 had verbonden. Naar het oordeel van de kamer had het op de weg van de zoon gelegen om klaagster te informeren over de gewijzigde zakelijke omstandigheden. Dit lag niet op de weg van de notaris, die bovendien verplicht is tot geheimhouding van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt (artikel 22 Wna). Om die reden stond het de notaris niet vrij klaagster te informeren over de rechtsgevolgen van de opdracht die aan hem was verstrekt tot het verlenen van zijn diensten bij de inbreng van gemelde onderneming. Naar het oordeel van de kamer heeft de oud-notaris dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door klaagster niet te informeren. De klacht zal ongegrond worden verklaard.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat:
verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.J.G.N.M. Willard, plaatsvervangend voorzitter, mr. P.M. Knaapen, plaatsvervangend rechterlijk lid, mr. J.L.G.M. Mertens, notarislid, mr. L.J.M. Teunissen, notarislid, en mr. R.J.M.G. Oostveen, plaatsvervangend belastinglid.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2015 door mr. H.A.W. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Vliet, secretaris.
Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.