ECLI:NL:TNORSHE:2014:11 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2014/11
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2014:11 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-08-2014 |
| Datum publicatie: | 21-08-2014 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2014/11 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht |
| Beslissingen: | Klacht niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Verjaring, niet-ontvankelijkheid |
Klachtnummer : SHE/2014/11
Datum uitspraak : 18 augustus 2014
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van
mevrouw [x], (verder: klaagster),
wonende in […]
tegen
notaris de heer mr. [y] (verder: notaris [y]),
gevestigd in […].
1. De procedure
1.1. Klaagster heeft bij brief van 20 januari 2014 een klacht geformuleerd tegen notaris [y]. Deze klacht is op 22 januari 2014 binnengekomen bij de kamer voor het notariaat (verder: de kamer).
Notaris [y] heeft op de klacht geantwoord, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd.
1.2. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft de zaak verwezen naar de volle kamer.
1.3. De kamer heeft de klacht behandeld op 21 juli 2014. Klaagster en notaris [y] hebben hun standpunten ter zitting over en weer toegelicht.
2. De feiten
2.1. De moeder van klaagster is overleden op […] 1991. Uit het huwelijk van de ouders van klaagster zijn vier dochters geboren.
2.2. Na het overlijden van moeder heeft de vader van klaagster de ouderlijke woning aan de […] in […] verkocht. De akte van levering met betrekking tot de woning is op 9 januari 1992 gepasseerd door notaris mr. [1], gevestigd in […].
In deze akte van levering staat onder meer vermeld:
“Ten tijde van de verkrijging was verkoper gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen met mevrouw […], geboren te […]. Zij is overleden te […] op […] negentienhonderdeenennegentig, na over haar nalatenschap te hebben beschikt bij testament de dato zevenentwintig maart negentienhonderdnegenenzeventig verleden voor notaris [*] te […]. Krachtens het in het testament bepaalde is de gehele nalatenschap toebedeeld aan verkoper middels een ouderlijke boedelverdeling. De legitimarissen hebben schriftelijk verklaard te berusten in de bepalingen van het testament, casu quo geen actie daartegen te zullen instellen.”
Mr. [2], thans als notaris gevestigd in […], was destijds als kandidaat-notaris verbonden aan het kantoor van notaris [1].
2.3. Op 17 augustus 2010 heeft de vader van klaagster, onder het herroepen van alle uiterste wilsbeschikkingen die door hem voorheen waren gemaakt, een testament gemaakt dat is gepasseerd door notaris [y]. Bij dat testament heeft vader klaagster uitdrukkelijk uitgesloten als erfgename in zijn nalatenschap. Aan klaagster is in plaats van haar erfdeel een legaat toegekend van een bedrag in contanten dat op een in het testament omschreven wijze is afgeleid van het bedrag dat haar netto erfdeel zou zijn geweest als zij niet zou zijn uitgesloten als erfgename.
2.4. De vader van klaagster is overleden op [..] september 2010.
2.5. Op 12 november 2010 heeft klaagster, vergezeld van haar echtgenoot, een gesprek gehad met notaris [y]. Bij die gelegenheid heeft hij haar een kopie overhandigd van het voor haar relevante gedeelte uit het testament van vader.
2.6. Op 17 december 2010 heeft notaris [y] een verklaring van erfrecht/executele afgegeven.
2.7. Op 4 maart 2011 heeft klaagster een brief ontvangen van notaris [2], die destijds betrokken was bij de overdracht van de woning door vader. In die brief werd verwezen naar de inhoud van een vaststellingsovereenkomst uit 1992. Notaris [2] heeft desgevraagd een kopie van die vaststellingsovereenkomst aan klaagster verstrekt. In deze overeenkomst worden vader (1), klaagster (2) en haar drie zusters (3, 4, 5) als ondergetekenden genoemd.
De aanhef van deze overeenkomst luidt als volgt:
“ IN AANMERKING NEMENDE:
- dat op […] 1991 te […], laatstelijk woonplaats hebbende te […], is overleden mevrouw […], in leven echtgenote van de ondergetekende sub 1 genoemd, met wie zij in algehele gemeenschap van goederen in eerste echt was gehuwd;
- dat de overledene bij testament, […], voor de te […] gevestigde notaris [*] verleden, met gebruikmaking van de bevoegdheid haar verleend bij artikel 1167 en volgende van het Nederlands Burgerlijk Wetboek, alle zaken harer nalatenschap heeft toebedeeld aan haar genoemde echtgenoot, de ondergetekende sub 1 genoemd, aan wie zij tevens het vruchtgebruik over de aan zijn kinderen toekomende erfdelen heeft vermaakt, zodat derhalve deze erfdelen krachtens testament eerst behoeven te worden uitgekeerd na het overlijden van de ondergetekende sub 1 genoemd;
- dat bij de verkoop van de tot de boedel behorende onroerende zaken, door de te Eindhoven gevestigde notaris [1] aan genoemde kinderen van erflaatster een verklaring ter tekening is voorgelegd, waarin zij te kennen geven te zullen berusten in de bij gemeld testament gemaakte beschikkingen;
- dat bedoelde verklaring door ondergetekende sub 2 genoemd de dato 6 januari 1992 is ondertekend onder de voorwaarde “dat binnen drie maanden via een notaris een aktevaststelling erfdelen wordt opgesteld, notarieel of onderhands, en dat aan ondergetekende wordt uitgekeerd, zo spoedig mogelijk, een gedeelte van haar erfdeel, ter compensatie van de bevoordelingen die tijdens het leven van erflaatster reeds zijn ontvangen door andere erfgenamen van erflaatster”;
- dat genoemde voorwaarde door de ondergetekende sub 2 genoemd werd gesteld in verband met de omstandigheid dat door haar genoemde ouders aan ondergetekenden sub 3 en 4 genoemd bevoordelingen zijn gedaan, welke in de nalatenschap dienen te worden ingebracht.”
In de akte wordt vervolgens vastgesteld dat tweemaal bepaalde bedragen door de vader aan klaagster dienen te worden voldaan voor of uiterlijk op 30 oktober 1992 respectievelijk voor of uiterlijk op 28 februari 1993, terwijl het restant bedrag door vader renteloos aan haar wordt schuldig gebleven en eerst opeisbaar zal zijn bij zijn overlijden, zodat dit bedrag vooraf uit diens nalatenschap aan klaagster dient te worden voldaan. Onderaan deze overeenkomst staat vermeld “ Aldus opgemaakt en getekend te […], oktober 1992.” De door klaagster overgelegde kopie is niet ondertekend en bevat geen precieze datum.
2.8. Omdat klaagster zich niet kan herinneren een verklaring van berusting en een vaststellingsovereenkomst te hebben ondertekend, heeft zij de destijds bij de gang van zaken betrokken notarissen medio 2013 gevraagd om afgifte daarvan. Notaris mr. [3], gevestigd in […], die het protocol van mr. [1] heeft overgenomen, heeft haar desgevraagd bericht enkel te beschikken over genoemde akte van levering van 9 januari 1992. Aan deze akte is geen bijlage bevestigd, aldus notaris [3] in zijn e-mailbericht aan klaagster van 3 juni 2013, waarbij hij heeft opgemerkt dat daaruit anderzijds valt op te maken dat notaris [1] hetgeen is geschreven, heeft vastgesteld.
2.9. Naar aanleiding van haar verzoek heeft notaris [2] bij e-mailbericht van 7 augustus 2013 als volgt bericht:
“De gang van zaken rond de overdracht door uw vader van de door hem verkochte woning aan de […] te […] begin januari 1992 was zodanig afwijkend dat mij daarvan het een en ander is bijgebleven. De herinnering werd bij mij weer levend na het lezen van de tekst van de vaststellingsovereenkomst in 2011. Ik zal mijn herinneringen over de gang van zaken hierna nogmaals weergeven.
De overdracht moest destijds enige dagen worden uitgesteld omdat kort voor de geplande overdracht bleek dat uw vader nog geen verklaring van erfrecht had laten maken. Daardoor stond nog niet vast dat de vier kinderen (uw zussen en u) het testament van uw moeder niet zouden aanvechten. Als dat wel zou gebeuren en de rechter zou het testament opzij schuiven, dan zou de consequentie daarvan hebben kunnen zijn dat de overdracht van het huis alleen door uw vader en de vier dochters samen zou hebben kunnen plaatsvinden en niet door uw vader alleen.
Als ik mij goed herinner ben ik – om de vertraging van de overdracht zoveel mogelijk te beperken – langs gegaan bij alle vier de kinderen om de benodigde verklaring van berusting te laten tekenen. Een van de kinderen wilde in eerste instantie niet tekenen, want die was het er niet mee eens. Uiteindelijk was die persoon na uitgebreide uitleg bereid om te tekenen voor berusting, mits er binnen korte tijd een vaststelling zou plaatsvinden van de kindsdelen. Aangezien volgens het testament van uw moeder de kindsdelen toch zouden moeten worden vastgesteld behoefde dat niet echt een probleem te zijn voor uw vader.
Die vaststelling zou niet bij notaris [1] plaatsvinden, maar bij de eigen notaris van uw vader. Dat zal naar ik aanneem de toenmalige notaris in […] zijn geweest. Na die overdracht op 9 januari 1992 heb ik met de nalatenschap van uw moeder en ook met uw vader en de vier kinderen niet meer te maken gehad.
Met uw zussen en u heb ik pas weer te maken gekregen in 2011. Dat zal mij ook nog lang bijblijven.
Zoals ik reeds meermalen heb aangegeven (en door u geciteerd) heb ik hiervan geen andere stukken dan wat ik van uw zus gekregen heb, (een kopie van een(tekst van een) vaststellingsovereenkomst, zonder handtekeningen), en inmiddels een kopie van de bij het kadaster ingeschreven akte van 9 januari 1992.”
2.10. In juni 2013 heeft klaagster ook notaris [y], die het protocol van notaris [*] heeft overgenomen, verzocht of hij de genoemde stukken aan haar kon verstrekken en of hij haar vooraf een kostenopgave wilde doen. Notaris [y] heeft haar vervolgens bericht bereid te zijn het nodige zoekwerk te verrichten onder mededeling van de daaraan verbonden kosten. Omdat klaagster niet aan hem heeft bericht in te stemmen met de geraamde kosten, heeft hij gewacht met het verrichten van werkzaamheden. Vervolgens is klaagster met de notaris gaan corresponderen en heeft zij steeds meer vragen aan hem voorgelegd, wat voor de notaris aanleiding heeft gevormd de geraamde kosten te verhogen. Op 22 juli 2013 heeft klaagster bij deze kamer een klacht ingediend tegen notaris [y] in verband met “het weigeren van een verstrekking kostenopgave kopie getekende vaststellings-overeenkomst” (SHE/2013/61). Nadat de notaris had gedupliceerd, heeft de plaatsvervangend voorzitter van de kamer klaagster en notaris [y] uitgenodigd voor een gesprek. Vervolgens heeft klaagster haar klacht bij brief van 7 september 2013 ingetrokken.
2.11. Zoals gemeld heeft klaagster op 22 januari 2014 de huidige klacht tegen notaris [y] ingediend.
3. De klacht
3.1. Klaagster stelt dat haar vader zijn testament heeft herroepen op basis van een niet valide document (de genoemde vaststellingsovereenkomst) en op basis van documenten die wel worden genoemd in notariële en kadastrale akten, maar niet worden overgelegd (verklaring van erfrecht betreffende de nalatenschap van vader (kamer: bedoeld zal zijn de verklaring van erfrecht betreffende de nalatenschap van moeder), de verklaring van berusting, het testament van moeder, het voor klaagster bepaalde kindsdeel volgens het testament van moeder). Zij verwijt notaris [y] dat hij tijdens het gesprek dat op 12 november 2010 heeft plaatsgevonden met geen woord heeft gerept over het bestaan van de genoemde stukken. Klaagster stelt dat notaris [y] op basis van de genoemde stukken en op basis van leugens het testament van haar vader heeft herroepen en dat hij daarmee bewust haar erfdeel heeft verkwanseld.
3.2. Mr. [y] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. De inhoud van dit verweer zal hierna worden besproken.
4. De beoordeling
4.1. Op grond van artikel 93, lid 1, van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De kamer dient de handelwijze van de notaris te toetsen aan de in dat artikel omschreven tuchtnorm.
4.2. De klacht heeft betrekking op de handelwijze van notaris [y] ten aanzien van het testament van de vader van klaagster, welk testament op 17 augustus 2010 door hem is gepasseerd. Vast staat dat de notaris klaagster tijdens een gesprek op 12 november 2010 heeft geïnformeerd over de inhoud van het voor haar relevante gedeelte van dat testament en haar daaruit voortvloeiende rechtspositie.
4.3. Op grond van het bepaalde bij artikel 99, lid 15, Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van de notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen. Nu klaagster op 12 november 2010 kennis heeft genomen van de inhoud van de voor haar relevante passages uit het testament, is de kamer van oordeel dat een klacht over de handelwijze van de notaris met betrekking tot de totstandkoming van dit testament uiterlijk op 13 november 2013 bij de kamer had kunnen worden ingediend. De huidige klacht is echter niet eerder bij de kamer binnengekomen dan op 22 januari 2014, dus na het verstrijken van de klachttermijn. Dat klaagster mogelijk, zoals zij stelt, pas later tot de ontdekking is gekomen dat er diverse andere documenten zouden bestaan, zoals een vaststellingsovereenkomst en een verklaring van berusting, die de handelwijze van de notaris in een ander daglicht zouden plaatsen, doet daaraan niet af. Het is immers vaste jurisprudentie dat het moment waarop een klager zelf tot de overtuiging komt dat het handelen of nalaten van de notaris onjuist is, niet doorslaggevend is voor het begin van de klachttermijn. De kamer ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om daarvan af te wijken. Dit betekent dat klaagster niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar klacht.
4.4. Ten overvloede overweegt de kamer dat haar overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot de conclusie zouden moeten leiden dat notaris [y] het testament, waarbij de vader van klaagster haar uitdrukkelijk heeft uitgesloten als erfgename in zijn nalatenschap, niet op deze wijze zou hebben mogen passeren, waarbij de kamer mede in aanmerking neemt dat een notaris in beginsel mag afgaan op de juistheid van de akte van zijn ambtgenoot.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in de klacht.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.A.W. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, mr. P.M. Knaapen, plaatsvervangend rechterlijk lid, mr. J.L.G.M. Mertens, notarislid, mr. J.A.P. Dings, plaatsvervangend notarislid, en mr. J.J.G.M. Kuijpers, belastinglid.
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2014 door mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.E.L.A.M. de Groot-Hofstad als secretaris.
Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.