ECLI:NL:TNORSHE:2014:14 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2014/14

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2014:14
Datum uitspraak: 18-08-2014
Datum publicatie: 21-08-2014
Zaaknummer(s): SHE/2014/14
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht gegrond zonder maatregel
Inhoudsindicatie:   Uitbetaling gelden op grond van depotovereenkomst. Het had op de weg van de notaris gelegen daarbij een actievere rol te spelen en openheid van zaken te geven; gebrekkige communicatie. Klacht gegrond, zonder oplegging van een maatregel.   

Klachtnummer    : SHE/2014/14

Datum uitspraak : 18 augustus 2014

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van

mevrouw [x], (verder: klaagster),

wonende in […],  

tegen

notaris mevrouw mr. [y], (verder: de notaris),

gevestigd in […].

1.          De procedure

1.1.       Op 31 januari 2014 heeft de kamer voor het notariaat (verder: de kamer) een brief ontvangen van klaagster, waarbij zij een klacht formuleert tegen de notaris. De notaris heeft op de klacht geantwoord, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd.

1.2.       De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft de zaak verwezen naar de volle kamer.

1.3.       De kamer heeft de klacht behandeld op 21 juli 2014. Klaagster en de notaris zijn ter zitting verschenen. Zij hebben hun standpunten over en weer toegelicht.

2.          De feiten

2.1.       Klaagster is gehuwd geweest met de heer […] (verder: de man). Hun huwelijk is op […] 2012 ontbonden door echtscheiding. In het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap hebben zij de voormalige echtelijke woning verkocht.

2.2.       Medio 2013 hebben klaagster en de man de notaris opdracht gegeven om de akte van levering te passeren. Op 26 september 2013 heeft de notaris concepten van de betreffende akte en een nota van afrekening toegezonden aan klaagster en de man. Volgens deze nota van afrekening hadden zij per saldo € 81.776,22 te ontvangen. 

2.3.       De akte van levering is op 1 oktober 2013 gepasseerd ten overstaan van de notaris. Omdat klaagster en de man nog geen algehele overeenstemming hadden bereikt over de verdeling van de verkoopopbrengst hebben zij op 1 oktober 2013 een depotovereenkomst ondertekend, waarbij zij zijn overeengekomen dat de verkoopopbrengst onder de notaris blijft berusten totdat zij over de verdeling daarvan overeenstemming hebben bereikt. In de depotovereenkomst is verder onder meer bepaald:

“Partijen 1 en 2 verkrijgen ten gevolge hiervan een voorwaardelijke vordering op de notaris. De notaris mag slechts tot uitbetaling aan partij 1 en/of partij 2 overgaan indien:

-          hij van beide partijen schriftelijk een gelijkluidende opdracht hiertoe ontvangt, waarbij beide partijen verplicht zijn aan deze opdracht zo spoedig mogelijk hun medewerking te verlenen; of

-          na een rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan dan wel uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.”

2.4.            Nadien hebben klaagster en de man een aanvullende overeenkomst gesloten (bijlage 9 bij antwoord notaris), die heeft te gelden als een schriftelijke gelijkluidende opdracht in de zin van de hiervoor genoemde overeenkomst. Daarbij zijn zij overeengekomen dat zo spoedig mogelijk een bedrag van € 28.695,61 aan de man zal worden uitbetaald. Omdat zij op dat moment nog in

afwachting waren van de uitspraak van het gerechtshof in ’s‑Hertogenbosch met betrekking tot de partneralimentatie, zijn zij verder als volgt overeengekomen:

“ 2          Een bedrag van € 53.080,61 komt toe aan de vrouw. Echter wenst de vrouw het grootste gedeelte van dit bedrag voorlopig in depot te laten. Zij wenst thans slechts uitbetaling van een bedrag ter hoogte van € 9.764 aan een door haar op te geven rekeningnummer. Het overige bedrag (€ 43.316,61) blijft in ieder geval tot de uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch in het alimentatiegeschil tussen partijen in depot en zal in beginsel op 6 januari 2014 aan de vrouw worden uitgekeerd. Dit geschil is bij het Gerechtshof aanhangig onder zaaknummer […] en de uitspraak wordt verwacht op 28 november 2013. Indien en voor zover er op 6 januari 2014 nog geen beslissing is van het Gerechtshof zal voornoemd overig bedrag aan de vrouw worden uitgekeerd. Eventuele verrekening zal later tussen partijen plaatsvinden.     

3             De rechtbank heeft namelijk in eerste aanleg de hoogte van de partneralimentatie welke de man jegens de vrouw dient te voldoen bepaald op € 704 per maand. Dit bedraagt vanaf maart 2012 t/m november 2013 € 14.784. De man heeft daar tot op heden € 5.020 van voldaan, zodat een bedrag van € 9.764 resteert. In het geval het Gerechtshof beslist dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw lager is dan door de rechtbank werd vastgesteld dan wordt dit met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2012 tussen partijen verrekend. De man zal derhalve het teveel betaalde bedrag van de vrouw te vorderen hebben en partijen komen overeen dat dit eventueel teveel betaalde bedrag dan aan de man zal worden betaald vanuit het restantbedrag dat nog ten behoeve van de vrouw in depot gestort is. Partijen komen overeen dat deze overeenkomst dan ook op dat punt eveneens geldt als een gelijkluidende opdracht aan de notaris waarbij de man dan nog slechts de uitspraak van het Gerechtshof aan de notaris dient te tonen.“

2.5.       Deze aanvullende overeenkomst is op 24 oktober 2013 ondertekend door de man en op 29 oktober 2013 door klaagster. Op 30 oktober 2013 is genoemd bedrag van € 28.695,61 uitbetaald aan de man. Het hiervoor genoemde bedrag van € 9.764,00 is op 5 november 2013 uitbetaald aan klaagster.

2.6.       Bij beschikking van 28 november 2013 heeft het gerechtshof in ’s‑Hertogenbosch (samengevat) de door de man verschuldigde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van klaagster op een lager bedrag bepaald. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.7.       Mr. F.L. Donders (advocaat van de man) heeft de notaris bij faxbericht van 29 november 2013 (onder bijvoeging van de uitspraak van het gerechtshof) een berekening toegezonden op basis waarvan zij stelt dat de man uit hoofde van de alimentatiebeschikking nog een bedrag van € 12.992,48 tegoed had van klaagster. Aan de notaris werd gevraagd dit bedrag zo spoedig mogelijk aan de man uit te betalen. Het betreffende bedrag is op 13 december 2013 overgemaakt naar de rekening van de man. Klaagster was daarvan niet op de hoogte.

2.8.       Bij e-mailbericht van 3 januari 2014 heeft mr. M.A.P. Kolsteren-van Heijst (advocaat van de vrouw) bericht dat de man op grond van de beschikking van het gerechtshof nog recht heeft op uitbetaling van een bedrag van € 11.622,75, in tegenstelling tot het door mr. Donders in het telefaxbericht van 29 november 2013 genoemde bedrag van € 12.992,48. Verder heeft de advocaat van klaagster de notaris gevraagd het aan klaagster toekomende resterende bedrag van € 31.693,86 zo spoedig mogelijk aan klaagster uit te betalen.        

2.9.       Nadat klaagster en haar advocaat vervolgens een aantal malen contact hadden opgenomen met het notariskantoor met de vraag waarom het betreffende bedrag nog niet aan klaagster was uitbetaald, waarop geen bevredigend antwoord werd ontvangen, heeft de advocaat van klaagster op 16 januari 2014 telefonisch contact opgenomen met de advocaat van de man. Deze deelde haar mede dat in december 2013 al een bedrag van € 12.992,48 aan de man was uitbetaald en dat de notaris inmiddels contact had opgenomen met de man met het verzoek een bedrag van € 1.359,73 (€ 12.992,48 -/- € 11.622,75) aan haar terug te betalen. 

2.10.     Naar aanleiding van deze mededeling heeft de advocaat van klaagster de notaris op 17 januari 2014 een e-mailbericht gestuurd, waarbij zij zich heeft beklaagd over de gang van zaken en waarbij zij

de notaris heeft verzocht en voor zover nodig heeft gesommeerd het bedrag van € 31.693,86 uiterlijk 20 januari 2014 aan klaagster uit te betalen.

2.11.     In reactie daarop heeft de notaris bericht dat zij na instemming van beide partijen zal overgaan tot betaling van het betreffende bedrag aan klaagster. De advocaat van klaagster heeft per direct laten weten met uitbetaling in te stemmen. Omdat de reactie van de (advocaat van de) man op zich liet wachten, heeft de advocaat van klaagster de notaris vervolgens bij e-mailbericht van 21 januari 2014 meegedeeld dat in de depotovereenkomst niet staat opgenomen dat toestemming van de man vereist is voor het uitkeren van het resterende bedrag aan klaagster. De advocaat van klaagster heeft meegedeeld van mening te zijn dat de notaris de gelden, die al op 6 januari 2014 aan klaagster hadden moeten worden uitbetaald, ten onrechte onder zich houdt.

2.12.     Bij e-mailbericht van 22 januari 2014 heeft de notaris aan de advocaat van klaagster bericht dat zij overeenkomstig de tekst van de depotovereenkomst wel degelijk toestemming van de man nodig had. Nadat de advocaat van de man op 23 januari 2014 had bericht dat tot uitbetaling van het resterende bedrag kon worden overgegaan, is het bedrag van € 31.693,86 op 27 januari 2014 uitbetaald aan de klaagster.

3.          De klacht

3.1.       Klaagster stelt dat de notaris het aan haar toekomende bedrag uiterlijk op 6 januari 2014 aan haar had moeten uitbetalen. Zij verwijt de notaris dat zij dit bedrag niet eerder dan op 27 januari 2014, nadat twee advocaten zich daarmee bezig hebben moeten houden, heeft ontvangen. Ook verwijt zij de notaris dat zij in december 2013 een bedrag aan de man heeft uitbetaald, waarbij klaagster zich afvraagt wie daartoe opdracht had gegeven.

3.2.       De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. De inhoud van dit verweer zal hierna worden besproken.

4.          De beoordeling

4.1.       Op grond van artikel 93, lid 1, van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De kamer dient de handelwijze van de notaris te toetsen aan de in dat artikel omschreven tuchtnorm.

4.2.       De klacht spitst zich toe op de gang van zaken nadat de advocaat van de man de notaris bij telefaxbericht van 29 november 2013 op de hoogte had gesteld van de alimentatiebeslissing van het gerechtshof en had verzocht om uitbetaling aan de man van een bedrag van € 12.992,48.  

4.3.       Gelet op de laatste zinsnede van artikel 3 van de hiervoor weergegeven aanvullende depotovereenkomst (r.o. 2.4.) is de kamer van oordeel dat aan de notaris op zich geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij naar aanleiding van dat verzoek op 13 december 2013 is overgegaan tot uitbetaling van het genoemde bedrag aan de man. Nu uit de inhoud van het telefaxbericht van de advocaat van de man niet blijkt dat dit destijds eveneens in kopie is toegezonden aan (de advocaat van) klaagster had het naar het oordeel van de kamer echter aanbeveling verdiend dat de notaris dat telefaxbericht zelf ter kennisneming zou hebben toegezonden aan (de advocaat van) klaagster met daarbij de mededeling dat zij tot uitbetaling van het genoemde bedrag zou overgaan. Dat is echter niet gebeurd. Bovendien had het naar het oordeel van de kamer in de rede gelegen dat de notaris tegelijk met de opdracht om over te gaan tot uitbetaling aan de man eveneens een opdracht had verstrekt om over te gaan tot uitbetaling van het resterende depotbedrag aan klaagster.   

4.4.       Op grond van de depotovereenkomst had klaagster in elk geval in beginsel op 6 januari 2014 recht op uitbetaling van het resterende depotbedrag. Vast staat echter dat het betreffende bedrag niet eerder dan op 27 januari 2014 aan haar is uitbetaald. Gezien de overige omstandigheden had het op de weg van de notaris gelegen in dit concrete geval daar een actievere rol in te spelen. Naar het oordeel van de kamer valt de notaris daarom om de navolgende redenen tuchtrechtelijk een verwijt te maken. 

4.5.       Nadat de advocaat van klaagster de notaris bij genoemd e-mailbericht van vrijdag 3 januari 2014 een berekening had toegezonden en haar had verzocht om overeenkomstig de overeenkomst op maandag 6 januari 2014 over te gaan tot uitbetaling van het door haar genoemde bedrag, heeft de  notaris in het geheel niet op dit verzoek gereageerd. Terwijl zij naar aanleiding van dat e-mailbericht kennelijk wel de moeite heeft genomen om contact op te nemen met de advocaat van de man met het verzoek een bedrag van € 1.359,73 terug te storten in het depot, heeft zij (de advocaat van) klaagster  in het ongewisse gelaten. Dit heeft achteraf bij klaagster de indruk gewekt dat zij een fout wilde verhullen. Naar het oordeel van de kamer had het op de weg van de notaris gelegen om in elk geval begin januari 2014 aan klaagster openheid van zaken te geven over de betaling in december 2013.  

4.6.       Vast staat dat klaagster, toen zij op 15 januari 2014 nog steeds geen betaling had ontvangen, zowel op die datum als op 17 januari 2014 telefonisch contact heeft opgenomen met het notariskantoor. Het is haar toen echter niet gelukt contact te krijgen met de notaris. Haar advocaat heeft daarop bij e-mailbericht van 17 januari 2014 onder meer aan de notaris bericht:

“Gelet op het feit dat cliënte mij op 15 januari jongstleden liet weten dat zij nog steeds geen geld heeft ontvangen heb ik inmiddels herhaaldelijk getracht u telefonisch te bereiken. Cliënte heeft ook zelf met uw kantoor gebeld, met het verzoek te worden teruggebeld.

Aangezien reactie van u uitbleef heb ik 16 januari jongstleden telefonisch contact opgenomen met mevrouw mr. Donders. Tot mijn grote verbazing deelde zij mij mede dat het bedrag ter hoogte van € 12.992,48 reeds in december 2013 aan meneer is voldaan. U zou contact met de wederpartij hebben opgenomen met de mededeling dat dit ten onrechte is gebeurt en het verzoek c.q. de sommatie het verschil tussen € 12.992,48 en € 11.622,75 derhalve € 1.359,73 terug te storten.”

4.7.       Pas naar aanleiding van dat e-mailbericht heeft de notaris bij e-mailbericht van 17 januari 2014 aan de advocaat van klaagster bericht dat zij in december 2013 bij het overmaken van het bedrag in de veronderstelling verkeerde dat het bedrag was gebaseerd op een rechterlijke beschikking. Voor uitbetaling van het deel van klaagster eiste zij een schriftelijke akkoordverklaring van klaagster en van de man. De advocaat van klaagster heeft deze, hoewel zij de noodzaak daarvan betwistte, per omgaande afgegeven. Op 23 januari 2014 heeft ook de advocaat van de man bericht dat werd ingestemd met uitbetaling. Daargelaten de vraag of de notaris terecht om afgifte van deze akkoordverklaringen heeft verzocht, staat vast dat het vervolgens nog tot 27 januari 2014 heeft geduurd voordat het bedrag uiteindelijk door klaagster werd ontvangen.

4.8.       De kamer acht de wijze waarop de notaris met (de advocaat van) klaagster heeft gecommuniceerd tuchtrechtelijk laakbaar. Daardoor komt het vertrouwen in het notariaat in het gedrang. Bovendien dient een notaris zorg te dragen voor een goede bereikbaarheid en dienen gelden, die in depot onder een notaris rusten, overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraken zo nodig per direct aan de rechthebbenden te kunnen worden uitgekeerd.

4.9.       Gelet op het vorenstaande wordt de klacht dan ook gegrond verklaard, waarbij de kamer opmerkt dat het te betreuren valt dat het klaagster onnodig veel tijd (en ergernis) heeft gekost om te bewerkstelligen dat de gelden die aan haar toekwamen ook daadwerkelijk naar haar eigen rekening werden overgeboekt. Mede gezien het feit dat de notaris ter zitting haar verontschuldiging heeft aangeboden, is de kamer van oordeel dat er in casu geen noodzaak bestaat tot het opleggen van een maatregel.

5.          De beslissing

De kamer voor het notariaat:

verklaart de klacht gegrond zonder oplegging van een maatregel.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.A.W. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, mr. P.M. Knaapen, plaatsvervangend rechterlijk lid, mr. J.L.G.M. Mertens, notarislid, mr. J.A.P. Dings, plaatsvervangend  notarislid, en mr. J.J.G.M. Kuijpers, belastinglid.

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2014 door mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.E.L.A.M. de Groot-Hofstad als secretaris.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.