ECLI:NL:TNORSHE:2015:13 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2014/53

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2015:13
Datum uitspraak: 15-06-2015
Datum publicatie: 26-08-2015
Zaaknummer(s): SHE/2014/53
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht gegrond zonder maatregel
Inhoudsindicatie: Klaagster is geen erfgenaam, maar haar oom heeft bij testament bepaalde zaken aan haar gelegateerd. Deze zijn niet meer aanwezig als de inhoud van het legaat bekend wordt aan de erfgenamen. Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris onvoldoende de regie gehouden bij (de begeleiding van de kandidaat-notaris bij) de uitvoering van de opdracht van de erfgenamen, terwijl hij daarbij ook verder niet de benodigde zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Zo wordt (onder meer) de dossiervorming ver beneden de maat geacht. Eenmaal daarop aangesproken, wekt de notaris bovendien de indruk de door klaagster geuite bezwaren niet serieus te nemen. Aan de notaris is eerder, in 2007 en in 2014, de tuchtmaatregel van een waarschuwing opgelegd. Het vervult de kamer dan ook met zorg dat zijn opstelling in deze klachtprocedure zowel tijdens het gesprek met de plaatsvervangend voorzitter als tijdens de behandeling door de volle kamer getuigt van achteloosheid, die mede wordt geïllustreerd door de slordigheid van de inhoud en de wijze van redigeren van zijn antwoord en dupliek. Achteloosheid is een eigenschap die niet past bij de verwachtingen die men mag hebben van de wijze waarop een notaris zijn ambt uitoefent. Daardoor wordt het vertrouwen in het notariaat geschaad. De kamer rekent de notaris dit in ernstige mate aan en acht het passend om aan hem de maatregel van een geldboete op te leggen .

Klachtnummer    : SHE/2014/53

Datum uitspraak : 15 juni 2015

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van

mevrouw [naam] (hierna: klaagster),

wonende te [woonplaats],

tegen

notaris de heer mr. [naam] (hierna: de notaris),

gevestigd in [vestigingsplaats].

1.          De procedure

1.1.       Bij brief van 18 juni 2014 heeft klaagster een klacht geformuleerd tegen de notaris. Deze klacht is op 23 juni 2014 binnengekomen bij de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer).

1.2.       De notaris heeft op de klacht geantwoord, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd.

1.3.       Vervolgens zijn klaagster en de notaris uitgenodigd voor een gesprek met mr. S.J.G.N.M. Willard, plaatsvervangend voorzitter van de kamer. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 24 november 2014. Vervolgens heeft mr. Willard besloten de klacht door te verwijzen naar de volle kamer.

1.4.       De kamer heeft de klacht behandeld op 20 april 2015. Klaagster en de notaris zijn ter zitting verschenen. Zij hebben hun standpunt over en weer toegelicht.

2.          De feiten

2.1.       Op 2 maart 2013 is een oom van klaagster (hierna: erflater) overleden. Zijn erfgenamen hebben op 19 maart 2013 een eerste gesprek gehad met mevrouw mr. [X]. Zij was destijds als kandidaat-notaris verbonden aan het kantoor van de notaris. De erfgenamen hebben aan haar opdracht gegeven om een verklaring van erfrecht op te stellen. Zij verkeerden destijds in de veronderstelling dat erflater geen testament had opgemaakt en dat klaagster niet in de nalatenschap gerechtigd was.

2.2.       Op 28 maart 2013 heeft de kandidaat-notaris informatie verkregen van het Centraal Testamenten Register (hierna: CTR). Begin april 2013 heeft zij een afschrift van het testament opgevraagd bij de notaris die de akte had verleden. Zij heeft dit afschrift op 10 april 2013 ontvangen. Uit het testament bleek dat erflater klaagster als legataris had aangewezen voor een aantal zaken. De kandidaat-notaris heeft de gemeente op 11 april 2013 aangeschreven om uit te sluiten dat erflater kinderen had nagelaten.

2.3.       Vervolgens heeft de kandidaat-notaris getracht telefonisch contact te krijgen met de heer [Y], die door de erfgenamen als contactpersoon was aangewezen. Zij hebben elkaar op 3 mei 2013 telefonisch gesproken. Bij e-mailbericht van 3 mei 2013 heeft de kandidaat-notaris een scan van het testament aan de contactpersoon en aan de overige erfgenamen toegezonden.  

2.4.       De erfgenamen hebben op 14 mei 2013 een gesprek gehad met de notaris, waarbij de inhoud van het testament is besproken. Tijdens deze bespreking hebben de erfgenamen een verklaring van aanvaarding en een volmacht ondertekend. De positie van legatarissen is daarbij onderwerp van gesprek geweest, alsmede de vraag wie legatarissen dient te informeren over het bestaan van een legaat.

3.          De klacht

3.1.       De klacht luidt (samengevat) dat de notaris:

-        niet tijdig onderzoek heeft gedaan naar de vraag of erflater een testament had gemaakt,

-        de erfgenamen niet eerder dan op 3 mei 2013 op de hoogte heeft gesteld van het bestaan en de inhoud van het testament, terwijl eind maart 2013 al bekend was dat er een testament bestond en de (kandidaat-)notaris vanaf 10 april 2013 op de hoogte was van de inhoud van het testament,

-        onvoldoende aan verslaglegging heeft gedaan, als gevolg waarvan onvoldoende informatie kan worden gegeven over de gevolgde handelwijze,

-        de erfgenamen heeft verteld dat zij niet verplicht zijn de legatarissen in te lichten,

-        niet heeft gereageerd op eerdere verzoeken om informatie van klaagster.

3.2.       De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. De inhoud van dit verweer zal hierna worden besproken.

4.          De beoordeling

4.1.       Op grond van artikel 93, lid 1, van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. Hoewel het dossier aanvankelijk in behandeling is genomen door de kandidaat-notaris, is de klacht enkel gericht tegen de notaris.

4.2.       Blijkens artikel 1, lid 1 onder c, Wna verricht een kandidaat-notaris zijn/haar notariële werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van een notaris. Het is de kamer ambtshalve bekend dat de kandidaat-notaris in april 2011 is afgestudeerd en dat zij in oktober 2011 met haar stage in het notariaat is begonnen. Naar het oordeel van de kamer kon zij in maart 2013 niet worden aangemerkt als een zodanig ervaren kandidaat-notaris dat zij geen toezicht en begeleiding meer nodig had. Tijdens het gesprek met de voorzitter heeft de notaris verklaard dat de kandidaat-notaris hem heeft geraadpleegd over het dossier. Na het bekend worden van de inhoud van het testament heeft hij zelf een bespreking gevoerd met de erfgenamen. De kamer is dan ook van oordeel dat de notaris mede verantwoordelijk is voor de handelwijze van de kandidaat-notaris. Daarvan uitgaande zal zijn handelwijze worden getoetst aan de in artikel 93 Wna omschreven tuchtnorm.

Voortgang

4.3.       Allereerst is de vraag aan de orde of de opdracht voldoende voortvarend ter hand is genomen nadat de erfgenamen op 19 maart 2013 een eerste bespreking hadden gehad op het notariskantoor.

Ter zitting heeft de notaris verklaard dat het voor hem niet is te achterhalen wanneer informatie is opgevraagd bij het CTR. Desgevraagd heeft hij verklaard dat deze informatie niet direct in de spreekkamer wordt opgevraagd maar tijdens de eerstvolgende gelegenheid dat je weer achter een computer zit. “Dat kan een week duren indien het in de workload terecht komt”, aldus de notaris, die verder heeft verklaard dat het zou kunnen dat de aanvraag op 26 of 27 maart 2013 is gedaan.

4.4.       Het is de kamer ambtshalve bekend dat doorgaans binnen een uur nadat een aanvraag bij het CTR is ingediend, bericht wordt ontvangen of daar al dan niet een testament is geregistreerd. Bij oudere testamenten kan het enkele dagen duren voordat een dergelijk bericht wordt ontvangen, omdat er handmatig moet worden gezocht. Vast staat dat op 28 maart 2013, dus negen dagen na het eerste gesprek met de erfgenamen, bij de (kandidaat-)notaris bekend was dát erflater een testament had gemaakt. De erfgenamen zijn daarover op dat moment niet geïnformeerd.

4.5.       Zoals gemeld staat verder vast dat de (kandidaat-)notaris op 10 april 2013 een kopie heeft ontvangen van de akte, waaruit bleek dat erflater zaken aan klaagster had gelegateerd. De erfgenamen zijn echter niet eerder dan op 3 mei 2013 geïnformeerd over het bestaan van het testament en de inhoud daarvan. Naar aanleiding van het verweer van de notaris ter verklaring van dit tijdsverloop overweegt de kamer als volgt.

4.6.       De notaris heeft gesteld dat de kandidaat-notaris in de tussenliggende periode diverse malen heeft geprobeerd telefonisch contact te krijgen met de gemachtigde van de erfgenamen, maar zijn mededelingen daarover roepen de nodige vragen op en bieden onvoldoende duidelijkheid over de vraag wanneer door wie is gebeld en wat de inhoud van het gesprek is geweest. Zo heeft de notaris bij antwoord gesteld dat de kandidaat-notaris op 22 april 2013 telefonisch contact heeft gehad met de gemachtigde (wat daarbij is besproken valt volgens hem uit de aantekeningen in het dossier niet op te maken) en dat er volgens de urenregistratie ook een poging is gedaan de gemachtigde te bereiken op 24 april 2013. Bij dupliek heeft hij over de belpogingen gesteld:

“Dit staat niet in het dossier, maar later is bij mij het kwartje gevallen dat dit over het onderhavige dossier ging. Mogelijk is alleen de 22e april zijn antwoord apparaat of voicemail ingesproken. In ieder geval is er door de heer [Y] op 22 april verzocht terug te bellen. Er is verscheidene keren geprobeerd om de heer [Y] te bereiken, die bleek op vakantie. Uiteindelijk is dat gelukt, dit was vermoedelijk op 22 april of 3 mei 2014 ( opmerking kamer: bedoeld zal zijn 2013 ). De notitie is niet gedateerd; uit de volgorde van het dossier moet dat rond die koers zijn gedaan.“

Ter zitting heeft de notaris echter verklaard dat ergens in het dossier een briefje aan de kandidaat-notaris zat dat zij moest bellen, maar dat zij niet heeft genoteerd wanneer zij een belpoging heeft gedaan. Al met al acht de kamer het relaas van de notaris over de telefonische contacten weinig geloofwaardig en onvoldoende onderbouwd. Ook diens opmerking ter zitting dat hij nog heeft geprobeerd de belgegevens te achterhalen, maar dat dit niet is gelukt als gevolg van een storing bij KPN, wordt met de nodige scepsis bezien; de notaris was immers sinds eind juni 2014 op de hoogte van de inhoud van de klacht en heeft uit de gang van zaken tijdens het gesprek met de plaatsvervangend voorzitter op 24 november 2014 kunnen opmaken dat waarde werd gehecht aan informatie over de wijze waarop was getracht de erfgenamen te informeren. Dat er sindsdien een storing bij KPN zou zijn is volstrekt onaannemelijk. Indien de notaris bedoeld heeft aan te geven dat hij de belgegevens uiteindelijk nog kort voor de zitting heeft proberen te achterhalen, maar dat hij toen werd gehinderd door een storing, komt dit voor zijn eigen rekening en risico.

4.7.       Volgens de notaris zijn er op 11 april 2013 bovendien eerst nog brieven aan de gemeente gestuurd om uit te sluiten dat erflater kinderen had nagelaten. De kamer neemt aan dat de notaris daarmee heeft bedoeld te stellen dat met het informeren van de erfgenamen moest worden gewacht totdat bericht van de gemeente zou worden ontvangen. Naar het oordeel van de kamer kan het tijdsverloop hiermee echter niet worden gerechtvaardigd. Overigens is het sinds 1 januari 2003 (datum inwerkingtreding nieuw erfrecht) niet meer noodzakelijk te controleren of er nog andere kinderen zijn dan de benoemde erfgenamen, aangezien kinderen als legitimarissen sinds het nieuwe erfrecht slechts een positie van schuldeiser van de nalatenschap hebben en geen erfgenaam meer zijn, waardoor een verklaring van erfrecht zonder meer kan worden afgegeven zonder die informatie. Daarnaast is niet gesteld of gebleken wanneer een reactie van de gemeente is ontvangen.

4.8.       Gelet op het vorenstaande concludeert de kamer dat de (kandidaat-)notaris weinig voortvarend te werk is gegaan bij het opvragen van informatie bij het CTR. Toen eenmaal bericht van het CTR werd ontvangen dat erflater wél een testament had gemaakt, had het naar het oordeel van de kamer op de weg van de (kandidaat-)notaris gelegen om de erfgenamen, die immers in de veronderstelling verkeerden dat erflater geen testament had opgemaakt, daarvan spoedig op de hoogte te stellen. Dat is echter niet gebeurd. De inhoud van het testament, waarbij zaken aan klaagster werden gelegateerd, vormde eens te meer aanleiding om de erfgenamen daarover zo spoedig mogelijk te informeren. Naar het oordeel van de kamer vormt hetgeen de notaris heeft verklaard over de telefonische contacten geen genoegzame verklaring voor het feit dat het na het bekend worden van de inhoud van het testament meer dan drie weken heeft geduurd voordat de erfgenamen daarover zijn geïnformeerd. De kamer is dan ook van oordeel dat onvoldoende voortvarend is gehandeld, zodat dit onderdeel van de klacht gegrond zal worden verklaard.

Informeren over legaat

4.9.       Vast staat dat de notaris tijdens het gesprek op 14 mei 2013 aan de erfgenamen heeft meegedeeld dat hij, in het kader van de opdracht tot het afgeven van een verklaring van erfrecht, voor zichzelf geen taak zag weggelegd om de legatarissen te informeren over het bestaan van een legaat. Deze mededeling is op zich juist. Op grond van het bepaalde bij artikel 4:119 van het Burgerlijk Wetboek dienen immers degenen op wie een legaat rust, alsmede de executeur, er zorg voor te dragen dat de legataris zo spoedig mogelijk van het legaat in kennis wordt gesteld.

4.10.     Op basis van de informatie die klaagster van de erfgenamen heeft gekregen over de mededelingen van de notaris tijdens het bedoelde gesprek verwijt zij hem dat hij hen niet op deze verplichting heeft gewezen. De notaris heeft dat echter uitdrukkelijk betwist en hij heeft gesteld dat de erfgenamen zijn woorden mogelijk hebben “misvormd”. Bij repliek heeft hij daarover nog het volgende gesteld:

“De erfgenamen zijn wel verplicht de legataris in te lichten. Als zij menen dat de gelegateerde goederen er niet meer waren ten tijde van het overlijden, kunnen zij uit praktische overwegingen achterwege laten, maar erg kies vind ik dit niet gezien de mogelijk emotionel waarde die uitgaat van het maken of krijgen van een legaat.” (kamer: letterlijke weergave stelling notaris)

4.11.     De kamer heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van de notaris dat hij de erfgenamen heeft gewezen op hun verplichting de legatarissen te informeren. Nu (helaas) aangenomen mag worden dat de aan klaagster gelegateerde zaken (een enkele uitzondering daargelaten) niet meer aanwezig waren toen de erfgenamen bekend werden met de inhoud van het testament, kan weliswaar niet worden uitgesloten dat de erfgenamen uit de mededelingen van de notaris met de hiervoor genoemde strekking tijdens het gesprek op 14 mei 2013 hebben opgemaakt dat zij er ook voor konden kiezen een legataris niet in te lichten, maar een dergelijke keuze behoort tot de verantwoordelijkheid van de erfgenamen en kan de notaris niet worden aangerekend. Nu naar het oordeel van de kamer niet is komen vast te staan dat de notaris de erfgenamen niet op hun verplichting heeft gewezen, zal dit onderdeel van de klacht ongegrond worden verklaard.

Zorgvuldigheid

4.12.     Een notaris dient de belangen van alle bij een rechtshandeling betrokken partijen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te behartigen (artikel 17 Wna). Beoordeeld dient te worden of door de notaris voldoende zorgvuldigheid is betracht. 

4.13.     De notaris heeft ter zitting verklaard dat de verslaglegging in het dossier inderdaad karig/summier is. Zoals gemeld is bijvoorbeeld niet aangetekend op welke data telefonisch contact heeft plaatsgevonden en hoe dit is verlopen, op welke datum informatie is opgevraagd bij het CTR, op welke datum om een afschrift van het testament is verzocht en zo is ook geen kopie gemaakt van de brief die aan de gemeente is toegezonden en is het de vraag of de reactie van de gemeente in het dossier aanwezig is. Ter zitting heeft de notaris bovendien verklaard dat hij zelf geen aantekeningen heeft van het gesprek dat hij op 14 mei 2013 met de erfgenamen heeft gevoerd.

4.14.     De kamer is dan ook van oordeel dat de dossiervorming ver beneden de maat is geweest, als gevolg waarvan de handelwijze van de notaris als zeer onzorgvuldig moet worden aangemerkt. Dit  onderdeel van de klacht zal de kamer daarom eveneens gegrond verklaren, waarbij de kamer mede in aanmerking neemt dat klaagster naar aanleiding van de bij haar gerezen vragen over de gang van zaken weliswaar eenmaal telefonisch contact heeft gehad met de notaris, maar dat de notaris niet heeft weersproken dat hij niet heeft gereageerd op haar (onder meer per aangetekende post verzonden) verzoeken om informatie.

4.15.     De kamer acht het in dit verband tekenend dat de notaris ook niet tijdig heeft gereageerd op verzoeken van de kamer om binnen een termijn van drie weken te antwoorden en te repliceren. Beide malen heeft hij deze termijn zonder bericht laten verstrijken en heeft de kamer moeten rappelleren. 

Resumerend

4.16.     Uit de hiervoor omschreven gang van zaken concludeert de kamer dat de notaris onvoldoende de regie heeft gehouden bij (de begeleiding van de kandidaat-notaris bij) de uitvoering van de opdracht van de erfgenamen, terwijl hij daarbij ook verder niet de benodigde zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Eenmaal daarop aangesproken, wekt hij bovendien de indruk de door klaagster geuite bezwaren niet serieus te nemen. Aan de notaris is eerder, in 2007 en in 2014, de tuchtmaatregel van een waarschuwing opgelegd. Het vervult de kamer dan ook met zorg dat zijn opstelling in deze klachtprocedure zowel tijdens het gesprek met de plaatsvervangend voorzitter als tijdens de behandeling door de volle kamer getuigt van achteloosheid, die mede wordt geïllustreerd door de slordigheid van de inhoud en de wijze van redigeren van zijn antwoord en dupliek. Achteloosheid is een eigenschap die niet past bij de verwachtingen die men mag hebben van de wijze waarop een notaris zijn ambt uitoefent. Daardoor wordt het vertrouwen in het notariaat geschaad. De kamer rekent de notaris dit in ernstige mate aan en acht het passend om aan hem de maatregel van een geldboete op te leggen.

4.17.     Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.

5.          De beslissing

De kamer voor het notariaat:

verklaart de klacht gegrond,

legt aan de notaris een geldboete op van € 500,00 (vijfhonderd euro) en bepaalt dat dit bedrag binnen 30 dagen na het onherroepelijk worden van deze beslissing dient te zijn overgemaakt op:

bankrekening NL80RBOS0569989795

ten name van Rechtbank Oost-Brabant

onder vermelding van

Kamer voor het notariaat

SHE/2014/53

postbus 70584

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.A.W. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, mr. P.M. Knaapen, rechterlijk lid, mr. M.A.M. Kessels, plaatsvervangend notarislid, mr. R.L.G.M. Steegmans, plaatsvervangend notarislid, en mr. G.A.M. van Lith, plaatsvervangend belastinglid.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2015 door mr. W.M. Weerkamp, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.T.A.R. van Lier, secretaris.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.