ECLI:NL:TNORSHE:2014:29 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2014/7

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2014:29
Datum uitspraak: 15-09-2014
Datum publicatie: 22-09-2014
Zaaknummer(s): SHE/2014/7
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen:
  • Klacht niet-ontvankelijk
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Ontvankelijkheid. Begrip belanghebbende. Ingevolge artikel 99 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) kan een ieder met enig redelijk belang een klacht tegen een notaris indienen. Een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van een klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Verwijzing naar de uitspraak van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag van 26 maart 2014 (ECLI:NL:TNORDHA:2014:9). Klager heeft de klacht ingediend op eigen titel en niet als vertegenwoordiger van de erfgenamen die zich tot hem hebben gewend. De kamer acht klager ontvankelijk in het gedeelte van de klacht dat betrekking heeft op de bejegening door de notaris van klager. De kamer acht klager niet ontvankelijk in het overige gedeelte van de klacht, omdat het overige gedeelte van de klacht betrekking heeft op inhoudelijke aspecten van de afwikkeling van de nalatenschap. Klager heeft daarbij onvoldoende belang, omdat de inhoudelijke aspecten van de afwikkeling van de nalatenschap klager niet op enigerlei wijze persoonlijk aangaan

Klachtnummer:    SHE/2014/7

Datum uitspraak:  15 september 2014

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’S-HERTOGENBOSCH

De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van

de heer mr. [A] (verder: klager), wonende te […],

tegen

notaris mr. [B] (verder: notaris), gevestigd te […].

1.          De procedure

1.1.       Klager heeft bij brief van 2 januari 2014 een klacht geformuleerd tegen de notaris.

Deze klacht is op 8 januari 2014 binnengekomen bij de kamer voor het notariaat (verder: de kamer).

1.2.       De notaris heeft op de klacht geantwoord.

1.3.       De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft partijen uitgenodigd voor

een gesprek op 14 april 2014. Alleen klager is verschenen.

1.4.       De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft vervolgens de behandeling van de zaak verwezen naar de volle kamer.

1.5.       De kamer heeft de klacht behandeld op 18 augustus 2014. Verschenen zijn klager en

de notaris. Zij hebben hun standpunten toegelicht.

2.          De feiten

2.1.       Op 12 januari 2012 is mevrouw […] (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster heeft bij testament van 19 november 1996 over haar nalatenschap beschikt. Dit testament is voor notaris

mr. [C] verleden. Bij voormeld testament heeft erflaatster de in anciënniteit oudste kandidaat-notaris van het notariskantoor tot executeur benoemd. De op de benoeming betrekking hebbende bepaling in het testament luidt als volgt:

   “ Executele

5.   Ik benoem tot uitvoerder van mijn uiterste wilsbeschikkingen met het recht tot inbezitneming van

       mijn gehele nalatenschap, bezorger van mijn uitvaart en beredderaar van mijn boedel, de in

       anciënniteit oudste kandidaat-notaris werkzaam op het kantoor van mr. [C], diens

       plaatsvervanger of opvolger onder bepaling dat deze voor zijn werkzaamheden een loon in rekening

      mag brengen gelijk aan de daarvoor geldende (advies)tarieven zoals opgesteld door het bestuur van de

       Koninklijke Notariële Broederschap te Den Haag.”

Er zijn 23 erfgenamen.

2.2.     De notaris heeft het protocol van notaris [C] overgenomen.

2.3.       Ten tijde van het overlijden van erflaatster was de heer mr. [D] (hierna: [D]) de in anciënniteit oudste kandidaat-notaris op het kantoor van de notaris.

2.4.       Bij brief van 8 maart 2012 heeft een andere kandidaat-notaris op het kantoor van de notaris,

te weten mr. [E] (hierna: [E]) de erfgenamen geïnformeerd over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. [E] heeft in voormelde brief - onder meer en voor zover hier relevant - het navolgende medegedeeld:

       “(…)

Volmacht

De heer [F1] en de heer [F2], voornoemd, hebben verklaard bereid te zijn om mede namens de overige erfgenamen tezamen de woning aan de […] te […] te verkopen en te leveren. Deswege is in gemelde verklaring een volmacht voor hen opgenomen.

Bij gemeld testament is de oudste kandidaat-notaris van ons kantoor aangewezen als executeur. In overleg met notaris [B] is besloten om de heer [F1] en de heer [F2] in onze plaats te stellen zodat zij, tezamen als executeurs de nalatenschap van uw tante kunnen afwikkelen. (…)”

2.5.       Bij notariële akte van 21 maart 2012, verleden voor de notaris, heeft [D] zijn benoeming

tot executeur aanvaard en heeft [D] aan de heren [F1] en [F2] (hierna: de heren [F]) volmacht gegeven om hem te vertegenwoordigen ter zake van het beheer als bedoeld in artikel 3:170 lid 2 BW over de nalatenschap van erflaatster, maar alleen voor zover het betreft:

a. het innen van vorderingen, zoals van levensverzekering of pensioen, door overlijden van de

      erflaatster opeisbaar geworden en aan de nalatenschap of aan één of meer erfgenamen toekomende;

b. het beschikken over rekeningen bij banken, spaarbanken en girodiensten;

c. het openen van safes;

d. het voldoen van belastingaangiften (waaronder die van erf- en schenkbelasting);

e.  het voldoen van schulden van de nalatenschap en het voldoen van de begrafenis- en  

      crematiekosten;

f. het verrichten van de hiervoor sub a. tot en met e. vermelde handelingen met betrekking tot enige

      onverdeeldheid waarin de erflaatster gerechtigd mocht zijn;

g. het verkopen en leveren van de woning gelegen te […] aan de […];

h. alles verder te doen wat in verband met het vorenstaande nodig of wenselijk mocht zijn. 

2.6.       De notaris heeft op 1 juni 2012 de verklaring van erfrecht opgesteld.

2.7.       De heren [F] hebben werkzaamheden inzake de nalatenschap van erflaatster verricht.

Zij hebben een overzicht van hun werkzaamheden gemaakt, welke werkzaamheden 1.127 uur

in totaal belopen. Zij hebben voor deze werkzaamheden een bedrag van € 1.500,‑‑ in rekening gebracht bij ieder van de erfgenamen.

2.8.       Twee erfgenamen hebben zich tot klager gewend, omdat zij het niet eens zijn met de door

de heren [F] in rekening gebrachte werkzaamheden. Klager en de notaris hebben hierover gecorrespondeerd.

3.          De klacht en het verweer

3.1.       Klager stelt zich op het standpunt dat de notaris, dan wel de onder zijn verantwoordelijkheid handelende perso(o)n(en), niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris mag worden verwacht. Klager betoogt in dat verband dat de in het testament opgenomen executele ten onrechte is afgewikkeld naar het huidige erfrecht. Klager wijst er op dat het testament is opgemaakt onder het oude erfrecht en de in het testament opgenomen executele geen recht van substitutie kent. Dat brengt, aldus klager, mee dat de heren [F] hun werkzaamheden niet als executeur hebben verricht. De erfgenamen hebben enkel volmacht aan de heren [F] gegeven om hen te vertegenwoordigen bij de verkoop en levering van de woning van erflaatster. Klager heeft omstreeks april 2013 bij de notaris bezwaar gemaakt tegen de door de heren [F] in rekening gebrachte werkzaamheden en heeft daarbij gewezen op de inhoud van de brief van [E] van 8 maart 2012. Klager stelt dat de notaris toen heeft erkend dat de in het testament opgenomen executele ten onrechte is afgewikkeld naar nieuw erfrecht en dat de notaris zich bereid heeft verklaard een praktische oplossing te zoeken voor de door de heren [F] in rekening gebrachte werkzaamheden. Bij brief van 18 december 2013 deelt de notaris mede dat de heren [F] als gevolmachtigden hebben gehandeld. Dit rijmt niet met het eerder door de notaris ingenomen standpunt, aldus klager.

Klager verwijt de notaris voorts dat hij partijdig heeft gehandeld. Klager betoogt in dat verband dat

de notaris zich bij voortduring de belangen van de heren [F] heeft aangetrokken en zich met hun standpunt heeft vereenzelvigd en daarbij de belangen van de overige erfgenamen heeft verwaarloosd.

Klager voert in dat verband aan dat de notaris, ondanks mondelinge toezeggingen daartoe, geen enkele poging heeft ondernomen om de heren [F] te bewegen de in rekening gebrachte werkzaamheden

te matigen. Daartoe was - gelet op de omvang en de aard van de in rekening gebrachte werkzaamheden in relatie tot de omvang van de nalatenschap van erflaatster - wel alle reden,

aldus klager. Klager voert in dat verband voorts aan dat de notaris, ondanks mondelinge toezeggingen daartoe, de heren [F] niet heeft gewezen op de wettelijke regeling omtrent het loon van de executeur.

3.2.       De notaris stelt zich op het standpunt dat klager niet ontvankelijk is in zijn klacht.

Voorts betwist de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld. De notaris erkent dat [E] in haar brief van 8 maart 2012 ten onrechte heeft vermeld dat de heren [F] in de plaats van de executeur zijn gesteld en dat de heren [F] als executeur de nalatenschap zouden afwikkelen.

De notaris wijst er op dat het onder het huidige erfrecht mogelijk zou zijn geweest om aan een executeur de bevoegdheid te verlenen om een executeur in zijn plaats te stellen en dat deze bevoegdheid onder het oude erfrecht niet aan een executeur kon worden verleend. De heren [F] hebben de in rekening gebrachte werkzaamheden evenwel verricht uit hoofde van een volmacht van [D]. De notaris wijst in dit verband op de notariële akte houdende volmachtverlening van 21 maart 2012 en de verklaring van erfrecht van 1 juni 2012.

De notaris betwist voorts dat hij partijdig heeft gehandeld. De notaris stelt in dat verband dat hij

met zowel klager als de heren [F] diverse malen heeft gesproken en heeft getracht om een voor alle partijen aanvaardbare oplossing te vinden. De heren [F] hebben zich bereid getoond om op verzoek van de notaris de nota te matigen. Voorts hebben de heren [F] zich voor een “second opinion” tot een ander notariskantoor gewend, teneinde met een redelijk voorstel te komen. Het voorstel in de brief van de notaris van 18 december 2013 is in overleg met dat notariskantoor tot stand gekomen, aldus de notaris.

4.          De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.       Ingevolge artikel 99 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) kan een ieder met enig redelijk belang een klacht tegen een notaris indienen. Een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van een klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid.

De kamer wijst in dit verband op de uitspraak van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag van 26 maart 2014 (ECLI:NL:TNORDHA:2014:9). Klager heeft ter zitting verklaard dat hij de onderhavige klacht heeft ingediend op eigen titel en niet als vertegenwoordiger van de twee erfgenamen die zich tot hem hebben gewend. Klager heeft in dat verband verklaard dat hij zich persoonlijk door de notaris voelt aangevallen, omdat de notaris hem aan het lijntje heeft gehouden en tegen hem heeft gelogen. De kamer acht klager ontvankelijk in het gedeelte van de klacht dat betrekking heeft op de bejegening door de notaris van klager. Het overige gedeelte van de klacht heeft betrekking op inhoudelijke aspecten van de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster,

te weten de bevoegdheid van de heren [F], de grondslag van de door de heren [F] in rekening gebrachte werkzaamheden en de hoogte van de door de heren [F] in rekening gebrachte werkzaamheden. Klager heeft daarbij onvoldoende belang, omdat de inhoudelijke aspecten van de afwikkeling van de nalatenschap klager niet op enigerlei wijze persoonlijk aangaan. De kamer acht klager in dat gedeelte van de klacht dan ook niet ontvankelijk.

Bejegening

4.2.       Op grond van artikel 93 lid 1 Wna zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De kamer dient de handelwijze van de notaris te toetsen aan de in dat artikel omschreven tuchtnorm.

Klager verwijt de notaris dat de notaris klager aan het lijntje heeft gehouden en dat de notaris tegen hem heeft gelogen. De kamer overweegt in dat verband als volgt.

Vast staat dat [E] in haar brief van 8 maart 2012 ten onrechte heeft vermeld dat de heren [F] in de plaats worden gesteld van de executeur en dat de heren [F] als executeurs de nalatenschap van erflaatster kunnen afwikkelen. De notaris heeft dit ook erkend. Deze onjuistheid brengt evenwel niet mee dat de heren [F] - behoudens de werkzaamheden met betrekking tot de verkoop en levering van de woning van erflaatster - niet bevoegd waren om werkzaamheden met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster te verrichten. [D] heeft namelijk een volmacht aan de heren [F] gegeven om hem te vertegenwoordigen. Klager heeft deze volmacht in twijfel getrokken, doch de kamer heeft geen enkele reden om aan de juistheid van deze bij notariële akte opgemaakte volmacht te twijfelen. Het verwijt van klager dat de notaris ten onrechte heeft getracht

de werkzaamheden van de heren [F] onder de volmacht van de erfgenamen met betrekking tot de verkoop en de levering van de woning te scharen is dus onterecht. Klager heeft nog betoogd dat de notaris mondeling jegens klager gedane toezeggingen niet is nagekomen. Klager heeft daartoe gesteld dat de notaris hem mondeling heeft toegezegd dat hij de heren [F] zou bewegen de in rekening gebrachte werkzaamheden te matigen en dat hij de heren [F] zou wijzen op de wettelijke regeling omtrent het loon van de executeur. De kamer overweegt in dit verband dat de notaris in zijn brief van 17 december 2013 een algemene afslag van 10% op het aantal uren van de heren [F] heeft voorgesteld en dat niet aannemelijk is geworden dat de notaris een mondelinge toezegging met betrekking tot de toepasselijkheid van de wettelijke regeling van het executeursloon heeft gedaan.

Het betoog van klager dat de notaris mondeling jegens klager gedane toezeggingen niet is nagekomen faalt dan ook. Gelet op het voorgaande is het verwijt van klager dat de notaris klager aan het lijntje heeft gehouden en tegen klager heeft gelogen onterecht.

Ter zitting heeft klager nog betoogd dat de notaris hem eerder op de hoogte had dienen te stellen van de volmacht van [D] aan de heren [F]. Ook dit betoog faalt. Duidelijk is dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een miscommunicatie met betrekking tot de grondslag van de werkzaamheden van de heren [F]. De notaris behoefde er evenwel niet op bedacht te zijn dat klager niet op de hoogte was van de volmacht van [D]. De kamer overweegt in dit verband dat de volmacht van [D] in de verklaring van erfrecht onder “executele” uitdrukkelijk staat vermeld en dat klager in zijn brief van 4 april 2013 naar deze bepaling in de verklaring van erfrecht verwijst. Daarbij komt dat de notaris in zijn brieven van 9 oktober 2013 en 17 december 2013 melding heeft gemaakt van de volmacht van [D].

Gelet op het voorgaande zal de kamer het gedeelte van de klacht dat betrekking heeft op de bejegening van klager ongegrond verklaren.

5.          De beslissing

5.1.       verklaart klager niet-ontvankelijk in het gedeelte van de klacht dat betrekking heeft op de inhoudelijke aspecten van de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster;

5.2.       verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek, voorzitter, mr. H.G. Robers, rechterlijk lid, mr. S. Lettinga, plaatsvervangend notaris lid, mr. J.A.P. Dings, plaatsvervangend notaris lid, en

mr. J.J.G.M. Kuijpers, belasting lid.

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2014 door mr. H.A.W. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.E.L.A.M. de Groot-Hofstad als secretaris.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.