ECLI:NL:TNORSHE:2014:18 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2013/100
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2014:18 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-10-2014 |
| Datum publicatie: | 27-10-2014 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2013/100 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Geschil over verdeling na beëindiging samenwoning (met samenlevingsovereenkomst). Tussen klaagster en haar voormalige partner (de man) zijn twee procedures in kort geding gevoerd in verband met de verdeling van de gemeenschappelijke woning. Beide vonnissen zijn in kracht van gewijsde gegaan. Bij het laatste vonnis heeft de voorzieningenrechter bepaald dat, indien klaagster weigert haar medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van verdeling en levering van de woning aan de man, dit vonnis in de plaats treedt van die akte. De man die, zowel zakelijk als privé, al jarenlang regelmatig gebruik maakt van de diensten van het notariskantoor waaraan de notaris is verbonden, geeft de notaris opdracht uitvoering te geven aan dat vonnis. Nadat klaagster medewerking weigert, wordt het vonnis ingeschreven bij het Kadaster. Klaagster verwijt de notaris (met name) dat hij partijdig is geweest. Klaagster deels niet-ontvankelijk, klacht overigens ongegrond. |
Klachtnummer : SHE/2013/100
Datum uitspraak : 20 oktober 2014
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van
mevrouw […] (verder: klaagster),
wonende in [woonplaats],
tegen
notaris de heer mr. […] (verder: notaris x),
gevestigd in [vestigingsplaats].
1. De procedure
1.1. Klaagster heeft bij brief van 21 november 2013 een klacht geformuleerd. Deze klacht is op 23 november 2013 binnengekomen bij de kamer voor het notariaat (verder: de kamer).
1.2. Notaris [x] heeft op de klacht geantwoord. Vervolgens is gerepliceerd en gedupliceerd.
1.3. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft de zaak verwezen naar de volle kamer.
1.4. De kamer heeft de klacht behandeld op 15 september 2014. Klaagster en notaris [x] zijn ter zitting verschenen. Klaagster heeft haar standpunt toegelicht, mede aan de hand van een pleitnota. Ook notaris [x] heeft zijn standpunt toegelicht.
2. De feiten
2.1. Klaagster heeft een affectieve relatie gehad met de heer […] (verder: [y]). Zij zijn in 1997 met elkaar gaan samenwonen. [y] is op 11 september 2001 eigenaar geworden van een woonhuis met berging en een perceel bouwland, gelegen aan [adres en woonplaats]. Deze registergoederen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als “de woning”.
2.2. De akte van levering betreffende de woning is verleden ten overstaan van (inmiddels oud-) notaris mr. [2], die destijds verbonden was aan notariskantoor [1] & [2] notarissen in Eindhoven. [y] had regelmatig contact met dit notariskantoor, zowel voor privéaangelegenheden als voor zakelijke transacties ten behoeve van de onderneming waarvan hij mede-eigenaar is. Tot 1 juli 1997 was mr. [1] als notaris aan dit kantoor verbonden. De zoon van mr. [1], mr. [1a], is sinds 15 maart 1993 op dit kantoor werkzaam.
2.3. Op 8 maart 2002 heeft klaagster de onverdeelde helft van de woning in eigendom verkregen door inschrijving van de akte van levering die op 6 maart 2002 (eveneens) is verleden ten overstaan van mr. [2].
2.4. Klaagster en [y] hebben de rechtsgevolgen van hun samenwoning geregeld in een samenlevingsovereenkomst. Deze is vastgelegd in een notariële akte, die op 23 oktober 2003 is verleden voor mr. [3] (destijds kandidaat-notaris), waarnemer van het protocol van notaris mr. [4]. Beiden waren destijds verbonden aan notariskantoor [1] & [2].
2.5. Notaris [x] is sinds 1 maart 2006 verbonden aan het notariskantoor, aanvankelijk als kandidaat-notaris en vanaf 1 mei 2007 als notaris. Het kantoor voert sindsdien de naam “[1] [x] [3] Notarissen” (1x3).
2.6. In oktober 2007 is de relatie tussen klaagster en [y] beëindigd en heeft [y] de woning verlaten. Klaagster is daar, samen met de twee kinderen die inmiddels uit hun relatie waren geboren, blijven wonen. Vervolgens is tussen klaagster en [y] een geschil ontstaan over de verdeling van de tussen hen ontstane gemeenschap.
2.7. Op 25 mei 2008 is de samenwoning tussen partijen formeel beëindigd overeenkomstig de bepalingen uit de samenlevingsovereenkomst. In verband met het tussen klaagster en [y] gerezen geschil over (onder meer) het gebruik van de woning, heeft [y] klaagster op 11 juni 2008 in kort geding gedagvaard. Bij verstekvonnis van de voorzieningenrechter bij de rechtbank ’s‑Hertogenbosch van 16 juli 2008 is klaagster veroordeeld om de woning uiterlijk op 1 september 2008 te ontruimen. Destijds is er eveneens discussie ontstaan over de vraag of klaagster en [y], die inmiddels allebei werden bijgestaan door een advocaat, op 15 juli 2008 al dan niet volledige overeenstemming hadden bereikt over de verschillende rechtsgevolgen van de beëindiging van hun samenwoning. Klaagster heeft verzet aangetekend tegen het verstekvonnis.
2.8. Bij vonnis in verzet van 17 oktober 2008 (verder ook: het vonnis uit 2008, bijlage 2 bij klacht) heeft de voorzieningenrechter bij genoemde rechtbank, samengevat, het beroep van klaagster op wilsgebreken bij de totstandkoming van de op 15 juli 2008 gemaakte afspraken verworpen en heeft hij haar ontheven van de verplichting tot ontruiming van de woning per 1 september 2008. Opnieuw rechtdoende luidt de verdere beslissing:
“6.1. veroordeelt de vrouw om uiterlijk binnen zes weken nadat de man bij deurwaardersexploit aan de vrouw heeft betekend een verklaring van de instrumenterende notaris:
dat hij, de notaris, het ten processe bedoelde bedrag wegens overbedeling van € […](…euro) van de man onder
zich heeft verkregen;
dat hij de vrouw oproept om te zijnen kantore te verschijnen tot het passeren van de akte waarbij haar onverdeeld aandeel in de voormalig
echtelijke woning aan [adres en woonplaats]aan de man wordt geleverd;
dat hij door de man gemachtigd is om daarna dat bedrag van € […] aan de vrouw uit te betalen;
de woning aan [adres en woonplaats] met al het hare en de haren te ontruimen en ontruimd te houden;
6.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3. compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.”
2.9. Ter voldoening aan het vonnis heeft [y] genoemd bedrag van € […] op 31 oktober 2008 gestort op de bijzondere rekening als bedoeld in artikel 25 van de Wet op het notarisambt (verder: Wna) ten name van het notariskantoor. Deze rekening zal verder worden aangeduid als de derdengeldenrekening. Mr. [3], die inmiddels tot notaris was benoemd, heeft bij brief van 3 november 2008 aan klaagster bericht dat [y] hem had aangewezen als instrumenterend notaris voor de uit hoofde van het vonnis voortspruitende verdeling van de woning. Verder heeft hij haar opgeroepen binnen de in het vonnis genoemde termijn op zijn kantoor te verschijnen om te compareren in de akte van verdeling van haar onverdeelde aandeel in de woning aan [y] en heeft hij haar meegedeeld dat hij door [y] was gemachtigd om de gelden na inschrijving van de verdeling aan klaagster betaalbaar te stellen.
2.10. Klaagster heeft op 14 november 2008 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 oktober 2008. Nadat [y] het vonnis uit 2008 aan klaagster had laten betekenen, heeft klaagster de woning in januari 2009 verlaten.
2.11. De appelprocedure is op 18 augustus 2009 geroyeerd. De geschillen tussen klaagster en [y] zijn echter blijven voortbestaan, onder meer over de vraag aan wie (en welk percentage) rente zou worden vergoed over het door [y] op de derdengeldenrekening gestorte bedrag.
2.12. Bij brief van 25 april 2012 heeft notaris [x] aan klaagster meegedeeld dat [y] hem had opgedragen de verdeling van de woning op korte termijn te initiëren en heeft hij haar gevraagd contact met hem op te nemen om een afspraak te maken voor het passeren van de akte. Vervolgens heeft notaris [x] klaagster bij brief van 18 juni 2012 uitgenodigd om de akte van verdeling met betrekking tot de woning te passeren op 26 juni 2012. Klaagster heeft de notaris schriftelijk bericht dat er nog diverse geschilpunten bestonden tussen haar en [y]. Zij heeft geen gevolg gegeven aan de uitnodiging van notaris [x].
2.13. Bij brief van 22 augustus 2012 heeft mr. [1a] klaagster informatie verstrekt over de inhoud van zijn functie binnen het notariskantoor en heeft hij de door hem in de loop van de jaren ten behoeve van klaagster en [y] verrichte werkzaamheden toegelicht.
2.14. Bij brief van 4 oktober 2012 heeft klaagster een klacht ingediend bij de Kamer van Toezicht op de notarissen en kandidaat notarissen in ’s‑Hertogenbosch. Deze klacht was volgens klaagster onder meer gericht tegen “mr. [achternaam van mr. 1 en mr. 1a], die zich als notaris voordeed en nog steeds zo voordoet (…) Dit is een valse opgewekte schijn in de bevoegdheid van mr. [achternaam van mr. 1 en mr. 1a]”, aldus klaagster in haar brief, waarin zij naast haar klacht een vijftal vragen heeft verwoord. Bij beslissing van 25 oktober 2012 heeft de plaatsvervangend voorzitter de klacht terstond afgewezen. In de beslissing is vermeld dat de klacht was ingediend tegen notaris mr. [3], tegen notaris mr. [x] en tegen “oud-notaris mr. [1a]”. Kennelijk is er destijds verwarring gerezen over de personalia van vader en zoon [1 en 1a]. Tegen de beslissing van de voorzitter is geen verzet aangetekend.
2.15. Bij brief van 7 maart 2013 heeft notaris [x] klaagster meegedeeld dat [y] hem had opgedragen op korte termijn de verdeling van de woning te initiëren en voor 23 maart 2013 de akte tot verdeling te passeren. Notaris [x] heeft een ontwerp van de akte van verdeling bijgesloten en klaagster opgeroepen om op 19 maart 2013 om 10.30 uur op zijn kantoor te verschijnen. Klaagster is op het genoemde tijdstip niet verschenen en heeft geen vervangende afspraak gemaakt. Op 19 maart 2013 heeft notaris [x] op verzoek van [y] een akte van non-comparitie opgemaakt.
2.16. Klaagster en [y] zijn er niet in geslaagd om nadien alsnog een regeling te treffen ter beëindiging van de hen verdeeld houdende geschilpunten. Vervolgens heeft [y] klaagster wederom gedagvaard in kort geding. Klaagster heeft in die procedure een reconventionele vordering ingesteld.
2.17. Bij vonnis van de voorzieningenrechter bij de rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2013 (verder ook: het vonnis uit 2013) is klaagster in conventie, samengevat, veroordeeld om binnen tien dagen na het eerste verzoek van de door [y] aangewezen notaris haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verdeling van de woning en de levering daarvan aan [y]. Verder is bepaald dat, indien klaagster binnen de hiervoor genoemde termijn weigert haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan [y] door ondertekening van de akte van verdeling en levering, zoals gehecht aan de akte van non-comparitie opgemaakt door notaris [x] in Eindhoven op 19 maart 2013, het vonnis in de plaats treedt van die akte van verdeling en levering. Daarnaast is (onder meer) bepaald dat de inhoud van die akte, die als kopie aan het vonnis is gehecht, moet worden beschouwd te zijn opgenomen in het vonnis en is klaagster veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis in conventie is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De reconventionele vordering van klaagster is afgewezen.
2.18. Bij brief van 19 juni 2013 heeft notaris [x] klaagster opgeroepen om op 3 juli 2013 om 10.00 uur op het notariskantoor te verschijnen voor het passeren van de akte tot verdeling en levering van de woning.
2.19. Het vonnis is op 24 juni 2013 aan klaagster betekend.
2.20. Bij brief van 1 juli 2013 heeft klaagster uiteengezet om welke redenen zij bezwaar heeft tegen de verdeling van de woning. Klaagster is op 3 juli 2013 niet verschenen bij notaris [x].
2.21. Bij brief van 6 augustus 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant notaris [x] bericht dat geen hoger beroep was aangetekend tegen het vonnis van 10 juni 2013.
2.22. Op 7 augustus 2013 heeft mevrouw mr. [5] als waarnemer voor notaris [x] een notariële verklaring opgesteld met betrekking tot de betekening van het vonnis uit 2013 aan klaagster, de in dat vonnis opgenomen bepaling dat, indien klaagster binnen de in het vonnis gestelde termijn weigert haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan [y] door ondertekening van de akte van verdeling en levering, het vonnis in de plaats treedt van die akte van verdeling en levering, alsmede de oproeping van klaagster voor het passeren van de akte van verdeling en levering en de constatering dat klaagster niet is verschenen op het tijdstip waarvoor zij was opgeroepen, terwijl zij ook geen alternatief tijdstip voor het passeren had voorgesteld. Vervolgens is het vonnis uit 2013 ter inschrijving aangeboden bij het Kadaster, waar het op 9 augustus 2013 om 9.00 uur is ingeschreven.
2.23. Notaris [x] heeft klaagster bij brief van 22 augustus 2013 bericht dat het vonnis was ingeschreven in het Kadaster als gevolg waarvan [y] enig eigenaar is geworden van de woning. Voorts is klaagster in die brief uitgenodigd om op het notariskantoor stukken te komen ondertekenen waarmee zij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld kan worden ontslagen en heeft notaris [x] meegedeeld dat hij een bedrag van € […] op het bij hem bekende rekeningnummer van klaagster wil storten. Hij heeft haar gevraagd aan hem te bevestigen dat het door hem genoemde rekeningnummer juist is. Bij brief van 29 augustus 2013 heeft notaris [x] klaagster nogmaals verzocht hem te berichten of het door hem genoemde rekeningnummer (nog) juist is, welk verzoek hij heeft herhaald bij e-mailbericht van 24 september 2013. Nadat klaagster de notaris bij e-mailbericht van 24 september 2013 heeft bevestigd dat het genoemde nummer juist was, heeft de notaris de aan klaagster toekomende gelden naar haar overgeboekt.
2.24. Nadien is er een verschil van mening blijven bestaan over (onder meer) de rente die is vergoed over het bedrag dat op de derdengeldenrekening had gestaan.
3. De klacht
3.1. Klaagster heeft een groot aantal klachten geformuleerd. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn deze klachten niet elk afzonderlijk aan de orde gesteld, maar zijn de door haar geuite bezwaren beschouwd als een met elkaar samenhangend complex van factoren dat als zodanig dient te worden beoordeeld. Aansluiting zoekend bij de inhoud van haar pleitnota, gaat de kamer er vanuit dat haar klacht in de kern luidt dat notaris [x] en/of het notariskantoor en/of mr. [1a] niet heeft/hebben gehandeld zoals een behoorlijk notaris(kantoor) betaamt, door:
- onvoldoende rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van klaagster;
- zich duidelijk en weloverwogen partijdig op te stellen ten faveure van [y];
- medewerking te verlenen aan wanprestatie en onrechtmatig handelen, als gevolg waarvan de belangen van klaagster en van derden worden geschonden;
- toe te staan dat mr. [1a] zich als notaris heeft voorgedaan.
3.2. Notaris [x] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de diverse verwijten. De inhoud van zijn verweer zal, voor zover daarvoor relevant, bij de beoordeling worden besproken.
4. De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1. De klacht is gericht tegen het notariskantoor, alsmede tegen notaris [x] en tegen mr. [1a].
4.2. Op grond van artikel 93, lid 1, van de Wna zijn notarissen, kandidaat-notarissen en toegevoegd notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. Een samenwerkingsverband waarvan een notariële beroepsbeoefenaar deel uitmaakt kan geen beklaagde zijn in een tuchtprocedure. Voor zover de klacht is gericht tegen het notariskantoor, is klaagster dan ook niet-ontvankelijk in haar klacht.
4.3. Klaagster is eveneens niet-ontvankelijk in haar klacht voor zover deze is gericht tegen mr. [1a]. Zoals klaagster ook zelf stelt, staat immers vast dat hij niet werkzaam is als notaris, kandidaat-notaris of toegevoegd notaris.
4.4. Vervolgens is de vraag aan de orde of, en zo ja in hoeverre, klaagster ontvankelijk is in haar klacht tegen notaris [x]. Voor zover de klacht betrekking heeft op de wijze waarop en de hoedanigheid waarin mr. [1a] zich binnen het notariskantoor heeft gepresenteerd, heeft notaris [x] te kennen gegeven dat de door mr. [1a] verrichte werkzaamheden vanaf 1 mei 2007 (zijnde het moment waarop mr. [x] als notaris is benoemd) mede onder zijn verantwoordelijkheid zijn verricht. De kamer acht hem van af dat moment mede verantwoordelijk voor de wijze waarop het kantoor waarbinnen hij zijn ambt uitoefent zich naar buiten toe heeft gepresenteerd en voor de wijze waarop mr. [1a] invulling heeft gegeven aan de aan hem opgedragen werkzaamheden. Naar het oordeel van de kamer is klaagster in beginsel dan ook ontvankelijk in haar klacht tegen de notaris, zowel ten aanzien van diens verantwoordelijkheid voor de handelwijze van mr. [1a], als ten aanzien van de eigen handelwijze van de notaris.
4.5. Ten aanzien van de handelwijze van mr. [1a] heeft de notaris echter een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid (onder meer) omdat naar zijn mening sprake is van verjaring. De notaris stelt dat klaagster vanaf 2002 op de hoogte was van de omstandigheid dat mr. [1a] (enkel) als jurist aan het notariskantoor verbonden was en niet als notaris. In dat verband heeft hij onder meer verwezen naar een brief die mr. [1a] op 14 maart 2002 aan klaagster en [y] heeft toegezonden op briefpapier van het notariskantoor, dat toentertijd was genaamd [1] & [2] Notarissen. Oud-notaris [1] was destijds niet meer aan het kantoor verbonden. Op de voorzijde van het briefpapier worden mr. [2] en mr. [4] als notarissen genoemd en wordt voor meer informatie over [1] & [2] Notarissen uitdrukkelijk verwezen naar de achterzijde van de brief. Op de achterzijde worden (nogmaals) zowel de notarissen als de aan het kantoor verbonden kandidaat-notarissen, notarisklerken en de chef de bureau bij name genoemd, terwijl mr. [1a] afzonderlijk wordt aangeduid als “jurist”.
4.6. Klaagster heeft niet weersproken dat zij de betreffende brief heeft ontvangen. Naar het oordeel van de kamer blijkt uit het destijds gehanteerde briefpapier voldoende duidelijk dat mr. [1a] toentertijd niet als notaris werkzaam was. Klaagster heeft zelf verklaard dat zij ermee bekend was dat het notariskantoor sinds jaar en dag zowel de privébelangen als de zakelijke belangen van de familie [y] behartigde en zij heeft er begin 2002 klaarblijkelijk mee ingestemd dat dit kantoor heeft zorggedragen voor het passeren van de akte van levering met betrekking tot de woning op 6 maart 2002. In tegenstelling tot de eigen verklaring van klaagster dat zij nog nooit een notaris van het kantoor heeft gezien, is zij op genoemde datum in persoon verschenen voor notaris [2] voor het passeren van de genoemde akte. Verder is zij op 23 oktober 2003 in persoon verschenen ten overstaan van mr. [3], die destijds optrad als waarnemer van het protocol van notaris [4], in verband met het passeren van twee akten, waaronder de samenlevingsovereenkomst. De betreffende mededeling van klaagster is dus aantoonbaar onjuist.
4.7. Bovendien zijn haar mededelingen over de inhoud en de frequentie van de contacten die zij met mr. [1a] heeft gehad naar het oordeel van de kamer niet consistent en deels in tegenspraak met de mededelingen die mr. [1a] daarover zelf heeft gedaan bij brieven van 22 augustus 2012 (bijlage 10 bij antwoord) en 6 januari 2014 (bijlage 7 bij antwoord). Daarbij komt dat [y] bij brief van 6 januari 2014 heeft verklaard dat zowel hij als klaagster er altijd van op de hoogte is geweest dat mr. [1a] geen (kandidaat-) notaris is. Wat daar ook van zij, vast staat dat mr. [1a] van aanvang af betrokken is geweest bij de uitvoering van de werkzaamheden die klaagster en [y] aan het notariskantoor hadden opgedragen. Mede gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde brief is de kamer van oordeel dat het klaagster vanaf begin 2002 duidelijk was, dan wel dat het haar vanaf dat moment duidelijk had kunnen zijn, dat mr. [1a] niet als notaris aan het kantoor verbonden was. Indien hij zich, zoals klaagster stelt, van aanvang af als notaris heeft voorgedaan, had het op de weg van klaagster gelegen tijdig duidelijkheid te vragen over zijn hoedanigheid en zich daar zo nodig over te beklagen. Niet is echter gesteld of gebleken dat zij dat eerder dan in oktober 2012 (in haar in r.o. 2.14. genoemde brief aan de Kamer van Toezicht) heeft gedaan. Haar klacht is destijds echter niet aangemerkt als een klacht tegen de handelwijze van mr. [1a] en klaagster heeft geen verzet aangetekend tegen die beslissing.
4.8. Nu een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen, terwijl de klacht die nu voorligt niet eerder bij de kamer is ingediend dan op 23 november 2013, is de kamer van oordeel dat de klachttermijn is verstreken. Om die reden zal de kamer klaagster niet-ontvankelijk verklaren in haar klacht tegen notaris [x] voor zover deze betrekking heeft op diens verantwoordelijkheid voor de wijze waarop mr. [1a] zich heeft geprofileerd. De andere verweren die de notaris op dit punt heeft aangevoerd, behoeven dan ook geen bespreking meer.
4.9. Klaagster is in beginsel wel ontvankelijk in haar klacht betreffende de eigen handelwijze van notaris [x]. Gelet op de hiervoor genoemde klachttermijn en de datum van indiening van de klacht is zij echter niet-ontvankelijk voor zover haar klacht betrekking heeft op diens handelwijze voorafgaand aan 23 november 2010, zijnde drie jaar voor indiening van de klacht.
4.10. Het verweer van notaris [x] dat klaagster de bevoegdheid tot het indienen van een klacht zou moeten worden ontzegd omdat zij het klachtrecht als een economisch ruilmiddel heeft willen gebruiken (door aan te bieden tegen betaling af te zien van het indienen van een klacht, zoals genoemd in haar e-mailbericht van 3 oktober 2013, bijlage 4 bij antwoord) wordt gepasseerd. Hoewel de handelwijze van klaagster geen aanbeveling verdient, is de kamer van oordeel dat zij niet enkel om die reden kan worden afgehouden van haar bevoegdheid om een klacht tegen een notaris in te dienen.
Handelwijze notaris [x]
4.11. De kamer dient de handelwijze van notaris [x] (vanaf 23 november 2010) te toetsen aan de in artikel 93 Wna omschreven tuchtnorm. Daarbij wordt vooropgesteld dat zijn handelwijze dient te worden beoordeeld in het licht van de aan hem door [y] verstrekte opdracht om de verdeling van de woning te realiseren.
4.12. Vast staat dat notaris [x] zich aanvankelijk, bij de door hem verrichte werkzaamheden zoals hiervoor omschreven in r.o. 2.12. en 2.15., heeft gebaseerd op de inhoud van het vonnis uit 2008. Hoewel klaagster te kennen had gegeven dat zij van mening was dat zij om haar moverende redenen niet (langer) aan het vonnis uit 2008 kon worden gehouden, staat vast dat dit vonnis in kracht van gewijsde was gegaan. Als gevolg daarvan was notaris [x] gebonden aan de inhoud van dat vonnis en diende hij zijn werkzaamheden daarop af te stemmen. Dat zou slechts anders zijn geweest indien klaagster en [y] na de uitspraak van de voorzieningenrechter in 2008 overeenstemming zouden hebben bereikt over een andere wijze van verdeling. Dat is echter niet gesteld of gebleken.
4.13. De door notaris [x] vanaf medio juni 2013 verrichte werkzaamheden hadden betrekking op de uitvoering van het vonnis van 2013, welk vonnis op 24 juni 2013 aan klaagster is betekend. Klaagster was het evenmin eens met de inhoud van dat vonnis, maar zij heeft daartegen geen hoger beroep ingesteld. Ook dit vonnis is na het verstrijken van de beroepstermijn in kracht van gewijsde gegaan. Vast staat dat de notaris klaagster heeft uitgenodigd om op zijn kantoor te verschijnen voor het passeren van de akte, aan welke oproep klaagster echter geen gevolg heeft gegeven, terwijl zij evenmin heeft gevraagd om een andere afspraak te maken voor het passeren van de akte. Overeenkomstig de opdracht van (de advocaat van) [y] heeft de notaris het vonnis vervolgens ter inschrijving aangeboden bij het Kadaster, waar het op 9 augustus 2013 is ingeschreven.
4.14. Klaagster verwijt notaris [x] onder meer dat hij zich partijdig heeft opgesteld ten faveure van [y], als gevolg waarvan hij onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen. Zij is van mening dat de notaris daardoor niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt.
4.15. Notaris [x] stelt dat noch hij, noch één van zijn kantoorgenoten, op enig moment partij-adviseur is geweest voor [y], als gevolg waarvan het hen niet vrij zou staan de door [y] in verband met de verdeling van de woning opgedragen werkzaamheden te verrichten. Het is de kamer niet gebleken dat deze mededeling van de notaris onjuist is. Het valt weliswaar te betreuren dat klaagster de handelwijze van notaris [x] als partijdig heeft ervaren, maar naar het oordeel van de kamer leidt het enkele feit dat notaris [x] en andere aan het notariskantoor verbonden notarissen werkzaamheden hebben verricht en verrichten in opdracht van [y] en de [y] Groep (in welke onderneming [y] belangen heeft) niet vanzelfsprekend tot de door klaagster bepleite gevolgtrekking dat de notaris dus de belangen van klaagster in het kader van de verdeling van de woning niet op onpartijdige wijze heeft behartigd. De notaris heeft weliswaar erkend dat hij in de eindafrekening aanvankelijk ten onrechte proceskosten had verrekend, maar klaagster heeft niet weersproken dat de notaris deze post direct heeft hersteld nadat zij hem daarop had gewezen. Daaruit kan naar het oordeel van de kamer niet worden geconcludeerd dat de notaris partijdig heeft gehandeld, zoals klaagster stelt. Een dergelijke omissie acht de kamer niet tuchtrechtelijk laakbaar. In de door klaagster overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting ziet de kamer evenmin aanleiding om te oordelen dat notaris [x] niet onpartijdig heeft gehandeld.
4.16. Hoezeer klaagster ook bezwaar mag hebben tegen de wijze waarop de verdeling van de tussen haar en [y] bestaand hebbende (eenvoudige) gemeenschap van goederen uiteindelijk vorm heeft gekregen, naar het oordeel van de kamer is niet komen vast te staan dat de notaris medewerking heeft verleend aan een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van verbintenissen en/of onrechtmatig handelen, zoals klaagster stelt. Zoals gemeld heeft hij naar het oordeel van de kamer eerst getracht te bewerkstelligen dat de woning zou worden verdeeld naar aanleiding van het vonnis uit 2008 en heeft hij nadien uitvoering gegeven aan het vonnis uit 2013. Indien klaagster zich niet kon verenigen met het oordeel van de voorzieningenrechter in beide vonnissen, had het op haar weg gelegen om daartegen een rechtsmiddel in te stellen. Nu zij dat niet heeft gedaan, kan aan de notaris geen verwijt worden gemaakt dat hij de aan hem verstrekte opdrachten op de hiervoor omschreven wijze heeft uitgevoerd. Opmerking verdient nog dat de notaris klaagster diverse malen op zijn kantoor heeft uitgenodigd, onder meer om te bewerkstelligen dat zij zou worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Ook aan deze uitnodiging, waarmee enkel werd beoogd het belang van klaagster te dienen, heeft zij geen gevolg gegeven.
4.17. Notaris [x] heeft weliswaar niet concreet op elk verzoek van klaagster gereageerd, maar gelet op de veelheid en de omvang van de (e-mail)berichten en verzoeken die door hem van de zijde van klaagster zijn ontvangen, is de kamer van oordeel dat bezwaarlijk van de notaris kon worden verlangd dat telkenmale werkzaamheden werden verricht om aan de vele verzoeken van klaagster te voldoen. Daarbij neemt de kamer mede in aanmerking dat klaagster niet bereid is gebleken de daaraan verbonden kosten te voldoen. Gezien de inhoud van de in het geding gebrachte correspondentie van notaris [x] aan klaagster is de kamer van oordeel dat de notaris klaagster telkens deugdelijk en voldoende heeft geïnformeerd over haar (rechts)positie. De klacht dat hij niet aan zijn Belehrungspflicht heeft voldaan, acht de kamer dan ook ongegrond.
4.18. Ook het verwijt van klaagster dat notaris [x] onzorgvuldig heeft gehandeld door haar niet eerder dan bij brief van 22 augustus 2013 te berichten dat het vonnis op 9 augustus 2013 was ingeschreven bij het Kadaster, acht de kamer niet terecht. Notaris [x] heeft erop gewezen dat hij zich ervan wilde vergewissen dat het beoogde rechtsgevolg was ingetreden voordat hij klaagster op de hoogte zou stellen van de inschrijving, temeer nu een dergelijke wijze van verdeling niet gangbaar is. In genoemde brief heeft hij klaagster niet alleen geïnformeerd over de inschrijving, maar heeft hij haar eveneens een berekening toegezonden met betrekking tot het aan haar uit te keren bedrag en heeft hij haar uitgenodigd om de verklaring van de bank met betrekking tot haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te komen ondertekenen. Het tijdsverloop tussen de datum van inschrijving en de kennisgeving aan klaagster acht de kamer niet onnodig groot. Daarbij neemt de kamer in aanmerking dat (ook) het Kadaster klaagster niet eerder dan bij brief van dezelfde datum heeft geïnformeerd over de wijziging.
4.19. Dat notaris [x] tot 24 september 2013 heeft gewacht met de uitbetaling van de gelden van zijn derdengeldenrekening naar de rekening van klaagster is naar het oordeel van de kamer evenmin tuchtrechtelijk laakbaar, maar getuigt eerder van zorgvuldigheid. Vast staat immers dat hij klaagster vanaf 22 augustus 2013 bij herhaling heeft aangeschreven met het verzoek hem te bevestigen dat de gelden konden worden overgeschreven naar het door de notaris genoemde rekeningnummer van klaagster, terwijl klaagster niet eerder dan op 24 september 2013 heeft gemeld dat dat nummer juist is.
4.20. De klacht dat notaris [x] een depotovereenkomst had moeten opstellen, acht de kamer evenmin gegrond. [y] heeft de gelden immers op de derdengeldenrekening gestort om gevolg te geven aan het vonnis uit 2008. Nu aan de betaling geen overeenkomst tussen partijen ten grondslag lag, was de notaris niet gehouden op verzoek van klaagster, zonder de instemming van [y], een depotovereenkomst op te stellen waarin nadere voorwaarden zouden worden opgenomen. Niet is gesteld of gebleken dat [y] heeft ingestemd met het opstellen van een depotovereenkomst.
In verband met hun jarenlange geschil over de rente wordt verwezen naar het vonnis uit 2013 (r.o. 5.6.), bij welk vonnis is bepaald dat de rente die sinds 3 november 2008 over het door [y] in depot gestorte bedrag is uitgekeerd, aan hem toekomt. Het standpunt dat de notaris daarover eerder had ingenomen, wordt door deze uitspraak bevestigd.
4.21. Voor zover klaagster heeft beoogd nog andere onderdelen van de handelwijze van notaris [x] aan haar klacht ten grondslag te leggen, is de kamer van oordeel dat zij onvoldoende heeft onderbouwd welke concrete gedragingen zij notaris [x] verwijt. Daarom dienen de overige onderdelen van haar klacht als ongegrond te worden afgewezen.
4.22. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht, behoudens voor zover deze is gericht tegen de handelwijze van notaris [x] vanaf 23 november 2010;
verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.M. Weerkamp, plaatsvervangend voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders, plaatsvervangend rechterlijk lid, mr. M.A.M. Kessels, plaatsvervangend notarislid, mr. R.L.G.M. Steegmans, plaatsvervangend notarislid, en mr. R.J.M.G. Oostveen, plaatsvervangend belastinglid.
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2014 door mr. S.J.G.N.M. Willard, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Vliet als secretaris.
Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.