ECLI:NL:TNORSHE:2014:16 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2013/70

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2014:16
Datum uitspraak: 20-10-2014
Datum publicatie: 27-10-2014
Zaaknummer(s): SHE/2013/70
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen:
  • Klacht gegrond zonder maatregel
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Afwikkeling nalatenschap door notaris als beheersexecuteur, waarbij familieverhoudingen zeer gecompliceerd zijn. Klacht ten aanzien van de wijze waarop de notaris met klaagster heeft gecommuniceerd (over gang van zaken rond haar ontslag als executeur en (tijdige) beantwoording van vragen) gegrond. Geen maatregel. Overige onderdelen ongegrond.

Klachtnummer    : SHE/2013/70

Datum uitspraak : 20 oktober 2014

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’S-HERTOGENBOSCH

De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van

mevrouw [x] (verder: klaagster),

wonende in [woonplaats],

tegen

notaris [y] (verder: de notaris),

gevestigd in [vestigingsplaats].

1.          De procedure

1.1.       Klaagster heeft bij brief van 23 juli 2013 een klacht geformuleerd tegen de notaris. Deze klacht is op 25 juli 2013 binnengekomen bij de kamer voor het notariaat (verder: de kamer).

1.2.       De notaris heeft op de klacht geantwoord, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd.

1.3.       Klaagster en de notaris zijn vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 22 januari 2014 met mr. W.M. Weerkamp, plaatsvervangend voorzitter van de kamer, om een minnelijke schikking te beproeven. Aan het einde van het gesprek heeft klaagster meegedeeld zich te willen beraden over het al dan niet handhaven van de klacht.

1.4.       Bij brief van 23 januari 2014 heeft zij de kamer meegedeeld dat zij haar klacht handhaaft en dat zij deze uitbreidt.

1.5.       De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft deze uitbreiding van de klacht niet toegestaan, waarna hij de behandeling van de zaak heeft verwezen naar de volle kamer.

1.6.       De kamer heeft de klacht behandeld op 15 september 2014. Klaagster en de notaris zijn ter zitting verschenen. Zij hebben hun standpunten over en weer toegelicht.

2.          De feiten

2.1.       Op 23 september 2011 is de moeder van klaagster (geboren op [geboortedatum], verder: erflaatster) overleden. Erfgenamen van erflaatster zijn haar acht kinderen, te weten [namen kinderen].

In verband met de verstandelijke handicap van de heer [broer van klaagster] was over (een deel van) zijn vermogen een meerderjarigenbewind ingesteld. De erfgenamen hebben de nalatenschap aanvaard.

2.2.       De familieverhoudingen waren al jarenlang gecompliceerd. Na het overlijden van moeder is tussen de kinderen (ook) onenigheid ontstaan over de verdeling van de nalatenschap. De notaris is in deze nalatenschap opgetreden als (beheers)executeur. Daarbij zijn diverse conflicten gerezen tussen de erfgenamen onderling en tussen enkele erfgenamen en de notaris.

2.3.       In het voorjaar van 2013 heeft de notaris een opstelling gemaakt van de aan de erfgenamen toekomende erfdelen. Daaronder is de navolgende akkoordverklaring opgenomen:

“Ondergetekende verklaart akkoord te zijn met de rekening en verantwoording en mr. [y], notaris te [vestigingsplaats], in haar hoedanigheid van executeur, algehele kwijting en décharge te verlenen voor haar taak als executeur, en geeft de executeur de bevoegdheid/en opdracht het erfdeel in contanten conform het breukdeel dat in de verklaring van erfrecht is genoemd over te boeken op onderstaande rekening.”

2.4.       Op 17 april 2013 heeft klaagster een gesprek gehad met de notaris en zijn de aan haar toebedeelde sieraden aan haar overhandigd. Bij die gelegenheid heeft zij de door de notaris opgestelde verklaring voor akkoord ondertekend. In het bijzijn van de notaris heeft zij daarbij de navolgende opmerkingen geplaatst:

“             -     rente t/m uitbetaling nog verrekenen

-          akkoord uw factuur en uitbetaling totaalbedrag

-          niet akkoord met werkwijze (ondermaatse dienstverlening)”

2.5.       Bij brief van 17 mei 2013 heeft de notaris aan klaagster (onder meer) bericht dat zij met ingang van 1 juni 2013 haar ontslag indiende.

2.6.       Tot op heden hebben niet alle erfgenamen ingestemd met de rekening en verantwoording en de wijze van berekening. Het saldo van de nalatenschap staat op een geblokkeerde spaarrekening.  De erfdelen zijn tot op heden niet uitgekeerd.

3.          De klacht en het verweer

3.1.       Klaagster verwijt de notaris dat zij ondeugdelijk heeft gehandeld bij de afwikkeling van de nalatenschap. Haar klacht valt - zakelijk weergegeven - uiteen in de navolgende onderdelen:

1. de notaris heeft zonder duidelijke reden een verzoek om ontslag bij de kantonrechter ingediend,

      terwijl de nalatenschap nog niet was afgewikkeld;

2. het is onduidelijk waar het te verdelen vermogen is gebleven;

3. de notaris heeft de door klaagster vóór het ontslag gestelde schriftelijk vragen niet beantwoord;

4.  de notaris heeft niet voortvarend gehandeld;

5. de notaris is niet voldoende deskundig op het gebied van erfrechtzaken;

6. de notaris heeft gebrekkig gecommuniceerd/geïnformeerd en zich laks en arrogant opgesteld.

3.2.       De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. Op de inhoud daarvan zal (voor zover van belang) bij de beoordeling nader worden ingegaan.

4.          De beoordeling

4.1.       Op grond van artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De kamer dient de handelwijze van de notaris te toetsen aan de in dat artikel omschreven tuchtnorm. De hiervoor genoemde onderdelen van de klacht zullen afzonderlijk worden beoordeeld.

1.      Ontslag als executeur

4.2.       Klaagster verwijt de notaris dat zij zonder duidelijke reden een verzoek om ontslag heeft ingediend bij de kantonrechter, terwijl de nalatenschap nog niet was afgewikkeld. De notaris is echter van mening dat zij daarover voldoende duidelijk is geweest.

4.3.       Vast staat dat de notaris klaagster bij eerdergenoemde brief van 17 mei 2013 (onder meer) als volgt heeft bericht:

“Omdat uiteindelijk de afwikkeling niet eenvoudig blijkt te zijn, u als erfgenamen niet op één lijn te krijgen zijn, en ik keer op keer verwijten krijg dat ik een en ander niet correct zou afhandelen, heb ik contact gezocht met de Kantonrechter. Zij hebben overleg met elkaar gehad en mij geadviseerd de nalatenschap zo spoedig mogelijk af te ronden, gezien de familieverhoudingen, en mijn ontslag in te dienen.

In het kader van de afwikkeling kan ik u berichten dat slechts nog 1 ring resteert van de te verdelen sieraden. Ik verneem graag uiterlijk voor 27 mei as. wie van de erfgenamen nog interesse zou hebben in deze ring. Eventueel kan een verloting plaatsvinden nog voor 1 juni as.

In principe beschouw ik, na bovengenoemde afronding, mijn taak als beëindigd en dien u hierbij reeds mijn ontslag in. Alle correspondentie welke nog na 1 juni aanstaande via mijn kantoor zal plaatsvinden wordt genoteerd en zal u ieder afzonderlijk worden gefactureerd.”

4.4.       In deze tuchtprocedure heeft de notaris (bij antwoord) de gang van zaken rond het ontslag als volgt verwoord:

“Mede vanwege het feit dat het mij niet gelukt is de erfgenamen op een lijn te krijgen, over bepaalde zaken bestond geen overeenstemming, en vanwege het feit dat andere erfgenamen geen werkzaamheden meer wensten vanwege de kosten, heb ik, in overleg en op advies van de betrokken kantonrechters, besloten mijn ontslag jegens de erfgenamen in te dienen.

De kantonrechters hebben, naar aanleiding van een schrijven mijnerzijds, overleg gehad met elkaar en mij via een medewerker telefonisch geadviseerd de nalatenschap zo spoedig mogelijk af te ronden en mijn ontslag in te dienen. Dit heb ik de erfgenamen middels een brief kenbaar gemaakt op 17 mei j.l. […]” 

4.5.       Op basis van de informatie die de notaris zelf aan klaagster en aan de kamer heeft verstrekt, is de kamer van oordeel dat zij inderdaad de indruk heeft gewekt dat zij haar ontslag had ingediend bij de kantonrechter. Pas tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, waarbij de kamer de notaris daarover nadere vragen heeft gesteld, is het de kamer duidelijk geworden dat het niet zo is dat de kantonrechter met ingang van 1 juni 2013 aan de notaris ontslag heeft verleend als gevolg waarvan haar taak als executeur is geëindigd. Kennelijk heeft de notaris na overleg met de kantonrechter(s) zelf geconcludeerd dat zij haar taak als beheersexecuteur had volbracht, waarna zij haar werkzaamheden met ingang van 1 juni 2013 als beëindigd heeft beschouwd.

4.6.       Naar het oordeel van de kamer heeft de wijze waarop de notaris het ontslag heeft omschreven onnodig tot verwarring geleid; het had op de weg van de notaris gelegen haar mededeling over het ontslag zorgvuldiger te formuleren en klaagster zo beter te informeren. Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond.  

2.      Bestemming vermogen

4.7.       Klaagster stelt dat het haar, ondanks diverse verzoeken aan de notaris, ten tijde van het indienen van de klacht niet duidelijk was waar de tot de nalatenschap behorende gelden zich bevonden. Zij verwijt de notaris dat de communicatie daarover onvoldoende is geweest.

4.8.       Het is de kamer uit de stukken onvoldoende duidelijk geworden bij welke brief of op welke andere manier klaagster concreet geïnformeerd heeft waar de notaris de gelden van de nalatenschap had geparkeerd. In zoverre is dit onderdeel van de klacht dan ook ongegrond.

3.      Beantwoording vragen klaagster

4.9.       Klaagster verwijt de notaris dat zij de door haar gestelde vragen niet heeft beantwoord. Zo heeft klaagster de notaris bij brief van 30 mei 2012 gevraagd om afgifte van enkele stukken en heeft zij gevraagd hoe het mogelijk is dat er ineens wel bewind bleek te bestaan over haar broer, terwijl een medewerkster van het notariskantoor haar eerder had verzekerd dat dit alleen mogelijk was wanneer alle broers en zusters daarmee zouden instemmen en de aanvraag vanuit het notariskantoor gedaan zou worden. Volgens eigen zeggen van klaagster heeft zij sindsdien bij herhaling telefonisch om nadere informatie gevraagd, onder meer over de voortgang van de afwikkeling van de nalatenschap, maar heeft zij daarop (doorgaans) geen bevredigend antwoord ontvangen. Bij brief van 17 mei 2013 heeft klaagster wederom vragen aan de notaris gesteld en ook op 23 mei 2013 heeft klaagster de notaris geschreven. Uit de overgelegde stukken en het relaas van klaagster en de notaris ter zitting maakt de kamer op dat de communicatie van de notaris met klaagster te wensen over heeft gelaten; de notaris heeft ook erkend dat deze beter had gekund. Zij heeft zich daarvoor verontschuldigd en eerder heeft zij aan klaagster ook haar excuses aangeboden voor de wijze waarop een werkneemster van het notariskantoor haar werkzaamheden had uitgevoerd.   

4.10.     Gelet op het vorenstaande is de kamer van oordeel dat dit onderdeel van de klacht gegrond is.

4.      Voortvarendheid

4.11.     Verder verwijt klaagster de notaris dat zij niet voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er lag een duidelijk testament en de nalatenschap had binnen zes maanden afgewikkeld kunnen zijn, aldus klaagster. De notaris stelt dat het, gezien de bestaande onmin tussen de erfgenamen, voor haar niet mogelijk is gebleken haar werkzaamheden als beheersexecuteur sneller af te ronden dan zij heeft gedaan.

4.12.     Hoewel de in een dergelijke nalatenschap te verrichten werkzaamheden wellicht meer tijd in beslag hebben genomen dan doorgaans het geval is, is de kamer van oordeel dat het tijdsverloop niet als exceptioneel moet worden aangemerkt. Gezien de gecompliceerde familieverhoudingen - hetgeen door klaagster ook volmondig is beaamd - mag niet worden verwacht dat een en ander binnen enkele maanden volledig is afgerond. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.

5.      Deskundigheid erfrecht

4.13.     Naar het oordeel van de kamer heeft klaagster onvoldoende concreet onderbouwd dat de notaris niet zou beschikken over de vereiste deskundigheid op het terrein van het erfrecht. Daarom acht de kamer dit onderdeel van de klacht ongegrond.

6.      Communicatie/bejegening

4.14.     Klaagster stelt dat de notaris gebrekkig heeft gecommuniceerd, dat zij haar onvoldoende heeft geïnformeerd en dat zij zich laks en arrogant heeft opgesteld. Gelet op de hiervoor reeds besproken onderdelen van de klacht, gaat de kamer er vanuit dat deze verwijten hierin reeds besloten moeten worden geacht. Over de voortgang van de werkzaamheden heeft de kamer immers al geoordeeld, evenals over de wijze van communicatie/informatievoorziening.

Resumerend

4.15.     Zoals hierboven is aangegeven acht de kamer de wijze waarop de notaris met klaagster heeft gecommuniceerd (onderdelen 1 en 3) tuchtrechtelijk laakbaar. De kamer is voorts van oordeel dat er in dit geval geen noodzaak bestaat tot het opleggen van een maatregel, waarbij de kamer mede in aanmerking neemt dat de notaris haar verontschuldiging heeft aangeboden voor de gang van zaken.

5.          De beslissing

De kamer voor het notariaat:

verklaart de onderdelen 1 en 3 van de klacht gegrond, zonder oplegging van een maatregel;

verklaart de overige onderdelen van de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.A.W. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders, plaatsvervangend rechterlijk lid, mr. M.A.M. Kessels, plaatsvervangend notarislid, mr. R.L.G.M. Steegmans, plaatsvervangend notarislid, en mr. R.J.M.G. Oostveen, plaatsvervangend belastinglid.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2014 door mr. S.J.G.N.M. Willard, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Vliet, juridisch secretaris.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 5H Amsterdam.