ECLI:NL:TNORSHE:2014:23 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2013/95

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2014:23
Datum uitspraak: 19-05-2014
Datum publicatie: 10-10-2014
Zaaknummer(s): SHE/2013/95
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Nalatenschap. Wils(on)bekwaamheid van testateur. Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening.

Klachtnummer    : SHE/2013/95

Datum uitspraak : 19 mei 2014

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’S-HERTOGENBOSCH

De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van

de heer […] en mevrouw […] (verder: klagers), woonplaats kiezende ten kantore van hun advocaat mr. D. Vermaat, gevestigd te Barendrecht,

tegen

mr. […] (verder: oud-notaris), voorheen notaris en thans kandidaat-notaris te […].

1.          De procedure

1.1.       Klagers hebben bij brief van 4 november 2013 een klacht geformuleerd tegen de oud-notaris.

Deze klacht is op 5 november 2013 binnengekomen bij de kamer voor het notariaat (verder: de kamer).

1.2.       De oud-notaris heeft op de klacht geantwoord. Vervolgens is gerepliceerd en gedupliceerd.

1.3.       De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft de behandeling van de zaak verwezen

naar de volle kamer.

1.4.       De kamer heeft de klacht behandeld op 14 april 2014. Verschenen zijn klagers bijgestaan door hun advocaat, alsmede de oud-notaris. Zij hebben hun standpunten toegelicht.

2.          De feiten

2.1.       Op 21 maart 2011 is de heer […] (hierna: erflater) overleden. Klagers zijn de kinderen van erflater. Erflater heeft bij testament van 27 augustus 2010 een zogenaamde tweetrapsmaking gemaakt waarbij hij zijn partner […] (hierna: partner) tot enige erfgename heeft benoemd en klagers tot erfgenamen over hetgeen van zijn nalatenschap resteert nadat zijn partner is overleden. Dit testament is verleden voor de oud-notaris.

2.2.       Klagers hebben een civiele procedure aanhangig gemaakt. In deze procedure vorderen zij

de vernietiging van het testament van erflater van 27 augustus 2010.

3.          De klacht en het verweer

3.1.       Klagers stellen zich op het standpunt dat de oud-notaris onzorgvuldig heeft gehandeld.

Klagers verwijten de oud-notaris dat hij op 27 augustus 2010 het testament van erflater heeft gepasseerd, terwijl erflater niet wilsbekwaam was. Erflater was alstoen ernstig dementerend door de ziekte van Alzheimer. Klagers wijzen ter onderbouwing op een brief van de huisarts van erflater van

14 augustus 2013 met een drietal specialistenberichten van de neuroloog van erflater. De huisarts schrijft in voormelde brief dat hij het zeer onwaarschijnlijk acht dat erflater op 27 augustus 2010 in staat was zijn wil te bepalen. De oud-notaris heeft het testament verleden na slechts één kort gesprek

met erflater bij erflater thuis. Bij dit gesprek en bij het verlijden van het testament was de partner

van erflater aanwezig. De partner van erflater onderhield alle contacten met het notariskantoor en was belanghebbende bij dit testament. De oud-notaris heeft aldus in strijd gehandeld met het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: het Stappenplan).

Klagers verwijten de oud-notaris voorts dat hij hen verkeerd heeft geïnformeerd. De oud-notaris

heeft - nadat klagers de civiele procedure hadden gestart - klagers een afschrift van het testament van erflater van 1 maart 1996 toegezonden met de mededeling dat dit testament voorafging aan het testament van 27 augustus 2010, terwijl uit het Centraal Testamenten Register is gebleken dat op

9 maart 2007 nog een testament is opgemaakt.

Klagers verwijten de oud-notaris tot slot dat de oud-notaris te lang heeft gewacht met het verstrekken van een afschrift van het testament van erflater van 9 maart 2007. Klagers verzoeken de kamer om de authenticiteit van dit testament te onderzoeken.

3.2.       De oud-notaris betwist dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld en stelt in dat verband het navolgende. De partner van erflater heeft de oud-notaris benaderd. Zij had kennis genomen van de mogelijkheid van een tweetrapstestament waarbij werd voorkomen dat de langstlevende erfbelasting voor de kinderen zou dienen te betalen. De partner van erflater wilde dat voor zichzelf en erflater ook zo regelen en gaf aan dat ook met erflater te hebben besproken. Zij gaf daarbij tevens aan dat erflater de ziekte van Alzheimer had. De oud-notaris heeft toen aangegeven dat hij eerst een gesprek met erflater wilde om te kunnen bepalen of erflater zijn wil nog voldoende kon bepalen. De oud-notaris is vervolgens bij erflater thuis geweest en heeft met erflater gesproken. Tijdens dat gesprek was de partner van erflater afwezig. De oud-notaris heeft met erflater gesproken over het arbeidsverleden van erflater, zijn ziekte en het huis. Ook heeft de oud-notaris gevraagd naar de tijd. Op alle vragen van de oud-notaris heeft erflater keurig geantwoord zij het in een aanmerkelijk lage versnelling, aldus de oud-notaris. Volgens de oud-notaris kon hij goed een gesprek met erflater voeren waarbij erflater zacht sprak en weloverwogen zijn woorden koos. Vervolgens heeft de oud-notaris in dat gesprek het testament aan de orde gesteld. Daarbij is besproken dat de partner van erflater zich tot de oud-notaris had gewend. Dit had de volledige instemming van erflater. Ook is besproken het belang van het niet voorschieten van erfbelasting en of erflater dit belangrijk genoeg vond om een testament te maken. Ook dat was het geval. Het gesprek met erflater gaf de oud-notaris dan ook geen enkele aanleiding om aan de wilsbekwaamheid van erflater te twijfelen. Om die reden heeft de oud-notaris afgezien van het opvragen van een huisartsverklaring. De volgende dag is de oud-notaris nogmaals bij erflater thuis geweest en alstoen is het testament van erflater verleden. De oud-notaris wijst er nog op dat ook het testament van 9 maart 2007 de strekking had de langstlevende partner te beschermen.

De oud-notaris erkent dat hij abusievelijk een afschrift van het testament van 1 maart 1996 aan klagers heeft toegezonden in plaats van een afschrift van het testament van 9 maart 2007. Volgens de oud-notaris was dit een gevolg van een nieuw notarieel automatiseringssysteem dat na zijn defungeren was geïnstalleerd.

4.          De beoordeling

4.1.       Op grond van artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen aan

het tuchtrecht onderworpen. De kamer dient de handelwijze van de oud-notaris te toetsen aan de in

dat artikel omschreven tuchtnorm. De diverse onderdelen van de klacht zullen afzonderlijk worden

besproken.

4.2.       Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel - het handelen van de oud-notaris met betrekking tot de wilsbekwaamheid van erflater - overweegt de kamer als volgt. De kamer dient in deze procedure te beoordelen of de oud-notaris ten tijde van het opstellen en het verlijden van het testament van erflater voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het vaststellen van de wilsbekwaamheid van erflater. Daarbij is overigens niet de vraag aan de orde óf erflater ten tijde van het verlijden van het testament al dan niet voldoende wilsbekwaam was om zijn belangen te kunnen behartigen. Die vraag dient niet in een tuchtrechtelijke, maar in een civielrechtelijke procedure beoordeeld te worden.

De kamer overweegt dat uitgangspunt is dat een cliënt voor het tekenen van een notariële akte in staat moet zijn tot een redelijke waardering daarvan. Het Stappenplan biedt een toetsingskader aan notarissen die zich in voorkomende gevallen een oordeel moeten vormen over de wilsbekwaamheid van een cliënt. In het Stappenplan staan indicatoren vermeld die aanleiding kunnen zijn voor een nadere beoordeling van wilsbekwaamheid. Indien een notaris - ook al heeft hij kennis van het bestaan van een of meerdere indicatoren - geen aanleiding behoeft te hebben om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van een cliënt, dan hoeft hij het Stappenplan niet verder te volgen. Van belang hierbij is de indruk die een cliënt in een gesprek maakt.

Als achteraf uit rapporten van deskundigen valt af te leiden dat een cliënt op het moment van een bespreking of passeren van de akte (mogelijk) niet als wilsbekwaam kon worden aangemerkt, betekent dit nog niet zonder meer dat dit ook aan de notaris duidelijk had moeten zijn geweest. Of dit zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval.

Niet in geschil tussen partijen is dat er in de onderhavige zaak een aantal indicatoren uit het Stappenplan aanwezig waren, te weten: de ziekte van Alzheimer en de omstandigheid dat het initiatief voor het verzoek tot dienstverlening van de partner van erflater afkomstig was. Voorts is niet in geschil tussen partijen dat deze indicatoren kenbaar waren voor de notaris. De kamer is van oordeel dat de oud-notaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdens de voorbespreking en bij het passeren van de akte voldoende alert is geweest op de mate van wilsbekwaamheid van erflater en dat hij onvoldoende aanleiding had om aan deze wilsbekwaamheid te twijfelen. Het niet verder toepassen van het Stappenplan kan de oud-notaris in de gegeven situatie dan ook niet worden verweten. Dat de huisarts van erflater achteraf heeft verklaard dat hij het zeer onwaarschijnlijk acht dat erflater destijds in staat was zijn wil te bepalen doet hieraan onvoldoende af. Mogelijk is sprake geweest van momentopnamen waarop erflater in ieder geval nog de indruk wekte compos mentis te zijn. Voorts heeft de notaris gesproken met erflater in zijn eigen omgeving en buiten aanwezigheid van zijn partner. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.

4.3.       Met het tweede klachtonderdeel verwijten klagers de oud-notaris dat hij hen verkeerd heeft geïnformeerd. De oud-notaris heeft erkend dat hij abusievelijk een afschrift van het testament van

1 maart 1996 aan klagers heeft toegezonden in plaats van een afschrift van het testament van

9 maart 2007. De oud-notaris heeft dit nadien hersteld. Hoewel de oud-notaris op dit punt zorgvuldiger had kunnen handelen, acht de kamer de handelwijze van de oud-notaris gelet op de door hem gegeven verklaring niet tuchtrechtelijk laakbaar. Dit onderdeel van de klacht is derhalve eveneens ongegrond.

4.4.                   Voor wat betreft het derde klachtonderdeel - te lang gewacht met het verstrekken van

een afschrift van het testament van 9 maart 2007 - overweegt de kamer als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen heeft de oud-notaris bij brief van 27 augustus 2013 het testament van

1 maart 1996 aan klagers toegezonden. Uit de stellingen van klagers volgt dat klagers ná ontvangst van deze brief het Centraal Testamenten Register (CTR) hebben geraadpleegd en een afschrift van het testament van 9 maart 2007 hebben opgevraagd. Niet gesteld of gebleken is wanneer klagers dit afschrift hebben ontvangen. In zoverre is dit klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd.

Klagers hebben verzocht om de authenticiteit van het testament van 9 maart 2007 te onderzoeken.

Dit testament is evenwel bij testament van 21 maart 2011, welk testament vooralsnog rechtsgeldig is, herroepen. Reeds gelet hierop zal de kamer vorenbedoeld verzoek van klagers afwijzen.

4.5.                   Gelet op het vorenstaande zal de kamer de klacht op alle onderdelen ongegrond verklaren.

5.    De beslissing

5.1.       verklaart de klacht op alle onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.M. Weerkamp, plaatsvervangend voorzitter, mr. H.G. Robers, rechterlijk lid, mr J.L.G.M. Mertens, notaris lid, mr. M.A.M. Kessels, plaatsvervangend notaris lid, en

mr. J.J.G.M. Kuijpers, belasting lid, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 mei 2014 in aanwezigheid van de secretaris.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 5H Amsterdam.